erfgoedobject

Grote Nete van Zammel tot Zoerle, Beeltjens en de depressie van Goor-Asbroek

landschappelijk geheel
ID: 135375   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135375

Juridische gevolgen

Beschrijving

Fysische geografie

Geologie en geomorfologie

De ankerplaats ‘De Grote Nete van Zammel tot Zoerle, Beeltjens en de depressie van Goor-Asbroek’ is gelegen in de Zuiderkempen. Dit is een overgangsgebied tussen de Centrale Kempen in het noorden en het Hageland in het zuiden en vertoont bijgevolg kenmerken van beide gebieden. De bovengrond bestaat uit zowel dekzanden, die hier al iets lemiger zijn, als grove glauconiethoudende tertiaire zanden. Het relatief vlakke reliëf wordt enerzijds onderbroken door duinen, ontstaan uit plaatselijk opgestoven dekzand (zoals in de Centrale Kempen) en anderzijds door zuidwest-noordoost gerichte geïsoleerde ijzerzandsteenheuvels (zoals in het Hageland). De toppen van deze heuvels nemen naar het zuiden geleidelijk aan in hoogte toe en vormen in het Hageland continue heuvelruggen.

De ijzerzandsteenheuvels ontstonden tijdens het bovenmioceen. De meest aanvaarde hypothese verklaart het ontstaan van deze heuvels als volgt: Heel het noordelijk deel van België was overspoeld ten gevolge van een transgressie. Evenwijdig met de kustlijn, die noordoost-zuidwest georiënteerd was, kwamen een groot aantal zandbanken voor, die uit matig grove, plaatselijk kleiige, glauconiethoudende zanden bestonden. Toen de zee zich terugtrok in noord-noordoostelijke richting, en de zandbanken boven water kwamen te liggen, werd het glauconiet geoxideerd tot limoniet, dat de korrels aan elkaar kitte tot harde en moeilijk erodeerbare ijzerzandsteen. De depressies tussen de zandbanken bleven echter onder het waterpeil liggen, en konden verder geërodeerd worden. Het gevolg hiervan was dat de ijzerzandsteenbanken als heuvels in het landschap bleven uitsteken. De heuvel te Bergom in het zuidoosten van de ankerplaats is nog een getuige van deze tertiaire zandbanken. De Hoge Dreef, die het Kasteelpark de Merode in het zuiden begrenst, loopt dwars over deze kleine heuvel. Paadjes in het park begrenzen de noordzijde van de heuvel die nagenoeg steeds met bomen begroeid was. Aan de zuidzijde wordt hij begrensd door de bebouwing van het historisch gehucht Bergom. Door de duidelijke begrenzing, de aanwezigheid van enkele steilrandjes en de begroeiing met (park)bos is de heuvel duidelijk herkenbaar in het landschap.

Aan het begin van het quartair schuurde de Grote Nete haar loop uit parallel aan de noordoost-zuidwest georiënteerde erosiebestendige ijzerzandsteenkammen. De Grote Nete liep toen te Westerlo in zuidwestelijke richting via Houtvenne en Grootlo om zich ter hoogte van Baal-Tremelo bij de toenmalige Demer-Dijle te voegen. Deze oostelijke uitloper van de Vlaamse Vallei schuurde zich gedurende de opeenvolgende ijstijden van het pleistoceen uit en bereikte zijn maximale diepte tijdens het saaliaan. Door de intense erosie die na het Cromeriaan plaats had, verlaagden de ijzerzandsteenheuvels en verdwenen zelfs grotendeels. Daardoor kwam de dieper gelegen Boomse klei meer en meer bloot te liggen.

Vanaf het eemiaan, maar voornamelijk tijdens het begin van het weichseliaan, werd de vallei stelselmatig opgevuld met grove zanden. Het klimaat werd droger en koeler. De wind kreeg vrij spel en zette een mantel eolische dekzanden af waarvan de textuur fijner werd naarmate ze verder van het brongebied, de droogliggende Noordzee, lagen. Heel de ankerplaats werd zo bedekt met een laag lemig zand en ligt dus in het overgangsgebied van de zandstreek naar de zandleemstreek. In de oude valleien kon het zand makkelijk vastgelegd worden waardoor het reliëf genivelleerd werd.

