Het complex Heverleebos-Meerdaalwoud strekt zich uit ten zuiden van Leuven vanaf Heverlee tot aan de grens met Waals-Brabant. Het is een oud bos met geologische relicten en rijke cultuurhistorische waarden uit het verleden van de mens. Meestal associëren we Heverleebos-Meerdaalwoud met de familie de Croÿ-Arenberg, die er eeuwenlang eigenaar van bleef. Omdat de goederen van de hertogen van Arenberg na de Eerste Wereldoorlog verbeurd werden verklaard en aangeslagen, kwam het ruim 2000 ha grote bos in 1918 in het bezit van de overheid. Nu beheert het agentschap Natuur en Bos het. Meerdaalwoud is een vaste waarde in de streek: geliefd om zijn mooie wandelingen en steeds beter gekend als een bos met roots die tot in een ver verleden reiken.
In Heverleebos en Meerdaalwoud kun je vele sporen van het bestaan van de mens terugvinden, tot in de prehistorie toe. Misschien verwacht je het niet meteen, maar bossen -en zeker oude bossen- zijn goede bewaarplaatsen voor menselijke sporen uit het verleden. De vorming van bos zoals we dat vandaag kennen, kwam na de voorlopig laatste ijstijden tot stand, ten vroegste sinds ongeveer 12.000 jaar geleden. Door de geleidelijke opwarming van het klimaat gedijden loofbomen veel beter en palmden bossen de omgeving in. Het belette niet dat prehistorische mensen ten tijde van het midden-neolithicum (6300-5200 jaar geleden) stukjes van het bos uitkapten om aan landbouw te doen. Raakte de grond na korte tijd uitgeput, dan verplaatsten ze hun activiteiten naar een nabijgelegen locatie. Stenen bijlen zijn over het hele boscomplex gevonden. De vele vindplaatsen van allerlei stenen artefacten op de zuidrand van het Meerdaalwoud doen vermoeden dat het bos hier op bepaalde momenten door de prehistorische mens was ingenomen.
Hoe permanent die menselijke aanwezigheid was, weten we niet. Tientallen bewaarde en helaas ook verdwenen grafheuvels tonen in elk geval aan dat de mens hier een plek vond tijdens de bronstijd (4000-2800 jaar geleden) en de Gallo-Romeinse periode (50 vC- 406 nC). Wie een geoefend oog heeft, herkent de grafheuvels als een meestal ronde glooiing in het terrein. Andere kun je enkel waarnemen op het digitale hoogtemodel dat zelfs kleine niveauverschillen visualiseert. De meeste zijn door grafschenners in het verleden verstoord of geplunderd, sommige zelfs helemaal uitgegraven. Andere zijn in het begin van de twintigste eeuw opgegraven met de weinig nauwkeurige methoden van toen.
Met een diameter van 22m is het Monarkengraf langs de Nieuwedreef in Heverleebos de grootste grafheuvel, waarschijnlijk uit de midden bronstijd. In Meerdaalwoud bevinden de meeste Gallo-Romeinse grafheuvels zich om en bij de Tiense groef, een 3 km lange Gallo-Romeinse weg die nu als een oost-west georiënteerde insnijding onder bos kan worden waargenomen. Deze grafheuvels zijn doorgaans tamelijk bescheiden, eerder kegelvormig en afgetopt. De meest bekende is de Gallo-Romeinse grafheuvel “Schoon werk” of “Belle Besogne”, een dubbele grafheuvel met daartussen een wal. Recent karteerden onderzoekers daar vlakbij sporen van Romeinse landbouwkavels, putten voor de ontginning van kalkrijke leem en Gallo-Romeinse bewoningssporen.
