erfgoedobject

Park van de abdij van Herkenrode

landschappelijk element
ID: 134628   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134628

Juridische gevolgen

Beschrijving

Interessant park in land­schap­pel­ijke stijl teruggaand tot de 'Engelse tuin' van het einde van de 18de eeuw, aangelegd ter plaatse van de oude parterretuinen, met latere aanpassingen en aanplantingen; deel van het uitge­strekt histo­risch domein van het voormalig abdij­ com­plex der Cisterciënzerinnen, met de onmiddellijk­ omgeving circa 60 hectare groot en sedert begin 19de eeuw benut als kasteeldomein; gebouwen uit de 16de tot de 20ste eeuw, nu opnieuw grotendeels benut als klooster en bezinnings­huis van de Regu­liere Kanunni­kes­sen van het Heilig Graf.

Van abdij naar kasteeldomein

De abdij was een stichting van de graven van Loon in 1182, als vrouwen­klooster en bedoeld als grafelijke begraafplaats. Vanaf 1271 behoorde ze tot de orde van Cîteaux en werd ze een economisch bloeiende onderneming die met de loop der jaren talrijke bezittingen vergaarde. De figuratieve kaart van Peter Meysman uit 1669 toont de abdij met haar talrijke gebouwen, temidden van haar gronden. De nu nog bestaande toegangsdreef vanaf de weg Hasselt-Diest eindigde bij het poortgebouw. Van daar vertrokken meerdere wegen naar de verschillende gebouwencomplexen. Zo lag links het nog bestaande neerhof en rechts vertrok, parallel met de omgrachting, de toegang in oostelijke richting naar het klooster. Eens men het dienstgebouw tussen de gracht en de weg was gepasseerd, werd de toegang een beboomde laan naar de eigen poort van het abdissenkwartier. Ten oosten daarvan lag een ruime, nagenoeg vier­kan­te geom­etrische tuin van twaalf par­terres.

Remacle Le Loups tekening van de abdij van Herkenrode voor de gravure in Les Dèlices toont de abdij zoals ze er rond 1740 bij lag, weinig veranderd sedert 1669. Links ligt het neerhof, in het midden de gotische kerk, omringd door het klooster en de nutsgebouwen en rechts boven het abdissenkwartier met haar binnenkoer. Om het te bereiken moet men door twee overluifelde poorten, aan het einde van de beboomde toegangsweg. Ten oosten ziet men de tuinen, met een rechte laan tussen hoge hagen, lage parterres gevuld met broderiewerk en daarachter de op rij geplante bomen van een boomgaard. Vooraan, op de splitsing van de toegangswegen, groeit een gesnoeide en uitgegroeide linde. De beschrijving in Les Délices du païs de Liège vermeldt de ligging "in een bos doorsneden met prachtige tot in de verte doorlopende dreven van acht rijen eiken en bevloeid door verschillende armen van de Demer, die ook de abdij zelf omgracht en de verschillende gebouwen scheidt. De achtergevel van het abdissenkwartier kijkt uit op een ruime tuin die ook omgracht is door een gekanaliseerde Demerarm, eindigt in een terras met twee paviljoenen en geflankeerd wordt door fraaie lanen van haagbeuk. Voorbij het kloosterpand ligt nog een grote boomgaard met mooie tuinen die aansluiten op de infirmerie en het klooster".

De Ferrariskaart (1774-1775) bevestigt globaal de configuratie: een dreef vanuit het zuidoosten, ten westen het neerhof, de complexe gebouwen met binnenkoeren, tuinen zowel ten westen bij het neerhof als ten oosten bij het abdissenkwartier. Bomen waren geplant op de dijken langs de Demer en langs de omgrachting; een tweede dreef verbond de abdij met het Aldenhof ten zuidoosten, een nog bestaande boerderij.

Uit een laat 18de-eeuwse verslag, verneemt men dat het enorme erf bij de ingang beplant was met linden, dat de abdij twee ruime kloosterpanden bezat waarrond de stiftdames zoals in een karthuizerij, elk een individueel tuintje bij hun kamers cultiveerden, en dat de tuin achter het abdissenkwartier sedert kort vernieuwd was, ruim, goed versierd en perfect onderhouden. Deze nieuwe abdisvleugel was in 1768 door Laurent Benoit Dewez ontworpen en gebouwd ten zuiden van het oude abdissenkwartier, dat ook bewaard bleef. Zowel aan de westals aan de oostgevel van de nieuwe vleugel lagen er tuinen. Aan de oostkant lag de oude parterre­tuin, uitge­breid tot de 17de-eeuwse 'Nieuwe Bo­gaert' die tot een 'En­gel­se tuin' werd omgevormd. Aan de westkant kwam een voortuin.

