omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Abdij van Park met omgeving en vijvers
Deze bescherming is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Norbertijnenabdij van Park: uitbreiding omgeving
Deze bescherming is geldig sinds
De in oorsprong 12de-eeuwse abdij van Park is één van de best bewaarde abdijsites van ons land. Laag gelegen in de vallei van de Molenbeek dankt de Parkabdij haar huidige uitzicht aan de bloeiperiode van het midden van de 17de eeuw, die met een grote bouwcampagne gepaard ging. Het kloostercomplex kende tot in de 18de eeuw nog verschillende aanpassingen. In de beekvallei vond de abdij de geschikte locatie voor de aanleg van visvijvers, die nog altijd het landschap van het abdijdomein kenmerken.
De 12de-eeuwse abdij van Park ligt ten zuidoosten van Leuven in de vallei van de Molenbeek. Deze historische site die bestaat uit de abdij met het neerhof, de watermolen en de vijvers is nagenoeg ongewijzigd de laatste 350 jaar. Ten zuiden van de vijvers ligt de heuvelrug, Petersberg, in een zacht glooiend agrarisch gebied. Harde grenzen sluiten de omgeving van de Parkabdij in: de Geldenaakse baan, de expresweg N25 en twee spoorlijnen. Ten zuiden van de Parkabdij liggen de terreinen van het Sint-Albertuscollege met aanpalend klooster en park.
Het 43 ha grote abdijdomein is in zijn huidige vorm het laatste overblijfsel van de schenking, bestaande uit een jachtpark, gronden, bossen en een watermolen, die de hertog van Brabant Godfried met de Baard en één van zijn ambtenaren in 1129 aan de norbertijnen deed. De naam van de abdij is wellicht ontleend aan dat hertogelijk wildpark. De abdij van Park is - samen met de abdij van Vlierbeek - één van de abdijen die de hertog aan de rand van zijn persoonlijke domein bij Leuven stichtte.
Helemaal zeker weten we het niet, maar er wordt van uitgegaan dat de oorspronkelijke abdij zich van bij het begin op de huidige locatie bevond. Voor de uitbouw van de abdij kozen de kloosterlingen een locatie op de rand van het beekvalleitje van de Molenbeek, terwijl het neerhof op de lager gelegen gronden kwam. De kerk torent boven het geheel uit. Onder het huidige kerkgebouw is het grondplan van een 13de-eeuwse romaanse voorloper gevonden. Recent archeologisch onderzoek vond sporen van een oudere muur, mogelijke resten van een oudere kapel. Als deze interpretatie klopt, bewijst het dat de oorspronkelijke abdij zich van in het begin op de door ons gekende site ontwikkelde en dus nooit verplaatst is.
De stichting van de abdij begon wellicht klein: enkele religieuzen die uit godsvrucht en overtuiging en vaak in heel precaire omstandigheden aan de eerste primitieve gebouwen timmerden. Het project slaagde alleen als die kleine gemeenschap van kloosterlingen voldoende landbouwgronden en andere inkomsten kon verwerven om te overleven. Succesvol was deze onderneming wel, want twee jaar na haar stichting leefden er al 12 kloosterlingen, voldoende om een eigen abt te kiezen en onafhankelijk van andere abdijen te opereren.
Wat zeker hielp was de goede startbasis die de abdij van bij het begin meekreeg. Ze moest niet van scratch beginnen. Want de terreinen die ze van de hertog kreeg voor de prille vestiging van de kloostergemeenschap omvatten naast een omheind wildpark ook een molen en twee gehuchtjes, Vinkenbos en Langendaal, langs de Molenbeek. Dat verzekerde de kloosterlingen alvast van arbeidskrachten in de buurt. Vaak lees je dat abdijen en kloosters de drijvende kracht achter de ontginning van het land vormden. Maar dat was hier duidelijk niet het geval. De Parkabdij kwam terecht in een valleilandschap dat al in gebruik was genomen. De al bestaande molen en de ‘mansi’ of boerderijtjes in de gehuchten toonden dat duidelijk aan. Voor een abdij die zich in de omgeving van een stad vestigde, was dat niet ongewoon. Leuven, toen hoofdstad van het hertogdom Brabant, lag op minder dan 1 km afstand.
Hoe groot het domein uit de hertogelijke schenking van 1129 was, weten we niet exact. Afgaande op een beknopte beschrijving in een oorkonde uit 1141 ramen we de oudste abdijkern op ongeveer 32 ha. En daar bleef het niet bij. In sneltempo volgde de ene schenking op de andere, vooral van particulieren, vooraanstaanden en wellicht ook getrouwen uit het gevolg van de hertog van Brabant. In korte tijd breidde de abdij haar domein stevig uit. In Heverlee alleen al verwierf ze in de 13de eeuw zo’n vijftiental schenkingen of aankopen, zoals blijkt uit de oorkonden van de abdij. In 1281 bezat de Parkabdij zo’n 60 ha grond in de omgeving van de abdij.