De aard en de concentratie van de archeologische sporen suggereren dat het Meerdaalwoud kort na het begin van onze jaartelling geen bos, maar landbouwgebied was. Dat wordt bevestigd door onderzoek naar bodemerosie onder de vorm van ravijnen in het huidige boscomplex. Deze lijnvormige insnijdingen vormden zich aan de oppervlakte door de intensiteit van afstromend water. In weinig begroeide akkers kan een intense regenbui diepe geulen uitschuren. Uit de modelering van deze ravijnen en de vergelijking van de situatie op het terrein blijkt dat de ravijnen in Meerdaalwoud alleen in open akkergebied en niet onder bos die vorm konden aannemen. Voor deze streek zijn dergelijke erosiegeulen niet ongewoon. Maar op de meeste plaatsen eroderen ze verder of raken ze opnieuw opgevuld. Alleen in het Meerdaalwoud zijn die diep uitgesneden erosiegeulen als fossielen bewaard gebleven, omdat de bosregeneratie na de Gallo-Romeinse periode de erosie stopte. Het bladerdak van de boomkruinen, het niet bewerken van de grond, het humusdeken en de intense beworteling beschermden het eronder liggende bodemoppervlak, wat deze oude bossen een bijzondere waarde als bewaarkamers voor archeologische en geologische sporen geeft.
Waarschijnlijk is Heverleebos-Meerdaalwoud na de 5de eeuw altijd bos gebleven, hoewel het vermoedelijk een relatief open eiken-haagbeukbos met opvallend veel hazelaar was. Uit een beperkt pollenonderzoek op twee sites bleek dat het bos rond 800 nC een open type met veel eik en struikhei was, terwijl beuk, hazelaar en els een opmerkelijke achteruitgang kenden. De openheid van het bos kan wellicht in verband worden gebracht met begrazing door vee van omwonenden. We weten immers dat in de vroege middeleeuwen er in de nabij omgeving kleine bewoningskernen bestonden. Hoe dan ook moeten we voorzichtig zijn met deze interpretatie over de soortensamenstelling en evolutie, want het pollenonderzoek was beperkt van omvang en experimenteel qua methode. Over de vroege middeleeuwen is in deze streek in het algemeen weinig bekend.
De oudste geschreven informatie duikt voor het eerst eind 10de eeuw op (Lahaye 1921). Volgens deze akte uit 990 zouden een zekere Ermentrudis en Engenulphus, heer van Nethen, een domein bij Nethen aan het Luikse kapittel van Sint-Jan-de-Evangelist schenken, waaronder een stuk van ‘Merdael’. Het origineel kan niet meer worden onderzocht, omdat het handschrift in 1944 door een bombardement op de bewaarplaats van het rijksarchief in Luik is vernietigd.
Uit de 13de eeuw stammen nog twee aktes die verwijzen naar Meerdaalwoud. Ze sommen de eigendommen van het Luikse kapittel van Sint-Jan-de-Evangelist op, waaronder het silva de Miradal bij Nethen. Officieel zijn die aktes vroeger gedateerd (1147, 1186), maar de dateringen zijn vervalst omdat ze moesten dienen als bewijsmateriaal in een geschil over het eigendom van het zuidelijke deel bij Nethen. Als we de drie oudste geschreven archiefstukken samen bekijken, vormen ze het schriftelijke bewijs dat Meerdaal zeker sinds de volle middeleeuwen als bos bestaat.
De beboste oppervlakte was toen waarschijnlijk groter dan nu. Er zijn aanwijzingen dat Heverleebos-Meerdaalwoud zich nog verder naar het noorden uitstrekte. Daar lag een domaniaal bos, het Loo, dat zijn naam gaf aan het huidige Kessel-Lo en dat zich min of meer tussen de Platte-Lostraat en de Bovenlo uitstrekte. De straten dragen er nog altijd opvallende Lo-toponiemen, die naar dat oude bos verwijzen. En toen de abdij van Park in 1129 een plek kreeg, kwam het volgens de stichtingsoorkonde terecht in een voormalig wildpark bij een bos, mogelijk een schakel tussen Heverleebos en het noordelijk gelegen Loobos.
Vanaf het begin van de 13de eeuw krijgen we zicht op de opeenvolgende eigenaars van het boscomplex. Bovenaan de lijst prijken de hertogen van Brabant. Hoe ze het bos verwierven, blijft onduidelijk. Waarschijnlijk namen ze het tijdens hun strijd over de macht het territorium in handen. Leuven was immers hun oudste machtsbasis waar ze al van in de 11de eeuw vaste voet aan de grond kregen en van waaruit ze hun eigendommen, aanzien en invloedssfeer stelselmatig wisten uit te breiden tot het hele hertogdom Brabant. Feit is dat ze in 1206 Meerdaalwoud als één van hun bezittingen noemen: de hertog van Brabant benoemde zichzelf tot beschermheer van de nieuw gestichte Sint-Geertruiabdij van Leuven en schonk in ruil het recht om jaarlijks een kar beukenhout uit het bos te halen (et usum, lignorum in silua mea, quae, dicitur Merdal, accipiendorum, ad necessitates eorum, et cum uno plaustro tantum, qui usus in nostra vulgari Fagus appellatur, bron Koninklijke Commissie voor Geschiedenis).