De Franse revolutie had vanzelfsprekend repercussies op dit rijke complex. Aan de religieuze bestemming kwam met het vertrek van de zusters in 1796 een einde. In 1797 volgde de verkoop van de abdij met 180 bunder grond. De nieuwe eigenaars werden voor 94.500 pond­ deels Pierre Libotton, kasteelheer in Stevoort, deels Guillaume Claes (1752-1841), vrede­rech­ter en notaris in Hasselt, beiden notoire opkopers. De verwerving van zwartgoed had deze laatste tot één van de grootste grondbezitters in het departement gemaakt, met wel 800 hectare. Het abdis­sen­kwartier werd door hem als kasteel ingericht. Libotton, eigenaar van de kerk, verkocht alle kunstvoor­wer­pen en startte er een werkplaats. Ze werd in 1826 door brand geteisterd en in 1842 werden de resten van de kerk volledig geruimd. Sedert 1812 was Claes ook eige­naar geworden van het deel van Libotton. Zijn zoon Ulysse Claes richtte een suikerfabriek en een stokerij in Herkenrode in en kweekte er suikerbieten. Hij bewoonde Herkenrode als kasteel en bouwde in 1865 een nieuwe trap tegen de parkge­vel, een mooie uiting van de nieuwe relatie met het park. Bij zijn dood in 1880 erfden zijn dochter Valérie en haar echtgenoot Charles Duvivier, de voormalige landcommanderij Alden Biesen, die eveneens door Guillaume Claes als zwartgoed verworven was. De abdij van Herkenrode werd het erfdeel van zijn zoon Télémaque (1831-1913). Die brak de oostelijke en westelijke kloostervleugel af en bij zijn dood liet hij Herkenrode na aan zijn dochter Mathilde (1857-1940). Haar echtgenoot August De Keuster kocht het zwaar gehypothekeerd domein op. Bij testament duidde hij architect André Hermant, kleinzoon uit zijn eerste huwelijk met Bertha Swerts als algemeen legataris aan. Op zijn beurt maakte deze in 1972 Herkenrode grotendeels over aan de kanunnikessen van het Heilig Graf in Turnhout. Alleen de hoeve bleef in handen van de familie Hermant, en is ook vandaag nog in andere handen dan het voormalig kasteeldomein.

Het Primitief kadas­ter­plan (1812) is ook voor Herkenrode een rijke bron die niet enkel over het gebruik van de gebouwen informeert maar zelfs het bestaan van een vroeg-landschappelijke tuin signaleert. Het L-vormig gebouw (perceel nummer 23, het abdiskwartier van Dewez) is het kasteel dat ten noorden verbonden is met het oude abdissenkwartier, zelf ten noorden voorzien van aanleunende bijgebouwen, waaronder een brouwerij (nummer 26) en branderij (nummer 28). Ten westen van het kasteel ligt een moestuin (nummer 34) en een lusttuin (nummer 22) en ook de toegangs­laan van voorheen wordt als tuin genoteerd (nummer 31, 36), parallel met de omgrachting (nummer 37 als vijver). Ten oosten, ter plaatse van de 17de-eeuwse parterretuin en de 'Nieuwe Bogaert', strekt zich een 'Engelse' tuin uit, in twee verdeeld door de dwarse arm van de omgrachting waarvan de noordelijke gracht zoals voorheen gevormd wordt door de Demerrivier. Die voedt ook het ­kanaaltje en de vijver (nummer 9) rond het eiland (nummer 10) in de oostelijke helft. De vorm van de percelen lusttuin (nummer 6, 8, 11) laten een vroege landschappelijke aanleg vermoeden. De niet genummerde concentrische cirkels in perceel nummer 6 zou de nog bestaande groene heuvel of 'mount' zijn, zoals de evenmin genummerde kleine rechthoek in perceel nummer 8 als 'kluijs' is aangeduid. De westelijke helft van de kasteeltuin is genoteerd als lusttuin (nummer 18) en als lustgrond (nummer 17 te oordelen naar zijn vorm, vermoedelijk het oude cen­traal water­bek­ken) en heeft twee tuinpa­viljoen­tjes (nummer 12 en 19) in de hoeken. De strook tegen de Demer is deels hooiland (nummer 13), deels boomgaard (nummer 15) en deels moestuin (nummer 16). Verder liggen er in de oude abdij nog ­kleinere tuinen (nummer 38, 29, 31, 48) die telkens aansluiten bij kleinere gebouwen en die moestuinen zijn. De tuinen die Ferraris ten westen van het neerhof situeerde zijn weide geworden (perceel nummer 56, 57, 66), terwijl de moestuin nu ten noorden ligt (perceel 61) naast een boomgaard (nummer 60) en bouwland (nummer 58, 59).

