erfgoedobject

Kasteeldomein De Burg

landschappelijk element
ID: 134649   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134649

Beschrijving

Kasteelpark in landschappelijke stijl, in het midden van de 19de eeuw aan­gelegd vol­gens de prin­cipes van de ge­broe­ders Bühler, als deel van een landgoed van circa 57 hectare met kas­teel­boer­derij en domi­nant water­kasteel; feodale oorsprong met neerhof-opperhofstructuur op een site die nauwelijks evolueerde sedert minstens de 17de eeuw.

Het kasteel, al vermeld in 1203, was de zetel van de heerl­ijk­heid Lummen, aanvankelijk Loons, later Luiks gebied. Van 1350 tot 1820 met de dood van Louise van der Marck, sedert 1748 echtgenote van Charles Marie Raymond van Arenberg, was het in het bezit van de famil­ie van der Marck. In de 15de eeuw is er sprake van een slot, een castrum, een fortalicium of ook 'die borch metten graven, bomgaerden ende moesshoven'.

In 1837 werd het gekocht door jeneverstoker Lau­rens Renier Palmers (1765-1839) en door het huwe­lijk van ­zijn docht­er Catherine met Henri Gerard Briers (°1791-1873) ­kwam De Burg in het bezit van deze familie. Laurens Palmers en zijn echt­genote Marie Therèse de Borman (1779-1844), waren door aan­koop van zwart­goed met meer dan 600 hectare grootgrondbezitters geworden en onder­ meer even­eens eige­naar van de watermolens van Lummen, het kasteel Ter Laemen met boerderij, drie watermolens en grond in Zolder, het kasteel en wel elf boerderijen in Stevoort en een huis met aan­horigheden en tuin op de Houtmarkt in Hasselt. Hun patrimonium vormde een deel van de bezit­tingen van de clan van onderling door huwelijk gerelateerde families die een groot aantal van de kasteeldomeinen in het Hasseltse bezaten in de 19de en 20ste eeuw (zie Inleiding): Briers en van Willigen waren eigenaars in Schul­en (Herk-de-Stad) en in Lummen, Sigers in Pietelbeek (Hasselt) en de Cecil in ­Wim­mer­tin­gen (Hasselt). Het kasteel De Burg was, zoals een ge­denk­steen in het poortgebouw vermeldt, de woon­plaats van de schrijver Geor­ges Virres, pseu­doniem van Henri Briers de Lumay (1869-1946), provincieraads­id, burge­meester van Lummen (1902-1939), lid van de Ko­ninkl­ijke Commis­sie voor Monumen­ten en Landschap­pen en van de Académie Royale de Langue et Littérature françaises, kleinzoon van Henri Arnold Briers en va­der van de huidige eige­naar.

Het midden 17de-eeuwse kaartboek van de abdij van Averbode toont aan de beek ten oosten van de dorpskern van Lummen een complex kas­teel met twee bevlagde torens. Bij gebrek aan meer gege­vens blijft de vraag open of dit een beeld is van de oude burcht of eerder een icoon ervoor. In 1686 wordt het goed opgemeten en geschetst en op dat moment is er in elk geval geen sprake meer van twee torens. Het omgracht goed lag toen zoals nu, aan het einde van een dreef en over de Mangelbeek. Via een poortgebouw kwam men eerst op het neer­hof waar ver­schil­ende gebouwen in los ver­band lagen, waaronder een oude en een nieuwe schuur, stall­en en een kleine stal, een wagen­huis, een duif­huis en een brou­werij. Hier bevonden zich ook de moestuinen. Links van dit neer­hof lag ­een nage­noeg vier­kante verhoog­de motte van 40.85 bij 46.70 meter be­schermd door meer dan 4 meter hoge muren van 1.30 meter dikte, nog verste­vigd met steun­be­ren en met een ronde hoek­to­ren ten noorwesten, situatie die mogelijk tot de 13de eeuw op­klimt. De jongere kas­teelvleugel lag voor­aan bij de op­haalbrug aan weerszijden van de inrijpoort en ach­teraan op het erf lag een onder­kel­derd ge­bouwtje, mogel­ijk een o­ver­blijf­sel van een toren of donjon. De Burg vertoonde toen dus de klassieke neerhof-opperhofstructuur, met dubbele gracht, een beeld waarin men ook moeiteloos de huidige configuratie herkent en dat wordt bevestigd door de 18de-eeuwse tekeningen en plannen.

