De Polder van Stabroek met overgangszone naar de Noorderkempen

inventaris landschappelijk erfgoed \ landschapsatlas relict \ ankerplaats

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Stabroek, Kapellen, Antwerpen
Deelgemeente Stabroek, Hoevenen, Kapellen, Ekeren
Straat
Locatie Ekeren (Antwerpen), Kapellen (Kapellen), Hoevenen, Stabroek (Stabroek)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Aanduiding ankerplaatsen 2006-2014 (inventarisatie: 2006 - 2014).
  • Landschapsatlas 2001 (inventarisatie: 01-11-2000 - 28-02-2001).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als landschapsatlasrelict De Polder van Stabroek met overgangszone naar de Noorderkempen

Deze vaststelling is geldig sinds 18-01-2012.

omvat de aanduiding als erfgoedlandschap Erfgoedlandschap Deel van ankerplaats Polders van Stabroek
gelegen te Ettenhoven, Sint Jacobstraat, Smalle Weg, Vleminckweg (Stabroek)

Deze aanduiding is geldig sinds 17-06-2013.

Beschrijving

Fysische geografie

Geologische opbouw

In heel de ankerplaats komt de cenozoïcum (tertiaire) zeeafzetting, de Boomformatie, voor. Ze vormt een 50 tot 60 meter dikke laag van waterondoorlatende klei die overal in de diepere ondergrond van de gehele Kempen aanwezig is. De bovenkant van de laag ligt hier 50 meter onder de zeespiegel. In de gehele Kempen liggen op de Klei van Boom dikke watervoerende zandige formaties die afgezet werden in zee gedurende de neogene periode, de jongste helft van het cenozoïcum (tertiair). De Formatie van Merksplas/Brasschaat is vroegquartair. Deze formatie bestaat uit middelmatige tot fijne witgrijze kwartszanden met dunne klei- en veenbandjes. De formatie dagzoomt in het zuidwesten van het gebied, in de brede tussenzone waar de polderklei ophoudt en de topografisch hoger gelegen Kempenformatie dagzoomt.

Het huidig reliëf en landschap in het Schelde-gebied zijn ontstaan door verschillende geomorfologische processen en evolutiefasen gedurende voornamelijk het Quartair. De zanden en kleien van de Kempen Formatie werden afgezet gedurende de talrijke warmere interglaciale perioden (tussenijstijden) van het oudpleistoceen. Dit klei-zandcomplex wisselt lateraal zeer snel van korrelgroottesamenstelling.
Gedurende het oudpleistoceen zou de Noorderkempen herhaaldelijk ingenomen zijn geweest door een waddenzee. In dit schorreachtige gebied werden wadzanden en kleilagen afgezet. De westelijke rand van dit klei-zandcomplex vormt nu een microcuesta die loopt vanaf Zandvliet, over Stabroek en Kapellen tot Oud-Turnhout. In de ankerplaats volgt de steilrand min of meer de 7,5 meter hoogtelijn (tussen 6 en 9 meter). De Kempen Formatie is ter hoogte van het gebied eerder grofzandig en mist de duidelijke kleilagen van de Noorderkempen. De dagzomende bovenkant van de formatie vertoont in de streek duidelijke sporen van verspoeling en vriesdeformaties.
De cenozoïcum (tertiaire) en oudpleistocene afzettingen werden gedurende het jongpleistoceen overal bedekt met een deklaag. Gedurende de laatste pleistocene glacialen werd herhaaldelijk eolisch materiaal afgezet, dat hier hoofdzakelijk bestaat uit lemig zand. De dikte van de deklaag op het gebied bedraagt minder dan 2,5 meter. De dekzanden zijn kalkloos en bevatten weinig glauconiet. Er komen wel enkele lenzen van zandleem in voor. Onderaan ligt een dun laagje basisgrind van kleine keitjes. Omdat het eolisch proces lokaal zand verplaatste, zijn ook de dekzanden eerder grofzandiger dan elders in de Noorderkempen. De zandige deklaag heeft een nivellerend effect op het reliëf.
De impact van de laatste ijstijd (Weichseliaan) en de daaropvolgende periode, het holoceen, zijn bepalend geweest in de vorming van het huidige microreliëf. Door een warmer en vochtiger klimaat nam vooral hier de algemene hellingerosie toe en ontwikkelde zich lokaal een weinig veen. De beekdalen in het gebied wijzigden zich niet, zoals veelal elders in de Kempen of de Vlaamse Vallei.

