erfgoedobject

Park van het kasteel van Gaasbeek

landschappelijk element
ID: 134745   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134745

Juridische gevolgen

Beschrijving

Domein van 49 hectare rond een burcht uit 1236; renaissanceaanleg met terrastuin, paviljoenen, ­ gloriettes en sterrenbos circa 1620; afbraak van de torens en muren op zuidflank rond 1710; uitbreiding van het sterrenbos in 1762; rond 1800 bouw van een 'triomfboog' en, op het snijpunt van diverse oude en nieuwe dreven en zichtassen, een belvédèretoren; historiserende renovatie van het kasteel door Charle-Albert in 1887, aanleg van een neorenaissancetuin op de binnenplaats; kasteel door de Belgische Staat ingericht als museum in 1922, aanleg van een 'museumtuin' met een unieke verzameling leifruitbomen in 1996-1997; talrijke oude haagbeuken (relicten van 18de-eeuwse palissades en charmilles) en beuken.

De Middeleeuwen

Begin 13de eeuw verkreeg Godfried van Leuven, oudste zoon van Hendrik I, hertog van Brabant, het 'Land van Gaasbeek', gelegen in het zuidwesten van het hertogdom Brabant. Hij liet omstreeks 1236 een burcht bouwen om zijn heerlijkheid te beschermen tegen invallen uit Vlaanderen en Henegouwen. In 1388 werd ze een eerste maal door een brand vernield. Het domein van Gaasbeek wordt voor de eerste maal beschreven in een document uit 1404. Het omvatte onder meer een wijngaard, boomgaard, moestuin en een "perdriser", een afgesloten gedeelte waar patrijzen gekweekt of gehouden werden. In 1488 werd de heropbouw voltooid door de toenmalige eigenaar, Filips van Hoorne. Maarten van Hoorne liet rond 1550 de burcht grondig ombouwen; de zandsteen werd vervangen door baksteen. Gaasbeek was het eigendom van Lamoraal, graaf van Egmond, vanaf 1565 tot aan zijn onthoofding in 1568.

Fonteinen en diverse rare figuren

Renaat de Renesse, graaf van Warfusée, kocht het kasteeldomein in 1615. Hij liet tuinen aanleggen en verspreid over het hele domein kleine gebouwen oprichten. Uit die periode dateren de eerste afbeeldingen, namelijk een 17de-eeuwse lavistekening en een ets in de 'Antiquitatis illustrissimi' van Gramaye uit 1610. Het slot vertoonde toen nog een erg heterogene en gesloten structuur – diverse gebouwen in traditionele bak- en zandsteenstijl (vensters met kruiskozijnen incluis) rond een vijfhoekige binnenplaats, of zoals in een beschrijving uit 1654: "welck kasteel light rond-omme in syne muren, ende omsingelt met diversche torens van kareel ende witten arduyn". Het enige renaissancistische element was de symmetrische ingangspartij met in het midden de toegangspoort bekroond met een driehoekig fronton, aan weerszijden geflankeerd door zware torens.

Zoals kan worden afgeleid uit een beschrijving van het domein van Gaasbeek uit 1654, had de tuin een onmiskenbaar renaissancistisch karakter en nodigde hij uit tot "uyt-nemende schoone ende rare wandelinghen tusschen Hagen ende Dreven met Linde-boomen beplant". Bij deze beschrijving naar aanleiding van een geplande, maar niet uitgevoerde, verkoop van het domein hoorde misschien ook het anonieme, zwaar beschadigde plan (één vierde werd uitgescheurd) dat bewaard wordt in het archief van het kasteel. Een schilderij uit 1694 van Andries Immenraet geeft een toestand weer die waarschijnlijk niet zoveel verschilt van de beschrijving van 1654 en van de door Warfusée vastgelegde structuur. Deze bepaalt nog steeds in grote lijnen de huidige aanleg. De beschrijving omvat volgende elementen, die zowel op het plan als op het schilderij herkenbaar zijn:

  • 1) De Sint-Geertruikapel (D op het plan) gelegen op de bron die de vijvers voedt in het dal ten zuidoosten van de kasteelheuvel, werd herbouwd tot de barokkapel, die in de loop van de 18de eeuw aanzienlijk werd verbreed. Achter deze kapel lag het Sint-Geertruibos.
  • 2) De "magnificken dobbelen ghemetsten trap" die naar de Sint-Geertruivijver afdaalde, is niet de huidige betonnen trap die van de Emile Demotlaan afdaalt naar de Sint-Geertruivijver.
  • 3) Het lustpaviljoen bovenaan de helling tussen het kasteel en de Sint-Geertruivijver, "eene ovale gemetste gloriette oft somer-salette van binnen versiert met schoone verheven wercken à la mosaïke" – de nog bewaarde plafondschildering met op Ovidius' Metamorfosen geïnspireerde taferelen over Vertumnus en Pomona, waarin ook een soort van mozaïektechniek werd gebruikt.
  • 4) Onder aan de trap moet een ommuurde bloementuin gelegen hebben met twee of drie prieeltjes ("kamerckens om te verkoelen").
  • 5) Een wijngaard met "bourgoense-besien" op de zuidflank van de kasteelheuvel; op het schilderij van Immenraet staan echter kleine bomen.
  • 6) Rond de kasteelheuvel was er een met fruitbomen afgezoomde weg.
  • 7) In de Sint-Geertruivijver zouden twee "schoone vierkante cabinetten met loopende fonteynen" gestaan hebben, "verciert met zijne grotten, Fonteynen en diverse rare Figuren", vanbuiten met groen bekleed en via een brug bereikbaar. Op het schilderij van Immenraet zijn aan weerszijden van de kapel deze open paviljoentjes duidelijk zichtbaar (een koepeldak op zuilen). De fontein tussen de kapel en de Sint-Geertruivijver was opgemetseld zoals een waterput ("torens-gheweys bemuert").
  • 8) De middelste ("platten") vijver en de laagste ("krommen") vijver ten westen van het kasteel werden verhuurd, samen met de wasplaatsen ("lavoirken") aan elk van de vijvers.
  • 9) De terrastuin ten noordoosten van het kasteel was toegankelijk via "eenen magnifieken breeden ghemetsten trap opgaende van twee zijden". Trap en keermuren (van baksteen en met arduin afgedekt) worden op het schilderij van Immenraet en op het niet gedateerde plan duidelijk afgebeeld. Op het schilderij wordt de toegang tot de tuin gemarkeerd door een barokportaal. Op twee hoeken van de naar het kasteel gerichte zijde staan open paviljoentjes ("doorluchtige houbetten") uit witte zandsteen. De tuin is verdeeld in twee grote bloemenparterres (V op het plan) met renaissancemotieven, onder meer een klavervierpatroon, en daarachter een kersentuin (T op het plan), bestaande uit drie compartimenten met Sint-Andrieskruismotief.
  • 10) Naast de terrastuin stonden op een rijtje de gemetselde woningen van de rentmeester, de kapelaan, de meier en de hovenier "elck met sijn koolhof " (R op het plan).
  • 11) Ten noorden daarvan lag een "boschken" (Q op het plan) met vijf prieeltjes of gloriettes, vermoedelijk in latwerk dat begroeid was met klimplanten ("groene houbetten").
  • 12) Vanuit dit bosquet kwam men via een prieel van hoge bomen in de opperhof (P op het plan, "nouveau jardin"), "verciert met sijne haghen ende weghen, ende op de hoecken dry hooge cabinetten".
  • 13) Via een "secreten af-gangh" (een min of meer verborgen uitgang) bereikte men vanuit de opperhof de grote dreef (M op het plan), de huidige Lamoraal van Egmonddreef, toen beplant met acht rijen linden, die kaarsrecht tussen hoge hagen naar de Postweg liep, 500 meter verder.
  • 13) De vlakte voor het kasteel (W op het plan) waardoor de grote toegangsweg liep, heeft nooit een formele aanleg gekend.
  • 14) Een klein bos (N op het plan) op het 'Hemelrijk' tussen de Egmonddreef en de Abcoudedreef met een stervormig patroon van wegen "ter weder syden beset met schoone haghen" – één van de oudste gekende 'sterrenbossen' hier te lande. Zowel op de plattegrond van 1654 als op het schilderij van Immenraet wordt het snijpunt van de ster omcirkeld. Sommige elementen zoals dit sterrenbos en misschien ook de terrastuin (een "Oppersten Hoff aen t Somerhuys") waren waarschijnlijk al vroeger aanwezig, wat zou kunnen blijken uit een verkoopsakte van 1564.