Rema­cle Leloup maakte van de Burg midden 18de eeuw een tekeni­ng die in opstand een mooie aanvulling is op het 17de-eeuwse archiefstuk. Rond de ringgracht en de kasteelgracht liggen beboom­de dijken, het pachters­huis sluit aan bij het poort­ge­bouw met trapgeveltje, aan de overzijde ligt een langgestrekte dienstvleugel, een hek sluit het neer­hof af, en naast een kleiner gebouwtje groeit een kromme naaldboom waarin een ooievaar nestelt. Een klimmende houten brug leidt naar de kas­teelmotte waarvan men de keermuren met toren­stomp, steun­beren, latrine, woonvleugel en het gebouwtje op het erf gemakkelijk herkent. De Sau­mery publiceerde geen gravure van de tekening, maar beschrijft de Burg wel in zijn Délices als gele­gen in een door lanen gestructureerde site met uit­ gestrekte vijvers: 'On entre d'abord dans une belle basse cour, dont un fossé plein d'eau forme la clôture; on y voit à gauche le château situé au milieu d'un grand étang, au dessus duquel il est considérablement élevé; le terrain sur lequel il est bâti est coupé en terrasses et son revêtement s'élève jusqu'a hauteur d'apui pour enfermer une cour médiocre sur laquelle domine un pavillon double au milieu duquel est une tour quarrée cou­verte en mansarde, qui forme l'entrée, vis à vis d’un pont de bois, qui va toujours montant'. Ook de tuinen krijgen aandacht. Ze liggen aan de overzijde en hebben, zegt de auteur, niets vermel­denswaardigs buiten hun schoonheid en netheid en de uitgestrektheid van de omringende vijvers die hen van alle kanten onbereikbaar maken. De Ferraris­kaart (1774-1775) bevestigt trouw dit beeld, een gegeven dat in de geschiedenis van de plek con­stant blijft.

Meer informatie nog geeft een handschriftelijke kaart, afkomstig uit het Fonds Arenberg. Ze bevat een nauwgezette opmeting van de site, van de tuinen en van de plattegrondindeling van de ge­bouwen; de legende brengt meer verheldering. De brede gracht met ringgracht heeft een dubbele mot­te. De weg vanuit het dorp, met brug over de Man­gelbeek en één over de kasteelgracht, voert via het neerhof en een brug naar de kasteelmotte. Het ge­bouwtje op het kasteelerf (ook al gesignaleerd in 1686) blijkt een spijker of schuurtje (petit batimens servant à retirer les grains) te zijn. De bredere uit­bouw tussen de steunbeer van de zuidelijke motte­ muur bevat twee latrines. De woonvleugel kreeg sedert de tekening van Leloup, een uitbreiding met twee kamers tussen het poortgebouw en de reeds gesignaleerde ronde hoektoren. Men heeft nu op de gelijkvloerse verdieping, naast kleinere vertrekken bij de trap, in totaal op de gelijkvloerse verdieping vier kamers met schouw. De neerhofvleugel heeft een tweekamerwoning links van de poortdoorgang, rechts ervan een boerenwoning van het dubbelhuis­type met een haard in elk van de twee kamers, een schuur in het verlengde en een kleinere stal, moge­lijk voor varkens.

