De in oorsprong 12de-eeuwse abdij van Park is één van de best bewaarde abdijsites van ons land. Laag gelegen in de vallei van de Molenbeek dankt de Parkabdij haar huidige uitzicht aan de bloeiperiode van het midden van de 17de eeuw, die met een grote bouwcampagne gepaard ging. Het kloostercomplex kende tot in de 18de eeuw nog verschillende aanpassingen. In de beekvallei vond de abdij de geschikte locatie voor de aanleg van visvijvers, die nog altijd het landschap van het abdijdomein kenmerken.
De 12de-eeuwse abdij van Park ligt ten zuidoosten van Leuven in de vallei van de Molenbeek. Deze historische site die bestaat uit de abdij met het neerhof, de watermolen en de vijvers is nagenoeg ongewijzigd de laatste 350 jaar. Ten zuiden van de vijvers ligt de heuvelrug, Petersberg, in een zacht glooiend agrarisch gebied. Harde grenzen sluiten de omgeving van de Parkabdij in: de Geldenaakse baan, de expresweg N25 en twee spoorlijnen. Ten zuiden van de Parkabdij liggen de terreinen van het Sint-Albertuscollege met aanpalend klooster en park.
Het 43 ha grote abdijdomein is in zijn huidige vorm het laatste overblijfsel van de schenking, bestaande uit een jachtpark, gronden, bossen en een watermolen, die de hertog van Brabant Godfried met de Baard en één van zijn ambtenaren in 1129 aan de norbertijnen deed. De naam van de abdij is wellicht ontleend aan dat hertogelijk wildpark. De abdij van Park is - samen met de abdij van Vlierbeek - één van de abdijen die de hertog aan de rand van zijn persoonlijke domein bij Leuven stichtte.
Helemaal zeker weten we het niet, maar er wordt van uitgegaan dat de oorspronkelijke abdij zich van bij het begin op de huidige locatie bevond. Voor de uitbouw van de abdij kozen de kloosterlingen een locatie op de rand van het beekvalleitje van de Molenbeek, terwijl het neerhof op de lager gelegen gronden kwam. De kerk torent boven het geheel uit. Onder het huidige kerkgebouw is het grondplan van een 13de-eeuwse romaanse voorloper gevonden. Recent archeologisch onderzoek vond sporen van een oudere muur, mogelijke resten van een oudere kapel. Als deze interpretatie klopt, bewijst het dat de oorspronkelijke abdij zich van in het begin op de door ons gekende site ontwikkelde en dus nooit verplaatst is.
De stichting van de abdij begon wellicht klein: enkele religieuzen die uit godsvrucht en overtuiging en vaak in heel precaire omstandigheden aan de eerste primitieve gebouwen timmerden. Het project slaagde alleen als die kleine gemeenschap van kloosterlingen voldoende landbouwgronden en andere inkomsten kon verwerven om te overleven. Succesvol was deze onderneming wel, want twee jaar na haar stichting leefden er al 12 kloosterlingen, voldoende om een eigen abt te kiezen en onafhankelijk van andere abdijen te opereren.
Wat zeker hielp was de goede startbasis die de abdij van bij het begin meekreeg. Ze moest niet van scratch beginnen. Want de terreinen die ze van de hertog kreeg voor de prille vestiging van de kloostergemeenschap omvatten naast een omheind wildpark ook een molen en twee gehuchtjes, Vinkenbos en Langendaal, langs de Molenbeek. Dat verzekerde de kloosterlingen alvast van arbeidskrachten in de buurt. Vaak lees je dat abdijen en kloosters de drijvende kracht achter de ontginning van het land vormden. Maar dat was hier duidelijk niet het geval. De Parkabdij kwam terecht in een valleilandschap dat al in gebruik was genomen. De al bestaande molen en de ‘mansi’ of boerderijtjes in de gehuchten toonden dat duidelijk aan. Voor een abdij die zich in de omgeving van een stad vestigde, was dat niet ongewoon. Leuven, toen hoofdstad van het hertogdom Brabant, lag op minder dan 1 km afstand.