In de vallei bepaalden de fluviatiele processen de sedimentatie. Door het droge, koele klimaat tijdens het weichseliaan, raakte de vallei voor het grootste gedeelte opgedroogd. De rivier stroomde door tientallen ondiepe smalle geulen en de sedimentatie werd ten gevolge van het sterk verminderde debiet lemiger. Het zand tussen de rivierarmen waaide op tot langgerekte rivierduinen die parallel aan de Grote Nete verliepen. Terwijl de gronden rondom deze duinen zich vulden met alluviale afzettingen bleven deze als donken uitsteken boven de vlakte. Deze zandige gronden waren uitermate aantrekkelijk voor bewoning en waren daarom de plaats waar nederzettingen zoals Westerlo ontstonden of kastelen zoals het kasteel de Merode opgericht werden. Ook de Kaaibeekhoeve werd gebouwd op de rand van een dergelijke donk.

Aan het einde van het pleistoceen (jonge Dryas) was de vallei opgevuld met vooral clastische sedimenten (zand en leem), maar ook met lokale veenlagen die onder moerassige condities werden gevormd. De toenmalige Grote Nete werd ten westen van het Domein de Merode onthoofd door terugschrijdende erosie van een rivier uit het westen, die niet door de moeilijk erodeerbare Boomse klei ging. Samen vormden deze beide rivieren de loop van de huidige Grote Nete. Het warmere en vochtigere klimaat veranderde het glaciale vlechtende rivierstelsel in het nog steeds aanwezige meanderende patroon. De oude zuidwestelijke bedding werd definitief verlaten, maar de fossiele vallei is nog zichtbaar in het landschap als de depressie van Goor-Asbroek.

Buiten de vallei leidde de opwarming van het klimaat tot een kolonisatie met pijnbossen. Door een korte maar hevige koudeopstoot werden de bossen echter uitgeroeid en trad er weer eolische sedimentatie op. Onder invloed van de sterke westenwinden verstoven de eerder afgezette pleniglaciale dekzanden tot paraboolduinen (laatglaciaal dekzand). De vorming van een paraboolduin gebeurde als volgt: Door plaatselijke degradatie van de vegetatie ging het zand verstuiven en ontstond een depressie, de zogenaamde 'panne' of deflatiekom. Aan de randen van deze panne accumuleerde het zand in de vegetatie en ontstond de duin. Wanneer de uitwaaiing op de watertafel stootte, stopte de verstuiving en was de zandbron vastgelegd. Kenmerkend aan een paraboolduin zijn de steile buitenhelling en flauwe binnenhelling. Door de overheersende westenwind zijn de duinen oost-west gericht, met de hoogste duinrug in het oosten. Aangezien het regen- en oppervlaktewater in de depressies stagneerde, ontstonden vennen. De Asberg die met zijn hoogte van circa 24 meter centraal in de ankerplaats opduikt is een fraai voorbeeld van dit proces. Het ven dat ook te zien is op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778), werd recent hersteld. Door zandwinning werd de oosthelling wel afgezwakt. Kleine vergravingen, vooral aan de westzijde, hebben geleid tot duidelijke steilrandjes waardoor de paraboolvorm geaccentueerd werd. De herkenbaarheid van de duin in het landschap wordt nog versterkt door de volledige beplanting met naaldhout.