Geomorfologie en bodemgesteldheid

Het gebied wordt geomorfologisch gekenmerkt door een lange periode (vanaf het middenpleistoceen) van hellingserosie door afspoeling van de steilrand van de westelijke microcuesta van het (voormalige) wadsedimentatiebekken van de Kempenformatie. Het resultaat van het afspoelingsproces is dat de grovere korrelgroottefracties achter blijven op een denudatieve helling, hier gelegen in de noordoostelijke strook van het gebied en dat klastische puinwaaiersedimenten voorkomen in de zuidwestelijke helft van het gebied.
Het tweede belangrijkste geomorfologisch proces zijn de vriesvervormingen. Hier komt een glacis voor. Dat fenomeen wordt gekenmerkt door afspoeling slecht gesorteerde relatief grovere sedimenten in puinwaaiervorm en door vorstwerking vervormde en vermengde bovenste lagen van de dagzomende formaties leunend tegen een afbraakhelling. Het gebied maakt deel uit van het noordwestelijke uiteinde van de glacis behorende tot de microcuesta die zich uitstrekt in de streek van Kapellen, over Brasschaat tot Schilde.

Als men het poldergebied als de zomerbedding van de Schelde beschouwt, dan is de randhelling bij een super hoge waterstand de winterbedding en de steilrand de oeverkant van de Schelde. Het is natuurlijk geen echte oeverkant meer, daar er geen Scheldesedimenten op de randhelling liggen. Andere geomorfologische processen hebben daarna nog plaatsgegrepen. De Schelde en Schijn hebben wel hun regionale invloed gehad bij het uitschuren van de microcuesta in deze streek. Hun zijbeken hebben het materiaal afgevoerd dat oorspronkelijk wel boven de randhelling/oeverkant lag.

In het oosten van het grondgebied van Kapellen ligt het Zandgebied. In het westen van het grondgebied van Stabroek liggen de kleiige alluviale Scheldepolders. De poldergrens volgt min of meer de + 4 meter-hoogtelijn. De grens van het Zandgebied (met eventuele duinen) volgt de 11 meter hoogtelijn. De overgang gebeurt geleidelijk. Ze betekent een overgang van akkergrond naar heide/bosgrond. Het oostelijk deel van het landschap maakt deel uit van dit overgangsgebied, het westelijk deel is polder.

Deze microcuesta culmineert hier tot 9 meter hoogte en de bijhorende zwakke steilrand ligt tussen de 6 en 9 meter hoogte. Het gebied van de ankerplaats omvat de gehele topografische gradiënt van een cuesta.
Het Zandgebied ten oosten bestaat uit regionale grote golvende zandruggen gescheiden door ondiepe depressies. Deze ruggen zijn zuidwest-noordoostelijk georiënteerd. Bijvoorbeeld de rug waar Hoevenen en Kapellen op liggen. Op de volgende noordelijker gelegen zandrug liggen Stabroek en Putte. Het gebied ligt in een golfdepressie tussen twee zandruggen.

Ten zuidwesten vormt de zandrug van Hoevenen (waar de bebouwde kom op ligt) een zandig schiereiland dat westwaarts uitsteekt in het poldergebied.

Hydrologie

Door de micro-cuesta ten oosten en de zandrug ten zuidwesten ligt het gebied ingesloten in een komvormige depressie. De afwatering van het oppervlaktewater gebeurt van noordoost naar zuidwest, volgens de helling van de steilrand. In het midden van de topografische depressie (de omgeving van het Rood) is het natter. Daar werden talrijke grachten gegraven in een dambordpatroon om dit gebied droog te houden. Het gebied wordt ontwaterd door vnl. de Rode Beek. De 's Hertogendijkse beek die meer noordelijk loopt, voert relatief weinig water af uit dat deel van het landschap. In de polder zijn de Kleine Watergang, de Sint Jacobsloop en de Ettenhovense beek de voornaamste afvoerende waterlopen. In de polder is een intensief orthogonaal afwateringgrachtenspatroon aanwezig om de landbouwpercelen te ontwateren. Zij vervangen de oorspronkelijke beken die voor de inpoldering door de natuurlijke depressies in de polder stoomden.

