erfgoedobject

Beplanting op 19de-eeuwse verdedigingsgordel

landschappelijk element
ID: 134472   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134472

Juridische gevolgen

Beschrijving

In de restanten van de oorspronkelijke beplanting – vooral beuk en meidoorn – op de overgebleven gedeelten van de verdedigingsgordel (inclusief de citadel), aangelegd in 1837-1856 rond Diest, zijn de instructies van een ministerieel besluit van 1852 met betrekking tot de beplanting (te gebruiken soorten, plantverband, te beplanten zones…) nog duidelijk afleesbaar.

Historische context en bevestingsconcept

De aanleg van een verdedigingsgordel rond Diest in 1837-1856 vormde een belangrijk onderdeel van de nationale defensiepolitiek. De stad kreeg een spilfunctie toebedeeld bij de verdediging van de pas opgerichte Belgische staat. Aanvankelijk werden vooral de 'Hollanders' als potentiële vijanden beschouwd, maar na 1839 werd het defensieconcept herdacht. De aandacht werd toegespitst op Luik, Namen en Antwerpen, maar Diest werd bedacht met de rol van bruggenhoofd, ter dekking van een eventuele terugtocht van het leger. Op Ieper na is Diest de enige stad waar nog belangrijke delen van een artillerie-omwalling aanwezig zijn. Het is ook de laatste vesting die in de periode van het gladde geschut werd gerealiseerd. Diverse onderdelen van het patroon zijn verdwenen maar de interessantste bleven bewaard.

De verdedigingsgordel van Diest is van het polygonale type, gebaseerd op de theorieën van Montalembert (1714-1800). Het polygonale stelsel werd in het begin van de 19de eeuw voornamelijk toegepast in Pruisische landen. Frankrijk en de landen onder Franse culturele invloed bleven tot circa 1870 het gebastioneerde stelsel getrouw. Diest is de directe voorloper van de Brialmontvesting te Antwerpen, waar in 1860-1865 de ideeën van Montalembert integraal werden toegepast. De aanleg van de verdedigingsgordel ging ook gepaard met tuin- en bosbouwkundige ingrepen...

De wetgever als tuinier

Het ministerieel besluit van 18 mei 1852 "concernant les pépinières et les plantations à faire dans les terrains dépendant du domaine particulier de la guerre" geeft vrij precieze aanwijzingen voor de aanplantingen op vestingwerken. In het besluit wordt vooraf algemeen gesteld dat de terreinen die behoren tot het particuliere domein van het 'ministerie van Oorlog' op aanwijzing en onder leiding van de commandanten van de genie kunnen worden beplant met hoogstammige bomen, schaarhout, grienden, hagen enzomeer. In vredestijd zouden deze aanplantingen zorgen voor inkomsten, in oorlogstijd voor het hout dat nodig is om de plaats te verdedigen. Bovendien zouden vijandelijke 'naderingswerken', zoals de aanleg van loopgraven, aanzienlijk bemoeilijkt worden. Het plantmateriaal moest betrokken worden uit eigen pépinières, die op beschutte plaatsen binnen de vesting zouden worden aangelegd.

De hoofdwallen dienen volgens het besluit met twee bomenrijen beplant te worden: één aan de voet van het talud van het 'banket' en een tweede op één meter van de kruin van het binnentalud van het 'terreplein', op minstens 4 m afstand van de eerste rij (artikel 10 van het besluit). Dit voorschrift vinden we nog geconcretiseerd in de oude, zwaar gehavende beuken in de omgeving van de Schaffensepoort en de Saspoort, bomen met stamomtrekken tot 350 cm, die op enkele exemplaren na tijdens de laatste jaren om veiligheidsredenen werden gerooid. Aan de voet van het binnentalud mag een derde bomenrij geplant worden als zij het verkeer niet hindert. Van deze derde rij is in Diest niets meer van overgebleven, maar op een oude prentbriefkaart – vermoedelijk in de omgeving van het begijnhof en de Schaffensepoort en genomen vóór 1910 – is aan de voet van het talud een rij zware iepen te zien.