Na de dood van hertog Godfried van Brabant tijdens de Guldensporenslag in 1302 werd Meerdaalwoud onder zijn dochters verdeeld en kwam het in verschillende familie-eigendommen terecht, waaronder die van de aristocratische geslachten d’Harcourt (het zuidelijke gedeelte van Meerdaalwoud, vanaf 1331 ook het noordelijke deel bij Vaalbeek), van Gulik (het westelijke en centrale gedeelte, in 1358 aan van Schoonvorst verkocht) en Berthout-de Thouars (het oostelijke deel, mogelijk Mollendaalbos). Aan die versnippering kwam in 1441-1442 een einde toen Antoine de Croÿ via zijn vrouw het erfdeel van de familie d’Harcourt verwierf en dat vervolgens door aankoop stevig uitbreidde. Toen ook deze dynastie geen mannelijke erfopvolger had, lieerden de Croÿs zich in 1612 via huwelijk met de Arenbergs, die het Meerdaalwoud tot begin 20ste eeuw beheerden. Het aantal wissels van eigenaar was dus sinds de 15de eeuw al bij al beperkt. Het zorgde voor een zekere continuïteit in het bosbeheer en de vrijwaring van het uitgestrekte boscomplex.
Heverleebos behoorde voor een deel aan de heren van Heverlee toe en voor een ander deel aan de familie Busdom, de abdij van Park en de priorij van Groenendaal. Eén van deze heren zou in 1446 Heverleebos verkopen aan de familie de Croÿ, die enkele jaren voordien ook al Meerdaalwoud had verworven. Dat was een belangrijke stap in de eenmaking van het boscomplex. Tegen het einde van de 16de eeuw hadden de Croÿ’s hun eigendom er tot een oppervlakte van ruim 1500 ha weten uit te breiden. Op dat ogenblik bestond het uit drie, nog niet bij elkaar aansluitende kernen: Meerdaalwoud, Mollendaal en Heverleebos. De vorming tot één aaneengesloten boscomplex onder één eigenaar kwam pas eind 18de eeuw tot stand door nieuwe aankopen, waaronder die van het Zoet Water. In de zuidwestelijke punt van Heverleebos lag het Zoet Water, een vijvercomplex dat bij de heerlijkheid Steenbergen hoorde, vooral gekend van de kapel van Steenbergen. Pas in 1759 werd het Zoet Water en het daarbijhorende Kouterbos (of Steenbergbos) samengevoegd met Heverleebos en Meerdaalwoud. De vallei van het Zoet Water en Vaalbeek vormden overigens een natuurlijke scheiding tussen Heverleebos en Meerdaalwoud.
Eeuwenlang is het bos beheerd geweest als een eikenhakhoutbos met overstaanders, wat in bosbeheerstermen middelhout wordt genoemd. Het boscomplex werd dus vaak en op geregelde tijdstippen gekapt. Vanaf het begin van de 17de eeuw volgden de bosbeheerders daarvoor een een eerste, primitief bedrijfsplan. Bij een hakhoutbeheer werden de boompjes tot kort boven de grond gekapt. Uit het wondweefsel groeiden nieuwe scheuten, die op korte tijd tot stevige takken uitgroeiden en na 12-20 jaar weer werden geoogst. Het voordeel was dat je vaak kon oogsten, een groter houtvolume haalde en snel inkomsten realiseerde. Het hout was voor allerlei toepassingen bruikbaar: als brandhout, voor de productie van houtskool, schors voor leerlooierijen, geriefhout enz. Bij elke kapcyclus liet men enkele bomen staan, de zogenaamde “laeteiken” of overstaanders (16 per bunder). Deze bomen mochten wel doorgroeien tot grotere exemplaren, zodat het bos ook constructiehout opleverde. Oudere of minder geschikte laateiken werden elke cyclus selectief gekapt, kort na de hakhoutkap : meestal eik, maar ook es, beuk, els, esdoorn, boskers en grauwe abeel in kleinere aantallen.