Tegenover het neerhof ligt het oude cijnshof, ook reeds getekend door Leloup, met bergruimten, oven, bakhuis, stallen, schaaps­kooi en schuur (la vieille cense contenante remises, foure, fournis, étables, bergerie et grange). De tuinen liggen op de neerhofmotte, ten westen van een be­boomde strook in het verlengde van de toegangs­weg die eindigt bij het brouwhuisje dat Remacle Leloup al tekende en dat drie ketels telt. De onge­veer driehoekige strook tussen de gracht en het oude cijnshof is opgevuld met acht parterres ge­scheiden door paden. De toegang tot de tuin, in de as van de brug naar het kasteel, is aangeduid door twee kruisvormig gelede pijlers en het perspectief eindigde op een kleine constructie die men mag interpreteren als een open paviljoentje, hoewel de legende van de kaart dit niet specifieert. Ze noemt de tuinen moestuinen (jardin potager), maar blijk­baar was het een tuin voor nut én voor sier, want uit de tekening mag men afleiden dat vier parterres een siertuin vormden met op de hoeken en in het mid­den van elke zijde boompjes. Ten zuiden van de kasteelgracht ligt een bosje en ten noorden loopt de weg naar het dorp door een sterrebos (étoille), zelf geflankeerd door een nieuwe aanplanting (nouveau plantage). Verder signaleert de kaart akker­land en weiden, beboomde dijken met een brede dreef (grande drève ou avenue) en een smaller pad (petit passez) parallel met de Mangelbeek; verder ligt er een brug over de gracht die de kasteelvijver met de ringgracht verbindt. In de gracht is ten  zuiden van de kasteelmotte een cirkel met mid­delpunt getekend, een gegeven dat niet in de legende is opgenomen. Dankzij een tekening van M. George, gedateerd juli 1831 en bewaard op het kasteel, weet men dat het om een eilandje met boom gaat.

Het Primitieve kadasterplan van de Burg werd op­gemeten door P.J. Nouwen 'kwekeling' (landmeter in opleiding), en het komt in grote trekken met de handschriftelijke kaart overeen. De percelen tuin (nummer 1978, 1979) liggen op dezelf­de plek, het kas­teel (nummer 1971) is nog steeds bereikbaar via het neer­hof (nummer 1974) tegenover het oude cijnshof  (nummer 1977) en via een brug over de kasteelvijver (nummer 1968); ze ligt met haar muren op een vierkante motte (nummer 1969) als tuin in gebruik en het kasteel­erf is een lusttuin (nummer 1970). Weduwe Laurens Pal­mers, renteniers­ter te Hasselt was in 1844 volgens de legger de eigenares.

Toen Philippe de Corswarem (1759-1839) zijn tekening maakte, woonde volgens zijn nota haar kleinzoon Frederik Briers in de Burg. In vergelijking met de tekening van Leloup en met de kaart uit het Fonds Arenberg, constateert men bijkomen­de informatie en enkele wijzigingen. De houten brug van Le Loup loopt nu deels tussen gemetselde borstwerin­gen, onderbroken door een open brug­deel in het midden. Het eerste bruggedeelte rust op twee gemet­selde brug­bogen in de gracht en voert van het neerhof naar het mogel­ijk nog ophaal­baar mid­delste brugdeel dat tussen twee pijlers met bolbekro­ning overgaat in het hoger en laatste ­deel dat op de motte zelf gemet­seld is. Door een rond­boogdeur­tje kan men van op de motte on­der de brug door en langs een lange ­trap tegen de gracht­muur klimt men van de tuinen aan de voet van de gracht naar de inrij­poort. Het poortge­bouw is met een ver­die­ping verhoogd en is nu afgedekt met een ge­mansardeerd schild­dak. De lage bijbouw ten noordwesten en de uitsprin­gende, afgeknotte hoek­to­ren zijn nu vervangen door een nieuwe vleugel, even­ hoog als de kas­teel­vleu­gel. De haakse vleugel op de oost­zijde werd verlengd, maar met behoud van de oude zijt­rapgevel. De mottemu­ren met steun­beren bleven onaan­ge­roerd, met inbegrip van de latri­ne. De neerhofvleugel bleef ongewijzigd en het oude cijnshof was een vakwerkconstructie. Tus­sen de muren en het water teken­de de Cors­wa­rem tuin­tjes, grondgebruik dat het kadaster voor dit perceel (nummer 1969) ook signal­eert­ en dat door de Sau­mery 'ter­rass­e' werd genoemd. De kromme naaldboom op de voor­grond was er al ten tijde van Le Loup, maar het brouwhuis is kleiner gewor­den. Een haag tus­sen de kas­teel­brug en de neer­hof­poort schermt de kasteelgracht af en een tweede haag vormt de scheiding tussen de buitenste ring­gracht op de voor­grond en de parterres. Die tuin is door kruisende paden op de klas­sieke geometrische wijze inge­deeld en heeft lage boompjes langs de rand.

