erfgoedobject

Park van de Priorij van Klein Bijgaarden

landschappelijk element
ID: 134772   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134772

Beschrijving

Voormalige priorij van de benedictinessen met kloosterhoeve, omgevormd tot privéresidentie en jeneverstokerij in 1800; in de 18de eeuw strak geometrische siertuinen met looftunnels, koepels en nissen in latwerk; verbouwd tot kasteel met kasteelhoeve omstreeks 1865-1868 waarbij het rudimentair landschappelijk park met serres omgevormd en uitgebreid werd tot'rivierlandschap' van bijna 15 hectare; sinds 1941 opnieuw klooster (noviciaat, rusthuis) met een tot 3,5 hectare gereduceerd park; enkele monumentale en zeldzame bomen.

De priorij

De priorij van de benedictinessen of 'bernardienen' te Klein-Bijgaarden werd in 1251 opgericht, nadat een eerste poging tot stichting van een cisterciënzerinnenabdij op de Varenberg te Pepingen op niets was uitgelopen. Godfried van Leuven, eerste heer van Gaasbeek, gaf de zusters in 1251 de toelating om zich in Sint-Pieters-Leeuw te vestigen. De oudstgekende afbeelding van het kloostercomplex is een gravure in het eerste deel van de 'Chorogra­phia sacra Brabantiae' van Sanderus, uitgave 1726. Het eigenlijke klooster omvatte een kleine, eenbeukige kerk (met een dakruitertje en rondboogramen) die, samen met het kwartier van de priorin (trapgevel boven de middelste traveeën, rondboogdeur, twee bouwlagen), de noordvleugel vormde. Op de afbeelding is een gedeelte van de kloostergang zichtbaar, maar van de eigenlijke kloosterhof worden geen details getoond. De dienstgebouwen (schuren, stallingen, karrenhuis, portiersloge...) vormden aan de noordwestzijde van het klooster een tweede gordel van gebouwen die, verbonden door een muur, een voorhof (met een duiventoren) en vier geometrische tuinen (met padenkruisen en in smalle piramides of kegels gesnoeide buxussen of taxussen op de hoeken van de bedden) omsloten. Vermoedelijk ging het om de moestuinen, maar de combinatie met sierelementen was toen zeer gebruikelijk. De landelijkheid wordt benadrukt door de hopen drogend hooi in het omheinde weitje op de voorgrond. De poort van de priorij bevond zich aan de noordzijde; de voornaamste toegangsweg was de Bijgaardenweg (de huidige Meibloemstraat en Stoke­rij­straat). Na de aanleg van de steenweg Brussel-Bergen in 1708 kwam er een tweede toegangsweg langs de Zuunbeek.

De lust- of siertuin bevond zich ten oosten van het klooster (links op de gravure). De met lage buxus of taxushagen afgezoomde paden vormden een kruis (in feite een Lotharings kruis want er is een secundair, niet met haagjes afgezoomd dwarspad). Het kruispunt werd aangegeven door vier nissen, waarschijnlijk in latwerk. Dit was de ontmoetingsplaats – op de prent verwelkomt een kloosterzuster met open armen een bezoekend paar. In latwerk waren waarschijnlijk ook de koepelpaviljoenen in minstens twee hoeken van de tuin en de twee paviljoenen die toegang verleenden tot de 'bersauwen' (door latwerk gestutte looftunnels) aan de zuid- en oostrand van de tuin – loofgangen, vermoedelijk ook in latwerk begroeid met klim- of slingerplanten (klimrozen, clematis, kamperfoelie...). Door op regelmatige afstanden aangebrachte 'patrijspoorten' kon de wandelaar vanuit deze loofgangen een blik op de tuin werpen. Het zuidoostelijke compartiment van de lusttuin werd gevormd door een vijver met een rotseilandje (voor de gelegenheid met een koppel eenden). De tekening geeft (behalve de kegel- of piramideboompjes op de hoeken) geen details weer over de verdere indeling of beplanting van deze siertuin. De omgevende gronden extra muros waren grotendeels beplant met fruitbomen. De talrijke snoeiboompjes en de gesofisticeerde latwerkarchitectuur staan in schril contrast met de landelijke eenvoud van de gebouwen (in de abdij van Groot-Bijgaarden, nu Sint-Wivinaklooster, was het juist andersom).