Ook buiten Heverlee breidde het abdijpatrimonium stevig uit, een groei die in de 14de eeuw afvlakte door het verbod van burgerlijke overheden op de verwerving van nieuwe goederen (Van Ermen 2000, 22). Op het toppunt van haar patrimonium in het midden 17de eeuw bezat de abdij van Park 3300 ha aan gronden en hoeves verspreid over een straal van ongeveer 35 km rond de abdij, voldoende voor het onderhoud van een dertigtal (15de eeuw) tot vijftigtal kanunniken (18de eeuw), inclusief abdijonderhoud, personeel en armenzorg.
Het landgebruik in de onmiddellijke omgeving van de abdij was divers. Naast de traditionele akkerlanden, bezat de abdij beemden en visvijvers in de vallei van de Molenbeek, een wijngaard (aan de huidige scoutslokalen tussen de Broekstraat en de Matadilaan), een bos sinds 1542 gerooid om plaats te maken voor grasland. Dat zogenaamde Binnenbos bevond zich ten noorden van de huidige Norbertuspoort, die voorheen niet toevallig de Bospoort heette.
De abdij kende vier bouwcampagnes waardoor ze tot een monumentaal complex en een monument van schoonheid uitgroeide. Uit de eerste bouwperiode noteren we een romaanse kerk en conventsgebouwen rond een vierkant kloosterpand, daterend uit de 13de eeuw. In de 15de eeuw gebeurde een wederopbouw van de kloostergang in gotische stijl, het abts- en gastenkwartier, de noorder- en westerpoort werden gebouwd. Van 1558 tot 1730 werd de kloostergang nogmaals aangepakt en gebeurde de verbouwing van het abtskwartier, het provisorgebouw, de pastorij en de poorten. De barokke kloostergebouwen dateren uit de 17de eeuw. De refter en de bibliotheek zijn verfraaid met stucplafonds van J.C. Hansche, een blikvanger voor het publiek. Restauratiecampagnes aan de abdijgebouwen volgden in de 20ste eeuw onder impuls van de paters, de eerste in 1902 en de tweede in de jaren 1950-1960.
De vroegste bedrijfsgebouwen bevonden zich op de plaats van de huidige neerhofsite. Voorlopers van de Sint-Jans- en de Norbertuspoort sloten het eerste hoeveplein af.
De huidige bedrijfsgebouwen van het neerhof dateren uit de 17de eeuw met de koestallen (1653), de paardenstallen (1663) en de tiendenschuur. Op de kaart die Joris Subil in 1665 maakte van de abdijsite en omgeving is de huidige constellatie haast volledig terug te vinden. De volgende elementen zijn herkenbaar: de abdijdreef, de hophof en de moestuin, de eerste twee abdijvijvers (de achterste twee werden pas op het einde van de 17de eeuw gegraven), het voormalige Parkbos, waarvan in de 17de eeuw een groot gedeelte werd gerooid .
De opheffing van de abdij in 1796 had geen rechtstreekse gevolgen voor het neerhof en zijn areaal. Ook na de heroprichting in 1831 bleef men het neerhof verhuren aan landbouwers die er een gemengd akkerbouw- en veeteeltbedrijf exploiteerden.
De abdij werd gedurende haar geschiedenis nooit verwoest, wel een paar keer geplunderd. Dat maakt de configuratie van de oude abdij bij het vijvercomplex nog altijd heel goed herkenbaar en gaaf bewaard. Enkel de bakkerij en de schrijnwerkerij zijn op het einde van de 18de-begin 19de eeuw afgebroken.
Na de opheffing van de abdij in 1796 liepen de gebouwen beperkte schade op. Voor de meeste kloosters betekende de algemene opheffing van alle religieuze instellingen door de Franse revolutionairen in 1796 het definitieve einde. De gemeenschappen werden ontbonden, religieuzen uitgedreven, hun goederen geconfisqueerd en dan verkocht. Maar voor de Parkabdij liep het anders. Via een stroman slaagde één van de paters erin om de Parkabdij en het neerhof opnieuw aan te kopen. Dat vormde de basis voor de heropleving van de abdij vanaf 1831. Tot dan verbleef een klein aantal paters clandestien in de gebouwen, terwijl het neerhof werd verpacht. Pas vanaf 1831 kwam er opnieuw meer vrijheid om in gemeenschap te leven, bekrachtigd door de officiële herneming van de abdij in 1836.