Eik overwoog als boomsoort, zowel bij het hakhout als in de opgaande bomen, een soort die door de mens zeker werd bevoordeeld, omdat ze commercieel interessant was. In de 18de eeuw werd ook volop met de aanplant van beuken geëxperimenteerd, vanuit boomkwekerijen in Heverleebos, en met het bezaaien van ontgonnen gronden om ze opnieuw tot bos op te vormen.
Twee evoluties vielen op: 1° de kapcyclus in het hakhout verminderde in tijd. In 1610 volgde de rentmeester een omlooptijd van 20 jaar. Tussen 1700-1850 schommelde die rond de 12 à 14 jaar om tegen het begin van de 20ste eeuw tot een kapcyclus van 12 jaar in te korten. Door de kortere kapcyclus werden de hakhoutpercelen frequent vrijgesteld. Zonlicht bereikte volop de bosbodem, met versterkte mineralisatie tot gevolg en lichtminnende planten die meer groeikansen kregen. 2° Vanaf de 17de eeuw nam het aantal overstaanders in het bos toe en verhoogden de inkomsten uit hun verkoop, een ontwikkeling die in de 19de-20ste eeuw versnelde. Uit inventarissen van het bosbestand begin 20ste eeuw bleek dat ook de oppervlakte van de stambasis vergrootte. Dat zijn allemaal signalen dat het bos in die periode (17de-20ste eeuw) naar een bos in hooghoutbeheer werd omgevormd. Uiterlijk ging het bos steeds meer gelijken op een bos met hoofdzakelijke hoge opgaande, volwassen bomen, zoals we bossen tot op vandaag meestal kennen.
Niet alleen werden bossen vroeger anders beheerd, ook begrazing in bossen is iets wat we vandaag nauwelijks nog kennen, terwijl dat in het verleden een heel gangbare praktijk was. Runderen, paarden en varkens waren de dieren die in Heverleebos en Meerdaalwoud in de herfst of winter werden geweid. Bewoners uit de aangrenzende dorpen hadden het recht om jaarlijks enkele dieren in het bos te laten grazen. Het ziet er niet naar uit dat de dieren in grote getale in Meerdaalwoud of Heverleebos fourageerden (in 1543 190 koeien, kalveren en paarden; 240 in 1660, aantal varkens onbekend). Het aantal dieren kon van jaar tot jaar sterk variëren. Populair waren deze graasrechten niet bij de eigenaars van bossen, omdat ze die zagen als een inbreuk op hun eigendomsrechten of als een oorzaak van schade aan het bosbestand. Daarom probeerden ze die rechten -die vaak op het gewoonterecht waren gebaseerd- in te perken of betalend te maken.
Veel toleranter stonden de eigenaars tegenover het wildbestand in het bos, want daarop jaagden ze. Jagen behoorde tot de adellijke levensstijl en gaf uitdrukking aan de hoge sociale status van wie het jachtrecht bezat. De praktijk die soms op ingewikkelde rituelen berustte en liefst in groot en voornaam gezelschap doorging, was duur en voor de hoogste stand voorbehouden. Meerdaalwoud en Heverleebos hadden het statuut van vrijwoud of vrije warande, en dat maakte het boscomplex bijzonder want maar enkele bossen in het hertogdom Brabant hadden dat statuut. Het betekende dat alleen de eigenaar van het bos of de hertog van Brabant er mochten jagen. Dus enkel in vrijwouden of vrije warandes was het jachtrecht exclusief, in tegenstelling tot de rest van het grondgebied waar gewone mensen op klein wild als konijnen of hazen mochten jagen. De jacht op groot – of edelwild (zoals herten, reeën) was altijd aan de adel voorbehouden. Enkel in Brabant bestonden vrijwouden of vrije warandes, omdat in andere vorstendommen het hele jachtrecht aan de adel was voorbehouden (groot én klein wild).