Hoe groot het domein uit de hertogelijke schenking van 1129 was, weten we niet exact. Afgaande op een beknopte beschrijving in een oorkonde uit 1141 ramen we de oudste abdijkern op ongeveer 32 ha. En daar bleef het niet bij. In sneltempo volgde de ene schenking op de andere, vooral van particulieren, vooraanstaanden en wellicht ook getrouwen uit het gevolg van de hertog van Brabant. In korte tijd breidde de abdij haar domein stevig uit. In Heverlee alleen al verwierf ze in de 13de eeuw zo’n vijftiental schenkingen of aankopen, zoals blijkt uit de oorkonden van de abdij. In 1281 bezat de Parkabdij zo’n 60 ha grond in de omgeving van de abdij.
Ook buiten Heverlee breidde het abdijpatrimonium stevig uit, een groei die in de 14de eeuw afvlakte door het verbod van burgerlijke overheden op de verwerving van nieuwe goederen (Van Ermen 2000, 22). Op het toppunt van haar patrimonium in het midden 17de eeuw bezat de abdij van Park 3300 ha aan gronden en hoeves verspreid over een straal van ongeveer 35 km rond de abdij, voldoende voor het onderhoud van een dertigtal (15de eeuw) tot vijftigtal kanunniken (18de eeuw), inclusief abdijonderhoud, personeel en armenzorg.
Het landgebruik in de onmiddellijke omgeving van de abdij was divers. Naast de traditionele akkerlanden, bezat de abdij beemden en visvijvers in de vallei van de Molenbeek, een wijngaard (aan de huidige scoutslokalen tussen de Broekstraat en de Matadilaan), een bos sinds 1542 gerooid om plaats te maken voor grasland. Dat zogenaamde Binnenbos bevond zich ten noorden van de huidige Norbertuspoort, die voorheen niet toevallig de Bospoort heette.
De abdij kende vier bouwcampagnes waardoor ze tot een monumentaal complex en een monument van schoonheid uitgroeide. Uit de eerste bouwperiode noteren we een romaanse kerk en conventsgebouwen rond een vierkant kloosterpand, daterend uit de 13de eeuw. In de 15de eeuw gebeurde een wederopbouw van de kloostergang in gotische stijl, het abts- en gastenkwartier, de noorder- en westerpoort werden gebouwd. Van 1558 tot 1730 werd de kloostergang nogmaals aangepakt en gebeurde de verbouwing van het abtskwartier, het provisorgebouw, de pastorij en de poorten. De barokke kloostergebouwen dateren uit de 17de eeuw. De refter en de bibliotheek zijn verfraaid met stucplafonds van J.C. Hansche, een blikvanger voor het publiek. Restauratiecampagnes aan de abdijgebouwen volgden in de 20ste eeuw onder impuls van de paters, de eerste in 1902 en de tweede in de jaren 1950-1960.
De vroegste bedrijfsgebouwen bevonden zich op de plaats van de huidige neerhofsite. Voorlopers van de Sint-Jans- en de Norbertuspoort sloten het eerste hoeveplein af.
De huidige bedrijfsgebouwen van het neerhof dateren uit de 17de eeuw met de koestallen (1653), de paardenstallen (1663) en de tiendenschuur. Op de kaart die Joris Subil in 1665 maakte van de abdijsite en omgeving is de huidige constellatie haast volledig terug te vinden. De volgende elementen zijn herkenbaar: de abdijdreef, de hophof en de moestuin, de eerste twee abdijvijvers (de achterste twee werden pas op het einde van de 17de eeuw gegraven), het voormalige Parkbos, waarvan in de 17de eeuw een groot gedeelte werd gerooid .
De opheffing van de abdij in 1796 had geen rechtstreekse gevolgen voor het neerhof en zijn areaal. Ook na de heroprichting in 1831 bleef men het neerhof verhuren aan landbouwers die er een gemengd akkerbouw- en veeteeltbedrijf exploiteerden.
De abdij werd gedurende haar geschiedenis nooit verwoest, wel een paar keer geplunderd. Dat maakt de configuratie van de oude abdij bij het vijvercomplex nog altijd heel goed herkenbaar en gaaf bewaard. Enkel de bakkerij en de schrijnwerkerij zijn op het einde van de 18de-begin 19de eeuw afgebroken.
