erfgoedobject

Kasteeldomein Ter Rijst

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 134759   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134759

Juridische gevolgen

Beschrijving

Neoclassicistisch kasteel gebouwd rond 1820 met kasteelhoeve en conciërgewoning uit circa 1840 (aangepast in 1870) omgeven door landschappelijk park van 10 hectare met neogotische follies; kasteelpark met vijvers, rivier­motief en schitterende vista, aangevat rond 1840 en voltooid rond 1870.

Van donjonmotte tot neoclassicistisch landhuis

De site Ter Rijst aan de noordrand van het bos van Strihoux (of Strihout) omvat het brongebied van de Tenbroekbeek, een bijbeek van de Mark, op haar beurt een bijrivier van de Dender. De heerlijkheid Ter Rijst ('Risoir') wordt voor het eerst vermeld in 1211 als leen van de heren van Edingen. De motte waar zich ooit de donjon bevond is nog duidelijk zichtbaar op de Ferrariskaart (1771-1775) en blijft herkenbaar als perceel 56 op de Primitieve kadasterkaart (omstreeks 1830), maar al in 1482 was er geen sprake meer van versterkingen. Waarschijnlijk werd toen een gedeelte van het oude neerhof als herenverblijf gebruikt. Op de 18de-eeuwse afbeeldingen – de Ferrariskaart, een opmetingsplan uit 1776-1777, een figuratieve kaart uit 1786 door Dufour – wordt het kasteelcomplex als een onregelmatige, semi-gesloten hofstede afgebeeld. De enige relicten uit de periode vóór het huidige kasteel zijn een knoestige haagbeuk (Carpinus betu­lus) met 310 centimeter stamomtrek (gemeten op 150 cm hoote) en de motte die als eiland in het landschappelijk park bewaard bleef.

Het exacte bouwjaar van het huidige, neoclassicistische kasteel aan de rand van het leemplateau, 200 meter ten noorden van de oude motte en op het hoogste punt van het domein, is niet bekend. Het wordt voor het eerst vermeld als "maison de cam­pagne [...] tout nouvellement construit" in een brandverzekeringspolis van 1831, en voor het eerst afgebeeld op de (niet gedateerde) Primitieve kadasterkaart door J.B. Guiot. In een verdelingsakte van 1818 is er slechts sprake van een hoeve en bijgebouwen en wordt nog geen gewag gemaakt van een kasteel of landhuis. Het werd dus ­ gebouwd tussen 1818 en 1831, mogelijk in twee fasen, omdat in een polis van 1824 over een landhuis met slechts drie vleugels wordt gesproken, in plaats van het gesloten complex met vier vleugels rond een binnenplaats. Opvallend in het oorspronkelijke grondplan van het kasteel, zoals het op het Primitief kadasterplan wordt weergegeven, zijn de uitsprongen aan de vier hoeken, die hoektorens suggereren, maar vermoedelijk niet meer waren dan geprononceerde hoektraveeën. Gelijktijdig met het kasteel werd in de bosrand ten oosten van de vijvers waarschijnlijk ook de ijskelder gebouwd.

De bouwheer, Philippe Huysman d'Annecroix (1777-1848), afkomstig uit een oud Brussels geslacht, bekleedde belangrijke functies onder het Franse bewind en het koninkrijk der Nederlanden. Hij liet rond 1840 het tot neerhof gedegradeerde, oude kasteel afbreken en 200 meter oostwaarts een nieuwe hoeve bouwen. In die periode werd ook een aanvang gemaakt met de aanleg van het landschappelijk park. Bij de dood van Philippe Huysman in 1848 werd Ter Rijst toegewezen aan een achternicht, Eléonore Huysman d'Honssem, echtgenote van burggraaf Théodore de Nieulant. Hij zou in 1869 de hoek­traveeën hebben laten afbreken (maar drie ervan worden kadastraal nog steeds afgebeeld) en de monumentale zuilenportiek in de zuidwestelijke vleugel hebben aangebracht. Deze verbouwingen blijken echter uit geen enkel document, evenmin het feit dat de Dorische zuilen van de colonnade afkomstig zouden zijn van de parochiekerk van Heikruis.