In de 17de eeuw hielden de hertogen van Arenberg een bescheiden wildpark in het zuiden van Meerdaalwoud, dat we in de nabijheid van de huidige warandevijver situeren. Het was bedoeld om edelherten op te kweken, die nadien voor de jacht werden ingezet. Voor hun onderhoud voerde men hooi aan en aan het opgestuwde water in het smalle dal van de warandeloop laafden de dorstige dieren zich. Deze aangelegde vijver is samen met een wal het enige restant dat aan het wildpark herinnert.
Een ander vijvercomplex is Paddenpoel, te vinden aan de zuidwestkant van Meerdaalwoud. Het bestaat uit een opeenvolging van vijvers in een smalle vallei, die in 1978 opnieuw aangelegd zijn, maar een oudere oorsprong kennen. Ze zijn ontstaan door het afdammen van de bovenloop van een beekje dat hier heel zuiver water aanvoert. Het afdammen is mogelijk het werk van de abdij van Park, die cijnshouder van de vijvers was en er de naam “Ten Wouwere” aan gaf. Wouwer is het historische toponiem voor vijver.
Op drie andere locaties komen nog meer bronnen voor, de bron van Pier Slot in Sint-Joris-Weert, de Hertebron en de Minnebron. Ze typeren de ondergrond van het gebied, waar regenwater op kleilagen via een zandlaag naar boven welt en daar aan de oppervlakte komt. Bij de omwonenden is vooral de Minnebron aan het Zoet Water een geliefde en veel bezochte plek waar ze kalkarm drinkbaar water komen halen.
Pas tussen 1760 en 1850 slaagden de Arenbergs erin om hun bosbezit werkelijk te laten samensmelten. Twee factoren droegen daartoe bij: de drevenaanleg en een slimme aankooppolitiek. Wie vandaag het bos doorkruist, doet dat via het drevenstelsel dat het bos in lange, rechte assen indeelt. De dreven zijn het werk van de Arenbergs die het in de 18de eeuw geheel volgens de overheersende tijdsgeest van de Verlichting lieten aanleggen. Recht en rationeel was toen in de mode. Gedaan met de kronkelende en vaak spontaan ontstane wegen door en in het woud. De Arenbergs zagen hun kans schoon om via drie assen het noordelijk gelegen Heverleebos met Meerdaalwoud en Mollendaalbos in het zuiden te verbinden. Ze zorgden voor de fysieke aansluiting van deze bossen onderling. Voor de realisatie van de verbindingsassen kochten de Arenbergs de gronden op langs waar het tracé van de dreven was uitgestippeld. Begin 19de eeuw openden zich nieuwe kansen voor eigendomsuitbreiding, want na de installatie van het Franse revolutionaire bewind vanaf 1792 stonden heel wat voormalige kloosterdomeinen in de aanbieding, zo ook de nabijgelegen bossen van de abdij van Park, de abdij van Valduc en andere. In 1826 kocht de hertog van Arenberg de bij het Meerdaalwoud aansluitende bossen van de abdij van Valduc en Park uit het amortisatiesyndicaat over. En in 1807 had hij de ontbrekende schakels tussen het Meerdaalwoud en Mollendaal al verworven.
Bosuitbreiding ging merkwaardig genoeg ook gepaard met ontginningen. In de randen van het bos lieten de Arenbergs vanaf de jaren 1820 vele hectares bos naar akkers omvormen. En daarbij kozen ze de recent aangelegde dreven als nieuwe bosgrens. Tot daar strekten de landbouwgronden zich uit. Vanaf de dreven begon het bos. De dreven werden dus tegelijk ook grensstellend. Tegen het midden van de 19de eeuw was deze hele herverkaveling en meer rationele bosindeling afgerond. Later werden enkele gerooide stukken opnieuw bebost, waaronder het Kouterbos (historisch beter gekend als Steenbergbos) bij het Zoet Water.
