is aangeduid als beschermd monument Kasteel Groeningenhof
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Groeningenhof en dienstgebouwen
Deze vaststelling is geldig sinds
is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Kasteel Groeningenhof met omgeving
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Groeningenhof
Deze vaststelling was geldig van tot
Het domein van het kasteel Groeningenhof, ook gekend als Kontichshof of Hof van Helmont, heeft zich gevormd vanaf de 16de eeuw. Het in oorsprong middeleeuwse kasteel is gelegen in een ruim omhaagd park met parkbos dat in zijn huidige vorm grotendeels dateert uit het einde van de 19de eeuw. L-vormige dienstgebouwen uit de tweede helft van de 19de eeuw met poortgebouw uit de 16de-17de eeuw aan zuid- en oostzijde van het kasteel en duiventoren uit de 17de en 19de eeuw tegen de omgrachting aan oostzijde.
Het cijnshof van Helmont, afhankelijk van het leenhof van Mechelen, kwam in 1314 in bezit van Jan Berthout van Berlaer. Geërfd door de familie van Cortenbach vormde het tot 1431 een geheel met "Ter Tangen" en "Ten Eekhoven". Hendrick van Helmont kwam in 1431 in bezit van het cijnshof dat voortaan de naam ‘Hof van Helmont’ droeg, soms ook ‘Hof van Batenborg’ genaamd. Leenverhef in 1475 door Magdalena van Vriesele doch de werkelijke bezitters waren Peter van Brymeer en zijn echtgenote. Officieel in bezit van Peter van Brymeer in 1494; geërfd door Filippina van Brymeer in 1501. Aangekocht door Hubrecht Welleman in 1507 en reeds in 1508 in bezit van Adriaan Sandelin alias Pieterssone.
Verder in bezit van Adriana Sandelin (1512), Katharina Beukelaer, Angenete van Wyck (1541), Katharina van Wyck (1553). Het cijnshof werd in 1555 verkocht aan Jan van den Broeck. Deze kocht op 8 mei 1551 de landbouwbedrijven ‘Ossele’ en ‘Ykele’, beide lenen van het Hof van Vrijsel. Jan van den Broeck maakte van de drie cijnshoven een geheel onder de benaming ‘Hof van Helmont’.
Voor eerst sprake van de omwaterde hoeve "Ykele" in 1421; "Ossele" was reeds in 1520 een hoeve met stenen huis, de kern van het latere "Groeningenhof". Heerlijkheid "Helmont" in 1563 geërfd door Jehan van den Broeck en in 1581 door Gillis van den Broeck. Toen Marie van den Broeck, echtgenote van Peter van Opmeer in bezit kwam van Helmont in 1591 bestond het uit drie hoeven, waaronder de nederhoeve "Ossele", en het omwaterd stenen speelhuis "Groeningen". Voor 1600 werd de nederhoeve verwoest, doch het speelhuis bleef gespaard en in 1616 kwam de heerlijkheid Helmont in handen van Lucas van Opmeer, die in 1644 ook de heerlijkheden Kontich, Waarloos en Reet aankocht. Door aankoop kwam in 1651 Franciscus Lopes Franco-y-Feo in bezit van de heerlijkheden en liet rond 1651-1660 de barokke poort plaatsen bij de dienstgebouwen en na 1667 herstellingen en verbouwingen liet doorvoeren aan speelhuis en hoeven. Vanaf 1651 tot het einde van het ancien régime bleef de heerlijkheid "Helmont" en het kasteel in bezit van de heren van Kontich.
De gravure verschenen bij J. Le Roy (vierde kwart 17de eeuw) toont het kasteel uit de 16de-17de eeuw, de traptoren, de U-vormige dienstgebouwen en de kapel waarvan nog enkel het poortgebouw overblijft. Een figuratieve kaart, opgemaakt door landmeter Aegidius de Decker in 1692, maakt duidelijk dat het geheel omringd was door een hoekige omwatering met geometrische tuinen binnen deze omwatering.