Het sterrenbos

Aan het einde van de 17de eeuw werd het kasteel van Gaasbeek geteisterd door branden en belegeringen. Het zwaar gehavende kasteel uit de "allervermaardste Heerlykheid van geheel Brabant" wordt afgebeeld op een gravure van Harrewijn van rond 1690. Louis-Alexander Scockaert, die als diplomaat een belangrijke rol speelde in de Spaanse Nederlanden, werd in 1695 als graaf van Tirimont de nieuwe eigenaar. Zijn zoon Alexander-Louis liet de beschadigde torens en muren op de zuidflank afbreken en renoveerde de rest. Het zuidelijk gedeelte met twee torens werd niet heropgebouwd. Uit 1720 dateert een rekening "pour vacations et desseins parterre a Gaesbeke, faits en novembre 1716", bewaard in het kasteelarchief van Gaasbeek, voor het ontwerp van parterres, vermoedelijk in de terrastuin.

De belangrijkste innovatie op tuinarchitecturaal gebied was de uitbreiding van het sterrenbos op de strook tussen de Postweg en de terrastuin volgens een door landmeter J. Hellemans in 1762 opgemaakt plan, dat voorzag in twee (volledige) sterren met centrale rotondes. De door Hellemans uitgetekende structuur verschijnt ook op de Ferrariskaart (1771-1775), die bovendien in de 'bosquet' (dat met de vijf 'prieelkens' in 1654) aan de overzijde van de terrastuin een Sint-Andrieskruis afbeeldt. Stervormen en ganzenvoeten waren tijdens de hele 18de eeuw veelgebruikte patronen in de bosbouw, bij de herstructurering van bosgebieden. Het panopticum-effect beantwoordde ten volle aan het klassieke verlangen naar orde en overzicht en was ook erg doeltreffend binnen het (drijf)jachtritueel: van op één centrale plaats kon men het opgejaagde wild neerleggen zonder één voet te verzetten. In Duitsland spreekt men dan vaak ook van een 'Jagdstern'. Van de stervormen is vandaag niets meer terug te vinden in het domein, maar de talrijke haagbeuken (Carpinus betulus) langs sommige van de dreven in het Hemelrijckbos zijn relicten van de hagen, palissades of loofgangen die toen werden aangeplant. Op een foto van één van de lanen van het sterrenbos aan het einde van de 19de eeuw is een loofgang van haagbeuken zichtbaar, doorgeschoten maar nog duidelijk herkenbaar, met naar binnen gebogen stammen. Oude haagbeuken komen ook voor langs de wegen in het Sint-Geertruibos. Deze wegen volgen min of meer de hoogtelijnen en doen denken aan een vroege 'jardin anglais' door hun grillig verloop, maar ze hebben dit uitsluitend te danken aan de topografie.

Een derde, niet gedateerde, figuratieve kaart, die vermoedelijk in 1770-1780 werd opgemaakt, bevestigt de kaarten van Hellemans en Ferraris tot in het detail, maar toont ook meer. De onregelmatige vierhoek van het tuintje bij het zogenaamde pastoors- of kapelaanshuisje naast het lustpaviljoen (niet hetzelfde kapelaanshuis als dat in de beschrijving van 1654) wordt in detail afgebeeld: de indeling in bedden, het kruispad met centraal rond punt – bont gestippeld afgebeeld, vermoedelijk een combinatie van bloemen en groenten (nut en sier). De opeenvolging van vierkanten die zigzaggend afdaalt naar de Sint-Geertruivijver is mogelijk de "magnificken dobbelen ghemetsten trap" van 1654. Merkwaardig en voorlopig onverklaarbaar is het circulaire ringgrachtje nabij de Sint-Geertruivijver (op de kaart linksboven ten opzichte van het kasteel). Links van het lustpaviljoen, aan de voet van de helling, wordt ten slotte een gebouwtje met een ronde plattegrond afgebeeld en een uitstulping die aan een portiek of een bordes doet denken. Op deze plek bevindt zich de ijskelder, die in de 18de eeuw waarschijnlijk nog een bovenbouw had.

