erfgoedobject

Oude Durme

landschappelijk geheel
ID: 135198   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135198

Beschrijving

Korte beschrijving

Het landschappelijk geheel ‘Oude Durme’ strekt zich uit over het grondgebied van Waasmunster en Hamme. Het ligt ten zuiden van de huidige Durme, waarvan de loop in de jaren 1930 genormaliseerd werd. Van de late middeleeuwen tot de 20ste eeuw bestond het landschap langs de benedenloop van de Durme uit hooilanden of meersen op de lager gelegen gronden en akkers op de hoger gelegen gronden. De meersen werden tijdens het winterhalfjaar bevloeid met het water van de Durme. Het slib dat hierbij werd afgezet, leverde voor rijke hooioogsten op. De meersen langs de Durme waren voorzien van lage dijken, die de hooilanden beschermden tegen overstromingen tijdens het zomerhalfjaar. Begin november werden gaten in de dijken gestoken om de meersen te bevloeien. Treksloten en zijsloten verdeelden het water over de meersen bij vloed en voerden het weer af bij eb. Eind maart werden de gaten gedicht. Van april tot oktober werd het overtollige water afgevoerd d.m.v. ‘goten’ (houten sluisjes) in de dijken. Deze ‘goten’ werden ook gebruikt om de meersen na de eerste snede gedurende enkele dagen te bevloeien (dit deed men om de groei van de toemaat te bevorderen). De eigenaars van de broeken hadden zich verenigd in polders en wateringen om gemeenschappelijke werkzaamheden in het algemeen belang te kunnen uitvoeren. De belangrijkste polders en wateringen binnen de grenzen van het landschappelijk geheel ‘Oude Durme’ waren het Weymeerbroek (Waasmunster), het Cleyn Broeck (Hamme) en het Henegaertsbroek (Hamme). Toen het steken van gaten in 1878 verboden werd, werden de gaten vervangen door sluizen. In het landschappelijk geheel ‘Oude Durme’ is het traditionele landschap goed bewaard gebleven. Het is de enige plek langs de benedenloop van de Durme waar men nog kan zien welke hoogte de Durmedijken vroeger hadden. Overal elders zijn de dijken op Sigmahoogte gebracht. In het gebied komen nog relicten van traditionele weidebevloeiing voor, die elders in de Durmevallei zeldzaam geworden zijn. In het kader van het Sigmaproject werd het Weymeerbroek ingericht als ‘wetland’ of nat natuurgebied met bloemenrijke hooilanden en rietkragen.

De Durme

De oudste archivalische attestatie van de Durme dateert van 694 (kopie 941, Dormia). De waternaam is vermoedelijk van prehistorische oorsprong (Kempeneers e.a. 2018). Sinds het ontstaan van de Westerschelde in de 11de en 12de eeuw is de Durme onderhevig aan getijden. Op de Ferrariskaart (1770-1778) is goed te zien dat de Durme bedijkt was van haar monding tot vóór Lokeren. Tot het begin van de 19de eeuw was het verschil tussen eb en vloed vrij klein, zodat lage zomerdijken volstonden om de hooilanden langs de Durme te beschermen tegen overstromingen tijdens het zomerhalfjaar. Het reglement van de watering van de Spechten- en Hambroeken in Waasmunster uit 1863 bepaalde dat de dijk langs de Durme ten minste 1 m hoog en 2 m breed moest zijn. Van den Bogaerde (1825) vermeldt dat de dijken van de Durme in Elversele 1,25 à 1,50 m hoog en 4 à 5 m breed waren.