Op een figuratieve kaart uit 1750 door C. Everaert worden bijna alle elementen uit de 'Chorographia' getoond, tot en met de duiventoren en het vijvertje. De door Wauters vermelde bouwcampagnes van 1770-1771 en 1781-1783 schijnen vooral de bijgebouwen te hebben beïnvloed. Op de plattegrond opgesteld naar aanleiding van de verkoop van het klooster in 1798 vormen zij een bijna gesloten formatie rond een grote binnenplaats. Het padenkruis met centrale rotonde van de kloosterhof komt op deze kaart eindelijk in beeld. De voormalige besloten lusttuin ten oosten van het klooster is gedegradeerd tot "potager". Het van de Zuunbeek afgetakte grachtenstelsel dat het kloosterdomein omgeeft, wordt duidelijk weergegeven. Tussen 11 en 24 november 1796 werd de priorij ontruimd, nadat een verzoek van de zusters om als onderwijsinstelling te mogen voortbestaan, was afgewezen (een mogelijkheid krachtens artikel 20 van de wet van 15 Fructidor van het jaar IV (1 september 1796), F. Vennekens, 6).

Distilleerderij

Op 28 Floréal van het jaar VIII (1800) werd het domein van de voormalige priorij voor 45.000 frank als 'nationaal goed' verkocht aan Guillaume Wittouck (1749-1829) uit Brussel. Wittouck bekleedde hoge functies in het Ancien Régime, onder het Directoire, het consulaat, het keizerrijk en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Bij de opstelling van het kadaster in 1820-1830 was de westelijke helft van het klooster afgebroken. De voormalige kerk, de oostelijke vleugel en een deel van de zuidelijke vleugel vormden het 'kasteel' van de familie Wittouck, met de voormalige kloosterhof als erekoer. De jaarstenen '1865' en '1866' boven de rondboogpoort van de zijvleugels langs de erekoer verwijzen naar de verbouwing die het kasteel zijn huidig neoclassicistisch uitzicht gaf – "d'une banalité cossue" volgens een toeristische gids uit 1911: een tweelaags, bakstenen gebouw met arduinen kordons en venster- en deurlijsten, driehoekige frontons, monumentaal uitgewerkte ingangrisalieten, enkele jaren geleden drastisch gerenoveerd. Opmerkelijk is dat het volume van de apsis van de oude kloosterkerk alle verbouwingen overleefde.

In de neerhofgebouwen bracht de zoon van Guillaume Wittouck, François (1783-1814), een jeneverstokerij onder. Op het bedrijf van Wittouck waren rond 1850 tweeëntwintig arbeiders tewerkgesteld – een middelgroot bedrijf in die periode, althans voor de voedingssector. De boomgaard, die op de plattegrond van Cornelis nagenoeg de hele noordelijke helft van het kloosterdomein binnen de grachten inneemt, bleef behouden (perceel 62). De watermolen (perceel 66bis) langs de Zuun, ten zuiden van het voormalige klooster, fungeerde als oliemolen en de oude ringgracht als molenreservoir. De 'potager' (siertuin met latwerk bij Sanderus) werd samen met het zuidoostelijke deel van de ringgracht in de kadastrale legger opgetekend als 'lusthof ', 1 hectare 34 are groot. De Primitieve kadasterkaart toont een ellipsvormig eilandje in de oostelijke grachtarm en de twee doodlopende zijarmen (waarvan één met een brugje), getuigen van een halfslachtige poging om de oude kloostertuin een min of meer 'landschappelijk' uitzicht te geven. Op een plataan (Plata­nus x hispanica) en drie bruine beuken (Fagus sylva­tica 'Atropunicea') na, zijn er geen elementen meer aanwezig die een idee kunnen geven van het uitzicht van de 'lusthof ' in de vroege 19de eeuw.

Na de overname van het bedrijf in 1849 door Felix Wittouck, werd de industriële productie uitgebreid tot broodsuiker en vanaf 1868 ook tot cal­ciumcarbonaat ('potasch oven'). Hij liet het park fors vergroten en de grachtarm met het eilandje verbreden tot een echte vijver. Het grote boomgaardperceel en de beemden ten noorden en ten oosten van het voormalige kloosterdomein werden samen met de oorspronkelijke lusthof verenigd tot één groot landschappelijk park, dat zich tot aan de steenweg Brussel-Bergen uitstrekte en ook twee grote vierkanthoeves omvatte. Het toegangshek aan voornoemde steenweg werd geflankeerd door twee bakstenen paviljoentjes – typisch speelse parkarchitectuur met pseudo-vakwerk, geajoureerde windborden enzomeer. De gebouwtjes werden kadastraal geregistreerd als "speelhuis" in 1865. In die omgeving werd ook een ijskelder aangelegd. Dit alles is zichtbaar op de stafkaart van 1878 (ICM, 1882) maar wordt het meest plastisch afgebeeld op die van 1891 (ICM, 1894).