Na de opheffing van de abdij in 1796 liepen de gebouwen beperkte schade op. Voor de meeste kloosters betekende de algemene opheffing van alle religieuze instellingen door de Franse revolutionairen in 1796 het definitieve einde. De gemeenschappen werden ontbonden, religieuzen uitgedreven, hun goederen geconfisqueerd en dan verkocht. Maar voor de Parkabdij liep het anders. Via een stroman slaagde één van de paters erin om de Parkabdij en het neerhof opnieuw aan te kopen. Dat vormde de basis voor de heropleving van de abdij vanaf 1831. Tot dan verbleef een klein aantal paters clandestien in de gebouwen, terwijl het neerhof werd verpacht. Pas vanaf 1831 kwam er opnieuw meer vrijheid om in gemeenschap te leven, bekrachtigd door de officiële herneming van de abdij in 1836.
Landbouweconomisch gezien was de abdij enorm gekortwiekt door het verlies van de meeste hoeves en grondbezittingen tot ver buiten de abdij. Enkel in de onmiddellijke omgeving van de abdij slaagde ze erin gronden te recupereren en zelfs ook daar onvolledig. In totaal bleven nog maar 42 ha grond over. Op één van de verloren gegane terreinen ten zuiden van de abdij, met name op ‘Bevershage’, al sinds 1264 in bezit van de abdij, begon een andere orde (karmelieten) in 1936 een klooster met school, het Sint-Albertuscollege.
De omgeving van de abdij oogt nu opener dan ooit. De gronden ten noorden van de abdij behoorden eerst tot het Loobos (een nu verdwenen hertogelijk bos in Kessel-Lo), dat de kloosterlingen op hun terrein Binnenbos noemden. In de 17de eeuw was enkel het deel ten noordoosten van de abdijmuren nog bos, terwijl het stuk aansluitend bij de stad al naar akker was omgezet. Tussen 1726 en 1745 verdween ook de rest van het Binnenbos. Ten tijde van Ferraris was het hele gebied akker, met enkele bomenrijen langs de onverharde wegen. Dat open karakter heeft de omgeving hier nog. Het zorgt voor een fraai zicht op het lager gelegen abdijcomplex, dat in de beekvallei lijkt te verdwijnen. Ten zuiden van de abdij op de Petersberg lag een open akkergebied, waarvan ongeveer 30% eigendom van de abdij was.
Het Parkdomein zou in de 19de eeuw nog wel twee keer voor de aanleg van de treinsporen en voor een uitbreiding van het stadskerkhof lichtjes inkrimpen. De onteigeningen voor de spoorlijn Mechelen-Leuven-Tienen gebeurden in 1836, waarbij al een eerste deel van de oostelijke vijver verdween. Nadien werd de spoorlijn Leuven-Waver ten noorden van de abdijgebouwen aangelegd. In 1996 werd nog voor de aanleg van de HST-lijn ongeveer 2 ha onteigend ter hoogte van de meest oostelijke vijver, maar het landbouwareaal bedraagt nog altijd ongeveer 42 ha. Het is dus een goed voorbeeld van een oud cultuurlandschap met een specifieke agrarische bestemming.
Door de secularisering van de samenleving en de sterk verminderde aantrekkingskracht van het kloosterleven sinds de tweede helft van de 20ste eeuw moest de abdij zichzelf heruitvinden. In de huisvesting van internationale (priester) studenten en onderwijsdiensten vonden de norbertijnen een uitweg om leegstand te voorkomen en toch een maatschappelijke rol op te nemen die paste bij de geest van de plek. In 2003-2011 gaf de norbertijnenorde de abdijsite in erfpacht aan de stad Leuven, wat meteen een belangrijke wending was, omdat de stad volop op de toeristische ontsluiting van deze belangrijke erfgoedsite inzet. Ze gaat gepaard met een grondige restauratiecampagne en herbestemming van de hele site.