Arconati

Aan het einde van de 18de eeuw kwam het domein in handen van Paul Arconati Visconti, een bloedverwant van de familie Scockaert, die in 1797 en 1800 gedurende korte periodes burgemeester van Brussel was. Naar verluidt liet hij verspreid over het gehele park verschillende 'fabriekjes' of follies bouwen, die door Alexander Cavalié Mercer, een Britse legerkapitein op doortocht naar Waterloo, niet erg hoog werden aangeslagen en waarvan volgens Wauters rond 1850 alleen de maquettes overbleven. De enige folly die de tand des tijds doorstaan heeft, is de neoclassicistische, bakstenen triomfboog met Corinthische pilasters, die ter ere van Napoleon tussen 1805 en 1810 aan de Postweg werd gebouwd naar ontwerp van de beeldhouwer François-Joseph Janssens (1744-1816), die ook diverse witmarmeren tuinbeelden vervaardigde.

Vanuit een houten uitkijktoren in de terrastuin werd een nieuwe zichtas over de Sint-Geertruivijver naar deze triomfboog gecreëerd. Van daaruit zou een weg naar Brussel vertrekken en op het kruispunt van deze nieuwe weg met de steenweg Brussel-Bergen(-Parijs) zou een tweede triomfboog worden opgericht bekroond met een levensgroot standbeeld van Napoleon. Paul Arconati Visconti – een excentrieke zonderling, fervent 'Bonapartist' die na een reis naar Turkije ook 'oriëntaals' gedrag tentoonspreidde (met tulbanden, kaftans en kromzwaarden), maar niet onbekend met de 'Gothic Revival' in Engeland – had daarbij iets voor ogen wat op een middeleeuwse stadspoort leek: een gotisch baldakijn met ribgewelven, gekoppeld aan een gekanteelde toren. Die tweede 'arc de triomphe' werd nooit gebouwd, maar de monumentale, bakstenen, door zware gekanteelde hoektorens geflankeerde schuur aan de oostrand van het domein kan – samen met het portiershuis van het kasteel van Moregem bij Oudenaarde – beschouwd worden als één van de vroegste neomiddeleeuwse of neogotische bouwwerken in België. De kantelen op de torens aan weerszijden van de toegangspoort van het kasteel waren wellicht al aanwezig.

Het kasteel zelf verkeerde volgens Mercer in een vergevorderde staat van verval (rotte vloeren, afbladderende verf, neerstortende stucplafonds...) en zijn beschrijving van het park doet eerder aan een natuurreservaat denken, maar dan met prachtige beuken (takvrije stammen van 40 tot 50 voet) en bezaaid met standbeelden, kolommen, stèles, altaartjes..., niet alleen in het beboste gedeelte van het domein, maar ook in de parterres van de terrastuin. Naast de terrastuin (ongeveer ter hoogte van de "secreten af-gangh" van 1654) stond de reeds vermelde ronde houten belvédèretoren met opengewerkte wanden, "een voorwerp, dat van uit heel de omgevende streek opvalt". Op de kladversie van de Primitieve kadasterkaart opgemaakt circa 1820 werd deze toren afgebeeld als middelpunt van een netwerk van hulplijntjes; voor landmeter Dumortier fungeerde hij klaarblijkelijk als referentiepunt voor het hele kaartblad. Hij vormde ook het middelpunt van een nieuwe, door Arconati aangebrachte structuur en stond op het middelpunt van vier hoofdassen: de nieuwe dreef naar de triomfboog, de nieuwe diagonaal in het oude sterrenbos (de 18de-eeuwse 'sterren' waren verdwenen), een nieuwe dreef die aftakkend van de Demotdreef (voortaan de hoofdtoegang) en vervolgens evenwijdig ermee bij de terrastuin uitmondde, en tot slot de oude lindendreef van Warfusée (Egmonddreef). Van op deze toren keek men frontaal op de toegangspoort van het kasteel neer en kon men uiteraard ook het fraaie panorama van het zuidelijke Pajottenland bewonderen. Op de bijgewerkte, definitieve versie van de Primitieve kadasterkaart is deze toren verdwenen, maar de plek waar hij stond bleef als een kleine rotonde bewaard in de huidige 'museumtuin' en de nieuwe paralleldreef die ernaartoe leidde vormt de as van deze tuin.