Neogotische follies in een rivierlandschap

Het kasteel ligt aan de noordrand van een park ("lustgrond" met vijvers) van bijna tien hectare, dat door het kadaster in 1844 werd geregistreerd. Het was dus nog aangelegd in opdracht van ­ Philippe Huysman maar lang niet voltooid. Het is opgetrokken uit baksteen, aan de parkzijde witgepleisterd, aan de binnenplaatszijde ontpleisterd; de plint is van witte natuursteen, de deur- en vensteromlijstingen zijn van blauwe hardsteen. Een boomgaard van 47,5 are, die zich uitstrekte tussen de hoofdgevel van het kasteel en de vijvers werd opgeruimd; een pépinière van meer dan één hectare (de percelen 48bis en 50bis) en de moestuin achter het kasteel bleven behouden. De oude vijvers – grotendeels verland ("poel als 3de klas weyde" volgens het kadaster) – werden opnieuw uitgebaggerd en het donjoneiland in ere hersteld, maar met meer 'natuurlijke', licht golvende contouren. Naast de vijver met de motte werd een nieuwe vijver van 46 are aangelegd, die ruwweg samenvalt met drie percelen (nummers 44, 45 en 46), respectievelijk kwekerij, hof en bouwland. Het water liep vanuit de vijver met de motte over naar een lager gelegen sikkelvormige vijver tegen de bosrand aan, 200 meter zuidwaarts, en kwam ten slotte in de beek terecht.

Artificiële rivierlandschappen zijn een populair motief in de 19de-eeuwse landschapsparken, vooral in de vroege, waarbij een serpentinevijver, vaak een tot 'rivier' verbrede of opgestuwde beek of gracht, de hoofdstructuur bepaalt (bijvoorbeeld in het nabijgelegen 'Den Dael' te Pepingen). In Ter Rijst werd dit 'rivierlandschap' op een ingenieuze en originele manier uitgewerkt: in het verlengde van de oude vijvers werd een brede gracht gegraven die in een weidse slingerbeweging, de 62 meter-hoogtelijn volgend, de zuidflank van de kasteelheuvel omvat.

Bij de oorspronkelijke heraanleg hoorde de gekanteelde brug over de bovenste vijver – van baksteen, de vijf gedrukte spitsbogen en de vier oculi omlijst met natuursteen -, die het kasteel verbond met het nieuwe neerhof, zichtbaar op een kadastrale opmetingsschets uit 1844. Het megalomane van deze rond 1960 afgebroken brug rechtvaardigt de term 'folly'. De spitsbogenstijl van de brug sluit nauw aan bij het Engelse 'gothick', een vroege, romantische, speelse vorm van neogotiek, vaak aangeduid als het 'genre troubadour'. Twee andere 'gotische' bouwsels zijn recenter. De nog bestaande portiersloge (nu boswachtershuis) bij de steenweg Asse-Edingen werd door het kadaster geregistreerd in 1844, maar de vierkante hoektoren met overkragende rond traptorentje – alles gekanteeld, zelfs de overkraging – dateert uit 1870. Het sprookjeskarakter wordt versterkt door het hoge, geknikte schilddak met smeedijzeren vorstkam, de windborden aan de dakkapel en het scherpe kegeldak van het ronde torentje. De verwijzing naar het Beierse Neuschwanstein in een inventaris van bizarre bouwwerken is terecht. Het gebouw staat opgesteld in de rechterflank van de voornaamste vista vanuit het kasteel, met name het gezicht vanaf de colonnadepoort in de richting van Edingen. In de bosschages van die rechterflank staat een kapelletje in de vorm van een gotische pinakel. Opmerkelijk is dat zelfs de rond 1840 gebouwde hoeve aan de kant van het kasteel van spitsboograampjes is voorzien; het begrip 'ferme ornée' werd hier wel zeer letterlijk geïnterpreteerd.