Tot op vandaag contrasteert de dun bebouwde ruimte rond de abdij met de wijdere verstedelijkte omgeving. Enkele trage wegen doorkruisen het gebied. De abdij van Park, de Leibeek en de vier Parkvijvers liggen in het alluvium van de Molenbeek. De hoger gelegen flanken van de vallei bestaan geologisch gezien hoofdzakelijk uit bodemlagen behorende tot de Formatie van Brussel. Ten zuiden van de vallei bereikt de Petrusberg een hoogte van ongeveer 55 meter boven de zeespiegel. Noordoostelijk ten opzichte van de Parkabdij wordt het landschap gedomineerd door heuvels gevormd door de Formatie van Diest, met de 95 meter hoge Predikherenberg. Het is ter hoogte van deze heuvels dat de Molenbeekvallei afbuigt in westelijke richting. Aan de voet van de heuvels vinden we nog smalle zones met bodemlagen van de groep Rupel en Tongeren.
In de vallei van de Molenbeek komen zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont voor. De omgeving van de Parkabdij is evenwel sterk vergraven. Op de hoger gelegen delen ten noorden en ten zuiden van de Molenbeekvallei vinden we hoofdzakelijk zandleemgronden. Op de Petrusberg wordt melding gemaakt van stenig-leemgronden met een niet bepaalde profielontwikkeling en zandleemgronden met een stenig substraat beginnend op geringe diepte.
Vijvers op de Molenbeek
Kloostertuinen: Verspreid over de abdijsite lagen verschillende tuinen en boomgaarden.
Muren en poorten regelen de toegang tot de abdij en delen het klooster in zones in.
Volkstuintjes
Historische kaarten
Literatuur
Auteurs: Deneef, Roger; Verboven, Hilde; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Deneef R., Verboven H. & Cresens A. 2026: Abdij_Park_2026 [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453931 (geraadpleegd op ).
De abdij van 't Park is gelegen in de vallei van de Molenbeek ten zuiden van Leuven, in de vork van de spoorlijnen Leuven-Tienen en Leuven-Ottignies; merkwaardig architecturaal ensemble met delen vooral uit de 16de, 17de en 18de eeuw en met romaanse, gotische, renaissance, barokke en classicistische elementen; abdijgebouw, abdijkerk, abdijhoeve met koetshuis, stallingen, tiendenschuur, watermolen, smidse en gastenkwartier. Het huidige domein van de abdij ligt deels in de deelgemeente Heverlee en deels in de voormalige gemeente Korbeek-Lo, waarvan bij de gemeentefusies in 1976 een deel bij Leuven gevoegd werd. Ten zuiden van de abdij liggen vier vijvers en de Leibeek.
De abdij van Park, de Leibeek en de vier Parkvijvers liggen in het alluvium van de Molenbeek. De hoger gelegen flanken van de vallei bestaan geologisch gezien hoofdzakelijk uit bodemlagen behorende tot de Formatie van Brussel. Ten zuiden van de vallei bereikt de Petrusberg een hoogte van ongeveer 55 meter boven de zeespiegel. Noordoostelijk ten opzichte van de Parkabdij wordt het landschap gedomineerd door heuvels gevormd door de Formatie van Diest, met de 95 meter hoge Predikherenberg. Het is ter hoogte van deze heuvels dat de Molenbeekvallei afbuigt in westelijke richting. Aan de voet van de heuvels vinden we nog smalle zones met bodemlagen van de groep Rupel en Tongeren.
In de vallei van de Molenbeek komen zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont voor. De omgeving van de Parkabdij is evenwel sterk vergraven. Op de hoger gelegen delen ten noorden en ten zuiden van de Molenbeekvallei vinden we hoofdzakelijk zandleemgronden. Op de Petrusberg wordt melding gemaakt van stenig-leemgronden met een niet bepaalde profielontwikkeling en zandleemgronden met een stenig substraat beginnend op geringe diepte.