Nog meer moderniseringsplannen tekenden zich binnen de bosgrenzen af, meer bepaald de boomsoortensamenstelling. De introductie van naaldbomen bracht een grote verandering, ten vroegste vanaf 1730, maar versneld na 1830. Naaldhout had heel wat afzetmogelijkheden en was economisch interessant. Maar voor de keuze waar precies de nieuwe boomsoorten werden ingezaaid, lieten de bosbeheerders zich leiden door de standplaatsgeschiktheid: voor naaldbomen meestal op droge en zandige gronden. De ‘Atlas des Sapinières’ hield nauwkeurig bij waar en wanneer de nieuwe aanplanten kwamen. Waar naaldbomen verschenen, verdween het hakhout om plaats te maken voor hoog hout als beheersvorm. Want naaldhout liet zich niet knotten en bovendien verminderde het economisch belang van hakhout. De bosbeheerders kozen steeds meer voor een omvorming naar een hoog opgaand bos zonder hakhoutlaag.
Op de leembodems verkozen ze nog altijd eik als belangrijkste boomsoort en was de standplaats minder geschikt dan bleek beuk als tweede keuze voor armere leembodems de favoriet. Rond 1900 was die omvorming naar hoog hout zo goed als afgerond. De verkoop van hakhout stelde nauwelijks nog iets voor. Sporen van de hakhoutcultuur in het bos verdwenen grotendeels, op enkele zeldzame uitzonderingen na, zoals de knotes op het driegemeentenpunt in het zuiden van Meerdaalwoud (omgevallen in 2026).
Aan het bosbeheer door de Arenbergfamilie kwam na de eerste wereldoorlog abrupt een einde. Deze hoog adellijke familie met (verre) Duitse roots en vertakkingen in heel Europa werd het slachtoffer van het Belgische sekwester dat de goederen van personen uit landen die de wapens tegen België hadden opgenomen onder dwangbeheer van de overheid plaatste. De goederen dienden als onderpand voor de Duitse herstelbetalingen. Terwijl landgoederen, landbouwgronden en kunstschatten vanaf 1921 openbaar werden verkocht, bleven bossen staatsbezit. Meerdaalwoud en Heverleebos kwamen zo onder beheer van de overheidsdienst Waters en Bossen. Dat zette het commerciële bosbeheer en de jaarlijkse houtverkopen verder.
In 1930 vormde Waters en Bossen 9 ha van Heverleebos langs de Naamsesteenweg om naar een gloednieuw arboretum met vooral uitheemse bomen. Van ruim 130 soorten wilde Waters en Bossen nagaan in welke mate ze een aanvulling op het bestaande bosbestand zouden kunnen vormen. Allerlei experimenten moesten hun geschiktheid testen.
Sinds enkele decennia kende het openbare bosbeheer een volledige heroriëntatie, weg van het loutere productieve aspect. Meer dan ooit zijn bossen een onmisbare schakel in het natuurbeheer. Naarmate de houtproductie van bossen aan belang inboette en de ecologische functie toenam, kregen bomen de kans langer door te groeien. Samen met de omvorming naar hoog hout deed dat het uitzicht van het bos in het landschap veranderen: hogere bomen met aaneensluitende kruinen en lange stammen en onderaan minder dicht. In hedendaagse bossen komen wellicht meer dan ooit dikke, monumentale bomen voor, waaronder de bekende ‘dikke eik’ en de ‘dikke beuk’.
Maar veruit de grootste verandering speelde zich aan de rand van het bos af, waar stukken voor verkavelingen werden verkocht. Zeker in de periode 1820-1840 gebeurde dat versneld. Het legde de basis voor latere ontginningen en voor de snel uitbreidende woonkernen in de bosrand.
Vooral in het zuiden kent het boscomplex een opvallend reliëf. Qua hoogte sluit het Meerdaalwoud (85-108m) aan op de noordelijke rand van het plateau van Duisburg. Daar overwegen leembodems, terwijl meer naar het noorden (60-85m) zandleembodems voorkomen. Dit leempakket bestaat hoofdzakelijk uit fijne lössleem dat met de wind tijdens de jongste ijstijd zo’n 115.000 tot 10.000 jaar geleden vanuit de Noordzee opwaaide en hier is afgezet.
