Teksten van Dries van Kaprijke

Dries van Kaprijke (Landschapsatlas 2001) (2001)

Het centrum van Kaprijke wordt door twee grote ruimten gevormd. Enerzijds is er het trapeziumvormig ‘Plein’ en daarop aansluitend is er de brede straat ‘Voorstraat’. Op de hoek van het Plein staat de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk. Er is op het voormalige ‘Veld’ een kapel gelegen. Dit plein noemt nu ‘Plein’. Dit is het noordelijk, onbebouwd deel van het voormalige plein. Het is nu uit een grasveld met aan drie zijden een dubbele rij kastanjebomen. Opvallend is het 17de eeuws stadhuis aan de westzijde. Het Plein heeft toegangswegen in de vier hoeken. Opvallend is de brede Voorstraat die op het noordwesten van het Plein uitkomt. De opbouw van het plein is nauw verweven met de geschiedenis van de gemeente Kaprijke. Vermoedelijk kan het een Romeinse vestigingsplaats geweest zijn op de verbinding Gent-Aardenburg. De vierkante vorm en de toegangswegen wijzen hierop.

De oudste geschriften die Kaprijke vermelden dateren van de middeleeuwen. Kaprijke, dat in 1240 stadsrechten verwierf, moet gezien worden in het licht van de opkomende lakenindustrie in het middeleeuws Vlaanderen. Aanvankelijk terend op een eigen wolproductie en later op de invoer, vormde de wolverwerking de centrale activiteit van de gemeente. De dorpsvorm kan vanuit dit oogpunt bekeken worden. Opvallend is de zeer brede oost-west verlopende straat die op het oostelijk eind, nabij de kerk, uitkomt op een zeer groot rechthoekig plein. Van dit laatste is heden ten dage enkel het noordelijk restant bewaard (ca. 1ha) gebleven. De brede straat doet denken aan een “green” van het type Doornzele. Driesen van het type ‘Doornzele’ zijn niet met oud bouwland met koutertoponiem geassocieerd. Ze liggen ingebed in de strokenverkaveling van het Meetjesland. De vraag stelt zich in welke context dergelijke gehuchts- en dorpspleinen moeten gezien worden. In afwachting van aanvullend onderzoek kunnen ze worden geïnterpreteerd als ‘greens’ waar schaapskudden werden verzameld die in grootte de lokale behoeften sterk overstegen en als zodanig gericht waren op de wolproductie voor de markt. Dit veronderstelt niet alleen de aanwezigheid vaneen centrum voor lakennijverheid als Gent maar tevens het voorhanden zijn van grote arealen die als extensief graasland konden worden gebruikt. Hiervoor kwamen de gebieden in aanmerking die in de middeleeuwse teksten als “wastina” worden aangegeven en waarvan we weten dat ze vanaf de 13e eeuw door geestelijke instellingen en rijke stedelingen tot landbouwland werden omgezet.

Het ‘Plein’ daarentegen doet op het eerste zicht een dries vermoeden; eigenaardig genoeg heeft het nooit deze naam gedragen maar werd het eertijds “veld” genoemd. Evenmin zijn er aanwijzingen om het de traditionele driesfunctie (verzamelplaats voor vee) toe te schrijven. Uit historische bronnen blijft daarentegen dat dit “Veld” van oudsher een proto- industriële functie had: reeds in 1421 verleende Filips de Goede de toelating op er droogramen voor de lakens op te stellen en werden er waterputten voor de volders gegraven, terwijl werkruimte voor de ververs evenmin ontbrak. Verder sierde de grafelijke windmolen het plein en werd het soms als marktplein gebruikt. De vraag dient dan ook gesteld in hoever een eigenlijke driesfunctie niet eerder in de straatverbreding moet worden gezien. Dit zou dan terug kunnen gaan tot de oorspronkelijke dorpsvorm, terwijl het “veld” pas naderhand werd toegevoegd toen de economische druk van de wolverwerking en verhandeling toenam. In 1651 werd het “Kaprijks Vaardeken” gegraven met de bedoeling de commerciële activiteit van het stadje te stimuleren; het verbond het plein met de Burggravenstroom die langs Kluizen naar Gent leidde. Het plein deed ook als handelsplaats dienst, voor markten en jaarmarkten. Daarnaast werd tijdens de economisch recessie, oa in de 19e eeuw, het terrein gebruikt om gewassen te telen die door het gemeentebestuur aan de behoeftigen uitgedeeld werden. Tot voor enkele decennia werd het grasveld gebruikt om er de was te drogen. Drie keer per jaar vind er nog een grote manifestatie plaats: de nieuwjaarsreceptie, de kermis en de jaarmarkt. Op het einde van de 19de eeuw werd het zuidelijke deel van het plein verkaveld voor bebouwing. De meeste woningen en de oude gemeentelijke jongensschool aan het zuidelijk deel van het grasplein dateren van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.