Vanaf de 11de eeuw beantwoordde de beschikbare oppervlakte aan cultuurgronden niet meer aan de toenemende vraag naar landbouwproducten. De grootgrondbezitters stelden ‘woeste gronden’ en bossen ter beschikking van ondernemende boeren, landarbeiders, horigen en abdijen. In Brabant was het hertog Godfried met de Baard die religieuze orden inschakelde. Vooral de kort voordien in Frankrijk opgerichte norbertijnenorde speelde in dit kader een vooraanstaande rol.
In 1129 schonk hertog Godfried met de Baard aan de norbertijnen van Laon zijn jachtpark met bijhorend jachtverblijf, gelegen te Heverlee, met de uitdrukkelijke opdracht er de abdij van Park uit te bouwen. De romaanse kelders die we nu nog in de abdij terugvinden zouden resten van dit jachtslot uit de 11de eeuw kunnen zijn. Samen met andere landgoederen kregen ze alzo de beschikking over 350 hectare. Hiermee werd de basis gelegd van de op economische basis geschoeide organisatie van religieuze orden. De grootschalige graanproductie zou in belangrijke mate het welzijn van de abdijgemeenschap gaan bepalen. De exploitatie van ongeveer 700 hectare bos leverde ook aanzienlijke inkomsten op. Alzo werd de abdij enerzijds een belangrijke werkgever maar anderzijds ook een hulpverlener voor de minderbedeelden.
In de loop van de volgende eeuwen zou de abdij perioden van voorspoed kennen, afgewisseld met perioden van ellende vooral door oorlogen. Omstreeks 1660 omvatte het patrimonium van de Parkabdij ongeveer 3300 hectare, cijns- en tiendenland niet meegerekend.
Onder abt Libert de Pape werd in de 17de eeuw een kaartboek van de bezittingen van de Parkabdij samengesteld. Het bevatte erf-, tienden en cijnskaarten. De kaarten werden tussen 1650 en 1665 getekend door de Tiense landmeters Joris en zijn zoon Willem Subil. De Franse revolutie op het einde van de 18de eeuw zou een definitieve ommekeer betekenen. Na de opheffing van kloosters en abdijen in 1796 onder de Franse bezetting werd het grote patrimonium onherroepelijk versnipperd onder honderden andere eigenaars.
De abdij van Park vormt een merkwaardig architecturaal ensemble met delen vooral uit de 16de, 17de en 18de eeuw en met romaanse, gotische, renaissance, barokke en classicistische elementen. Men kan vier entiteiten onderscheiden: 1. het kloostercomplex met kerk, kloosterpand, kapittelzaal, refter, bibliotheek, dormitorium, recreatiezaal en prelatuur - 2. het landbouwcomplex met koetshuis, stallingen, tiendenschuur - 3. het industriecomplex met watermolen en smidse - 4. het gastenkwartier.
In de 13de eeuw werd een romaanse kerk gebouwd (voltooid 1280-1296) met kloostergang en dormitorium. In de 15de eeuw werd de kloostergang in gotische stijl wederopgebouwd, abts- en gastenkwartier, noorder- en westerpoort werden toegevoegd. In een periode gaande van 1558 tot 1730 noteren we een verdere wederopbouw van de kloostergang, oprichting van hoeve- en bijgebouwen, verbouwing van het abtskwartier met eretrap en balustrade en het provisorgebouw, de pastorie en de poorten. De kerk werd in de 18de eeuw sterk verbouwd, de huidige toren werd in 1729 opgericht. In 1803 werd de abdijkerk tevens parochiekerk van de wijk Park te Heverlee.
De bestaande molen werd herbouwd circa 1281, in 1285 werden te Heverlee een volmolen en een oliemolen gebouwd en twee jaar later een molen bij de ingang van de abdij met een woning voor de molenaar. De huidige watermolen stamt uit 1534 en bleef in gebruik tot in 1963. In 1829 werden brouwerij, smidse en de watermolen bij de abdij verkocht. Enkel de watermolen werd niet gesloopt. De voormalige gieterij en schrijnwerkerij zijn eveneens verdwenen.