Na de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen in 1827 werd de Durme afgesneden van haar bronnen en nam de hoeveelheid water die naar de Schelde stroomde sterk af, waardoor er meer zand en slib werd afgezet. Na het normaliseren van de Durme in 1931-1937 nam de verzanding nog toe. Bij hoog tij kon het slibrijke Scheldewater sneller stroomopwaarts stromen, waardoor er meer slib werd afgezet. Het slib was een probleem voor de scheepvaart, met name voor vrachtschepen met een grote diepgang. Om de Durme bevaarbaar te houden, moest de rivier regelmatig geruimd worden. Na de Tweede Wereldoorlog verloor de Durme haar betekenis voor de scheepvaart en werd het ruimen stopgezet. Tussen Lokeren en Waasmunster slibde de rivier geleidelijk aan dicht. In 1955 werd de Durme afgedamd ter hoogte van de Oude Brug in Lokeren. In 1968 werd deze dam verplaatst naar het einde van het Molsbroek, dicht bij de grens met Waasmunster. In 1973 werd de dam verlegd naar zijn huidige plek tegenover het Molsbroek (Verstraeten 2017, p. 101).

Het toegenomen getijverschil heeft een grote invloed op het landschapsbeeld. Bij vloed is de Durme van haar monding tot aan de dam in Lokeren een brede rivier; bij eb valt de Durme tussen Waasmunster en Lokeren nagenoeg droog. Het getijverschil is de laatste decennia nog toegenomen. Terwijl het gemiddelde hoogwaterpeil in Tielrode tussen 1981 en 1990 5,52 m bedroeg, was dit in 2011 gestegen tot 6 m (Verstraeten 2017, pp. 105-107). Om die reden moesten de dijken langs de benedenloop van Durme verhoogd en verbreed worden (tot 8 m TAW, overeenkomstig het Sigmaplan). Daardoor is de Oude Durme de enige plek in de Durmevallei waar de dijken nog steeds hun oorspronkelijke hoogte en breedte hebben.

Cultuurhistorisch landschap

Landschapsevolutie en landgebruik

In de eerste eeuwen vóór het begin van onze jaartelling bestond het landschap langs de benedenloop van de Durme voornamelijk uit broekbossen. Uit pollendiagrammen blijkt dat er aan de rand van deze broeken aan akkerbouw werd gedaan. Allicht lieten de toenmalige bewoners hun vee in de broeken weiden, wat tot het ontstaan van open plekken zal hebben geleid. In de Romeinse tijd werden de broekbossen grotendeels ontgonnen. Langs de benedenloop van de Durme zijn verschillende archeologische sites uit de Romeinse tijd aangetroffen. De vicus Pontrave in Waasmunster wordt beschouwd als de belangrijkste Romeinse nederzetting in de Durmevallei. Deze vicus beleefde zijn bloeiperiode in de tweede eeuw en de eerste helft van de derde eeuw na Christus. In de Durmevallei werd toen niet alleen aan landbouw gedaan: de Romeinen wonnen er ook klei, die ze gebruikten voor het bakken van tegels en dakpannen (tegulae en imbrices). Waarschijnlijk vormde de Durmevallei toen een gevarieerd cultuurlandschap met akkers, weiden en hakhoutbosjes. Vanaf de jaren 260-270 schijnt de bewoning sterk achteruitgegaan te zijn. Archeologische vondsten uit de vierde en vijfde eeuw zijn uiterst zeldzaam. Men mag aannemen dat het Romeinse cultuurlandschap toen grotendeels heroverd werd door de natuur. De meeste akkers en weiden langs de Durme zullen opnieuw broekbos geworden zijn.

In de vroege middeleeuwen nam de bevolking weer toe. De broekbossen werden opnieuw als weidegronden gebruikt, waardoor ze geleidelijk aan open plekken kregen. Tijdens de grote ontginningen van de volle middeleeuwen (11de-13de eeuw) werden de meeste broekbossen bedijkt, gerooid en omgevormd tot hooilanden. Naar de chronologie van de bedijking is nog nauwelijks onderzoek verricht. Vermoedelijk werden de eerste dijken aangelegd bij de monding van de Durme in de Schelde, waar het getijverschil het grootst was, en werden de meer stroomopwaarts gelegen broeken pas later ingedijkt.

Voor de dijken van de broeken werd veel slib afgezet. Op sommige plaatsen werden deze afzettingen zo hoog dat er schorren ontstonden, die alleen nog bij springtij overstroomd werden. Deze schorren waren zeer vruchtbaar en werden al gauw omgeven met lage zomerdijken om ze om te vormen tot hooilanden. Bedijkte schorren werden in de streek ‘schoren’ genoemd.

