Het park van Tervuren groeide uit een domein van de hertogen van Brabant, dat hier sinds de 13de eeuw werd uitgebouwd, midden 18de eeuw zijn huidige uitzicht kreeg en dat in de 19de eeuw tot een koninklijk domein werd omgevormd. Koning Leopold II drukte er zijn stempel op door de bouw van het Koloniënpaleis en het voormalige Kongomuseum (nu Afrikamuseum) en door de aanleg van de Tervurenlaan en tramlijn die beiden een goede verbinding vanuit Brussel naar zijn persoonlijk domein moesten verzekeren. De band met het koloniale verleden van België is er nooit veraf. Hoewel verschillende landschapsarchitecten aan het park van Tervuren werkten, vormt het toch een samenhangend en aantrekkelijk geheel. Het huidige park draagt nog altijd in grote mate de stempel van 18de-eeuwse (her)aanleg en 19de-eeuwse toevoegingen. Blikvangers zijn de in cascade liggende vijvers te midden een wijds tapis-vert, het sterrenbos en de Franse tuin bij het Afrikamuseum.
Het hier beschreven gebied ligt geografisch gezien in de Brabantse leemstreek aan de rand van het plateau van Duisburg dat ter plekke sterk versneden is door vele kleine waterlopen. Twee daarvan, met name de Voer en de Maalbeek, beide met een brongebied in het Zoniënwoud, gaven vorm aan het park van Tervuren waar de beekvalleitjes in de parkaanleg werden geïntegreerd. De tussenliggende hoger gelegen gronden hebben archeologisch potentieel als locatie van menselijke (nederzettings)sporen, ook al zijn er nog geen concrete vondsten gedaan. De huidige bewoning bevindt zich aan de overzijde van de Voervallei, eveneens op hoger gelegen gronden, waar de dorpskern van Tervuren zich mogelijk vanaf de 8ste eeuw ontwikkelde. Tervuren zou dan ontstaan zijn als een kleine nederzetting in het Zoniënwoud. Vanaf de 8ste-9de eeuw lijkt de hele Voervallei definitief door de mens ingenomen, voortgaande op de verschillende kerkstichtingen en occupatie op de rand van de vallei.
Kort voor 1250 lieten de hertogen van Brabant hun oog vallen op deze plek waar twee waterlopen, de Voer en de Maalbeek, samenvloeiden. Aansluitend bij het Zoniënwoud vonden ze het terrein geschikt als uitvalsbasis voor de jacht. Het uitbouwen van een jachtdomein in Tervuren had alles te maken met de verplaatsing van hun hoofdresidentie van Leuven naar Brussel. Terwijl de hertogen van Brabant aanvankelijk van Leuven hun thuisbasis maakten en in Meerdaalwoud een geliefd jachtgebied vonden, verbleven ze sinds de 13de eeuw vaker in Brussel. Aan de rand van het Zoniënwoud in Tervuren bouwden ze een nieuw jachtverblijf uit. Dat werd de kern van het huidige park van Tervuren. Het hertogelijke verblijf staat er nu niet meer, maar ondergronds zijn de sporen wel bewaard. Een deel van de funderingen zijn door archeologische opgravingen in de tweede wereldoorlog en opnieuw in de jaren 1980 blootgelegd. Enkel de Sint-Hubertuskapel en de stallingen in hoefijzervorm staan nog overeind.
De opgravingen toonden aan dat de oudste sporen van het kasteel van Tervuren, zoals het jachtverblijf meestal wordt genoemd, tot de 13de eeuw terug gaan en dat het nadien herhaaldelijk is opgeknapt en uitgebreid. Van een bescheiden verblijf (vόόr 1250) met een donjon en ringmuur (tweede helft 13de eeuw) groeide het begin 14de eeuw uit tot een imposante gotische zaal met bijgebouwen. De gebouwen stonden op een ‘eilandje’, omgeven door een vijver, ontstaan door het opstuwen van het water in de Voer en een zijbeekje.
De meeste opvallende verbouwingen gebeurden in het begin van de 17de eeuw en opnieuw in het midden van de 18de eeuw onder impuls van de landvoogden, die als plaatsvervangers van de vorst in de regio optraden. Tot een hoofdresidentie groeide het kasteel niet uit. Nooit was het een permanent verblijf, maar als uitvalsbasis voor de jacht bleef het bij momenten populair.