Vooraan aan de abdijdreef, die met els beplant was, stond de Sint-Annakapel, die ingezegend werd in 1716 en gesloopt werd in 1813. Ze bevatte een 15de-eeuws beeld van Sint-Anna-ten-Drieën dat nog steeds in de abdij bewaard wordt. De dreef was afgesloten met een houten draaiboom die in 1726 vervangen werd door de nog bestaande Leeuwenpoort, waarvan de ijzeren slagdeuren intussen verdwenen zijn. Links van de dreef bij de Leeuwenpoort werd een bosje met Canadapopulieren (Populus x canadensis ) aangeplant op een moerassig terrein waar vroeger de vijver voor de Mariapoort gelegen was. Deze vijver, in feite een haakse gracht, wordt afgebeeld op de Ferrariskaart. De Mariapoort was oorspronkelijk voorzien van een ophaalbrug en werd herbouwd onder Joannes Drusius (1601-1634). Links van de Sint-Janspoort (gebouwd omstreeks 1534 en verbouwd in 1722), waar in de middeleeuwen voedselbedeling aan de armen gebeurde, was in de tweede helft van de 20ste eeuw de koffiebranderij van de abdij gevestigd. Aan de noordzijde van de abdij was er de boschpoorte (gebouwd in 1430), die in de 17de en 18de eeuw omgebouwd werd tot Norbertuspoort en uitgaf op het voormalig Parck binnenbosch, dat zich bevond ter hoogte van de huidige weilanden en pas in de 17de eeuw in cultuur gebracht werd. De weg vertrekkende aan de boschpoorte liep doorheen het Parck binnenbosch tot aan het boswachtershuis met bijhorende tuin, land en beemd. Een grenspaal vlak voor de brug over de Molenbeek bakende de Leuvense kuip af en ter hoogte van de herberg de Engel stond de grenspaal van de heren van Heverlee. In 1722 kreeg de Norbertuspoort haar huidig uitzicht.
In de jaren 2000 werd archeologisch onderzoek uitgevoerd aan het Locutorium en de westelijke poort, de Mariapoort. Hierbij konden verschillende bouwfasen vastgesteld worden. Gezien de rijke geschiedenis van de abdij kan men vermoeden dat de site en ook de vijvers een rijk archeologisch bodemarchief moeten bevatten.
In 1378 liet abt Hendrik Van Overbeke (1368-1391) de abdijhof omringen door een stenen muur. Deze vinden we eveneens terug op de Cijnskaart van Vinkenbos. Daarbinnen bevond zich de conventsboomgaard, nabij de hoeve was er een moestuin (cruythoff) en hophof. Het vandaag nog bestaande neerhof en de ruime tiendenschuur werden gebouwd in de periode 1661-1664, de stenen werden gebakken in kareelovens die de abdij liet inrichten nabij de Zeven Vijvers te Heverlee.
Abt Gerard Van Goetsenhoven (1414-1434) liet vanaf de Tiensepoort een hoge muur bouwen rond het Park-binnenbos. In 1542 werd de muur op bevel van de stadsmagistraat gesloopt omdat hij te dicht bij de stadswallen stond. In 1550 verdween ook het Park-binnenbos.
De moestuin achter het huidige neerhof leverde de groenten. De ommuurde abdijtuin die aansluit bij het neerhof bestaat nog steeds. Tot op het einde van de 16de eeuw beschikte de Parkabdij over meerdere wijngaarden.
In het Kaartboek worden maar twee vijvers bij de abdij aangeduid. Ze werden aangelegd onder abt Sieger van Vinckenbosch (1306-1314) in de vallei aan de zuidkant van de abdij op laaggelegen moerassige gronden die niet geschikt waren voor de akkerbouw en aanvankelijk gebruikt werden als hooi- en weiland. Deze twee vijvers, door een dijk gescheiden, waren ongeveer zeven hectare groot en moesten de visvoorraad van de abdij verzekeren. In de vijvers van Vossem (uitgegraven in 1441) die ook eigendom waren van de abdij, werd eveneens vis gekweekt. De huidige derde en vierde vijvers waren toen nog weide, ze werden omstreeks 1700 aangelegd, waardoor de Parkvijvers een totale oppervlakte van twaalf hectare besloegen. De eerste vijver ligt op het grondgebied van Heverlee, de drie overige op Korbeek-Lo. Op de Ferrariskaart zijn de wegen langs de vijvers, de dwarsdijken en de wegen ten noorden van de abdij afgezoomd met bomen.