In 1708 waren enorme bedragen nodig om het vervallen kasteel te herstellen. Op de Kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) wordt het "Château Groningenhof" weergegeven als een waterkasteel, gelegen binnen een ruimere omgrachting waar zich de dienstgebouwen en moestuinen bevinden. Enkele dreven, die het omliggende landbouwgebied doorkruisen, leiden naar het kasteel. Deze dreven zijn nog steeds aanwezig in het landschap.
De laatste heer van Kontich stierf in 1829 en in 1830 kocht Jacobus J.B. della Faille-Auvray het kasteel. Het kasteel bleef sindsdien in het bezit van de familie della Faille. Bij het begin van de 19de eeuw had het domein nog steeds hetzelfde uitzicht als eind 17de eeuw.
Augustin della Faille (1796-1871) gehuwd met Constance Geelhand wijzigde het uitzicht van het domein rond 1850 (zie steendruk in het werk van A. Vasse). Het kasteel werd voorzien van een nieuwe noordvleugel met trapgevels, en om een symmetrisch geheel te bekomen werd de zuidvleugel voorzien van een risaliet met trapgevel. Middenvleugel werd geaccentueerd met een neogotische portiek en neogotische omlijstingen bij de vensters. Blijkbaar was het geheel nog bepleisterd en werden de bijgebouwen en de kapel ten noorden van het kasteel gesloopt. Deze kapel werd vervangen door een neoclassicistische kapel binnen het kasteel met neogotische erker aan westgevel; bekleding en beelden uitgevoerd door J.B. De Cuyper in 1851 (zie datering in Romeinse cijfers).
Op de Popp-kaart (1842-1879) wordt duidelijk dat het domein van het "Château de Groeningen" zich nagenoeg tot zijn latere uitzicht heeft ontwikkeld. Het kasteel op zich wordt niet meer volledig omgeven door water, maar bevindt zich nu op één wooneiland met de dienstgebouwen. De aanhorigheden ten oosten, de pachthoeve, de dorpswoning en de 19de-eeuwse hoeve zijn allemaal reeds zichtbaar. Ook het perceel waarop zich het landschapspark bevindt, heeft zich op dat moment reeds zijn huidige vorm aangenomen.
Onder Rene-Jacques della Faille, gehuwd met Josephe Geelhand, werd het kasteel in een neo-Vlaamserenaissance-kleedje gestoken tussen 1880 en 1888 naar ontwerp van Joseph Claes. Vermoedelijk werd het gebouw ontpleisterd en voorzien van banden en omlijstingen van natuursteen, dakvensters, beluikte vensters, smeedijzeren bekroningen van pinakels en schouwen, een uivormige spits bij traptoren, en een interieur in neo-Vlaamserenaissance-stijl. De dienstgebouwen werden ook gewijzigd, alsook de hofgracht die een grillige nagenoeg ovale vorm kreeg. In 1933 werd de westgevel voorzien van een erkervormige vijfzijdige uitbouw.
Nagenoeg rechthoekig kasteel met twee bouwlagen met centrale vleugel onder leien schilddak, hoofdzakelijk in neo-Vlaamserenaissance-stijl met neogotische elementen, uit de 16de-17de eeuw en circa 1850, 1880-1888.
Verankerde baksteenbouw op arduinen plint met overvloedig gebruik van natuursteen voor speklagen, hoekblokken en omlijstingen. Alle trapgevels met overhoeks geplaatste pinakels en geflankeerd door erkertorentjes. Smeedijzer voor sierankers en sierlijke top- en schouwbekroningen. Symmetrische oostelijke voorgevel met drie trapgevels waarbij twee risalietvormend waartussen sierlijke neogotische korfboogportiek onder balkon. Aan vijver grenzende westgevel met vier trapgevels, waarvan drie aanleunend bij hoofdvleugel. Derde met neogotische erker van de kapel, met spitsboogvensters, onder opengewerkte spitse bekroning. Ingebouwde achtzijdige traptoren aan noordgevel, met overkragende bovenverdieping op boogfries; spits met klokkenstoel en uivormige bekroning. Beluikte kruis-, bol- en kloosterkozijnen met kwartrond geprofileerde lateien en omlopende geprofileerde druiplijsten. In trapgevels grotendeels gebruik van beluikte rondboogvensters.