Onder dat pakket komen veel oudere geologische tijdlagen voor, die uit lagen paleogene zanden bestaan. Op welke diepte is heel wisselend. Hier en daar komen ze zelfs aan de oppervlakte. Zo is er bijvoorbeeld de zandgroeve in bosreservaat Pruikenmakers waar een metersdik pakket grof zand wordt uitgegraven. Het is tussen de 53 en 34 miljoen jaar oud, toen de zee onze regio’s bedekte. Vloedstromen voerden het zand aan dat tot zandbanken ophoopte in diepe geulen. Daartussen zetten aan een trager tempo fijnere kalkhoudende zanden met talrijke fossielen zich af. Tot voor enkele jaren werd deze kleinschalige zandgroeve nog gebruikt voor het onderhoud van de boswegen.
Opvallende reliëfvormen zijn de Moemedel en de Tomme. Beiden zijn voorbeelden van restheuvels die onder invloed van geologische afzettingen in zee hun samenstelling en vorm kregen. Miljoenen jaren lang (34-24 miljoen jaar geleden) zette een opkomende en zich terugtrekkende, nu en dan woelige en rustige, diepe en ondiepe zee, afwisselend grof, fijn, kleiig zand of echte kleilagen af. Kenmerkend voor de Moemedel is de zandige top die op een 2 meter dikke niet-waterdoorlatende kleilaag rust (Tongeriaan). Omdat de kleilaag naar het noorden afhelt treedt het regenwater aan die kant uit de heuvelflank waar door erosie bronamfitheaterdalen worden gevormd.
Ook de Tomme vormt een verhevenheid in het Meerdaalwoud. Op het hoogste punt bereikte deze restheuvel 105m. Door zijn ovale vorm van ruwweg 230 op 200m riep hij in het verleden onterecht associaties met een grafheuvel op, maar feitelijk vormde hij een locatie voor de rechtspraak, die in de middeleeuwen vaak op opvallende plekken in open lucht plaatsvond. Op de Tomberg hield de woudrechtbank zitting die toekeek op een juiste toepassing van de boswetgeving.
Heverleebos heeft veel minder reliëf, met uitzondering van een zuidwest-noordoost georiënteerde heuvel aan de rand van Oud-Heverlee (Linderonde). Bovenaan is deze heuvel afgedekt met een grindpakket van vuursteenkeitjes, die hier 5-2,5 miljoen jaar geleden zijn aangevoerd door de Dijle, die toen een andere bedding dan de huidige volgde. Het klinkt gek, een heuvel die eigenlijk een rivier was. Maar precies het harde grindpakket belette erosie op deze plek, terwijl de omgeving wel wegspoelde. Het zorgde voor een omkering van het reliëf.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Verboven H. 2026: Meerdaalwoud Verboven (2026) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/454896 (geraadpleegd op ).
Het complex Heverleebos-Meerdaalwoud strekt zich uit ten zuiden van Leuven vanaf Heverlee tot aan de grens met Waals-Brabant. Dit grote boscomplex was eertijds het bezit van de hertogen van Arenberg, na de Eerste Wereldoorlog werden deze goederen verbeurd verklaard en aangeslagen. Als gevolg hiervan kwamen deze uitgestrekte bospartijen in het bezit van de Belgische Staat. Het bos sluit aan op het Arenbergkasteel te Heverlee. Archeologische vondsten uit het neolithicum en de Romeinse periode werden geregistreerd. Het is een 'permanent' bosgebied van meer dan 3000 ha met een grote diversiteit van fauna en flora.
Het leemplateau, waarop de bossen staan, wordt ter hoogte van het Zoet Water versneden door de Molenbeek-Vaalbeek. De tertiaire ondergrond dagzoomt op verschillende plaatsen van het plateau. Het alluvium van het Zoet Water is van holocene oorsprong, het zijn recente afzettingen van overstromingen van de Dijle. Hierdoor ontstond aan de rand van de vallei 'statische zijp'. Heverleebos was reeds op het einde van de 18de eeuw gedeeltelijk naaldbos. Het aandeel naaldbomen werd gedurende de laatste 200 jaar steeds groter. Aan de rand van het bos werden tussen 1800 en begin 1900 percelen bos gerooid. Het dambordvormig wegenpatroon bestaat al meerdere eeuwen in dit voormalig jachtterrein van de families de Croy en Arenberg. Er is eveneens een sterpatroon, evenwel met zes wegen.