Aan het begin van het holoceen leidde de ontwikkeling van dichte bosvegetatie tot een heel stabiel rivierregime met een beperkte oppervlakteafwatering en een belangrijke voeding via vertraagde grondwaterafvoer. Door de beschermende rol van de dichte bosvegetatie was de erosie beperkt zodat slechts weinig sedimenten werden getransporteerd en afgezet in de riviervlakte. In de toenmalige vlakte, die zich beperkte tot de paleovalleien, schommelden de gemiddelde waterstanden rond het maaiveld waardoor organische resten zeer traag werden afgebroken en veenaccumulatie plaatsvond. Op het einde van het Atlanticum werd het postglaciaal evenwicht tussen klimaat, hydrologie en vegetatie opnieuw verstoord. Ten gevolge van de eerste bescheiden landbouwactiviteiten, gepaard gaande met beperkte ontbossing, namen de oppervlakteafvoer en erosie toe. Hierdoor stegen de waterpeilen, degradeerde het aanwezige elzenbroek en ontstonden plassen in de laagst gelegen gebieden. Door toenemende vernatting, ten gevolge van de intensivering van de menselijke activiteiten, breidde het plassengebied zich geleidelijk uit en ging uiteindelijk vrijwel de volledige vlakte innemen. De veenvorming in de vallei kwam circa 2000 jaar geleden tot stilstand en werd afgedekt met een fluviatiel kleilaagje, dat in de stilstaande wateren werd afgezet. Uit de studie van Vandenberge (1977) blijkt dat de veenvorming tijdens het subboreaal en subatlanticum, minstens plaatselijk, hervat werd in de valleien van de Grote Nete en Steenkesbeek. Deze jongere veensedimenten zijn in Vlaanderen eerder zeldzaam en vormen dan ook een belangrijk, maar kwetsbaar bodemarchief. Het grootste deel van het veen binnen de ankerplaats werd echter onder de vorm van turf gewonnen. Op de bodemkaart resten nog slechts enkele veeneilandjes, waarvan een deel ondertussen verdwenen is door de aanleg van recreatievijvers.

Door de toenemende erosie en oppervlaktewaterafvoer vanaf het Subboreaal sneden lokale beekjes zich in in de dekzanden. Op die manier werden de holocene dalletjes van de Steenkesbeek en de Varendonkse loop gevormd.

In het subatlanticum nam de bodemerosie toe door de grote middeleeuwse ontbossingen. Dit leidde tot ontwrichting van het regelmatig rivierregime dat sinds het begin van het Holoceen heerste. De debieten werden onregelmatig met lage zomerafvoeren en hoge winterafvoeren met winteroverstromingen tot gevolg. Het tot stand komen van de overstromingsrivier en de typische alluviale vlakte met oeverwallen en komgronden was een feit. De hoge winterafvoeren leidden tot grote sedimentafzettingen met venig siltig zand in de overstromingsvlakten. De ijzerverbindingen uit de glauconietzanden van de hoger gelegen gebieden losten op in het infiltrerende regenwater. Dit verplaatste zich samen met het grondwater naar de lager gelegen Netevallei. Bij overstroming sloeg dit ijzer ten gevolge van oxidatie neer in de alluviale vlakte en vormde er een oppervlakkige laag moerasijzeroer. Dit ijzeroer werd vanaf het einde van de 19de eeuw gedurende circa 20 jaar massaal als erts gewonnen in heel de vallei van de Grote Nete. Binnen de ankerplaats werd de morfologie van deze vallei vooral bepaald door de aanwezigheid van moeilijk erodeerbare ijzerzandsteen. Enerzijds beletten de harde zandsteenbanken in de ondergrond dat de rivier zich diep kon uitschuren waardoor een ondiepe maar brede bedding werd uitgegraven. Bij lage waterstanden zijn deze zandsteenbanken nog steeds zichtbaar. Anderzijds werd op sommige plaatsen ook de breedte van de vallei belemmerd door de ijzerzandsteenheuvels. Juist op het smalste stuk van de vallei kwamen de oude verbindingswegen samen om de Grote Nete over te steken. Op deze strategische site werd ook het Kasteel de Merode ingeplant.

Bodems

In het geologisch substraat trad bodemvorming op onder invloed van natuurlijke factoren en processen in wisselwerking met antropogene invloeden. De bodem is honderden jaren bepalend geweest voor het landgebruik en bijgevolg ook voor de ontstane landschappen. Anderzijds beïnvloedde het landgebruik ook de bodem. Hierdoor bevat elke bodem een stukje geschiedenis. In de ankerplaats is een grote diversiteit aan bodems aanwezig. Door hun langdurige ontstaansgeschiedenis hebben deze een belangrijke archief- en intrinsieke waarde.

De getuigenheuvels, zoals de heuvel te Bergom, bestaan uit droge zandgronden. Door erosie werd er aan de voet van de heuvels een zandige laag colluvium afgezet. Deze zandige gronden, zowel binnen het kasteelpark als aan de voet van de Limberg, lagen eeuwenlang onder akkers. Vanaf de late middeleeuwen werden deze bemest met plaggenmest uit de potstal. Door accumulatie van dit organisch materiaal ontstonden er na verloop van tijd plaggenbodems met een dikke humeuze bovenlaag.