Op de kadastrale opmetingsschets van 1848 wor­den wij­zigin­gen opgete­kend die met een verland­schappelijking van de site te maken hebben. De Dépôt-kaart (ter­rein­op­name 1870, uit­gave 1878) en de ICM-kaart (terreinopname 1884, uitgave 1896) tonen deze toestand die ook van­daag nog bestaat, welis­waar met een ver­een­voudigd­ paden­patroon. Men creëer­de een nieuwe inrit naar het kas­teel, die in 1868 werd gekadastreerd, en legde een park aan in landschappelijke stijl op de oude kasteelgracht en de mottes. De oude toe­gangspoort leidt sedert­dien exclusief naar het neerhof, dat door sloping en nieuwbouw, in 1863 en 1868, rond een vier­kante bin­nen­koer kwam te liggen. Deze ver­nieuwingen zijn niet alleen een antwoord op de nieuwe mode, maar hebben ook te maken met de behoef­te aan een grotere ruimtelijke dis­tan­tie tus­sen kasteel en boerde­rij, een factor die ook elders werd opgemerk­t, zich rond het midden van de 19de eeuw situeert en die de ruimtelijke weerslag is van de groeiende sociale afstand tussen de klassen in de kapitalistische, industriële maatschappij.

De Burg vandaag

Het kasteeldomein ligt nog steeds ten zuiden van de dorps­kern en van de Mangel­beek, op water­rijke gron­den in een half open land­schap van met ­bomen gemar­keerde beemden. Het is be­grensd door ten noorden de Kanada­straat, ten oosten de Thie­winkel­straat, ten zuiden en ten westen de Bur­gemeester Briers­straat en de Mug­genhoek­straat. Het bezit een configuratie die sedert eeuwen nagenoeg onveran­derd is. De noordelij­ke grens is een 1 kilometer lange dreef van zomereik­ (Quercus robur) parall­el met de plaatselijk geka­nali­seerde Man­gel­beek, hier nu Kleine Molenbeek genoemd, en de opvolger van de 17de-eeuwse laan.

De inrit vanuit het westen, aan het einde van de Burge­mees­ter Briers­straat werd midden 19de eeuw aangelegd, toen men de oude toegang naar het kas­teel via het neerhof niet langer geschikt achtte. Het is een gebogen aarden oprij­laan met rodo­den­drons en een haag van éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) ter hoogte van de kas­teel­boer­de­rij, ten noorden. Ze voert naar de voet van het uit de ico­nografie herkenbare kasteel, waarvan de zuidoost­vleugel naderhand, begin 20ste eeuw, werd verlengd. De oude motte­mu­ren met hun steun­be­ren bleven eveneens bewaard en dienen door de klimopbe­groeiing als groene sokkel voor het kas­teel. Ten noordoosten en noord­westen werden ze verlaagd zodat de binnen­koer tussen de kas­teelvleu­gels naar het land­schap werd geo­pend. Ze is ­deels in gras, deels in steen­slag en deels gekas­seid met uitsparing van een strook voor de bloemen­tuin.