In 1841 stelde de gemeente Waasmunster een lijst op van de bedijkte ‘schoren’ en broeken op haar grondgebied, in antwoord op een omzendbrief van de provincie Oost-Vlaanderen. Op deze lijst staan 30 ‘schoren’ en broeken, waarvan de oppervlakte varieerde van 0,43 ha tot 87,40 ha (Rijksarchief Gent, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4221/2). Sommige broeken hadden slechts één eigenaar, andere hadden verschillende eigenaars die zich verenigd hadden in een watering. Veel van deze wateringen hadden een hoge ouderdom. De besturen van de wateringen werden verkozen door de eigenaars en waren bevoegd om onderhouds- en herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren in het algemeen belang. Daartoe mochten ze elk jaar een belasting aan de eigenaars opleggen, het zogenaamde ‘dijkgeschot’. 

Van de late middeleeuwen tot halverwege de 20ste eeuw bestond het landschap in de Durmevallei grotendeels uit hooilanden (meersen) op de lager gelegen gronden en akkers op de hoger gelegen gronden. Een blik op het Weense exemplaar van de Ferrariskaart (1770-1778), waarop het bodemgebruik aangegeven wordt met letters, laat zien dat de broeken langs de Durme binnen de grenzen van het gebied grotendeels als hooiland beheerd werden. Op de hoger gelegen gronden lagen akkers, die door houtkanten of knotbomenrijen van elkaar gescheiden waren. Het landschap in de vallei was vrij open, in tegenstelling met het landschap op de hoger gelegen gronden, dat een echt heggenlandschap was. In de vallei kwamen tot het eind van de 18de eeuw weinig opgaande bomen voor. Ze stonden vooral langs de wegen en langs de dijken (maar alleen aan de landzijde, waar ze niet hinderlijk waren voor de boottrekkers). Vanaf het begin van de 19de eeuw werden Canadapopulieren in de Durmevallei aangeplant, eerst in dreefverband en later ook in bosverband. Na de Tweede Wereldoorlog breidde de populierenteelt zich sterk uit omdat er veel vraag was naar populierenhout voor de luciferfabrieken. Veel laag gelegen en moeilijk te ontwateren meersen werden toen met populieren beplant.

Traditionele weidebevloeiing langs de benedenloop van de Durme

De meersen langs de Durme behoorden tot de beste hooilanden van de provincie Oost-Vlaanderen, zoals André Jean Louis van den Bogaerde (1787-1855) schrijft in zijn boek ‘Het distrikt St. Nicolaas, voorheen Land van Waes’ (1825). De meersen werden ’s winters tweemaal per dag bevloeid met het water van de Durme (vandaar dat men ze ook ‘vloedmeerschen’ noemde). Als het water zich terugtrok, bleef telkens een laagje slib of ‘spier’ achter dat de vruchtbaarheid van de meersen ten goede kwam. De meersen konden tweemaal per jaar gemaaid worden en daarna vond nog een beweiding plaats. Het hooi van de eerste snede was van betere kwaliteit dan het hooi van de tweede snede (de toemaat). De eigenaars van de hooilanden verpachtten hun percelen niet maar exploiteerden ze zelf omdat dit meer opbracht. Zo waren ze er ook zeker van dat de hooilanden altijd effen en in goede staat gehouden werden. De ‘vloedmeerschen’ waren zodanig aangelegd dat ze niet de minste oneffenheid vertoonden. Alleen zo konden ze volledig onder water gezet worden. Op een oneffen terrein waren er namelijk altijd plekken die boven het water uitstaken en laagtes waar het water stagneerde, wat nadelig was voor de hooiopbrengst. Van den Bogaerde schreef hierover: “Alle deze gronden liggen effen als groene tapijten, en zoo haast de wateren der rivieren afgeloopen zijn, ziet men deze gronden ook van alle water ontlast”. Begin juni werd het hooigras van de eerste snede openbaar verkocht. De kopers moesten het zelf maaien. Het maaien had plaats vóór het eind van de maand. Half september werden de meersen een tweede keer gemaaid. Daarna werden de koeien tot de meersen toegelaten. Begin november begon men met de bevloeiing, die meermaals herhaald werd.