Het vrije (=freatische) grondwater bevindt zich in de dekzanden en het bovenste zandige deel van de Formatie van de Kempen (infiltratiegebied boven de 9 meter). Het freatisch grondwater vloeit over de bovenste eerste kleilaag westwaarts naar de dagzoomgrens van deze kleilaag aan de randhelling. Hier geeft ze aanleiding tot een verspreid kwelgebied. Dit kwelgebied is een langgerekte strook die evenwijdig loopt met de steilrand. In Stabroek en Kapellen is dit het brongebied van een aantal korte beekgrachten die het kwelwater afvoeren naar de Schelde. Ook de Rode Beek en zijn beekgrachten voeren kwelwater af. Eénmaal volledig over de randhelling ten westen van de kleilaag sijpelt het kwelwater naar de diepere ondergrond en vervoegt de Neogene aquifer. Tussen de halfwaterdoorlatende Formatie van de Kempen en de ondoorlatende Boomse klei komen uitsluitend goed doorlatende watervoerende reservoirzanden voor. In deze zandige formaties ligt de voor de drinkwatervoorziening belangrijke ingesloten grondwaterlaag, bekend als Neogene aquifer. Het diepe grondwater in deze aquifer vloeit oostwaarts.

Flora en begroeiingen

Op landschappelijk vlak is het grootste deel van de ankerplaats een open landschap. Enkel de zuidoostelijk hoek is gesloten tot halfopen. De meest waardevolle begroeiingen vinden we in dat zuidoostelijk gedeelte (deelgebied kleine landschapselementenrijk overgangsgebied). Op de Biologische Waarderingskaart wordt dit gebied grotendeels als biologisch zeer waardevol en waardevol aangeduid. De vegetatie van deze zuidelijke zone wordt hoofdzakelijk gedomineerd door bos en kasteelparken, afgewisseld door tal van kleinschalige, extensief beheerde weilanden met houtkanten en bomenrijen. Het meest opvallend zijn de bossen van Het Rood die bestaan uit zuur arm eikenbos in combinatie met zuur beukenbos. Als gevolg van de voormalige kasteelparkfunctie en een verdwenen kwekerij komt op diverse plaatsen (vaak massaal) Pontische rododendron voor. In de richting van de Rode Beek bevinden zich twee voormalige poelen met, zich uitbreidende, bamboe. Dit is eveneens een relict van het vroegere kasteelpark. De talrijke grote en kleine dreven die de bossen doorkruisen (voornamelijk bestaande uit Beuk en Amerikaanse eik) zijn eveneens getuigen van de vroegere kasteelparkfunctie van het gebied zijn. Enkele weilanden komen verspreid voor tussen de verschillende bostypen en vormen tevens de overgang naar de oostelijk gelegen kasteelparken. Het gaat om extensief beheerde weilanden met een erg kleinschalig karakter als gevolg van de dichte aanwezigheid van kleine landschapselementen zoals bomenrijen, houtkanten en ruigten. De weilanden grenzend aan de Bonapartelaan hebben een meer open karakter en worden algemeen meer intensief beheerd (begrazing, maaien). Sporadisch treffen we hier ook akkers aan. Houtkanten en bomenrijen zijn hier afwezig of minder goed ontwikkeld. Het gaat hier om een overgangszone naar het noordelijke gelegen open gebied, waar de kleine landschapselementen nagenoeg afwezig zijn. Hier zijn de grachtkanten als een relevante kleine landschapselementen te beschouwen. De laatste belangrijke zone in dit deelgebied zijn de kasteelparken langsheen de Kapelsestraat. Het zijn parken en tuinen in landschapsstijl, met typische elementen als vijvers, grachten, solitaire bomen (vaak exotisch en monumentaal), boomgroepen, beboste delen. Er is hier ook een dominantie van Pontische rododendron.

De zone ten noorden en ten westen van voornoemd deelgebied bestaat grotendeels uit akkers gescheiden door drainagesloten. Dit landschap (deelgebied Open Overgangsgebied) is botanisch arm met uitzondering van een aantal weg- en grachtbermen. Deze zone valt op door haar openheid, een eigenschap die zich westwaarts in het poldergebied verder zet. Hoewel de percelering nog vrij intact is, is de afgrenzing door bomenrijen en houtkanten van vroeger verdwenen. Enkele onvolledige bomenrijen met Zomereik en Beuk herinneren hier aan. Een belangrijk relict wordt gevormd door de monumentale beukendreef die dwars door het gebied loopt ten zuiden van de Waterstraat.