Men dempte de oude kasteelgracht volledig aan de zuidwestzijde en gedeeltelijk van het noor­dwes­ten tot het zuid­oos­ten, tot er slechts een sikkel­vor­mige park­vij­ver met ei­land­en overbleef. De in­gangs­poort bleef bereik­baar via een gemet­selde, klim­men­de brug, nu over een droge gracht. Deze aanleg werd in 1868 gekadastreerd.

Het park in landschappelijke stijl, geïnspireerd door de landschapsontwerpers Denis Bühler (1811-1890) en Eugène Bühler (1822-1907), ligt ten oosten en ten westen van het kas­teel, met een rond­weg en sinue­ren­de wan­delwe­gen. Ten zuiden naast de bui­tenste ring­gracht, als af­takking van de Man­gel­beek loopt aan de park­zijde een beboom­de rond­weg. Een uitge­strekt gras­veld met soli­taire bomen en boom­groepen met naar Bühler­gewoon­te, een coni­feer op de kop strekt zich uit tot het kas­teel. In het omrin­gend park­bos met voorj­aars­bloei­ers ­ onder meer Lelie­tje-der-Dalen, is een brede gras­strook uitge­spaard als vrije zicht­as naar het noord­oosten en het zuid­wes­ten. Op de Dépôt-kaart was het door paden verdeeld in een cirkel­vormig deel ten zui­den en een langwerpig ten westen.

De gebouchardeerde ardui­nen zuil aan het einde van de zuidwes­te­lijke ­zicht­as werd overgebracht uit de kasteel­kelders en klimt dus naar alle waarschijn­lijkheid op tot de bouw van het kasteel. Het is een kostbaar relict uit de eeuwenoude geschiedenis van De Burg.

De recente oeverversteviging gebeurde op de tradi­tionele wijze met ge­vlochten wis­sen.

De aloude toegang vanuit het dorp naar De Burg via het neerhof, bleef als rechte onverharde eiken­dreef bestaan, in het verlengde van de Neerstraat en nu vertrekkend van de Ringlaan. Het oude neerhof is nu een zelfstandige boerderij geworden. Het oude poortgebouw klimt mogelijk nog op tot de 16de eeuw, de woonhuisvleugel is in gesinterde bakste­nen gedateerd 1738, de haakse stal is in de 19de eeuw gebouwd in dezelfde stijl met steekboogvor­mige muuropeningen, overhoekse muizetand en pannen zadeldaken, zoals ook de tegenover het huis liggende dwarsschuur. Tegen de schuurgevel en op de vierde zijde werden recentere gebouwen en afda­ken opgetrokken in functie van het melkveebedrijf. Het erf is nu met betonklinkers verhard. Tussen de beek en het boerenhuis is een kleine siertuin aange­legd.

Bomen
Het cijfer tussen haakjes geeft de stamomtrek in cm, gemeten op 150 cm hoogte.

Bruine beuk (Fagus sylvatica 'Purpurea'), Europese lork (Larix decidua), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), gewone haagbeuk (Carpinus betulus), moera­seik (Quercus palustris) bij het einde van de vijverarm, tamme kastanje (Castanea sativa), ruïne van een gele treurwilg (Salix x sepulchralis 'Tristis'), Wey­mouthsden (Pinus strobus). Bosje Amerikaanse eik (Quercus rubra), meerdere exemplaren scherpe hulst (Ilex aquifolium), drie Californische schijnci­pressen (Chamaecyparis lawsoniana) overblijvend van een groep­je, restant van een bosje van oosterse levensboom (Thuya orientalis). Laan van zomereik (Quercus robur) langs de vijver­arm. Gewone pla­taan (Platanus x hispanica) van circa 1800 (550 cm), Fagus sylvatica 'Heterophylla', geënt en met 4-vou­dige kop (325 cm), een tweede exemplaar (410 cm), een kampioenboom (Baudouin J.C. et al. 1992, 354), bruine beuk (geënt 290, met voetent 326, 350, laag gevorkt 378 cm), valse christusdoorn (Gleditsia triacanthos) (330 cm), oosterse jenever­bes (Juniperus chinensis) (160 cm), omge­waaide fijne spar (Picea abies) (336 cm), zomereik (320 cm), gewone moerascipres (Taxodium distichum) op het vijvereil­andj­e.