Om de meersen te kunnen bevloeien, werden elk jaar omstreeks 1 november gaten in de zomerdijken gestoken. De gaten lagen boven het waterpeil van de Durme bij eb, zodat het water alleen bij vloed in de meersen stroomde. Het steken van gaten was niet zo moeilijk aangezien de zomerdijken slechts 1 à 1,5 m hoog waren. Eind maart werden de gaten weer gedicht. Het steken en sluiten van de gaten werd openbaar aanbesteed. De gaten werden met vlechtwerk (rijshout) en graszoden versterkt om erosie te voorkomen. Ze werden ook voorzien van houten loopbruggen zodat de boottrekkers ze gemakkelijk konden oversteken (Algemeen Rijksarchief, Bestuur van Bruggen en Wegen, Waterwegen, 103). Tijdens het zomerhalfjaar, als de gaten gesloten waren, werd het overtollige water afgevoerd via ‘goten’ of houten sluisjes.

Tijdens het ancien régime bepaalden de eigenaars van de meersen zelf wanneer en hoe ze hun meersen bevloeiden. Na de Franse Revolutie kwam hier echter verandering in. De centrale en de provinciale overheid begonnen strenger toe te zien op de weidebevloeiing. Een besluit van het Directoire (19 ventôse an VI) bepaalde dat niemand water van rivieren of kanalen mocht afleiden voor irrigatiedoeleinden, tenzij met toestemming van de overheid. Het provinciaal reglement op de waterlopen van 18 juli 1824 bepaalde bovendien dat het steken van gaten in de dijken van de Durme zonder toestemming van hogerhand een overtreding was (Exposé de la situation administrative de la Flandre orientale pour l’année 1878, p. 174). De ingenieurs van Bruggen en Wegen stonden tamelijk sceptisch tegenover het steken van gaten in de dijken. Langs de benedenloop van de Durme lagen namelijk niet alleen vloeimeersen maar ook akkers. Die akkers lagen op de hoger gelegen percelen, maar ze waren meestal niet van de vloeimeersen gescheiden door binnendijken zodat ze bij springtij geregeld overstroomd werden. Terwijl de winterse overstromingen voor de hooilanden een goede zaak waren, waren ze voor de akkers schadelijk. Daarenboven waren de gaten hinderlijk voor de scheepvaart. Ze veroorzaakten immers sterke stromingen en soms gebeurde het dat een schip door deze stromingen werd meegesleurd en in een gat terechtkwam. In 1878 besloot de minister van Openbare Werken dat het steken van gaten in de dijken voortaan alleen nog zou worden toegestaan in de broeken en ‘schoren’ die aan alle kanten omgeven waren met dijken. Deze dijken moesten bovendien zo hoog zijn dat het water niet over de aanpalende akkers kon stromen. De polders en wateringen die niet aan deze voorwaarden voldeden, moesten voortaan sluisjes (éclusettes) gebruiken om hun hooilanden te bevloeien (Algemeen Rijksarchief, Bestuur van Bruggen en Wegen, Waterwegen, 103).

In 1879 vroeg het bestuur van het Weymeerbroek toestemming aan de minister van Openbare Werken om twee nieuwe sluizen in de dijk van de Durme te bouwen, ter vervanging van de gaten die vroeger op deze plaatsen gestoken werden. Deze aanvraag werd goedgekeurd, onder welbepaalde voorwaarden (Algemeen Rijksarchief, Bestuur van Bruggen en Wegen, Waterwegen, 103). Een groot deel van het Weymeerbroek ligt binnen de grenzen van het landschappelijk geheel ‘Oude Durme’.

In 1841 had het Weymeerbroek een oppervlakte van 27,45 ha. Het lag 1,51 m onder het waterpeil van de Durme bij vloed. De dijken hadden een totale lengte van 1010 m. Het bestuur van het broek bestond uit een directeur, die tevens ontvanger was, en twee schepenen. Het reglement van het broek dateerde van 9 september 1785 (Rijksarchief Gent, Provincie Oost-Vlaanderen 1830-1850, 4221/2).