Vierkant poortgebouw, opgenomen in de L-vormige dienstgebouwen. Poortgebouw van twee bouwlagen onder tentdak (leien) met uivormige bekroning, uit de 16de-17de eeuw. Verankerd bakstenen gebouw met speklagen en hoekblokken van zandsteen. Kordonlijst en kroonlijst op houten consoles. Aangepaste rechthoekige vensters met arduinen lateien. Rondboogpoort in barokke omlijsting van arduin (recent aangebrachte datering 1651 op imposten) met steenmerken van Jean Delfontaine (circa 1580-1667) en Nicolas Lechien (1653- ?) wat de poort circa 1667 situeert, en vermoedelijk nog later afgewerkt met steen geleverd door Nicolas Lechien. Geblokte rondboog met neuten, imposten en voluut-sluitsteen, gevat in geprofileerde omlijsting, waterlijst eindigend op voluten en gekorniste kroonlijst; aansluitend wapenschild van zandsteen van de familie Franco-y-Feo. Rondboogpoort in westgevel in bakstenen omlijsting met blokken, neuten, imposten en diamantkopvormige sluitsteen van arduin.
Ten oosten van het kasteel bevinden zich de vroegere aanhorigheden van het kasteel (vierde kwart 19de eeuw) die intussen verbouwd zijn tot woning. De dienstvleugels van 1880-1888 omvatten de stallen, de conciërgewoning en de koetshuizen. Eén bouwlaag onder zadel- en schilddaken (leien) met getrapte dakvensters en dakkapellen. Oost- en zuidhoeken gemarkeerd door vierkante toren van twee bouwlagen onder tentdak met uivormige bekroning. Verankerde bakstenen gebouwen met vlakke banden en hoekblokken van natuursteen. Rechthoekige vensters en deuren, korfboog- en rondboogpoorten.
De duiventoren uit de 17de en 19de eeuw ligt tegen de omgrachting aan de oostzijde. De toren bestaat uit een centrale rechthoekige vleugel met driezijdige sluiting, van twee bouwlagen onder overkragend afgewolfd dak (leien) en met ingebouwd polygonaal torentje onder polygonale spits (leien). Flankerende vierkante aanbouwsels van één bouwlaag onder overkragende zadeldaken (mechanische pannen). Baksteenbouw met hoekblokken en speklagen.
Op het domein bevinden zich verder ook een dorpswoning uit het vierde kwart van de 19de eeuw (ten noordoosten), een hoeve uit dezelfde periode (ten noordwesten) en een pachthoeve, de Lage Bogaardhoeve, van het kasteel van rond 1870 aan het zuidwestelijke uiteinde van het park.
Het kasteel wordt omgeven door een omhaagd park met solitaire bomen en gazons, boomgroepen en een parkbos. Het parkbos, in totaal zo’n dertien hectare, bestaat voornamelijk uit beukenbos en één perceel recentere populieraanplanting. Deze populierenaanplanting neemt een groot deel van de vroegere moestuin in, die in het derde kwart van de 20ste eeuw deels bebost werd en waarin ook een woonhuis werd opgetrokken. In een nabijgelegen populierenbosje bevindt zich een mooi ontwikkelde kruidlaag van alluviaal elzenbos. Het domein wordt zowel aan de oostzijde als aan de zuid- en westzijde begrensd door een dreef. De twee op de luchtfoto van 1947-1954 nog duidelijk zichtbare zichtassen naar het zuiden en zuidoosten zijn ondertussen grotendeels dichtgegroeid.
Een opvallend gekasseide dreef van opgaande bomen leidt vanaf de Groeningenlei naar het kasteel Groeningenhof, ten westen van het centrum van Kontich gelegen. De weg leidt over de omgrachting via de toegang met polygonale bakstenen hekpijlers naar het poortgebouw. Het domein is ook nog steeds langs de westzijde via de oudere toegang bereikbaar.
Het oorspronkelijke waterkasteel is omgeven door een onregelmatige, ovale omwatering die aansluit op de door de Mandoerse Beek gevoede vijver. Resultaat van de rond 1850 uitgevoerde transformatie waarbij de oude strakke omgrachting tot “natuurlijk” ogende rivier werd omgevormd.
Auteurs: Wylleman, Linda; Artois, Dirk; Mortier, Sophie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)