Bij een vorstelijk verblijf met die status hoorde natuurlijk ook een park. Een kaart uit het begin van de 17de eeuw geeft voor het eerst inkijk in de opbouw van dat park. Tot de kern van het domein behoorde het kasteel met vijver. In de vijver lag een tuin op een kunstmatig aangelegd vierkanten parterre, dat via een dijkje toegang gaf tot een 4,5 ha groot siertuinencomplex net ten noorden van de vijver. Voor een invulling van de tuinen is de kaart niet gedetailleerd genoeg, maar de indeling suggereert de opeenvolging van geometrische parterres langs kruisvormige paden. Langs de Voer graasden herten op traditionele graslanden of beemden. En ook konijnen beeldt de kaart uit: niet toevallig op de hellingen van een zijbeekje van de Voer die mogelijk als konijnenwarande diende. De twee diersoorten verwijzen duidelijk naar een warande, een jachtgebied van de hertogen, het geheel omgeven door een houten palissade (RAB, kaarten en plannen, nr. 631), die later in 1625 door een bakstenen muur met poorten werd vervangen. Op de hoger gelegen gronden tussen de Voer en de Maalbeek lag een met rechte lanen doorsneden bos, aan de zuidoostkant begrensd door een ketting van lange, smalle, aan elkaar geschakelde vijvers in het valleitje van de Maalbeek.
Onder landvoogd Karel van Lotharingen (1741-1780) beleefde het park van Tervuren een ware heropstanding. Een groot deel van het huidige park gaat terug op de ingrepen die hij liet uitvoeren. Nadat hij het domein van Tervuren in 1749 ten persoonlijke titel kreeg toegewezen, besteedde hij jaarlijks grote sommen aan de heraanleg van het kasteel en het park. Uit die periode dateert de aanleg van het ‘hoefijzer’, bestaande uit stallingen, koetshuizen en personeelswoningen. Zijn appartement op het eilandje kreeg een nieuwe vleugel, die op de zuidoostkant van het park uitkeek. De meeste nieuwe ontwikkelingen vonden daar plaats. Het parkontwerp is mogelijk van Carl Zinner, de tuinman die toen tot de hofhouding van Karel van Lotharingen behoorde.
Ten zuidoosten van de Spaans-huis-dreef kwam er een
In het verlengde van zijn appartement, aan de noordoostkant, liet Karel van Lotharingen het park volledig herinrichten en vooral het beekje genaamd de Voer kanaliseren.
Op het interfluvium tussen de Voer en de Maalbeek richtte Zinner een sterrenbos in:
In dertig jaar tijd liet Karel van Lotharingen in Tervuren een spectaculair park van 185 ha inrichten. Uit de opdrachten voor marmeren baden, koperen kuipen, fonteinen, tientallen marmeren beelden van Romeinse keizers en dieren, een metalen paardencaroussel, een kunstig uitgewerkte wip, een rad van fortuin in blauw hardsteen, een grot met waterspuwers blijkt de fascinatie van Karel van Lotharingen voor luxe. Met zijn hang naar exotisme volgde hij de mode van zijn tijd: het badhuis zag er als een Chinees paviljoen uit en speciaal voor de productie van Oosterse zijde richtte hij in een andere uithoek van het park een kweekhuis voor zijderupsen in, geflankeerd door 900 witte moerbeibomen. Exotische planten die in de oranjerie overwinterden, vaak oranjeboompjes in kuipen, fleurden de tuin bij zijn appartement op het kasteeleiland op. Voor luxetuinen van de hoge adel waren mediterrane planten niet ongewoon. Wel bijzonder was Karels aandacht voor speciale dieren. Een fantastische inventaris van het park uit 1780 vermeldt buffels, mouflons, Zwitserse koeien, kanaries en zelfs een aap. Het fazantenpark met fazant, kalkoen, parelhoen en rode patrijzen heeft wellicht met de jacht te maken.