Beweiding

Tijdens het ancien régime moesten particulieren de gemeenschappelijke weidegang op hun land dulden als de oogst was binnengehaald. Dit betekende dat ze hun percelen niet met permanente omheiningen of afscheidingssloten mochten omgeven. De gemeenschappelijke weidegang was ook van toepassing op de meersen langs de Durme. Als het hooi van de tweede snede (de toemaat) was geoogst, mochten de dorpelingen hun vee op de meersen laten weiden.

Na de Franse Revolutie verkregen de eigenaars het recht om hun percelen met permanente omheiningen af te sluiten. Afsluiting van de grond maakte aan het recht tot beweiding een einde, indien het niet op een titel, maar slechts op gewoonte berustte. De gemeenschappelijke weidegang werd echter niet verboden. Wie zijn land niet omheinde, moest dus nog steeds beweiding door de dorpskudde dulden als de oogst was binnengehaald. In de praktijk sloten de meeste eigenaars hun percelen af met omheiningen zodat de collectieve beweiding verdween. Op 23 september 1807 namen de eigenaars van het Meulendijkbroek in Waasmunster een reglement aan waarin de beweiding strenger werd gereglementeerd. Het weiderecht was voortaan voorbehouden aan de eigenaars van de meersen. Om het te kunnen uitoefenen, moesten de eigenaars hun percelen omheinen of hun dieren laten hoeden. Collectieve beweiding in het hele broek was voortaan verboden (Rijksarchief Gent, Scheldedepartement, 9022/15).

Wijmenteelt

Langs de Schelde en de Durme werden vroeger wilgentenen geteeld voor de mandenmakerij. In de streek werden deze wilgentenen ‘wijmen’ genoemd. De ‘wijmen’ werden voornamelijk geteeld in grienden of ‘wijmenvelden’. Daarnaast werden ook wilgentenen van knotwilgen geoogst, die langs de kavelgrenzen stonden. De vroegste vermeldingen van ‘wijmenvelden’ in de regio dateren uit de 16de eeuw, maar er werden waarschijnlijk al ‘wijmen’ geteeld in de middeleeuwen. In de 19de eeuw kende de ‘wijmenteelt’ in de regio een sterke groei. De ‘wijmenteelt’ was erg belangrijk in Bornem en omstreken maar ook in de Durmevallei werden wijmen geteeld, vooral in Tielrode. De grote vraag naar wilgentenen zette de boeren aan om grienden en knotwilgen aan te planten (Verstraeten 2017).

Scheepvaart

Tot aan de Tweede Wereldoorlog was de Durme een belangrijke waterweg. Op de dijken langs de Durme lagen jaagpaden (‘tragels’) voor het trekken van de schepen. Sommige schepen werden getrokken door een paard, andere door boottrekkers. In Tielrode, Hamme, Waasmunster, Zele en Lokeren bevonden zich kaaien waar beerschepen uit Antwerpen gelost werden. Achter de kaai lagen grote beerputten waar de beer opgeslagen werd. De boeren uit de omgeving kwamen met beerkarren om de mest op te halen. De handel in stadsbeer was erg winstgevend in de periode 1740-1870. Na de opkomst van de kunstmeststoffen ging de betekenis van de beerhandel achteruit maar tot in de jaren 1920 voeren beerschepen op de Durme. Verschillende ‘beerkaaien’ bestaan vandaag nog steeds. Ook steenkool, Doornikse kalk en baksteen werden via de Durme aangevoerd. De schepen moesten gebruik maken van het hoog tij van de Durme om tot Zele te geraken. Daar aangekomen, moesten ze wachten op het volgende hoog tij om te kunnen terugvaren. Daarom werden de schepen soms ’s nachts gelost. Oorspronkelijk waren het zeilschepen die vanaf Waasmunster door bootrekkers naar hun bestemming werden getrokken. Later gebruikte men motorschepen (Verstraeten 2017).