Bron: Ankerplaats 'Dries van Kaprijke'. Landschapsatlas, A40065, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs:  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum: 2001


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed: Dries van Kaprijke [online], https://id.erfgoed.net/teksten/162807 (geraadpleegd op 15-06-2021)


Dries van Kaprijke (Actualisatie 2015)

Het centrum van Kaprijke wordt door twee grote ruimten gevormd. Enerzijds is er het trapeziumvormig ‘Plein’ en daarop aansluitend is er de brede straat ‘Voorstraat’. De stedenbouwkundige structuur van de dorpskern van Kaprijke omvat nog het oude stratenpatroon. Beide straten behielden hun bijzondere karakter met ruimte- en beeldbepalende boombeplanting.

Historiek

Kaprijke ontleent zijn naam aan het Latijnse ‘Capriacum’, goed van Caprius, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de oude nederzetting een Romeinse stichting was, gegroeid rondom een groot vierkant marktplein. Archeologische sporen wijzen echter op een nog oudere bewoning. De oudste vermelding ‘Capricke’ dateert pas van 1233. Gravin Johanna van Constantinopel gaf in 1240 een vrijheidskeure aan het dorp Kaprijke. De “stede, keure ende vrijhede” omvatte zowel het landelijke ‘Kaprijke Buiten’ als het nijvere centrum, zogenaamd ‘Kaprijke Binnen’. Ondanks de stadsrechten maakte het dorp echter geen stedelijke ontwikkeling door. Vanaf 1626, toen koning Filips IV Kaprijke in leenpand gaf, tot het einde van het ancien régime was Kaprijke een heerlijkheid.

Vroeger was het Plein bekend als het ‘Veld’ en heeft het vermoedelijk - in tegenstelling tot de Voorstraat - nooit een driesfunctie gehad. Tijdens de middeleeuwen, toen Kaprijke uitgroeide tot een centrum van wolverwerking, had het ‘Veld’ een proto-industriële functie. In 1421 verleende de hertog Filips de Goede de toelating om droogramen voor lakens op te stellen en werden er waterputten voor de volders gegraven. Na de godsdienstoorlogen van de 16de eeuw verdween de lakennijverheid uit Kaprijke en werd deze vervangen door vlas- of lijnwaadnijverheid. Op de oosthoek van het Veld stond op een omgrachte terp de grafelijke windmolen. De molen en de omgrachting verdwenen in 1891. Het in 1651 gegraven ‘Kaprijks Vaardeken’ verbond het ‘Veld’ met de Burggravenstroom naar Gent en Eeklo en moest de commerciële activiteit van het stadje stimuleren. De verschillende zijden van de oorspronkelijke plaats verwijzen in hun vroegere benamingen (Paardenmarkt, Botermarkt en Varkensmarkt) nog naar de voormalige jaarmarkten en handelsfunctie van het plein als marktplaats. Deze straatnamen bleven nog bewaard tot na de Tweede Wereldoorlog. De socio-culturele functie bleef behouden als locatie voor feesten, kermis, circus en jaarmarkt.

Beschrijving

De dorpskern van Kaprijke wordt bepaald door de lange rechte Voorstraat en het Plein met opvallende boombeplantingen en grasvelden en een hoge bebouwingsdichtheid van aaneensluitende gedifferentieerde dorpsbebouwing. Ter hoogte van het kruispunt Voorstraat, Molenstraat en Plein werd recent voor de bescherming (2002) een verkeersrotonde aangelegd. De aanplantingen op de vroegere dries (Voorstraat) en het dorpsplein (Plein) geven de dorpskom van Kaprijke een waardevolle aanvulling van een historisch belangrijke stedenbouwkundige structuur in een plattelandsgemeente.