Na de dood van Karel van Lotharingen ging de luister van het park van Tervuren wat verloren. Het oude kasteel van de hertogen van Brabant werd in 1782 gesloopt en ook heel wat parkornamentiek, waaronder de beelden en spellentuin, het badhuis, verdwenen wegens te duur in onderhoud. Maar de basisstructuur van de 18de-eeuwse parkinrichting met het sterrenbos, de vijvers, de gekanaliseerde Voer en het tapis-verts bestaat tot op vandaag.
Begin 19de eeuw kreeg het park van Tervuren een nieuwe doorstart, toen het domein in 1815 eigendom werd van koning Willem I. De slag bij Waterloo hertekende immers de kaart van Europa, niet in het minst voor onze regio die bij Nederland werd gevoegd om als buffer tegen de Franse expansie te dienen. Den Haag zwaaide voortaan de plak in deze regio en om dat te bekrachtigen kreeg de kersverse koning het park van Tervuren als privédomein toegewezen. Bij gebrek aan woonhuis liet hij er in 1817-1822 een paviljoen oprichten (op de locatie waar later het Koloniënpaleis zou komen) met een ‘jardin à l’Italienne’ in de onmiddellijke omgeving en in het zuiden een quinconce of boomgaard van kastanjes, een ‘pelouse à l’anglaise’ en aansluitend een parkbos met een ijskelder en kronkelende paadjes. De stijl bleef overwegend klassiek, geometrisch opgebouwd, de regels van de symmetrie volgend. De enige verwijzing naar de nieuwere landschappelijke stijl zat in de ‘pelouse à l’anglaise’ die vanuit het bordes van het nieuw gebouwde paviljoen een zicht op de oude kasteelvijver opende. Op een plan uit 1817-1822 is goed te zien hoe de nieuwe parkinrichting zich volledig ten noorden van de vijverzone en de huidige Keizerinnendreef voltrok. De rest van het park werd ongemoeid gelaten.
Het huidige park draagt nog altijd in grote mate de stempel van de ingrepen uit het midden van de 18de eeuw. Daar zijn op het einde van de 19de eeuw onder invloed van koning Leopold II nog bijkomende ingrepen aan toegevoegd, hoofdzakelijk in het gedeelte ten zuiden van de Leuvensesteenweg. Want daar liet de koning eerst het Koloniënpaleis (1897) bouwen en toen dat al spoedig te klein bleek, ook nog het Afrikamuseum (1904).
Aanleiding voor al deze ingrepen was het koloniale project van koning Leopold II, die tussen 1885 en 1908 Congo als privé-wingewest in eigendom hield. Zijn privé-domein in Midden-Afrika bleek ruim 80 keer groter dan het land waarvan hij koning was. Altijd was hij op zoek naar de belangstelling van zijn onderdanen voor zijn koloniale project en vooral naar nieuwe investeerders. Toen België in 1897 de Wereldtentoonstelling organiseerde, pakte Leopold II graag met zijn koloniale verworvenheden uit. Tervuren werd de plek. Daar bezat hij sinds zijn eerste dotatie van 1853 een domein, een erfenis van de vroegere hertogelijke warande, waar hij tot dan weinig naar had omgekeken. Maar nu bleek het de uitgelezen plek om een tentoonstellingsruimte over Congo uit te bouwen op de resten van een uitgebrand paviljoen. Dat werd het Koloniënpaleis.
Voor het ontwerp deed Leopold beroep op de Franse architect, Aldrophe, voor de tuin op de Franse landschapsarchitect Elie Lainé. Zoals het gebouw in neoclassicistische stijl werd opgetrokken, zo kreeg ook de buitenomgeving een neoklassieke vormgeving. Twee assen structureerden de opbouw van de Franse tuin: één vertrekkend vanuit het Koloniënpaleis, de tweede loodrecht daarop staand. Op het knooppunt kwam een ellipsvormige spiegelvijver geflankeerd door symmetrisch uitgewerkte parterres met bloemen, struiken, gazons, snoeivormen, beelden en paden. Tegen de aflopende helling vingen drie opeenvolgende terrassen het niveauverschil op. Beneden zorgde een nieuw uitgegraven vijver met kanaal en een metalen brug voor de verbinding met het 18de-eeuwse park dat voor de rest ongemoeid werd gelaten.