Het landschappelijk park

In 1865 – zoals blijkt uit de eerste stafkaart – is de aanleg nog lang niet voltooid. Waarschijnlijk wordt op dat moment nog steeds de oude koetspoort in de noordoostelijke vleugel van het kasteel gebruikt. In de noordoostvleugel zijn nog sporen aanwezig van een segmentboogvormige poort (Debacker & Wouters 2002, 14). De dubbele verbinding tussen het kasteel en de portiersloge nabij het toegangshek aan de steenweg Asse-Edingen verschijnt pas op de stafkaart van 1881. Een van de tracés liep bijna rechtlijnig aan de buitenzijde van de zuidwestelijke vista, het andere had een kronkelig verloop aan de binnenzijde ervan, langs de 'rivier'. Beide tracés verenigden zich in de laatste 100 meter ten westen van het kasteel. De bezoeker keek bij aankomst aan tegen de imposante colonnade van de koetspoort en ontdekte ook de vijver met de gotische brug en de gotische hoeve aan de overzijde van de vallei én het vergezicht in zuidwestelijke richting, met Edingen in de verte, op zomeravonden mogelijk in tegenlicht… Visueel effectbejag (de bezoeker imponeren) bij het uitstippelen van opritten, toegangswegen en circuits is een typisch kenmerk van de 'rijpe' landschappelijke stijl van rond 1850 – een fase waarin het geld hoe langer hoe minder begint te stinken en de industrieel-kapitalisten zich inkapselen in arcadische coulissenlandschappen. Het kasteel of landhuis is een onderdeel van het decor en wordt slechts geleidelijk prijsgegeven, verschijnt, verdwijnt opnieuw achter een groepje bomen, om dan opnieuw vanuit een andere hoek te voorschijn te treden. De zuidoostelijke gevel van het kasteel is in feite de voorgevel die uitkijkt over de vijvers en de hoeve met toren en spitsboograampjes aan de overkant van de vallei. Ook deze ruimte is verpakt tussen zorgvuldig geconstrueerde coulissen. De nutspercelen lagen 'verstopt' aan de noordzijde van het kasteel.

De stafkaarten van 1881-1891 geven een bijna driedimensionaal beeld van het landschappelijk park, een beeld dat momenteel enigszins verdoezeld wordt door oprukkende verbossing. De 'clumps' en bosschages die op deze kaart worden weergegeven zijn nog individueel herkenbaar tussen allerlei opslag. Dit is onder meer het geval voor een rij van oude gekandelaarde zomerlinden (Tilia platyphyl­los) en een rij monumentale Amerikaanse eiken (Quercus rubra), die ooit de zuidoostelijke flank van de Edingen-vista afbakenden, maar nu achter een brede zoom van opslag verscholen liggen. De solitairen of bomengroepjes in de vista, zijn in de loop van de tijd aangedikt tot kleine massieven die soms de doorkijk belemmeren.

Verspreid over het park staan een dertigtal bomen met stamomtrekken tussen 350 en 480 centimeter (gemeten op 150 cm hoogte), die waarschijnlijk nog door Huysman werden aangeplant tijdens de vroegste fase van het landschappelijk park – vooral bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea') maar ook Amerikaanse en zomer- en wintereiken (Quercus rubra, Quercus robur, Quercus petraea), grootbladige en kleinbladige linden (Tilia platy­phyllos, Tilia cordata), gewone plataan (Platanus x his­panica) en tamme kastanje (Castanea sativa). De opslag van bonte iep (Ulmus carpinifolia 'Variegata' of Ulmus procera 'Argenteovariegata') langs de dijk, waaronder het puin van de gotische brug bedolven zou liggen, is vermoedelijk een relict van een boom of bomengroep die door de iepenziekte werd geveld.

Het park van Ter Rijst is vooral interessant door zijn monumentale oude bomen, minder door zeldzame of minder courante soorten of variëteiten. Uitzonderingen hierop vormen kampioenexemplaren van elsbes (Sorbus torminalis) en een cultivar van gewone es met kleine blaadjes (Fraxinus excel­sior 'Elegantissima'), verborgen in het bosplantsoen ten westen van het kasteel. Uitzonderlijk wat de struik-etage betreft is rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum), half verwilderd in het struweel langs de oprijlaan. De rijke flora van het bos van Strihoux/Ter Rijst duikt ook op in de bosschages van het kasteelpark, met soorten als daslook (Allium ursinum), wilde hyacint (Hyacinthoides non‑scripta), bosanemoon (Anemone nemorosa) en Bosereprijs (Veronica montana).