Dijken

Het landschappelijk geheel ‘Oude Durme’ is het enige gebied langs de benedenloop van de Durme waar de dijken nog steeds hun oorspronkelijke hoogte en breedte hebben. De eigendomstoestand van de dijken was vroeger tamelijk complex. Sommige dijken behoorden toe aan de aangelande eigenaars, andere aan de wateringen of de gemeenten. De dijken langs de rivier werden gewoonlijk onderhouden door de wateringen of de gemeenten, de binnendijken tussen de verschillende broeken door de aangelande eigenaars. Langs de dijken van de Durme werden vroeger opgaande bomen aangeplant, vooral notenbomen (Juglans regia). De noten werden elk jaar openbaar verkocht. De noten werden gegeten en uit de schil werd een zwarte kleurstof gewonnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de meeste notenbomen gekapt door de Duitsers om er geweerkolven van te maken. Daarna werden echter nieuwe notenbomen aangeplant. De notenbomen langs de Durme verdwenen in 1968 bij de aanleg van bredere en hogere dijken maar langs de Oude Durme zijn nog enkele oude notenbomen overgebleven.

De Durmevallei als inspiratiebron voor landschapsschilders

De meersen van de Durme stonden vroeger niet alleen bekend om hun hoge hooiopbrengst maar ook om hun esthetische kwaliteiten. In de periode 1870-1940 was de Durmevallei een inspiratiebron voor landschapsschilders zoals Edmond Verstraeten (1870-1956), Ghisleen Verdickt (1883-1926) en Achiel Van Sassenbrouck (1886-1976). Edmond Verstraeten woonde in een herenhuis op de cuesta in Sombeke. Hij schilderde verschillende taferelen in de Durmevallei (Verstraeten 2017).

Potpolders en Sigmawerken

Doordat het getijverschil in de Durme sinds het begin van de 20ste eeuw sterk toenam, deden zich verschillende overstromingen voor, vooral bij springtij. Om deze overstromingen op te vangen, begon het ministerie van Openbare Werken al in de jaren 1930 met de aanleg van potpolders. Deze polders moesten bij stormvloed een deel van het water bergen, zodat de rest van de Durmevallei gespaard bleef van overstromingen. De eerste potpolder (in Waasmunster-Sombeke) werd in 1939 opgeleverd en functioneert nog steeds. Een tweede potpolder  werd ingericht in het Weymeerbroek tussen de Oude Durme en de Nieuwe Durme (Verstraeten 2017, 126-129). In het kader van het Sigmaplan is het gebied ‘Oude Durme’ ingericht als ‘wetland’ of nat natuurgebied met bloemenrijke hooilanden en rietkragen. Daartoe werden enkele populierenbosjes in het gebied gerooid.

Erfgoedwaarden

Het landschappelijk geheel ‘De Oude Durme’ heeft historische waarde omdat het traditionele cultuurlandschap er vrij goed en herkenbaar bewaard gebleven is. De dijken langs de Oude Durme zijn sinds de jaren 1930 vrijwel ongewijzigd gebleven, terwijl ze overal elders in de Durmevallei op Sigmahoogte gebracht zijn. In het gebied komen nog zeldzame relicten van traditionele weidebevloeiing voor, zoals oude binnendijken, treksloten, zijsloten en kolken (achter de sluizen). Langs sommige secties van de dijken staan nog notenbomen, wat men elders in de Durmevallei niet meer ziet. De meersen in het gebied worden nog steeds als hooiland beheerd. In het gebied liggen nog verschillende percelen die volledig omgeven zijn met zomerdijken.

De relicten van de traditionele weidebevloeiing hebben niet alleen historische maar ook wetenschappelijke waarde. In Vlaanderen is nog maar weinig onderzoek naar traditionele weidebevloeiing verricht. Onze historische kennis hieromtrent vertoont grote lacunes. Onderzoek van de relicten op het terrein kan nieuwe inzichten omtrent traditionele weidebevloeiing opleveren. Daarom is het belangrijk deze relicten voor toekomstige onderzoekers te behouden.