Aan de noordzijde van de Molenbeek worden op de erfkaart en cijnskaart van Park kleinere vijvers afgebeeld, één buiten en één binnen de muur. Deze en nog enkele andere vijvers langs de Molenbeek vinden we ook terug op een gravure uit 1669. Vermoedelijk gaat het om kleine kweekvijvers.
Abt Libert de Pape liet in 1671 in het midden van het hoeveplein een monumentale fontein in blauwe hardsteen plaatsen, een ingenieus buizensysteem zorgde voor de wateraanvoer. Nabij het provisorenhuis werd het nog bestaande waterbekken aangelegd, dat volgens archiefbronnen dienst deed voor het drenken van vee en het wassen van koetsen en karren.
De huidige Norbertijnenweg, de weg ten noorden van de abdij, vinden we op de kadastrale verzamelkaart van Korbeek-Lo (1832) terug als 'Dreef van de Abdij van Perck naar Hoegaerden', die liep langs de Spaanse kroon en Den Duyvel. Bij Ferraris heette de locatie 'Duyvel' nog 'Wit Peert'. Bij Popp is het de Dreef van de Abdij des Parks naer de Spaensche Kroon.
Steunende op de Erfkaart en de Cijnskaart uit het Kaartboek van de abdij van Park kunnen we besluiten dat ten noorden en noordoosten van de abdij zich een bos bevond dat later ontgonnen werd. Op de Ferrariskaart komt dat bos niet meer voor. De overige percelen waren akkerland. Volgens de beschrijving in de leggers van het primitieve kadaster (circa 1830) van de percelen in de omgeving van de abdij waren ze in gebruik als land, weide, vijver, tuin, slechts één perceeltje ten zuiden van de Leibeek was nog bos.
Auteurs: Deneef, Roger; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Cresens, André; Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Deneef R. & Cresens A. 2013: Abdij van 't Park [online], https://id.erfgoed.net/teksten/454202 (geraadpleegd op ).
De abdij van ‘t Park ligt ten zuidoosten van Leuven in de vallei van de Molenbeek. Deze historische site, de abdij, de watermolen, de bijgebouwen en de vijvers zijn nagenoeg ongewijzigd de laatste 230 jaar. Aan de noordzijde ligt het domein in de vork tussen twee spoorlijnen. Ten zuiden van de vijvers ligt de heuvelrug, Pietersberg, een agrarisch gebied doorsneden door een aantal holle wegen. Dit gebied wordt ingesloten door de Geldenaakse baan en de expresweg van Grauwmeer naar De Mol aan de steenweg Leuven-Tienen. Ten zuiden van de Parkabdij liggen de terreinen van het Sint-Albertuscollege met aanpalend klooster en park.
Het 43 ha grote abdijdomein is in zijn huidige vorm het laatste overblijfsel van de schenking, bestaande uit woeste gronden en bossen, die hertog Godfried met de Baard in 1129 deed aan de norbertijnen. Onmiddellijk na de stichting van de Premonstratenzerabdij begonnen de religieuzen met de ontginning van het verkregen land. Op de lager gelegen stukken langs de Lei- of Molenbeek werden de eerste twee abdijvijvers uitgegraven. In 1281 had de abdij ongeveer 60 ha akkerland in eigen beheer. De meeste akkers bevonden zich op de huidige site en strekten zich uit over het grondgebied van de oude heerlijkheid Vinkenbos. Het areaal werd geëxploiteerd volgens het traditionele drieslagstelsel en lag verdeeld in drie zogenaamde aarden: één voor tarwe en rogge, één voor gerst en haver en een derde braakland. De vroegste bedrijfsgebouwen bevonden zich op de plaats van de huidige neerhofsite. Voorlopers van de Sint-Jans- en de Norbertuspoort sloten het eerste hoeveplein af. Ten gevolge van de uitbouw van de nabijgelegen hoeve van Vinkenbos sinds 1306 was het areaal van het neerhof lichtjes teruggelopen.