De abdij ontwikkelde zich verder tijdens de 19de eeuw tot een kasteeldomein met een ruim oostelijk park dat nog bestaat, ter plaatse van de parterretuin en van de boomgaard uit het Ancien régime, naast een kleiner park tussen het neerhof en het kasteel. De Dépôt- en ICM-kaarten registreren dit, samen met de korte dreef als afzonderlijke toegang tot het kasteel, – een gebruikelijke ingreep uit het midden van de 19de eeuw –, het padenpatroon in het park, de met een zichtas doorbroken bomengordel en de bomengroepjes in de grasvelden. Latere wijzigingen zijn er nagenoeg op de verschillende uitgaven niet te noteren.

Huize Herkenrode

De gebouwen en de aansluitende gronden, die lang één gedifferentieerd geheel maar één eigendom vormden, groeiden de laatste decennia uit elkaar en raakten in handen van verschillende eigenaars. Het poortgebouw van de abdij is al zo lang overheids­bezit dat een tweede restauratie nodig blijkt. Naast de historische abdijboerderij kwam er ook in de noordelijke bijgebouwen een boerderij waarvoor de oude infirmerie van 1658 als boerenhuis diende. De laatste jaren is deze functie bedreigd. De 18de-eeuwse als kasteel bewoonde abdisvleugel bleef haar residentiële functie behouden, al is het sedert 1972 als klooster in functie van het bezinningshuis dat zelf onderdak vond in het oude abdissenkwartier. Dit werd gerehabili­teerd, gerestaureerd en uitgebreid met een nieuw ge­bouwde kapel, naar ontwerp van ir. architect Lucas van Herck, in opdracht van de kanunnikessen van het Heilig graf. Voor het park had deze bestemmmingswijziging geen gevol­gen.

Herkenrode, gelegen in een coulissenl­and­schap, is ook vandaag nog van oost naar west door­sneden door de Demer, met ten noorden de beem­den en ten zuiden de oude abdij met haar aanhorigheden, haar neerhof en het oostelijk gesitueerde kasteelpark.

Vanaf de Kuringers­teen­weg loopt er in de richting van het oude poortgebouw uit 1531 een monu­men­tale dreef, Her­ken­rode­dreef genaamd. De dub­bele rij geknot­te lin­den, gemengd met witte paardekastanje, wordt halver­wege ongelukkigerwijze door­sneden door de snelweg E 313. Een aftakking van deze dreef, vanaf de Sacra­mentstraat voert, als tweede dreef van bruine beuken en witte paardekastanje, via een brug over de snelweg naar Huize Herkenrode.

Zoals op het Primitief kadasterplan al het geval was, ligt er ten westen van het kasteel een voortuin met een ruim gras­veld en een rondweg van maasgrind, begeleid door heestermassieven en bomen­groe­pen. Onder meer zijn er Californische schijncipressen (Chamaecyparis law­oniana), vier Itali­aan­se popu­lieren (Populus nigra 'Italica') in de gras­rand ten zuiden, en een cultivar van een gewone esdoorn (Acer pseu­doplatanus) (138 cm stamomtrek op 150 cm hoogte, geë­nt). Een bakstenen omheiningsmuur met eenvoudig spijlenhek van giet- en smeedijzer bakent de voortuin aan de zuidkant af. Zoals het een kastaaldomein past is er ter hoogte van de ­dreef van gewone beuk (Fagus sylvatica), een monumentaal toe­gangshek tussen hoge hekpijlers in classicistische stijl. De hekvleu­gels zijn gemarkeerd door een giet­ijze­ren leeuwe­kop in halfreliëf­. Vier ardui­nen schamp­a­len verzekeren de doortocht over de brug van de gracht. We interpreteren deze elementen als de for­malisering en accentuering ­van de kasteelfunctie, te situeren in de eerste helft van de 19de eeuw. Mogelijk zijn de hardstenen vierkante pijlers met ge­pro­fil­eer­de basi­s Io­nisch kapi­teel en fes­toen van elders uit de abdij hergebruikt. Nu zijn ze bekroond met recentere, gietij­zeren Medi­ci­vazen. Een ander zuilfragment werd als tuindecoratie recht gezet in de zuidoostelijke hoek.