Het voormalige sterrenbosperceel wordt op de Primitieve kadasterkaart "Vijverveld" genoemd en het aangrenzende Sint-Geertruibos "Sterrenveld"; vermoedelijk werden de namen omgewisseld. In de loop van de 19de eeuw verdween de op de toren gerichte diagonaalweg, zoals blijkt uit een plattegrond van 1878 ('Bois et château de Gaesbeek') en de stafkaart van 1879, waarop evenmin de in 1865 gedempte Sint-Geertruivijver wordt afgebeeld. Op een plattegrond uit 1830 wordt ook de (bestaande of geplande) inrichting van de binnenplaats van het kasteel weergegeven: een grindvlakte (of gras?) met vier vlekken die bomen of struikmassieven voorstellen – één ronde vlek ongeveer op de plaats waar momenteel een kleinbladige linde (Tilia cordata) staat en drie langgerekte, elliptische vormen, mogelijk struikgewas. Wauters meldt in 1855 de aanwezigheid van twee paardekastanjes, een immense iep en een struik waarachter de toegang naar een ondergronds kerker schuilgaat. De boom op het plan van 1830 is naar alle waarschijnlijkheid niet de huidige linde.

Op een geaquarelleerde, met witte dekverf gehoogde potloodtekening van ergens tussen 1850 en 1870 wordt het kasteel afgebeeld, met op de voorgrond de terrastuin en de aanzet (met grote potplanten) van één van de keermuren van de trap naar het hoger gelegen gedeelte (de 17de-eeuwse 'nouveau jardin') met boompjes (oranjeboompjes?) in aarden potten en ook op de balustrade staan bloempotten. De terrastuin wordt afgebeeld als een informele flaneertuin, een grasveld omgeven door een breed grindpad, met in het midden een spuitende fontein. Op de voorgrond: struikgewas (rododendron? laurierkers?). Het perspectief van deze afbeelding is onjuist, vanuit het punt waar de schilder zou gestaan hebben is de Lenniktoren grotendeels verborgen achter de Egmondtoren. De fontein werd in 1967 op bevel van de toenmalige conservator Renson naar de esplanade voor het kasteel verhuisd, in het midden van de lus die door de oprit en de afrit gevormd werd.

Het 'Vlaamse Pierrefonds'

In 1887 werd het kasteel grondig gerenoveerd in opdracht van markiezin Marie Peyrat, weduwe van Giammartino Arconati Visconti. De renovatie werd toevertrouwd aan architect en decorateur Albert-Joseph Charles (artiestennaam Charle-Albert), gespecialiseerd in historische reconstructies. De vergelijking met het door Eugène Viollet-le-Duc 'gerestaureerde' kasteel van Pierrefonds in Noord-Frankrijk is tot op zekere hoogte gerechtvaardigd. Na de dood van Charle-Albert in 1889 nam de Franse archeoloog Edmond Bonaffé zijn taak over. Aan de buitenzijde zou het kasteel eruitzien als een burcht (vensters werd omgevormd tot schietgaten); de gevels op de binnenplaats (gotische elementen afgewisseld met renaissance-elementen) zouden eerder herinneren aan een 16de-eeuws 'huis van plaisantie'. Kortom: een romantische, historiserende reconstructie, typisch voor de 19de-eeuwse restauratiepraktijk.

Ook het binnenplein zelf en de tuinen ondergingen tijdens deze periode enkele wijzigingen. De terrastuin – oorspronkelijk de siertuin van Warfusée, rond 1850 een informele 'flaneertuin' – werd ingericht als 'potager' en tegen de muren en keermuren, zelfs die van het trappenbordes, werd een grote verscheidenheid van leifruit aangeplant volgens een door Jules Van Cromphout (burgemeester van Gaasbeek en rentmeester van de markiezin) in 1882 bedacht plan: niet minder dan 112 stuks, met een duidelijke voorkeur voor peren, vooral Beurré Diel. Daarnaast waren er ook kersen, krieken, abrikozen, pruimen, perziken en één soort van appels (Calville Barré). De terrastuin bevatte ook sierelementen: alle perken waren afgezoomd met lage buxushaagjes, de centrale oost-westas vormde een afzonderlijk perk met een fontein op de centrale rotonde. Alle muurvlakken rond de kasteelgracht (inclusief de toegangsbrug) werden eveneens van leifruit voorzien, zoals blijkt uit plannen van 1885-1886, eveneens opgemaakt door Van Cromphout. Ongetwijfeld werden toen ook de bakstenen parementen en sommige dekstenen en sokkels van de terrastuin vervangen.