De huidige bedrijfsgebouwen dateren uit de 17de eeuw met de koestallen (1653), de paardenstallen (1663) en de tiendenschuur. Op de kaart die Joris Subil in 1665 maakte van de abdijsite en omgeving is de huidige constellatie haast volledig terug te vinden. De volgende elementen zijn herkenbaar: de abdijdreef, de hophof en de moestuin, de eerste twee abdijvijvers (de achterste twee werden eerst gegraven op het einde van de 17de eeuw), het voormalige Parkbos, waarvan in de 17de eeuw een groot gedeelte werd gerooid en de conventsboomgaard.
De opheffing van de abdij in 1796 had geen rechtstreekse gevolgen voor het neerhof en zijn areaal. Ook na de heroprichting bleef men het neerhof verhuren aan landbouwers die er een gemengd akkerbouw- en veeteeltbedrijf exploiteerden. Het Parkdomein zou in de 19de eeuw nog wel twee maal voor de aanleg van de treinsporen en voor een uitbreiding van het stadskerkhof lichtjes inkrimpen. De onteigeningen voor de spoorlijn Mechelen-Leuven-Tienen gebeurden in 1836, waarbij al een eerste deel van de oostelijke vijver verdween. Nadien werd de spoorlijn Leuven-Waver ten noorden van de abdijgebouwen aangelegd. Recent werd nog voor de aanleg van de HST-lijn ongeveer 2 ha onteigend ter hoogte van de meest oostelijke vijver, maar het landbouwareaal bedraagt nog steeds ongeveer 20 ha. Het is dus een goed voorbeeld van een oud cultuurlandschap met een specifieke agrarische bestemming.
De abdij kende 4 bouwcampagnes waardoor ze uitgegroeid is tot één van de allermooiste van de Benelux, een monumentaal complex en een monument van schoonheid omgeven door een aantal mooie dreven. Uit de eerste bouwperiode noteren we een eerste romaanse kerk, kloostergang en dormitorium daterend uit de 13de eeuw. In de 15de eeuw gebeurde een wederopbouw van de kloostergang in gotische stijl, het abts- en gastenkwartier, de noorder- en westerpoort werden gebouwd. Van 1558 tot 1730 werd de kloostergang nogmaals aangepakt, verschenen de hoeve- en bijgebouwen (langsschuur, woon-en karrenhuisvleugel) en gebeurde de verbouwing van het abtskwartier, het provisorgebouw, de pastorij en de poorten. De barokke kloostergebouwen dateren uit de 17de eeuw. De refter en de bibliotheek zijn verfraaid met stucplafonds in verheven beeldwerk van J.C. Hansche. Bij het gastenkwartier werd in 1750 een fraai Lodewijk XV-tuinprieeltje opgericht. De abdij werd gedurende haar geschiedenis nooit verwoest, wel een paar maal geplunderd. Na de opheffing van de abdij in 1796 liepen de gebouwen echter geen grote schade op, ze werden opnieuw in gebruik genomen in 1831. De ruime abdijkerk is gelegen op de verhevenheid van het kerkhof, ze werd aangepast in de 17de en 18de eeuw, met ondermeer classicistische wanden en ramen. Een aantal romaanse elementen blijven nog steeds zichtbaar. De huidige toren werd opgetrokken in 1729.
Het abdijdomein werd ommuurd en voorzien van een aantal poorten: de Sint-Norbertuspoort, de Kerkhofpoort, de Leeuwenpoort en de westerpoort of Sint-Johannespoort. Bij deze laatste poort sluit de 16de-eeuwse watermolen aan, die verbouwd en uitgebreid werd in de 18de eeuw. Een tweede en een derde westerpoort werden hier in de 18de eeuw aan toegevoegd. Dreven verbinden deze poorten.
Bron: Ankerplaats 'Abdij van 't Park'. Landschapsatlas, A20046, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs: Deneef, Roger; Wijnant, Jo; Cresens, André
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Deneef R., Wijnant J. & Cresens A. 2001: Abdij van ‘t Park (Landschapsatlas 2001) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/162520 (geraadpleegd op ).