Het primitieve perceel 51 (48 are 20 centiare) achter het kasteel is van meet af aan de moestuin geweest en heeft die functie tot recent behouden. Maar de huidige ommuring dateert van circa 1905, toen ook drie serres werden geregistreerd, één binnen de ommuring en twee erbuiten. Het kasteeldomein Ter Rijst was toen eigendom van Marie de Nieulant, gehuwd met burggraaf Ferdinand Jolly, luitenant-generaal, 'vleugeladjudant' van de koning, burgemeester van Heikruis enzomeer. De laatste adellijke eigenaar, Hubert Jolly, verkocht het domein in 1973 aan een bouwpromotor, die het in 1981 op zijn beurt verkocht aan de Vlaamse Gemeenschap. Bij heraanlegwerken werden de oude tracés van de wegen slechts gedeeltelijk gerespecteerd, onder meer "een zeer slingerend paadje in de resten van een hellende boomgaard" (Meulenkamp 1995, 17).

Merkwaardige bomen
Het cijfer tussen haakjes geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte. Het cijfer vooraan verwijst naar de locatie op een plan in het inventarisdossier.

  • 10. wintereik (Quercus petraea) 368
  • 12. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata') 208
  • 13. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 373
  • 14. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 404
  • 15. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 412
  • 26. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 476
  • 27. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 465
  • 41. zomereik (Quercus robur) 395
  • 43. gewone moerascipres (Taxodium distichum) 448
  • 51. zomereik (Quercus robur) 322
  • 53. Hollandse linde (Tilia x europaea) 411
  • 54. zoete kers (Prunus avium) 230
  • 65. tamme kastanje (Castanea sativa) 343
  • 66. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 310
  • 72. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 412
  • 73. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 367
  • 82. zoete kers (Prunus avium) 233
  • 83. tamme kastanje (Castanea sativa) 434
  • 84. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata') 350
  • 87. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 244
  • 91. elsbes (Sorbus torminalis) 226
  • 94. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 365
  • 98. gewone beuk (Fagus sylvatica) 341
  • 102. gewone es met kleine blaadjes (Fraxinus ex­celsior 'Elegantissima') 301
  • 104. gewone es met kleine blaadjes (Fraxinus ex­celsior 'Elegantissima') 195
  • 113. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 477
  • 114. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 527
  • 115. gewone beuk (Fagus sylvatica) 374
  • 117. treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula') 345
  • 120. gewone plataan (Platanus x hispanica) 447
  • 125. kleinbladige linde (Tilia cordata) 358

 

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212 Heikruis, art. 126 nrs. 107 en 214.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschetsen Heikruis, 1841/3, 1841/4, 1844/7, 1844/9, 1871/13 en 1905 nr. 36.
  • BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois in samenwerking met de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 483.
  • DEBACKER I. & WOUTERS A., Bouwhistorische studie Kasteel Ter Rijst (Pepingen-Heikruis), juni-juli 2002, p. 10, 13-18, 22-24.
  • DE GHELLINCK VAERNEWYCK X., Het kasteel Ter Rijst in Heikruis, in De Woonstede door de Eeuwen Heen, nr. 131, 2001, p. 4-9.
  • DE MAEGD C. & DENEEF R., Kasteelparken en volkstuintjes historisch bekeken: de inventaris van tuinen en parken in het Vlaams gewest, in De Woonstede door de Eeuwen heen, nr. 134, 2002, p. 10-25.
  • MEULENKAMP W., Follies. Bizarre bouwwerken in Nederland en België – Idylle, Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 1995, p. 275-276.
  • VAN CLEVEN J., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de 19e-eeuwse stijl in België, in De Sint-Lucas­scholen en de neogotiek, 1862-1914 (KADOC-studies 5), Leuven, Universitaire Pers, 1988, p. 23-28.
  • VAN HOYE D. (ed.), Ter Rijst, het park tussen hemel en aarde, Leuven, Aminal-afdeling Bos en Groen, z.d.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XXVII), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 2001, p. 290-294.

Bron     : DENEEF, R., 2005: Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2005


Relaties

  • Omvat
    Kasteel ter Rijst
    Terrest 2 (Pepingen)

  • Is deel van
    Heikruis
    Heikruis (Pepingen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteeldomein Ter Rijst [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134759 (Geraadpleegd op 13-11-2019)