Het westelijk deelgebied (deelgebied Poldergebied) is een open landschap waarin de vegetatie van de (zand)wegbermen en de grachtkanten evenals de plaatselijke kleine landschapselementen, zoals rietkragen, houtkanten en bomenrijen, een belangrijke natuurwaarde hebben.

De verscheidenheid aan bos en open gebied, en de samenhang met de andere poldergebieden en de Schelde in de omgeving maakt het gebied interessant voor tal van vogels als broed- als overwinteringsgebied en voor zoogdieren, waaronder soms zeldzame vleermuizen als Franjestaart en Baardvleermuis, als leefgebied.

In de teksten bij het kaartmateriaal van de biologische waarderingskaart wordt aan het gebied een grote waarde toegekend vanwege de aanwezigheid van een belangrijke gradiënt. Het voorkomen van een grote variatie in bodemstructuur, van een belangrijk hoogteverschil en het contact tussen het zure Kempische hooglandwater en het kalkrijke polderwater, geven het gebied een apart karakter en een potentieel hoge biologische waarde.

Bovendien zitten we op de grens tussen twee fytogeografische districten namelijk het Maritieme en het Kempische. Op een afstand van enkele kilometers kan men van west naar oost de overgang van polder naar Kempen ervaren.

Cultuurhistorie

Ontwikkeling van het cultuurlandschap

Het oostelijk deel van het landschap ligt in de zone waar de vruchtbare kleiige poldergrond zich mengt met het zand van de Kempen.

Van oudsher was het grondgebied van Kapellen (vroeger Hogeschoote genoemd = hoge beschutting, dus veilig voor het water) iets hoger gelegen dan het omliggend land, dat vòòr het aanleggen van de polderdijken meermaals onder water liep. Mensen gingen zich uiteraard vestigen op deze hoger gelegen plaatsen. De weg die Antwerpen met Bergen-Op-Zoom verbindt en waar Kapellen ongeveer in het midden van ligt, is een heirbaan die in de Middeleeuwen waarschijnlijk werd gebruikt als pelgrimsroute vanuit het noorden naar het Spaanse Sint-Jacob van Compostela. Het is naar aanleiding van de kapel die men in de 12de-13de eeuw bouwde ter ere van Sint-Jacob dat de voormalige naam Hogeschote mettertijd veranderde in Kapellen.

Dit landschap dat dus op een hellend overgangsgebied gelegen is met deels zandgrond maar destijds ook deels veengrondgronden, maakt deel uit van het vanaf ongeveer 1250 voor landbouw ontgonnen gebied Hoevenen, Kapellen, Stabroek, Eertbrand en Putte. Het is het grootste aaneengesloten gebied dat ingericht werd volgens het systeem van de regelmatige hoevenstrokenverkavelingen. Er werden reeksen rechte, langgestrekte kavels afgemeten, meestal met een hoeve op de kop (langsheen die hoger gelegen straten). Ook het inpolderen van het gebied ten westen langsheen dat overgangsgebied werd in die periode stelselmatig aangevat. Ook hier is werd een regelmatige kavelstructuur aangehouden, de bewoning bestond echter uit verspreide (dikwijls omwalde) boerderijen aan de binnenkant van dijken en langs de hoger gelegen wegen. Op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1777) is dat landschapsbeeld nog gaaf aanwezig.

Nog meer naar het westen sluit het gebied aan bij het poldergebied van de Schelde met zijn smalle repelvormige percelen. Er is hier een geleidelijk verschil waar te nemen, hoe verder men naar de Schelde gaat. Het kleinschalig karakter van het landschap verdwijnt stilaan door de afwezigheid van bomenrijen en houtkanten en doordat de percelen steeds groter en meer blokvormig worden.

Dat eertijds moerassige gebied behoorde oorspronkelijk tot het land van Breda en vormde vanaf ca. 1192 een leen van de hertog van Brabant. Het ontstaan van het huidige polderlandschap in en om Stabroek gaat terug tot de 13de eeuw, toen Gillis van Attenhoeven begon met de inpoldering van de streek, die toen 'Attenhoeven' en later 'Ettenhove' werd genoemd.

Na de aanleg van 's Hertogendijk in de 13de eeuw werden de polder van Ettenhoven gescheiden van de polder van Lillo, evenals de twee toen reeds bestaande nederzettingen. Ten gevolge van dijkdoorbraken, al vroeg in de geschiedenis van dit poldergebied, werden de nederzettingen van het huidige Hoevenen en Stabroek naar de hogere gronden verhuisd.