In de vallei van de Grote Nete komen vooral natte tot zeer natte (licht) zandlemige alluviale bodems voor. De afzettingen zijn echter verre van homogeen, zowel in horizontale als verticale richting. De samenstelling is immers afhankelijk van het plaatselijk stroomregime. Op stroomluwe plaatsen zetten zich relatief meer kleideeltjes af. In de afgesloten kommetjes onder een permanent hoge grondwaterstand werden veenlenzen gevormd. Deze veen- en kleiplekken komen in heel de vallei voor. De bodem is als gevolg van de wisselende grondwaterstand zeer gleyig met bruinachtige roestvlekken omwille van de aanwezigheid van gereduceerde ijzerionen. Door de vorming van ijzeroer kan de bodem plaatselijk ondoorlatend voor water zijn. Langs de andere kant vinden we ook enkele drogere zandige tot lemig zandige opduikingen. Een aantal pachthoeves, zoals de Kaaibeekhoeve, werden gesticht op deze donken en gebruikten deze hogere drogere gronden als akkerareaal. Onder meer door menselijke ingrepen ontwikkelden zich plaggenbodems op de akkergronden op de donk in de Kwarekken. De akkergronden rond de Kaaibeekhoeve worden op de bodemkaart echter aangeduid als matig droge tot natte (lemige) zandgronden met weinig duidelijke humushorizont (Scf, Sdf, Zcf). Dit in tegenstelling tot alle andere zandige bodems in de ankerplaats die onder langdurig akkergebruik waren en waar overal plaggenbodems ontstonden.

De depressie van Goor-Asbroek wordt eveneens gedomineerd door natte tot zeer natte (lichte) zandleemgronden van fluviatiele oorsprong. In de bodems aan de noordrand van de voormalige vallei (oud alluvium) heeft profielontwikkeling geleid tot de vorming van podzols. Het centrale gedeelte werd ondertussen ingenomen door de Steenkesbeek (vanaf het holoceen) en de Asbroekloop, waardoor het alluviale gronden zonder profielontwikkeling betreft (jong alluvium). Door het natte moerassige karakter werden deze gronden pas vanaf de 19de eeuw ontgonnen en zijn ze tot op heden, op enkele clusters weekendverblijven na, onbebouwd gebleven.

Buiten de valleien komen vooral droge zandige gronden voor die nabij de nederzettingen en hoeves werden gebruikt als akkerland. Door intense bemesting met plaggenmest vanaf de late middeleeuwen werden hier plaggenbodems gevormd. Volgens de bodemkaart liggen deze plaggenbodems binnen de ankerplaats in het zuiden en oosten van Beeltjens (nabij de dorpskern van Westerlo) en in het westen van Beeltjens en ten zuiden van Zoerleberg (nabij de kern van Zoerle-Parwijs). Deze uiten zich vaak onder de vorm van een bol microreliëf zoals nog zichtbaar op een weiland ten westen van Beeltjens. De gronden in het westen, dichter naar het centrum van Westerlo, zijn ondertussen verstoord. De verder gelegen gronden lagen onder heide, waar schapen werden geweid en plaggen voor de potstal werden gestoken. De bodems verzuurden en verarmden en door de uitloging van humuszuren evolueerden ze tot podzols. Binnen de ankerplaats vinden we deze vooral terug onder Beeltjens. Het bodemprofiel is echter op vele plaatsen gebroken en geïnverteerd door de aanleg van de rabattensystemen tijdens de 18de-eeuwse bebossing.

Op de stuifduinen is een belangrijke diversiteit aan bodems en gradiënten aanwezig. De meest voorkomende bodems zijn podzols, bruine podzolachtige bodems en regosols, geheel of gedeeltelijk geërodeerd of met stuifzand overdekt. De stuifzanden zijn immers nog steeds in beweging. Onder de stuifzanden in Beeltjens, zowel de Asberg als iets noordelijker, liggen nog relatief intacte en dus kwetsbare bodems.