Naast de gebruikelijke bruine beuken, Amerikaanse eiken (Quercus rubra) en platanen, werden in die periode ook minder courante bomen aangeplant, zoals de nog aanwezige zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata'), een zomereik met witgerand blad (Quercus robur 'Argenteomarginata') en een smalbladige es (Fraxinus angustifolia), momenteel kampioenbomen voor België. Uit de aanwezigheid van groepjes of rijen oude platanen, Amerikaanse eiken en purperbladige esdoorns (Acer pseudoplatanus 'Purpureum') in de huidige speelweide ten zuiden van het domein blijkt ook dat de beemden aan die kant deel uitmaakten van het landschappelijk park. De als lusthof geregistreerde percelen besloegen bijna vijftien hectare – volgens de reeds vermelde gids uit 1911: "un parc im­mense, dont les perspectives sont ravissantes et les massifs imposants". Aansluitend bij de hoeve werd een ommuurde moestuin met serres aangelegd. In 1859 kreeg Felix Wittouck van de gemeenteraad de toelating (geen probleem want van 1847 tot 1872 was hij burgmeester van Sint-Pieters-Leeuw) om zijn bedrijf met een spoorlijn te verbinden met het station van Ruisbroek. Dit privé-spoorlijntje (geen locomotiefjes maar paarden) doorkruiste het park en werd daarin mogelijk verwerkt als een pittoresk gegeven.

Missiehuis

In 1941 werd het voormalige kloosterdomein (zonder de stokerij) aangekocht door de paters scheutisten, die het kasteel in gebruik namen als noviciaat en rusthuis. Het in de 19de eeuw aangelegde park, onder de laatste Wittouck al met één derde gereduceerd, werd mettertijd herleid tot de huidige 3,5 hectare, omringd door residentiële verkavelingen, een sportcomplex en bedrijfsterreinen. De noordelijke arm van de oude ringgracht ging verloren bij de aanleg van de Albert Van Cotthemstraat. Door het recente volstorten van de noordelijke en zuidelijke uitlopers van de vijver verdween elke illusie van een weids 'rivierlandschap' – een geliefd thema in landschappelijke parken tijdens de hele 19de eeuw, dat ongetwijfeld ook de aanlegvisie van Felix Wittouck heeft bepaald. De ommuurde moestuin bleef behouden en wordt nog als dusdanig gebruikt. In 1995-1996 onderging het kasteel een 'harde' restauratie. De hernieuwde religieuze functie van het domein komt zoals in andere 'herkerstende' domeinen (bijvoorbeeld het Wivinaklooster te Groot-Bijgaarden) tot uiting in nieuw parkmeubilair, namelijk een beeld van Onze-Lieve-Vrouw in een decor van breuksteenmetselwerk onder een pannenzadeldakje.

Merkwaardige bomen (Opname 9 juli 2002. Het cijfer in vet geeft de stamomtrek, gemeten op 150 cm hoogte.)

  • 7. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 413
  • 10. zomereik met witgerand blad (Quercus robur 'Argenteomarginata') 196 – 'kampioen' van België
  • 11. gewone plataan (Platanus x hispanica) 434
  • 18. smalbladige es (Fraxinus angustifolia) 375(130), 'kampioen' van België
  • 22. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 507
  • 23. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 458
  • 24. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 387

 

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212 Sint-Pieters-Leeuw, art. 972, artikel 1175 nrs. 64 en 83 en artikel 3160 nrs. 11-19 en 260-261.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Sint-Pieters-Leeuw 1868/2, 1880/3 en 1898/1.
  • COSYN A., Le Brabant inconnu, Bruxelles, Touring Club de Belgique, 1911, p. 74.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeu­wen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 630-631.
  • DESPY-MEYER A., in Monasticon belge, 4: Province de Brabant, Liège, Centre national de recherches d'histoire religieuse, 1964-1972, p. 305-310.
  • ROEYKENS A., De abdij Heilige-Maria-Berg te Pepingen, stichting en verhuizing naar Sint-Pieters-Leeuw 1234-1253, in Het Oude Land van Edingen en omliggende 2(1), 1973, p. 43-53 en 1(3/4), 1974, p. 181-185.
  • SANDERUS A., Chorographia sacra Brabantiae [...], t. I, 's Gravenhage, Chr. Van Lom, 1726.
  • SCHEPPERS H., Kroniek van de kastelen van Sint-Pieters-Leeuw, 1998, p. 167-169
  • VENNEKENS F., De laatste dagen van Klein-Bijgaarden, Ter Muylen en de Ledebergse Kluis, in Eigen Schoon en De Brabander 11(8), (nieuwe reeks III), 1928, p. 201-204.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Bra­bant tot het einde van de 13de eeuw (XXI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1988, p. 125.
  • WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, I (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1971, p. 175, 178.

Bron     : DENEEF, R., 2005: Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 2005


Relaties

  • Omvat
    Neerhof van de priorij Klein Bijgaarden

  • Omvat
    Priorij van Klein Bijgaarden

  • Is deel van
    Klein-Bijgaardenstraat

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Park van de Priorij van Klein Bijgaarden [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134772 (Geraadpleegd op 21-11-2019)