Ten westen, in de as van de kas­teel­deur, leidt een poorthek van de voortuin naar de bloe­men­tuin, de parking en de boomgaard van hoogstamperen­bomen, alle gelegen op het perceel van de voormalige kaksteelmoes­tuin (numer 34). Het smeedijzeren moestuinhek met spijlen in lansvorm met weer­ha­ken, hangt tussen hergebruikte, op hun kop ge­plaats­te natuurstenen zuilen. De parking is sedert einde 20ste eeuw aangelegd met taxushagen; een haag van jonge haagligus­ter­ met geel blad (Ligusttrum ovalifolium 'Aureum') scheidt de ruimte van de boerde­rij af.

Het park

Het kasteelpark strekt zich uit ten oosten van het oude en het nieuwe abdiskwartier. Het is een langgerekt park in landschappelijke stijl met monumentale bomengroepen, opvallend door de kleur­schake­ringen en habitus der bomen. De site gaat terug op de oude parterretuinen en bewaart relicten die al in 1744 zijn vermeld, werd einde 18de eeuw herwerkt tot een Engelse tuin, en werd herzien, onder meer wat de aanplanting betreft, in de 19de eeuw en de 20ste eeuw. De ligging tussen de ­Demer en een parall­ele land­weg bleef onveranderd sedert de opmetingen vóór 1812 (datum van het kadastraal Verzamelplan) en de huidige toestand herkent men ook op de kaarten van het Dépôt de la guerre en het ICM.

Het park ligt deels ter plaatse van de omgrach­te, vier­kante geome­tri­sche abdistuin die de iconografie en de cartografie daar toonden en werd rond 1800 met een­ elfde opper­vlakte uitge­brei­d, ten koste van de voormalige boomgaard ten oosten. Een brede bomen­gor­del, plaat­selijk op het land­schap openge­werkt, omgeeft een cen­traal, lang­gerekt grasveld: het is ontworpen vanuit het toen als kasteel bewoonde nieuw abdisver­blijf, waar­voor de as schuin en niet ortogonaal verloopt. De oostel­ijke om­grachting van de oude abdistuin is als dwarsgracht deels be­waard en deels gedicht, maar blijft in het reliëf zicht­baar. Ook het kanaaltje met eiland, geaccentu­eerd door een monu­nentale tulpenboom (Liriodendron tulipifera), is in het grasveld over de dwarsgracht naspeurbaar. De met spi­raal­vormige jonge exemplaren van Californische schijncipres (Cha­maecypa­ris lawso­niana), begroeide verhevenheid op een open plek in de noordoostelijke hoek van het park is een 'mount', een groene uitkijkheuvel die we op het Primitief plan gekadastreerd maar niet genummerd al aantroffen en die dus een overblijfsel is van de 'Engelse' tuin. Recent­ werd er een dool­hof van haag­beuk bij het noor­delijk tuinpaviljoen aangeplant en de houten brug over de oostelijke gracht werd in tropisch hardhout vernieuw­d.

Eén van de twee op het Primitief kadasterplan genoteerde 18de-eeuwse tuin­pa­vilj­oenen in clas­sicistische stijl, dat gelegen was in de noordoostelijke hoek van de abdistuin, is nu in ge­bruik als kapel. Het is een vier­kant gebouw­tje van baksteen met hoek­stenen van na­tuur­steen, voor­heen ge­ka­leide, nu witge­schil­derde gevels en een leien schilddak. Ar­duinen tre­den, een kleur­rijk recen­ter vloertje en het oorspronkelijk stuc­plafond met inscrip­tie en wapenschild van abdis Barbara van Rivieren Aerschot (1728-44) bleven bewaard, evenals de drie rond­boog­ven­sters. De rondboogdeur met boven­waaier van ar­duin kreeg later­ een op­ge­zet­te houten om­ijs­ting. De zuidelijke tegenhanger van het paviljoen werd in 1860 ver­bouwd tot roman­ti­sche torenruïne, een tuinfolly in het landschappelijk park. Vandaag vindt men er nog slechts de grond­res­ten van eveneens in een verhef en begeleid door gewone taxus (Taxus baccata) en stinzenplan­ten, onder meer lelietje der dalen.

De Kluis ach­ter­aan in het midden van het Engels park, is al gesignaleerd op het Primitief plan (vóór 1812) en diende vermoedelijk ook als folly in de eerste Engel­se hof. Het verdween in 1865.