Naar aanleiding van de 80-jarige oorlog (1568-1648) werden de polders onder water gezet en werd de 's Hertogendijk voorzien van 2 schansen (die nu verdwenen zijn door de aanleg van de haven). Met het herstel van de dijken werd slechts gestart in 1614. In die strijd tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werd na 1622 het gebied opnieuw onder water gezet. Pas na de Vrede van Munster in 1648 werden de dijken opnieuw hersteld. In latere perioden kwamen de polders nog verschillende malen - al dan niet opzettelijk - onder water te staan, onder meer na zware dijkbreuken in 1830 en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Vandaag betreft dit gebied nog een traditioneel polderlandschap, waarbinnen de 's Hertogendijk een waardevol historisch relict vormt. Op kaart 2 zijn ook de oorspronkelijke ontsluitingswegen aangeduid. Hoevenen en Stabroek zijn nog steeds poldergemeenten, waarvan het bebouwde gebied op een zandrug gelegen is, maar door uitbreidingen hebben ze hun typische karakter van straatdorp deels verloren. Op basis van de gegevens van de kabinetskaart van de Ferraris, de kaart van Vandermaelen (1854) en de topografische kaarten kan worden gesteld dat de landschapsstructuur en topografie van een aanzienlijk deel van dit gebied doorheen de geschiedenis stabiel is gebleven.

De ankerplaats is ook betrekkelijk rijk aan bouwkundig erfgoed. Zeker te vermelden is de voormalige parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw Geboorte, een pseudo-basiliek, die waarschijnlijk teruggaat tot de 15de eeuw, met een kern uit de 13de eeuw. Bijhorend is er een omheind en ommuurd kerkhof. Ter hoogte van Ettenhove staat een 19de-eeuwse ast - eertijds gebruikt voor het drogen van veldvruchten en cichoreiwortels - bij een hoeve uit de eerste helft van de 20ste eeuw. De Rode Hoeve klimt in ouderdom mogelijk nog op tot de 18de eeuw en ligt nog steeds te midden van de weilanden. Voor de rest is de bebouwing, ook die langsheen de Kapelsestraat is van een recente(re) datum. De huidige grote landhuizen langsheen de Kapelsestraat dateren van rond de eeuwwisseling. Op de kaart van het Militair Geografisch Instituut 1903 staan ze ingetekend. Men mag ze beschouwen als uitlopers van de voormalige kastelen en buitenplaatsen. De gegoede bourgeoisie geeft in die periode echter de voorkeur aan kleinere en makkelijker te onderhouden landhuizen, omringd door een grote tuin of park. Het Pharazynshof, ook Irishof genoemd, dat nu het Koninklijk Atheneum is, wordt in zijn huidige verschijning in 1893 gebouwd, waarbij door de tuinarchitecten Fuchs en Galopin het park wordt aangelegd in landschapsstijl. Het water van de Roode beek wordt gebruikt om de parkvijvers te voeden. Ook het Hof ter Vijvers heeft een grote landschapstuin die in 1908 werd aangelegd naar ontwerp van architect J. Jacobs. Aan de noordzijde bevindt zich nog een ijskelder (met een paviljoentje erop). Het domein Heidehof, rond 1890 op de plaats van een ouder landhuis gebouwd, werd omringd door een beboomd domein met brede grachten en grasvelden, evenals het Starrenhof dat vanaf 1930 door de paters van Scheppers als klooster wordt gebruikt.