Buiten het Koloniënpaleis liet Leopold II voor de Wereldtentoonstelling van 1897 ook nog een heus Afrikaans dorp optrekken. Op twee plaatsen in het park van Tervuren, vlakbij de kasteelvijver, verschenen tijdelijk ‘hutten’ met daarin 267 Congolezen als levende figuranten. Ook buiten de museummuren konden mensen zich vergapen aan het clichébeeld van zogenaamd ‘primitieve mensen’, tentoongesteld als ware het een menselijke zoo. Het was illustratief voor de manier waarop Westerse mensen toen tegen het leven in Afrika aankeken, dat zij vanuit een koloniale blik als wild, primitief, onbeschaafd en exotisch beschouwden. Volgens diezelfde blik bracht de Westerse levenswijze in Congo ‘beschaving’. Voor de totale ontwrichting van het sociale leven en de lokale economie als gevolg van de ongebreidelde economische expansiedrang en het kolonialisme had men geen oog.
Voor zeven Congolezen liep hun twee maanden durende verblijf in Tervuren dramatisch af. Zij overleefden de overtocht of het verblijf in België niet en liggen nu begraven bij de kerk van Tervuren.
De Tervurenlaan was ook één van de ingrepen die Leopold II liet realiseren voor een betere ontsluiting van de ‘koloniale site’ in het park Tervuren op het einde van de 19de eeuw. De weg is ontworpen als een parklaan, een royaal brede weg met indelingen, waarbij de rijvakken van elkaar gescheiden zijn door een middenstrook en zijstroken met gras en bomen. De landschappelijke inkleding van dergelijke wegen is dus kenmerkend voor parklanen.
Niet toevallig verbond de Tervurenlaan het Brusselse Jubelpark met het park van Tervuren, omdat beide locaties waren uitgekozen voor de Wereldtentoonstelling van 1897. Omdat de weg hoogteverschillen moest overbruggen, liet de ontwerper van het tracé, Victor Besme, de weg een zacht kronkelend parcours langs de heuvelwanden volgen. Het tracé bij het park van Tervuren werd als laatste gerealiseerd. Daar lag de weg op zijn breedst (88m): een recht tracé met vier evenwijdige bomenrijen (kastanjes), een brede grasstrook in het midden en 19m brede stroken met gras, bomen en bosplantsoen aan de buitenkanten. Opvallend waren de gescheiden wegen voor de verschillende weggebruikers: voetgangers, auto’s, ruiters en zelfs fietsers (in die tijd!). Ook de tram kreeg een aparte bedding en een draailus net voor het Koloniënpaleis. Dat gebouw vormde het eindpunt van de Tervurenlaan. Het plan van het wegtracé door stedenbouwkundige Victor Besme uit 1894, werd door landschapsarchitect Louis-Leopold Van der Swaelmen verder uitgewerkt in 1896.
In de loop van de geschiedenis breidde het park van Tervuren stelselmatig uit, maar het meest uitgesproken in de 18de-19de eeuw toen in twee bewegingen (in 1763 en in 1858) de gronden van het nabijgelegen hof ter Munck aan het park werden toegevoegd. Dat voormalige landbouwbedrijf van de abdij van Park lag in het oosten aan de samenvloeiing van de Voer en de Maalbeek, waar de abdij tot het einde van de 18de eeuw een watermolen, vijvers, bos, een hoeve en heel wat bijhorende landbouwgronden had uitgebaat.
De historische vijvers inspireerden landschapsarchitect en ingenieur Delabarrière tot de aanleg van de Vossemvijver in 1883 als bindmiddel tussen de twee parallelle gekanaliseerde vijvercomplexen uit het park van Tervuren. De toevoeging zorgde voor meer landschappelijke samenhang binnen het park en mogen we als een zeer geslaagde ingreep beschouwen. De relatief onbekende Fransman Delabarrière was medewerker van de Franse landschapsarchitect Grégoire. Beiden werkten in duo ook aan de plannen voor het koninklijk park van Laken in opdracht van Leopold II. De koning kende hen dus. Aan hen vertrouwde hij het ontwerp van de nieuwe vijver toe, die in 1883 werd gerealiseerd. Delabarrière werkte het nieuwe parkgedeelte in landschappelijke stijl uit, wat duidelijk tot uiting komt in de met zwier uitgetekende wijdse vijver. Vaak wordt in één adem Edouard Keilig vernoemd als ontwerper van de Vossemvijver, maar dat klopt niet. In die periode van de aanleg van de vijver adviseerde Keilig enkel over de kap en vervanging van het bomenbestand in het park van Tervuren naar aanleiding van een hardnekkige ziekte onder de beuken.