De 'cavaliers', 'halvemanen', 'tenailles' enzomeer kunnen op analoge wijze worden beplant (artikel 12). Aanplantingen in de grachten, op de onderwallen en buitentaluds zijn daarentegen om begrijpelijke redenen verboden (artikel 13). Aan de voet van het binnentalud van de 'bedekte weg' zal een rij bomen worden aangeplant. Zij dienen om er in geval van belegering de dwarshouten aan vast te maken die de verbinding vormen tussen de palissades die dan op het banket worden aangebracht (art. 14). Een of meerdere rijen bomen moeten worden aangeplant ("Il sera planté"!) op het 'glacis' (het voorterrein van de vestingen), vooral op de plaatsen waar vermoedelijk de vijandelijke nadering zal plaatshebben (artikel 15). De oude beuken rond de citadel bij de Leuvensepoort spruiten voort uit dit artikel. Op de taludbermen van 'espcarp', 'contrescarp', doorsneden glacis en 'caponnières' mag een rij bomen worden aangeplant (artikel 16), op de verbindingswegen die breder zijn dan 4 m zelfs twee (artikel 17). Militaire oefenterreinen, ten slotte, kunnen worden omheind met één of twee rijen bomen (artikel 18) en ook terreinen buiten de vestingen, onder meer overstromingsgebieden zoals het Webbekomsbroek, mogen worden beplant (artikel 19).

Hakhout, bij voorkeur eik, zal worden aangeplant op delen van het glacis waar de vijand vermoedelijk aanvalswerken zal uitvoeren of die te droog zijn om als weiland te beheren (artikel 20). Grienden, knotwilgen of andere kleine, waterminnende boom­soorten kunnen worden aangeplant langs de oevers van natte grachten en waterlopen (artikel 21). Levende hagen zullen worden aangeplant als omheining, als bescherming van de moestuinculturen en pépinières ("produits du sol") en als afscheiding tussen het openbaar domein en het privé-domein van het Ministerie van Oorlog (artikel 22).

Ten slotte volgt een reeks bepalingen en aanwijzingen waaruit duidelijk blijkt dat de bosbouwers mee over de schouders van de militairen hebben gekeken. (De Belgische bosbouw is, in het spoor van de Franse, in volle opkomst; het boswetboek dateert van 1854). Met het oog op een oordeelkundige keuze van de soorten wordt zoiets als een bodemonderzoek ("la nature du terrain") aanbevolen en een afwisseling van trage en snelle groeiers. De planten moeten bij hun aanvoer uit de boomkwekerij nog op dezelfde dag op hun definitieve standplaats worden aangeplant. De plantafstand mag niet zo klein zijn dat de ontwikkeling van hun wortelgestellen of kronen in het gedrang komt, dat de luchtcirculatie in het bestand wordt belemmerd of dat de onderbegroeiing afsterft. Als er twee of meer rijen bomen worden aangeplant, dan dient dit te gebeuren "en quinconce", als de ogen van een dobbelsteen bij de vijf. Bij schaarhout moet in de regel een plantafstand van minstens één meter worden aangehouden. Enkele voorschriften doen nogal bizar aan, onder meer dat de plantgaten in de loop van de zomer moeten worden gegraven, ten minste drie tot vier maanden op voorhand. De aanbeveling om het gebruik van steunstokken zoveel mogelijk te vermijden sluit dan weer aan bij een recent verworven inzicht dat door het gebruik van lange steunstokken de ontwikkeling van 'trekwortels', belangrijk voor de toekomstige stabiliteit van de boom, wordt afgeremd.

De aanplantingen en de huidige toestand

In de winters van 1855, 1856 en 1857 werden 1.371 eiken, 701 iepen, 1.584 beuken, 32 essen, 3.900 stuks eiken- en 4.100 stuks elzenhakhout, 6.800 teenwilgen en 19.125 meidoornstruiken aangeplant. Op dat moment was de voet van de hoofdwal langs de stadszijde al met hoogstammen beplant.