Op de binnenplaats werd een renaissancetuin aangelegd, bestaande uit tien parterres met een fontein als middelpunt. Deze tuin sluit niet alleen aan bij het historiserende karakter van de restauratie van het kasteel, maar kadert ook in de opkomst van formele, historische of historiserende tuinstijlen aan het einde van de 19de eeuw. Voor de binnenplaats bestaat een alternatief plan, eveneens renaissancistisch geïnspireerd: een verzonken tuin met een doolhofachtig netwerk van paden, een rasterpatroon met cirkels en vierkanten op de snijpunten. Eén van de assen ligt pal in het verlengde van de toegangspoort. De tuin wordt betreden langs twee trappen (blauw gekleurd) en bestaat vermoedelijk uit met buxus afgezoomde en met snoeiboompjes beplante grasvlakken. Ook in de twee uitstulpingen in de funderingen van het rond 1700 verdwenen gedeelte werden grasperkjes met kruis- en cirkelpad voorzien.

Een geaquarelleerde pentekening, ondertiteld 'Projet de Reconstruction du Château de Gaesbeek – Facade exté[rieu]re' van de hand van Van Cromphout, geeft niet alleen een alternatief beeld van wat het kasteel had kunnen zijn. Het toont ook een verregaande formalisering van de gracht aan weerszijden van de brug (balustrades waarop vazen met agaves, corbeilles en Ierse taxussen in het talud) én van het voorplein (met boordstenen en 'plate-bandes' van met inlegplanten afgebakende gazons, yucca's op de hoeken), alles in perfecte symmetrie. Een tweede afbeelding (eveneens "Van Cromphout fecit"), die kennelijk bij de eerste hoort, geeft een derde alternatief voor de binnenplaats weer: een kruis­pad met grote corbeilles van inlegplanten en agaves of yucca's en een centrale rotonde met de reeds vermelde fontein; dit patroon herinnert eerder aan de Second-Empireplafonds uit de jaren 1860. Interessant is de chinoiserie rechts in beeld: een kiosk met een pagodedak, een torentje dat als top voor de pagode van Chanteloup niet zou misstaan en een laag gebouwtje met een zadeldak en een veranda – alles vermoedelijk van hout en ­ geverfd in felle kleuren. Mogelijk stonden deze constructies rond 1880 inderdaad op de binnenplaats.

Modernisme, heraldiek en horticulturele leemtes

In 1921 droeg Marie Peyrat het domein aan de Belgische Staat over. Ongeveer tien jaar eerder, bij haar laatste bezoek aan Gaasbeek, had ze het domein al vruchteloos aangeboden aan de stad Brussel. Onderhandelingen met minister Carton de Wiart hadden evenmin resultaat, omdat de markiezin, dochter van een Franse anti-klerikaal, onverholen haar afkeur voor de katholieke regering liet blijken (Alphonse Peyrat, 1812-1891, journalist, vervolgens senator, bekend onder meer door zijn "Discours sur les menées ultramontaines", van 4 mei 1877 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers). Ook de poging om het domein aan koning Albert I te schenken mislukte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg het kasteel van de Duitse overheid de bestemming als 'rijksmuseum'. Na de oorlog aanvaardde de Belgische Staat de schenking. In 1924 werd er in het kasteel een museum geopend, waardoor voldaan werd aan de eisen die in de schenkingsakte worden vermeld: "De schenking wordt gedaan teneinde voor België het behoud van een historisch domein te verzekeren en met het doel de voortzetting aan te moedigen van de artistieke en wetenschappelijke opzoekingen waarvan het kasteel het middelpunt is geweest".

Er werden regelmatig plannen gemaakt om gedeelten van het park opnieuw aan te leggen. Het meest bizarre ontwerp – gezien de context – is wellicht dat van een zekere E. Compère (ons verder onbekend) uit 1939 voor een driehoekige, modernistische tuin naast het eigenaardige, achthoekige paviljoen, dat om onduidelijke redenen soms kruitmagazijn ('poudrière') wordt genoemd en vermoedelijk rond 1800 werd gebouwd. Deze uit driehoeken en ruiten opgebouwde 'tableau-jardin' met snoeiboompjes, lage buxushaagjes en gekleurde grindstroken werd ongetwijfeld geïnspireerd door illustere voorbeelden, zoals de door André en Paul Vera ontworpen tuin voor de familie de Noailles aan de Place des Etats-Unis te Parijs (nu verdwenen). Niets wijst erop dat dit ontwerp ooit werd uitgevoerd.