Landbouweconomisch gezien was de abdij enorm gekortwiekt door het verlies van de meeste hoeves en grondbezittingen tot ver buiten de abdij. Enkel in de onmiddellijke omgeving van de abdij slaagde ze erin gronden te recupereren en zelfs ook daar onvolledig. In totaal bleven nog maar 42 ha grond over. Op één van de verloren gegane terreinen ten zuiden van de abdij, met name op ‘Bevershage’, al sinds 1264 in bezit van de abdij, begon een andere orde (karmelieten) in 1936 een klooster met school, het Sint-Albertuscollege.
De omgeving van de abdij oogt nu opener dan ooit. De gronden ten noorden van de abdij behoorden eerst tot het Loobos (een nu verdwenen hertogelijk bos in Kessel-Lo), dat de kloosterlingen op hun terrein Binnenbos noemden. In de 17de eeuw was enkel het deel ten noordoosten van de abdijmuren nog bos, terwijl het stuk aansluitend bij de stad al naar akker was omgezet. Tussen 1726 en 1745 verdween ook de rest van het Binnenbos. Ten tijde van Ferraris was het hele gebied akker, met enkele bomenrijen langs de onverharde wegen. Dat open karakter heeft de omgeving hier nog. Het zorgt voor een fraai zicht op het lager gelegen abdijcomplex, dat in de beekvallei lijkt te verdwijnen. Ten zuiden van de abdij op de Petersberg lag een open akkergebied, waarvan ongeveer 30% eigendom van de abdij was.
Het Parkdomein zou in de 19de eeuw nog wel twee keer voor de aanleg van de treinsporen en voor een uitbreiding van het stadskerkhof lichtjes inkrimpen. De onteigeningen voor de spoorlijn Mechelen-Leuven-Tienen gebeurden in 1836, waarbij al een eerste deel van de oostelijke vijver verdween. Nadien werd de spoorlijn Leuven-Waver ten noorden van de abdijgebouwen aangelegd. In 1996 werd nog voor de aanleg van de HST-lijn ongeveer 2 ha onteigend ter hoogte van de meest oostelijke vijver, maar het landbouwareaal bedraagt nog altijd ongeveer 42 ha. Het is dus een goed voorbeeld van een oud cultuurlandschap met een specifieke agrarische bestemming.
Door de secularisering van de samenleving en de sterk verminderde aantrekkingskracht van het kloosterleven sinds de tweede helft van de 20ste eeuw moest de abdij zichzelf heruitvinden. In de huisvesting van internationale (priester) studenten en onderwijsdiensten vonden de norbertijnen een uitweg om leegstand te voorkomen en toch een maatschappelijke rol op te nemen die paste bij de geest van de plek. In 2003-2011 gaf de norbertijnenorde de abdijsite in erfpacht aan de stad Leuven, wat meteen een belangrijke wending was, omdat de stad volop op de toeristische ontsluiting van deze belangrijke erfgoedsite inzet. Ze gaat gepaard met een grondige restauratiecampagne en herbestemming van de hele site.
Tot op vandaag contrasteert de dun bebouwde ruimte rond de abdij met de wijdere verstedelijkte omgeving. Enkele trage wegen doorkruisen het gebied. De abdij van Park, de Leibeek en de vier Parkvijvers liggen in het alluvium van de Molenbeek. De hoger gelegen flanken van de vallei bestaan geologisch gezien hoofdzakelijk uit bodemlagen behorende tot de Formatie van Brussel. Ten zuiden van de vallei bereikt de Petrusberg een hoogte van ongeveer 55 meter boven de zeespiegel. Noordoostelijk ten opzichte van de Parkabdij wordt het landschap gedomineerd door heuvels gevormd door de Formatie van Diest, met de 95 meter hoge Predikherenberg. Het is ter hoogte van deze heuvels dat de Molenbeekvallei afbuigt in westelijke richting. Aan de voet van de heuvels vinden we nog smalle zones met bodemlagen van de groep Rupel en Tongeren.
In de vallei van de Molenbeek komen zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont voor. De omgeving van de Parkabdij is evenwel sterk vergraven. Op de hoger gelegen delen ten noorden en ten zuiden van de Molenbeekvallei vinden we hoofdzakelijk zandleemgronden. Op de Petrusberg wordt melding gemaakt van stenig-leemgronden met een niet bepaalde profielontwikkeling en zandleemgronden met een stenig substraat beginnend op geringe diepte.
Vijvers op de Molenbeek
Kloostertuinen: Verspreid over de abdijsite lagen verschillende tuinen en boomgaarden.
Muren en poorten regelen de toegang tot de abdij en delen het klooster in zones in.
Volkstuintjes
Historische kaarten
Literatuur
Auteurs: Deneef, Roger; Verboven, Hilde; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)