De vesting Diest werd nooit belegerd. De Frans-Duitse oorlog (1870-1871) toonde aan dat kleine versterkte steden zoals Diest, gebouwd in de periode van het 'gladde geschut', het geen drie dagen uithielden. In 1895 werd de kernvesting en het fort Leopold bij koninklijk besluit 'gedeclasseerd'; in 1906 onderging de citadel hetzelfde lot. De ontmanteling startte in 1904 met de afbraak van de Leuvensepoort; kort daarop volgden de Hasseltsepoort en de omgeving van het station. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gedeelte tussen de Leuvensepoort en de Hasseltsepoort gesloopt in het kader van een tewerkstellingsproject van de overheid. Na de Eerste Wereldoorlog drong het stadsbestuur herhaaldelijk bij het Ministerie van Landsverdediging aan om de sloping te hervatten, wat om financiële redenen telkens werd geweigerd.

Uiteindelijk besliste de overheid op 5 maart 1929 om een groot gedeelte van de wallen aan de stad af te staan in ruil voor het vermaarde schilderij 'Het Laatste Oordeel'. Het stadsbestuur was van plan om de wallen te slechten; daarbij zouden heel wat werklozen een tijdelijke job vinden en een belangrijke hinderpaal voor de stadsuitbreiding zou worden opgeruimd. Deze plannen stuitten echter op sterk verzet, zowel van de Vereniging tot Behoud van Natuur- en Stedenschoon als van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, hierbij gesteund door haar corresponderend lid G. Van der Linden, stadsarchivaris. Aanvankelijk draaide de discussie niet zozeer rond het behoud van de wallen als dusdanig maar rond het behoud van de bomen, grotendeels iepen. De stad beriep zich in 1930 op haar "genepen geldelijken toestand", op de kaprijpheid van de bomen én op de iepenziekte om grootschalige kappingen te verantwoorden. Origineel was dat niet. De rond 1920 uitgebroken iepenziekte werd toen volgens sommigen niet zelden als alibi gebruikt om middels massale rooiingen van iepen aanpassingen van het wegennet mogelijk te maken en ze bovendien, dankzij de houtverkoop, te financie­ren.

Voldongen feiten

De aanleg van een openluchtzwembad in de 'halve maan' bij de Hasseltsepoort tijdens de Tweede Wereldoorlog; de aanwezigheid in 1945 van Engelse troepen, die hun machines ten dienste stelden van de stedelijke technische dienst; de sloping van het gedeelte tussen de citadel en het station... waren beslissende momenten in de verdere ontmanteling. Tot het begin van de jaren 1960 zou de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen via talloze interventies, zowel bij de hogere als de lokale overheden, blijven ijveren voor het behoud van de Diestse stadswallen, maar ze moest zich telkens neerleggen bij de voldongen feiten. Het scenario was achteraf beschouwd heel voorspelbaar. Eerst werden de oude bomen gekapt en niet meer door nieuwe vervangen. Vervolgens werd de wal als zand- en kleigroeve geëxploiteerd en in de grachten werd de stadsvuilnis gedumpt. Ten slotte was de aanblik zo afstotend dat er maar één oplossing bleef: sloping. Opmerkelijk is dat een eventuele 'klassering' als landschap pas in 1963 werd overwogen. Tot een daadwerkelijke bescherming als 'stadsgezicht' zou het pas komen op 25 mei 1996.

Uiteindelijk zou slechts één derde van het tracé van de omwalling, namelijk het gedeelte dat eigendom bleef van de Belgische staat, samen met de citadel en het Fort Leopold worden gespaard. Dit nam echter niet weg dat ook daar, bij de aanleg van de de oostelijke stadsring en de aanleg van parkings ter hoogte van het sportstadion en het begijnhof, de basis van de hoofdwal werd afgegraven en de bastions werden verminkt of genivelleerd.

Van de oorspronkelijke hoogstammige aanplantingen blijven alleen beuken (Fagus sylvatica) over; op het omwallingsgedeelte langs de Leopoldvest en de Antwerpsestraat zijn dat nog slechts acht stuks, bomen met stamomtrekken tussen 250 en 350 cm. Wegens de aanwezigheid van reuzenzwam moesten in 1998-1999 verschillende beuken in de omgeving van de Schaffensepoort worden gerooid. Op de taluds langs de Leopoldvest en de Antwerpsestraat komt veel opslag van iep (Ulmus carpinifolia) voor, wortelopslag die vermoedelijk teruggaat tot de majestueuze iepen die we op oude foto's aan de voet van de binnentaluds van de hoofdwal zien afgebeeld. Opvallend op de buitentaluds zijn de talrijke oude en zware struiken eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), ongetwijfeld restanten van de 19.125 meidoornstruiken van 1855-1857.