In de jaren 1950 of 1960 werd de Sint-Geertrui­ vijver hersteld. Begin jaren 1990 rijpte andermaal (meer dan een eeuw na Van Cromphout) de idee om een emblematische tuin aan te leggen op de grote grasvlakte voor het kasteel, waar nooit enige tuinaanleg was geweest. In de diverse parterres zouden de wapenschilden van de opeenvolgende adellijke geslachten aan de hand van plantmotieven worden uitgebeeld. De neorenaissancetuin en de lindeboom op de binnenplaats zouden plaats ruimen voor de wapens van de familie d'Arconati. Uiteindelijk werd gekozen voor "een hedendaagse, op het eerste gezicht gewaagde maar geenszins roekeloze, aanleg met respect voor de geest van de plek en aandacht voor het duurzaam karakter" die de oude terrastuin viseerde. Door de creatie van een aantal tuinen voor 'nut en sier' zou een "leerrijk refugium voor plantenrassen en traditionele teeltwijzen" ontstaan en een "horticulturele leemte" bij het grote publiek worden opgevuld. Het werd geen reconstructie van de 'potager' van Van Cromphout noch van de parterretuin van 1654, maar een siertuin, opgebouwd uit vier centrale, met buxus afgeboorde, rechthoekige grasperken rond het gerestaureerde witmarmeren waterbekken, dat terug in de boventuin geplaatst werd. De grasperken werden geflankeerd door tweemaal vier perken met eenjarige bloemen, sommige versierd met buxushaagjes en snoeivormen. De huidige aanleg is in feite een compromis. Het "geaderd cararamarmer als pendant van de dramatische luchten boven Gaasbeek" dat geëvoceerd wordt in de bloemperken, zou volgens een eerste voorstel de volledige boventuin beslaan: door buxus omsloten bloemperkjes en gras zouden, verdeeld over twee grote perken, het aan marmer herinnerend patroon vormen.

Tegen de 17de-eeuwse zuidelijk geëxposeerde muur werd leifruit aangeplant. Voorbij de trap naar het hoger gelegen gedeelte, tegen de muur van de moestuin aan, werd een halve serre gebouwd en de ingang van de museumtuin wordt gevormd door een rotonde, precies op de plek waar ooit de uitkijktoren van Paul Arconati stond. Daarachter ligt de ommuurde moestuin. De wijngaard op de terrassen van de naar het zuidwesten gerichte helling onder het kasteel werd bovendien heraangelegd en beplant met Chardonnay-druiven.

Deze 'museumtuin', in 1996-1997 aangelegd, geeft een beeld van wat Vlaamse hoveniers en fruittelers presteerden tussen 1860 en 1940, een periode waarin ze tot de wereldtop behoorden. Er worden groenten, kruiden, bloemen, heesters en bomen getoond, die omstreeks 1900 in alle grote tuinen te vinden waren. De hoveniers gebruiken in principe ook de methodes die gangbaar waren in het begin van de 20ste eeuw, toen chemicaliën en mechanisatie de land- en tuinbouw nog niet grondig veranderd hadden. De verzameling leifruitbomen is op dit ogenblik waarschijnlijk de grootste en volledigste ter wereld.

Merkwaardige bomen (opname 27 juni en 2 juli 2003)
Het cijfer in vet geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte.