Vandaag is het park van Tervuren een druk bezocht openbaar park in de Vlaamse rand rond Brussel, dat door het agentschap Natuur en Bos wordt beheerd. Al sinds 1839 is het een overheidsdomein, dat door de eerste koninklijke dotatie van 1853 in handen kwam van Leopold II. De koning genoot het vruchtgebruik, maar de Belgische staat bleef eigenaar. Sinds de federalisering werd dat het Vlaamse gewest. Het sterrenbos, de Delabarrière-vijver en de kanaalvijvers zijn nu eigendom van het agentschap Natuur en Bos, dat voor het overige deel van het park het beheer conform het bosdecreet waarneemt.
Erfgoedelementen
Noordelijke deel van het park
Historische kaarten
Iconografie
Literatuur
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Verboven H. 2026: Park van Tervuren en de Voervallei (2026) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453834 (geraadpleegd op ).
Het omschreven gebied strekt zich uit vanaf de Tervurenlaan tot de Voervallei ter hoogte van de dorpskern van Vossem. Het park van Tervuren fungeert tesamen met het Kapucijnenbos als brongebied van de Voer, die nabij de Vossemvijver het domein uitstroomt.
De eerste vermelding van een nederzetting dateert uit de 8ste eeuw. Reeds in de 12de eeuw was deze site al bewoond door de hertogen van Brabant. Het middeleeuwse kasteel werd meermaals verbouwd, de laatste ingrijpende restauratie gebeurde onder Karel van Lotharingen. Het paleis werd in 1782 gesloopt in opdracht van Keizer Jozef II. De overblijfselen van dit kasteel, gelegen aan de vijver nabij de Sint-Hubertuskapel, werden bij opgravingen uitvoerig onderzocht. De ringmuur rond het park werd aangelegd tussen 1625 en 1632, een groot deel van deze muur bestaat nog steeds, vooral langs de kant van Vossem. Op de plaats ‘Hoogvorst’, nabij de Sint-Hubertuskapel, liet Karel van Lotharingen door architect Dewez een nieuw kasteel optrekken, waarvan heden nog de indrukwekkende stallingen, opgetrokken in hoefijzervorm, overblijven. De Sint-Hubertuskapel is een voorbeeld van de overgang van classicistische renaissance naar barok, ze werd in 1617 ingewijd en wordt toegeschreven aan Wenceslas Cobergher, hoofdarchitect van de Aartshertogen. Koning Willem I maakte het park over aan de Prins van Oranje als wederdienst voor zijn bijdrage in de slag van Waterloo. De prins van Oranje liet vanaf 1817 door architect Vander Straeten een ‘paviljoen’ in strenge classicistische stijl optrekken, het zou in 1879 afbranden en op dezelfde plaats - tegenover de huidige Tervurenlaan - verscheen een nieuw paleis in Lodewijk XVIde-stijl, waarin tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 een deel van de Kongolese afdeling onderdak vond. De naam Koloniënpaleis dateert uit deze periode. De landschapsarchitect E.Lainé legde het fraaie park aan in Franse stijl met merkwaardige axiale perspectieven. Er kwam eveneens een groententuin en boomgaard. Het park werd publiek toegankelijk. Ch.L.Girault tekende in 1902 in opdracht van koning Leopold II de plannen voor het huidige Museum voor Midden-Afrika, in een stijl die herinnert aan het grote en kleine Paleis van Parijs. Het werd in 1910 door koning Albert I ingehuldigd. In 1911 werd het grootste deel van het domein overgedragen aan de toenmalige diensten van Waters en Bossen.