Het Heverleebos wordt van oost naar west doorsneden door de autosnelweg E40 en van noord naar zuid door de steenweg Leuven-Namen. Kort bij de E40 ligt tussen de bospercelen een arboretum. Het zuiden van Heverleebos helt sterk af naar de vallei van de Vaalbeek met de vijvers van het Zoet Water.
Aan de zuidelijke rand van Heverleebos lag het kasteel Harcourt, een oude site met omwald opper- en neerhof, reeds vermeld in de 16de eeuw. Van het oude kasteel blijft enkel nog een keldergewelf over. In 1828 werd er een villa gebouwd, de bestaande aanplantingen dateren eveneens uit de 19de eeuw, moerascypressen komen er talrijk voor. In de nabijheid ligt het klooster van de franciscanen, een recente constructie met kunstencentrum. Meer naar het oosten staat de Ekstermolen, een bakstenen windmolen van het bovenkruiertype met ronde romp, ontdaan van oorspronkelijk dak en wieken.
Het Kouterbos was op het einde van de 18de eeuw meer uitgebreid ten oosten van het huidig bos. Het is een typisch bronbos met drassige lager gelegen delen en een kenmerkende flora. Tussen het Heverleebos en het Kouterbos liggen de vijf vijvers van Het Zoet water die gevoed worden door de Vaalbeek (Molenbeek). Op de meest westelijke vijver sloot een watermolen (momenteel is in het gebouw een herberg ondergebracht) aan, van waar de Molenbeek afwatert naar de Dijle. De omgeving van het Zoet Water lijdt onder een sterke recreatiedruk. Tussen de vijvers en het Kouterbos ligt 'Het Spaans Dak', een merkwaardig langhuis uit de 16de-17de eeuw, waarvan de hoge volumes goed geïntegreerd zijn in de omgeving. De omgeving van de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Steenbergen was ook geheel bebost, in de tweede helft van de 19de eeuw werd het ontbost en na 1948 terug deels bebost. Hierdoor werd de toestand rond de barokke kapel hersteld, zoals deze er uit zag op het einde van de 18de eeuw. De oorsprong van de kapel zou teruggaan tot in de 17de eeuw. Jaarlijks is er nog steeds een processie in de omgeving van de kapel.
Het gebied Borgveld-Lange Delle omvat verspreide grote percelen, het was een open landschap dat na 1948 deels bebost werd. Enkele mooie dreven verbinden sinds meerdere eeuwen Heverleebos en Meerdaalwoud. Zo lopen de Prosperdreef en de Herculesdreef door van het ene bos naar het andere. Deze dreven zijn aan weerszijden door een rij hoogstammige bomen afgelijnd.
Het Meerdaalwoud is niet veel gewijzigd qua omvang sinds het einde van de 18de eeuw, enkel in de buurt van Sint-Joris-Weert en aan het Groenveld werd nadien een deel gerooid. Sommige gerooide percelen werden na 1948 terug bebost. In het oostelijk deel, ook Mollendaalbos genoemd, werden in circa 1800 aan de randen enkele percelen bos gerooid. Na 1948 stopten deze rooiingen en werden enkele verspreide percelen terug bebost. Ook in Meerdaalwoud herkennen we een patroon van loodrecht op elkaar aangelegde wegen en dreven. In het noordelijk deel is een militair domein gelegen, waarvan recent een deel in onbruik geraakt is.
Meer naar Sint-Joris-Weert toe liggen het domein De Kluis, in gebruik door VVKS, een kapel en de Paddepoel, eveneens een brongebied. Ten westen van De Kluis helt het gebied af naar Sint-Joris-Weert en de Dijlevallei. De neoclassicistische Sint-Joriskerk domineert er het uitzicht op de vallei. Een aantal holle wegen lopen vanuit Meerdaalwoud zuidwaarts in de richting van de vallei van de Nethen in Waals-Brabant.
Bron: Ankerplaats 'Heverleebos -Zoet Water - Meerdaal- en Mollendaalbos'. Landschapsatlas, A20044, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs: Deneef, Roger; Wijnant, Jo; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Deneef R., Wijnant J. & Cresens A. 2001: Heverleebos -Zoet Water - Meerdaal- en Mollendaalbos (Landschapsatlas 2001) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/162515 (geraadpleegd op ).