  • 30. zomereik (Quercus robur) 408
  • 38. tamme kastanje (Castanea sativa) 422
  • 39. zomereik (Quercus robur) 397
  • 57. gewone beuk (Fagus sylvatica) 461
  • 62. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 282
  • 75. gewone beuk (Fagus sylvatica) 432 – zeer hoog
  • 83. gewone beuk (Fagus sylvatica) 472 – zeer hoog
  • 94. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 265
  • 95. gewone beuk (Fagus sylvatica) 451
  • 111. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 251
  • 116. gewone beuk (Fagus sylvatica) 479
  • 118. kleinbladige linde (Tilia cordata) 336
  • 136. zomereik (Quercus robur) 429
  • 137. zomereik (Quercus robur) 397

  • Archief Monumenten en Landschappen Leuven, nota: Kasteeldomein van Gaasbeek. Voorstel tot inrichting van een kapelaanstuintje, van een moestuin, lei- en kleinfruittuin en een halfstamboomgaard, van de terras en boventuin, van de parking (VAN DEN BOSSCHE H., 13 augustus 1993). ­
  • Specificatie oft pertinente beschrijvinghe der baenderye heerlyckheydt ende kasteel van Gaesbeke, Brussel, 1654 (ongedateerde heruit­ gave), p. 11.
  • CASTEELS M., Paul Arconati-Visconti en zijn opvatting over de bouw van een triomfboog (XIXde eeuw), in Gasebeca, 1979, p. 129-130.
  • CAVALIÉ MERCER A., Journal of the Waterloo campaign (met nawoord door Ph. J. Haythornthwaitie), De Capo Press, 1995, hoofdstuk VII.
  • CORDEMANS M., Een bezoek aan Gaasbeek in de tijd der honderd dagen, in Eigen Schoon en De Brabander, 29(2), 1946, p. 119-132.
  • DE CANTILLON, Vermakelykheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen, deel II (Amsterdam, David Weege, 1770) Anastatische herdruk, Amsterdam/Antwerpen, 1981, B. N° 25 (tegenover p. 33).
  • DEWIT-TIMMERMANS A., Gaasbeek 1236-1986. Zijn park en vergeten tuinen, s.d. p. 7-8, 12, 21.
  • GOOSSENS L., Het panorama van Gaasbeek door Andries Immeraet, in Gasebeca 18, 18, 1995, p. 101-127.
  • GOOSSENS B., Paul Arconati Visconti (1754-1821). Sociaaleconomische, politieke en culturele exponent van een samenleving in transitie, in Gasbeca, 19de aflevering, 1998, p. 124, 125.
  • GRAMAYE J.B., Antiquitates illustrissimi ducatus Brabantiae [...], Brussel, 1610.
  • RENSON G. & CASTEELS M., Ontdekkingstocht in de verzameling kunststukken van het kasteel-museum van Gaasbeek (Reeks VII), s.d., s.l., p. 14-17.
  • VAN CLEVEN J., Neogotiek en neogotisme. De neogotiek als component van de 19de-eeuwse stijl in België, p. 26-27, in De Sint-Lucasscholen en de neogotiek 1862-1914 (Kadoc-studies 5), Leuven, Universitaire Pers, 1988.
  • VAN DEN BOSSCHE H., Historische tuinen en parken – meer dan groen op maat, in Monumenten & Landschappen, 21(1), 2002, p. 10.
  • VANDORMAEL H., DE KEYZER L., VANDENBREEDEN J., Kasteel van Gaasbeek, Openbaar kunstbezit in Vlaanderen 32 (1), 1994, p. 8, 39.
  • VANDORMAEL H., Gaasbeek, een historisch overzicht, p. 11, in Kasteel van Gaasbeek, Openbaar kunstbezit in Vlaanderen 32 (1), 1994.
  • VERBAUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (VIII), Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1953, p. 4.
  • VON BUTTLAR A. & MEYER M.M., Historische Gärten in Schleswig-Holstein, Heide, Boyens & Co, 1996, p. 682.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, I (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1971, p. 222-223, 248, 259.
  • Mondelinge mededeling verkregen van H. Van Dormael.

Bron     : DENEEF, R., 2005: Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs : Deneef, Roger, Goossens, Boudewijn, Rombauts, Nele, Wijnant, Jo
Datum  : 2005


Relaties

  • Is deel van
    Gaasbeek
    Gaasbeek (Lennik)

  • Is deel van
    Gaasbeek, Sint-Laureins-Berchem, Oudenaken en Elingen
    Gooik, Kester, Leerbeek (Gooik), Halle (Halle), Gaasbeek, Sint-Kwintens-Lennik, Sint-Martens-Lenn...

  • Omvat
    Kasteel van Gaasbeek
    Kasteelstraat 40 (Lennik)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Park van het kasteel van Gaasbeek [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134745 (Geraadpleegd op 20-06-2019)