  • Kadasterarchief Limburg, Opmetingsschetsen van 1848, 1863, 1868.
  • Kadasterarchief Limburg, Primitief kadas­ter­plan door P.J. Nouwen 'Kweke­ling'; Verzamelkaart van Lummen met vermelding: op het land geëindigd 2 augustus 1828, door G. Ques­tienne en H.A. Neven.
  • Has­selt, Rijksarchief, Kadasterplan, nr. 436 is de niet gedateer­de Vóór-Primitieve kadastrale opmeting van Lummen voor dit kaartblak (sectie D 5de blad) door P.J. Nou­wen. De legger da­teert van 1844.
  • Hasselt, Rijksarchief, Fonds Kleine familie­ar­chie­ven, nr. 40, 55 (Briers) en 36 (Palmers).
  • Hasselt, Rijksarchief, Lummen, nr. 94.
  • Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kadasterplan uit het Fonds Arenberg, nr. 520 (Plan du chateau de Lummen avec la basse coure et étangs), s.a., s.d.
  • Met Le Loup op reis. Limburg door een 18de-eeuwse bril beke­ken, Tentoon­stellingscatalogus, Hasselt, 1993, p. 71. Les Délices du pays de Liège. Fac-similé des dessins complémen­taires et restés inédits de Remacle Le Loup, Luik, 1903.
  • AERTS J., De Burg van Lummen, in Limburg, 1974, 1, p. 23-30.
  • BAMPS L., Notes sur la justice répres­sive au pays de Lummen à la fin du siècle dernier, in L'ancien Pais de Looz, 1899, p. 68.
  • BAUDOUIN J.C., DE SPOELBERCH PH. & VAN MEULDER J. 1992: Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Leuven, 354.
  • DE SAUMERY P.L.(?), Les Délices du païs de Liège, (Liège, 1744), Anastatische herdruk, Brussel, 1977, 4de deel, p. 215.
  • JANSSENS L., Repertorium van prekadastrale handschriftelijke kaarten en plategronden bewaard op het Algemeen Rijksarchief te Brussel, Centrum voor studie van land en volk van de Kem­pen, Turnhout, 1987.
  • JELLICOE G. en S. e.a., The Oxford companion to Gardens, Oxford, 1986.
  • STIJNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1835-1940, Brussel, 1998, p. 349.
  • RENMANS J., De families Palmers en Alen, Diepenbeek en Kortessem, s.l., s.d.
  • SCHLUSMANS F. met medewerking van GYSELINCK J., LINTERS A., WISSELS R., BUYLE M. & DE GRAEVE M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
  • THéBAUD P. en CAMUS A., Dicovert. Diction­naire des jardins et paysages, Ris-Orangis, 1993.
  • VAN ERMEN E., Het kaartboek van Averbode, Brussel, 1997, p. 104.

Bron     : DE MAEGD C. EN VAN DEN BOSSCHE H., 2006: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 2: As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Hasselt, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven, Zutendaal, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, van den Bossche, Herman
Datum  : 2006


Relaties

  • Is deel van
    Lummen
    Lummen (Lummen)

  • Is gerelateerd aan
    Kasteeldomein De Burg
    Burgemeester Briersstraat 4, 5, 6 (Lummen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteeldomein De Burg [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134649 (Geraadpleegd op 17-07-2019)