De Durmemeersen stonden vroeger niet alleen bekend om hun hoge hooiopbrengst maar ook om hun esthetische kwaliteiten. In de periode 1870-1940 was de Durmevallei een inspiratiebron voor landschapsschilders. Het landschap in het gebied was relatief open en gevarieerd. Naast hooilanden lagen er ook met houtkanten omzoomde akkers (vooral op de hoger gelegen percelen), populierenaanplanten en ‘wijmenvelden’ (grienden). In het gebied heeft men fraaie vergezichten, die elders in de Durmevallei zeldzaam geworden zijn. De hoogspanningsleidingen ten oosten en ten westen van de Oude Durme zijn weliswaar een storend element maar de zichtlijnen van noord naar zuid en omgekeerd worden er niet door ontsierd. De esthetische waarde van het gebied ligt overigens niet alleen in het visuele aspect maar ook in de akoestische beleving. Natuurlijke geluiden, afkomstig van zowel fauna als flora, zijn in dit landelijke gebied dominant. 

 

 

Antrop M., Van Eetvelde V., Janssens J., Martens I. & Van Damme S. 2002: Traditionele landschappen van het Vlaamse gewest, onuitgegeven rapport, Universiteit Gent, Vakgroep Geografie, Gent

Bogemans F., Jacops J., Meylemans E., Perdaen Y., Storme A., Verdurmen I. & Deforce K. 2009: Paleolandschappelijk, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek in het kader van het geactualiseerde Sigmaplan. Sigma-Durmecluster, zone Groot en Klein Broek, Brussel, VIOE

Casteleyn E. & Kerstens P. 1988: Het Sigmaplan: beveiliging van het Zeescheldebekken tegen stormvloeden op de Noordzee, Water nr. 43 (november/december 1988), 170-175

Kempeneers P., Leenders K., Mennen V. en Van Durme L. 2018: De Vlaamse waternamen. Verklarend en geïllustreerd woordenboek. Deel II: De provincies West- en Oost-Vlaanderen, Leuven-Paris-Bristol CT

Kiden P. 2006: De evolutie van de Beneden-Schelde in België en Zuidwest-Nederland na de laatste ijstijd, Belgeo 3, pp. 279-294

Leibundgut Chr. & Vonderstrass I. 2016: Traditionelle Bewässerung – ein Kulturerbe Europas, Band 1: Grundlagen + Band 2: Regionale Dokumentation, Langenthal

Van Braeckel A., Piesschaert F. en Van den Bergh E. 2006: Historische analyse van de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren: 19e eeuw tot heden (INBO rapport 2006.29)

Van den Bogaerde A.J.L. 1825: Het distrikt St. Nikolaas, voorheen Land van Waas; Provincie Oost-Vlaanderen, deel 1

Verdurmen I. 2009: Groot en Klein Broek, Onuitgegeven onderzoeksrapport Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Brussel

Vermeersch S., Vandenbussche V., Van den Bergh E. & Decleer K. 2003: Verkennende ecologische gebiedsvisie voor de tijgebonden Durme, Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud 2003.03

Verstraeten A. 2017 : De Durme van Tielt tot Tielrode. De meest gevarieerde Vlaamse rivier? Lokeren

Winkelmans 2005: Gevlochten verleden: mandenmakerij en wijmenteelt langs de Schelde, Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant

Wolters G. 1869: Recueil de lois, arrêtés, règlements etc. concernant l’administration des eaux et polders de la Flandre orientale, troisième édition, tome second, polders et wateringues, Gand

 

 

Weens exemplaar van de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Joseph Jean François de Ferraris (1770-1778)

Atlas van de Buurtwegen, opgesteld naar aanleiding van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, schaal 1:2500 (overzichtsplannen schaal 1:10.000) .

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20.000

Topografische kaart van België, uitgegeven door Philippe Vandermaelen tussen 1846 en 1854, schaal 1:20.000.

Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, uitgegeven door Philippe-Christian Popp tussen 1842 en 1879, schaal 1:5000

Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000.

Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.

Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.

 

 


Auteurs :  Van Driessche, Thomas
Datum  : 02-03-2020


Relaties

  • Omvat
    Dijkbeplantingen met okkernoot

  • Omvat
    Kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Nood

  • Is deel van
    Hamme

  • Is deel van
    Waasmunster

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Oude Durme [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135198 (Geraadpleegd op 15-07-2020)