Ten zuiden, bij het kasteel liggen enkele aanhorigheden (koetshuis en stallingen met zadelkamer) uit het begin van de 19de eeuw, gebouwd in functie van de bewoning van de nieuwe abdisvleugel van Dewez als kasteel. Tegen de zuidel­ijke afsluitmuur werd een pavilj­oentje gebouwd in rustieke stijl, met vierkant grondplan, rieten dak en lemen gevels met ven­sters en deur van onbe­werkte boom­stam­men en –takken, typisch voor de 2de helft van de 19de eeuw toen deze stijl voornamelijk voor parkgebouwtjes populair werd. Er hoort fraai tuinmeubilair bij van gietijzer, onder andere tafels en tuinbanken met zwanenmotief in de gestellen.

Bomen
(Het cijfer tussen haakjes geeft de stamomtrek op 150 cm hoogte)

In de voortuin, bonte Engelse veldiep (Ulmus procera 'Argenteovariegata') (1772, Frankrijk), wortelopslag van een verdwenen boom, bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), en rechts van de poort een zomereik (Quercus robur) met een takvrije stam van 8m (321 cm). Bij de nieuwbouw, een zomereik (320 cm) en ertegenover een bruine beuk. In de noordelijke bomenrand: gewone plataan (Platanus x hispanica) (354 en 359 cm); in het grasveld naar de Demer, zuilvormige zomereik (­Quercus robur 'Fastigiata') (284 cm), gewone moerascipres (Taxodium distichum) (266 cm), een groep­je van Ameri­kaanse eik (Quercus rubra) met bruine beuk (400 cm, aange­tast), fijne spar (Picea abies) (220 cm) en tulpenboom (Liriodendron tulipi­fera) (166 cm), treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula') (109 cm) als soli­tair op het gras­veld. Weymouthden (Pinus strobus) (271 cm), bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') (328 cm) en fijne spar (228 cm). Mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) (246 cm), scherpe hulst (Ilex aquifolium) en rododendron (Rhododen­dron spec.) op de grens ten zuiden. In het zuidelijk deel, dominante zomereik met takvrije stam van 8 m (285 cm), gedomineerde bruine beuk (261 cm, zwa­maan­tas­ting), gewone beuk met witgemarmerd blad (Fagus sylvatica 'Argenteomar­morata') met een drie­vou­dige en ge­draaide vertak­king op 1 m hoogte (246 cm op de ent). Op een eilanje ter plaatse van een waterbekken in de abdistuin, een tulpenboom (Lirio­den­dron tulipi­fera) met 3 takken op 1 m hoogte (574 cm). Ierse taxus, cultivar (Taxus baccata 'Fasti­giata Aurea') in groepj­e, rodo­den­dron, Canadapopulier (Populus x canadensis) (318 cm). Ten zuiden, bij de wagenhuizen: gewone beuk (390 cm) en bruine beuk (329 cm) en haag van buxus (Buxus sempervirens). Verder twee perenbomen (Pyrus spec.) en twee reuzenlevensbomen (Thuya pli­cata) (onder andere 213 en 184 cm).

  • Kadasterarchief Limburg, Primitief plan, Verzamelplan van 1812, door Tricot, herzien in 1842 door Modave.
  • Kadasterarchief Limburg, Opmetingsschets van 1860 en 1865.
  • Luik, Bisschoppelijk archief­ Kaart van P. Meirsman, 1669.
  • Met Le Loup op reis. Limburg door een 18de-eeuwse bril bekeken, Tentoonstellingscatalogus, Hasselt, 1993, p. 62.
  • DE SAUMERY P.L.(?), Les Délices du païs de Liège, (Liège, 1744), Anastatische herdruk, Brussel, 1977, deel 4, 1744, p. 220.
  • GERITS J., Limburgse vrouwenkloosters (1792-1794) volgens een reisverhaal (H.J. Lesage o.praem.), in Limburg, 11967, p. 276277.
  • IMPE M., De gebouwen van de Herkenrode Abdij, in Het Oude Land van Loon, XXXIV, 1979, p. 157-228.
  • MOONS J., De Herkenrodeabdij en haar domein op het einde van het Ancien régime, in Limburg, Het Oude Land van Loon, 2000, nr. 2, p. 133-192.
  • SCHLUSMANS F. met medewerking van GYSELINCK J., LINTERS A., WISSELS R., BUYLE M. & DE GRAEVE M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N1 (A-Ha), Brussel - Gent, p. 434-453.

Bron     : DE MAEGD C. EN VAN DEN BOSSCHE H., 2006: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 2: As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Hasselt, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven, Zutendaal, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, van den Bossche, Herman
Datum  : 2006


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    Abdij van Herkenrode
    Herkenrodeabdij 1-4, 1A, 4A-F, 4H (Hasselt)

  • Is deel van
    Kuringen
    Kuringen (Hasselt)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Park van de abdij van Herkenrode [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134628 (Geraadpleegd op 16-10-2019)