De brede, rechte Voorstraat is een weg die samenvalt met een microrug in het landschap. Hij vormt een recht stuk van het oudste gedeelte van een oost-west verlopende bewoningsas en wordt gemarkeerd door een dubbele bomenrij. Alles wijst erop dat hier oorspronkelijk een gemeenschappelijk gebruikte ruimte was onder de vorm van een dries, beantwoordend aan de traditionele driesfunctie of verzamelplaats voor vee. In de 17de en 18de eeuw werden hier schapen samengedreven ter bescherming tegen de wolven. Later werd de straat beplant met een dubbele rij essen (Fraxinus exelsior) en hagen ertussen, waardoor het drieskarakter goed bewaard bleef. De Voorstraat vormt de belangrijkste commerciële as van de gemeente en een belangrijke verbindingsweg met Eeklo. Een middenrijbaan voor het doorgaande verkeer wordt over ongeveer 1 kilometer geflankeerd door essen, grasveld en hagen. Daarnaast zijn ‘ventwegen’ aangelegd voor het bedienend verkeer en fietsers. Aan het begin van de Voorstraat is de parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart met omgevend kerkhof ingeplant; ter hoogte van de kerkhofmuren zijn op het kerkhof twee rijen knotlinden (Tilia) aangeplant. De bebouwing bevat nog verschillende oudere huizen opklimmend tot de 18de eeuw.

Het Plein, een sfeervolle groene ruimte van ongeveer 1 hectare ten oosten voor de kerk en het 17de-eeuwse gemeentehuis, is een restant van een groter rechthoekig plein van ongeveer 6 hectare met invalswegen op de vier hoeken. Drie van de vier straten droegen vroeger de passende naam van de windstreken, de Weststraat (nu Voorstraat), de Ooststraat (nu Vrouwstraat) en de Zuidstraat; de straat naar het noorden werd reeds in de 15de eeuw Molenstraat genoemd. In de tweede helft van de 19de eeuw werd het zuidelijke deel van het Veld verkaveld voor de bouw van een gemeenteschool en woningen; er werden als het ware een tweede plein en een volledig omlopende straat gevormd. Er zijn dus twee begraasde pleinen, in U-vorm omzoomd met dubbele rijen monumentale bomen, respectievelijk witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) en essen (Fraxinus exelsior). Tegen de huizenrijen van de noord- en oostzijde zijn later nog Japanse kerselaars (Prunus serrulata) geplant. Het noordelijke deel van het beboomde Plein met zijn unieke aanleg is het grootste dorpsplein van Oost-Vlaanderen.

Op het langwerpige zuidelijk gedeelte van het Plein werd een gedenkmonument opgericht voor de gesneuvelden van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, voorzien van een statig symbolisch geladen ridderfiguur gesigneerd A. De Beule-Van Hecke, in een architectonisch kader, blijkens de inscriptie op de sokkel een ontwerp van architect Wilfrid Rooms, een architect-stedenbouwkundige uit Sint-Amandsberg.

Op het einde van de 19de eeuw werd het zuidelijke deel van het plein verkaveld voor bebouwing. De meeste woningen en de oude gemeentelijke jongensschool aan het zuidelijk deel van het grasplein dateren van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Recent voor de bescherming werd het nieuwe gemeentehuis van Kaprijke ingeplant op het vroegere Veld, een ontwerp van Jan Vanderstraeten, ingehuldigd in augustus 2000. Een kleine woonwijk ernaast is in opbouw.

  • Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier DO002199, Kaprijke: Bouwkundig erfgoed (LANCLUS K., 2002).
  • Databank Landschapsatlas Vlaanderen [CD-rom uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen], Ankerplaats 'Dries van Kaprijke' A40065, 2001.

Bron: -
Auteurs:  Lanclus, Kathleen


Je kan deze pagina citeren als: Lanclus, Kathleen: Dries van Kaprijke [online], https://id.erfgoed.net/teksten/175670 (geraadpleegd op 15-06-2021)