De oorspronkelijke aanplanting op het glacis van de citadel is nog grotendeels aanwezig, beuken met stamomtrekken tot 423 cm. Van de voorgeschreven quincunx is in het huidige rechthoekraster (10 bij 16 m) weinig terug te vinden, maar het is niet onwaarschijnlijk dat er ooit een dunning werd uitgevoerd, waarbij om de andere rij werd gerooid, en dat het oorspronkelijke verband inderdaad een "quinconce" was met een vaste plantafstand van 10 meter. Ook op het glacis van de citadel duiken nu en dan oude meidoornstruiken op. Waarschijnlijk hebben ook tuinesthetische overwegingen een invloed gehad, want de buitenste (laagste) rij beuken zijn bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'). De hang naar bruine beuken voor rij- of randbeplantingen is typisch voor die periode en manifesteert zich in tal van domeinen die circa 1850 werden (her)aangelegd of (her)beplant, bijvoorbeeld in de randbeplanting van het Klein Park (Ave Regina) te Lovenjoel, in de dreefaanplantingen van het Groot Park (Salve Mater) eveneens te Lovenjoel, in de dreven van het Heverleebos-Meerdalwoud (als uitbreiding van de aanleg van het kasteelpark van Arenberg).

Het resterende gedeelte van de wal tussen de Halve Maan en het station, langs de huidige Leopoldvest, zal in 1959, bij de aanleg van de ringweg en dankzij het aandringen van stadsarchivaris Van der Linden (zie het verslag aan de provinciegouverneur van 6 juli 1960), door het toenmalige 'Groen Plan' (Ministerie van Openbare Werken) opnieuw worden beplant. Deze beplanting beslaat een groot gedeelte van de 'plongée' (bovenvlak) van de hoofd­ wal tussen de Schaffensepoort en de parking bij het stadion. Ze bestaat uit een dubbele rij esdoorns, meestal Noorse esdoorn (Acer platanoides), soms ook gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en, uitzonderlijk, ook Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica'), witte abeel (Populus alba) of Hollandse linde (Tilia x europaea), die op de kruin een dreefje vormen. Op de weggegraven gedeelten van de omwalling in die omgeving – bijvoorbeeld bij de brug van de Antwerpsestraat (A op de topografische kaart) – werd een gemengd plantsoen aangebracht van gewone plataan (Platanus x hispanica), honingboom (Sophora japonica), bruine beuk, meelbes (Sorbus aria), schietwilg (Salix alba), Noorse esdoorn en witte abeel.

Merkwaardige bomen op het glacis van de citadel: (opname 11 augustus 2000). Het cijfer in vet geeft de stamomtrek in centimeter weer. De omtrek wordt standaard gemeten op 150cm hoogte.

  • 5. gewone beuk (Fagus sylvatica) 423
  • 7. gewone beuk (Fagus sylvatica) 415
  • 9. gewone beuk (Fagus sylvatica) 410
  • 12. gewone beuk (Fagus sylvatica) 409

  • Archief Monumenten & Landschappen, Leuven: dossier 'Vestingen Diest'.
  • Journal militaire officiel, XVIII, Brussel, 1852, p. 133-139.
  • PAESMANS G., verantwoordingsnota bij beschermingsvoorstel 19de-eeuwse verdedigingsgordel van Diest, in archief Monumenten & Landschappen, Leuven.
  • POLLENTIER F., Diest, de nieuwe vestingstad en schildwacht in het Belgisch defensiesysteem (1837-1906), in Diest in de vorige eeuw, tentoonstellingscatalogus, Diest, Stedelijk Museum, 1986, p. 85-99.

Bron     : DENEEF R., 2007: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Hageland - Noordoosten van Vlaams-Brabant. Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeek, Diest , Haacht, Keerbergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo.
Auteurs :  Deneef, Roger, Paesmans, Greta, Wijnant, Jo
Datum  : 2007


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    19de-eeuwse verdedigingsgordel Diest

  • Is deel van
    Diest

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Beplanting op 19de-eeuwse verdedigingsgordel [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134472 (Geraadpleegd op 08-08-2020)