Archeologische gegevens

Doordat in het gebied tot op heden nog geen archeologisch onderzoek is verricht, vermeldt de Centrale Archeologische Inventaris geen gegevens betreffende oudere vondsten en gekende sites. Toch kunnen in het gebied potentiële archeologische zones verwacht worden om volgende redenen. Historisch is Kapellen onder de naam Hoogeschoot reeds bekend van in de 12de eeuw. Aangezien het landschap een overgangsgebied vormt tussen polder en zandige Kempen, zijn er vruchtbare gronden aanwezig die voor landbouwdoeleinden geschikt waren. De gronden zullen dus reeds vroeg bewerkt en bewoond zijn. De 18de-eeuwse bewoning die op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1777) is aangeduid kan dan ook oudere wortels hebben. De belangrijkste zones zijn de drogere en hogere zandgronden. Dergelijke gronden werden van in de prehistorie tot in de volle middeleeuwen geprefereerd als woongebied. Ze moeten dus beschouwd worden als archeologisch waardevol. Als voorbeeld wordt verwezen naar Ekeren waar op dergelijke zandopduiking op de rand van de Scheldepolders en de Schijnvallei, nederzettingssporen van de ijzertijd, Romeinse periode en middeleeuwen werden teruggevonden. De polders zijn relatief recent ontwikkeld. Van Ettenhoven is geweten dat het een middeleeuwse dorpskern was die overstroomd is en dus momenteel bedekt is door de polderklei. De juiste situering is ongekend (Ettenhoven Polder). Er is zeker ook middeleeuwse bewoning te verwachten rond het Romaanse kerkje van Hoevenen. Hoevenen zelf ligt op een zandopduiking. Daar zijn bij de bouw van de sporthal paalkuilen waargenomen. Vanuit archeologisch oogpunt moet in dit gebied ook rekening met de oude lopen van de Schijn, waar de zogenaamde ijzertijdprauwen ontdekt zijn in de 19de eeuw. Deze lopen moeten nog kunnen getraceerd worden op de bodemkaart. De kleine zandige opduikingen die zich situeren naast oude lopen/armen van een rivier herbergen vaak nog nederzettingen van jagers-verzamelaars. Het gebied is ook belangrijk voor rivierdeposities en oude dijken (‘s Hertogendijk). In de ankerplaats zijn ook meerdere plaggencomplexen aanwezig. Plaggencomplexen zijn door de eeuwen opgebouwd in zones die in oorsprong al aantrekkelijk waren voor landbouw of die verbeterd dienden te worden om een toename van de bevolking op te vangen. In die zin is de opbouw van een plaggenbodem te relateren aan menselijke aanwezigheid. Over de wijze waarop ze zijn ontstaan bestaan verschillende meningen. Archeologische sites die zich onder een plaggenbodem bevinden zijn doorgaans beter beschermd tegen bodemingrepen omdat het afdekkend pakket (plag en teelaarde) dik genoeg is om de site te beschermen tegen reguliere menselijke, bodemingrepen in het kader van bijvoorbeeld landbouwactiviteiten.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20000
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988)
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • BOGEMANS F. 1997: Quartairgeologische Kaart 1-7 Essen – Kapellen, Brussel.
  • Gullentops F., Bogemans F., De Moor G., Paulissen E. & Pissart A. 2001: Quaternary lithostratigraphic units (Belgium), Geologica Belgica 4.1-2, 153-164.
  • LEENDERS K.A.H.W. 1996: Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas-Schelde-Demergebied (400-1350), Zutphen.
  • PLOMTEUX G., STEYAERT R. & WYLLEMAN L. 1985: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10n2 (Ho-Ra), Brussel - Gent.
  • NATUURRESERVATEN V.Z.W. 1997: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat 'Het gemeentelijk natuurgebied Het Rood te Kapellen', Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • PROVINCIAAL INSTITUUT VOOR HYGIËNE. 1997: Vooronderzoek bescherming landschap van Het Rood en Omgeving te Kapellen, s.l.
  • PROVICIE ANTWERPEN s.d.: Provinciale Landschapskaart Antwerpen: Digitale inventaris van landschapselementen in de Provincie Antwerpen op basis van bestaande landschapsstudies en kaarten, Provincie Antwerpen, toestand 2010, verschillende schaalniveaus.

Bron: Aanduidingsdossier ankerplaats 'De Polder van Stabroek met overgangszone naar de Noorderkempen', definitieve aanduiding 18/01/2012. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.

Datum tekst: 2012

Relaties

maakt deel uit van Antwerpen

Antwerpen, Berchem, Berendrecht, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Lillo, Merksem, Wilrijk, Zandvliet...

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Kapellen

Kapellen (Antwerpen)

maakt deel uit van Stabroek

Stabroek (Antwerpen)

omvat Duitse bunker

Ettenhoven 116-118, Stabroek (Antwerpen)

omvat Duitse bunker

Kapelsestraat zonder nummer, Kapellen (Antwerpen)

omvat Duitse bunkerlinie Nordabschnitt

Brasschaat (Brasschaat), Kapellen (Kapellen), Schoten (Schoten), Hoevenen, Stabroek (Stabroek)

omvat Het Rood

Bonapartelaan, Kapelsestraat, Mertensstraat, Parijseweg, Pelgrimsstraat, Starrenhoflaan, Waterstraat...

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.