Het gehele domein, Park van Tervuren of Warande genoemd, is 225 ha groot, de ringmuur is 7 km lang, 8 vijvers volgen mekaar op rond een hoger gelegen deel van waaruit 8 dreven vertrekken, die door Karel van Lotharingen aangelegd werden. Een aantal van deze vijvers kregen een naam: Gorsvijver, Bijvijver, Molenvijver, Vossemvijver, Grote Vaart, Kleine Vaart. De zogenaamde ‘zevensterre’ in de Warande weerspiegelt de geometrische vormgeving, kenmerkend voor de in de 17de-eeuwse heersende classicistische stijl. De Gordaalmolen in het Warandedomein, ook Spaans huis genoemd, is een verbouwd geheel uit de 17de eeuw. De Tervurenlaan werd in 1897 ook in opdracht van Leopold II aangelegd, waardoor de verbinding met het Brusselse Jubelpark tot stand kwam. Deze laan werd beplant met meerdere rijen kastanjebomen, zowel in de middenstrook als langs de buitenzijde van de gescheiden rijbanen.
Tervuren werd vooral dank zij de wereldtentoonstelling van 1897 een knooppunt van spoor- en tramlijnen. De spoorwegverbinding tussen Brussel-Leopoldswijk en Tervuren kwam tot stand in 1881-1882, aangelegd door een private maatschappij. Het oorspronkelijke eindstation te Tervuren was gelegen aan de Albertlaan maar het werd in 1897 omwille van de wereldtentoonstelling overgeplaatst naar de steenweg naar Leuven, tegenover het park. Het was in 1931 de eerste spoorlijn in ons land die met elektrische tractie geëxploiteerd werd. Het reizigersvervoer werd stopgezet eind 1958, goederenverkeer bleef doorgaan tot 1970. Het mooie houten stationsgebouw is al enkele decennia verdwenen, enkel een voormalige goederenloods blijf over. In 1896 werd aan de maatschappij Ixelles-Boendael de concessie verleend voor de tramlijn van Brussel naar Tervuren, die in 1897 klaar kwam en elektrisch moest geëxploiteerd worden, hetgeen aanvankelijk met accu-rijtuigen gebeurde. Enkele jaren nadien werd de lijn overgenomen door de Tramway Bruxellois. Het pittoreske eindpunt van deze lijn, met een keerlus, is nog steeds in gebruik. Tenslotte kwam in 1897 ook de Buurtspoorweglijn Leuven-Tervuren klaar, deze sloot aan bij het spoorwegstation. Vanuit Vossem kwamen de verbindingen met Brussel via Sterrebeek en met Tienen via Hamme-Mille tot stand. De lijn Vossem-Tervuren werd een aftakking van de lijn Leuven-Brussel. De tramverbinding Brussel-Tienen-Luik speelde een belangrijke rol tijdens de Tweede Wereldoorlog toen de spoorwegverbindingen onderbroken waren. De verbinding Vossem-Tervuren werd opgeheven in 1954, de lijn Leuven-Vossem-Brussel bleef nog in gebruik tot 1961.
Het centrum van Tervuren heeft dankzij haar rijk historisch verleden een aantal prachtige historische gebouwen, zoals de Sint-Jan-Evangelistkerk, de pastorij, de 18de-eeuwse huizen in de Kasteelstraat, kasteel Stolberg-De Robiano. De Sint-Janskerk, hoofdzakelijk opgetrokken in Brabantse gotische stijl, is gelegen in het midden van een plein dat vroeger omzoomd was met oude huizen.De oudste delen van de kerk stammen uit de 13de en 14de eeuw. Het Robianokasteel werd grotendeels in romantische stijl wederopgebouwd in 1877, de aanpalende maar sterk verbouwde hoeve uit de 18de eeuw maakte voordien deel uit van het domein. Het oudste deel van de pastorij werd opgetrokken in de 17de eeuw in traditionele bak- en zandsteenstijl, het geheel werd verbouwd in 19de en 20ste eeuw.
Bron: Ankerplaats 'Dorpskom Tervuren en Warandepark'. Landschapsatlas, A20038, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs: Deneef, Roger; Wijnant, Jo; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Deneef R., Wijnant J. & Cresens A. 2001: Dorpskom Tervuren en Warandepark (Landschapsatlas 2001) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/162501 (geraadpleegd op ).