Hydrologie en hydrografie

De ankerplaats is volledig gelegen in het Netebekken. Hier stromen typische laaglandbeken die worden gekenmerkt door een gering verval en een lage stroomsnelheid. De Grote Nete is, ter hoogte van de ankerplaats, een regenrivier met grote seizoensverschillen in wateraanvoer die een intense relatie had met haar vallei. Overstromingen, vooral in de winter, waren tot de aanleg van de hoge dijken, een natuurlijk fenomeen. Op een 19de-eeuwse kaart uit het Familie-archief van de familie de Merode-Westerloo staat het toenmalige overstromingsgebied van de Grote Nete aangegeven tussen de Annadreef en de Kaaibeekdreef. Hieruit blijkt dat het water binnen de morfologie van de vallei bleef: in het zuiden werd het water tegengehouden door de valleirand en de heuvel te Bergom en in het noorden stopte het water aan de donk in de Kwarekken en voor de iets hoger gelegen dorpskern van Westerlo.

Regionaal volgt de grondwaterstroming het verloop van het reliëf. Door de aanwezigheid van hogere heuvels (stuifduinen en ijzerzandsteenheuvels) met daartussen lagere vlakten en depressies treedt er lokaal infiltratiekwel op. Regenwater infiltreert in de hoger gelegen gebieden en komt ten gevolge van de hydrostatische druk weer aan de oppervlakte als kwel in de lager gelegen gebieden. Het complex Beeltjens-Asberg vormt het infiltratiegebied voor het zuidelijk gelegen de Kwarekken. Het tertiaire heuvelcomplex Molenberg-Kapittelberg-Stippelberg vormt het infiltratiegebied voor de noordelijker gelegen depressie van Goor-Asbroek. Binnen dit laatste gebied is echter het grootste deel van het regenwater van het gebied zelf afkomstig. Het betreft zeer lokale processen met kleine infiltratiegebieden en korte verblijftijden (10-15 jaar). Dit maakt dat het gebied zeer gevoelig is voor de aanrijking van nutriënten.

De invloed van de mens op de hydrologie en hydrografie is groot. Over de eeuwen heen werd de Grote Nete uitgediept, verbreed, verlegd en rechtgetrokken. Meanders werden afgesneden en de rivier werd ingedijkt. Door de ankerplaats stroomt een heel netwerk aan waterlopen en grachten die al dan niet rechtstreeks naar de Grote Nete afwateren. Veel van deze lopen en grachten werden in de loop der eeuwen kunstmatig aangelegd om het gebied te ontwateren en ontginning mogelijk te maken. Al deze menselijke ingrepen hebben de natuurlijke hydrologie en hydrografie sterk verstoord. De indijking van de rivier heeft geleid tot de fixatie van het meanderingspatroon en tot drastische invloeden op de beemdgronden en de zijbeken. Door de hoge dijken die in het kader van het Sigmaplan aangelegd werden, treden er geen seizoensgebonden overstromingen meer op en is de relatie tussen de rivier en haar vallei grotendeels verloren gegaan. De uitdieping van de rivier en het consequente grotere verval deden vermoedelijk de grondwatertafel dalen met als gevolg een vermindering van de lokale kweldruk en verdroging van de vallei. Dit wordt nog versterkt door de vele afwateringssloten en -grachten die het regenwater afvangen waardoor het niet meer in de grond kan sijpelen om het kwelwater te voeden.

Vegetatie

De hele ankerplaats wordt gekenmerkt door belangrijke variaties in bodemtypes, ondergrond, vochtigheid, lichtinval... Deze gradiëntsituaties, die zowel van natuurlijke als kunstmatige oorsprong kunnen zijn, worden weerspiegeld in de spontane vegetatie en uiten zich onder de vorm van een grote variatie aan bos- en graslandtypes. Deze zijn vooral af te lezen in de kruid-, struik- en moslaag daar vele percelen door de mens met naaldhout of populier werden beplant. De zeldzame soorten binnen de ankerplaats danken hun aanwezigheid vaak mede aan antropogene invloeden en komen derhalve voornamelijk voor langs dreven, grachten, perceelsranden of rabatten.

In Beeltjens werden de bossen grotendeels aangeplant met naaldhout in functie van de 19de-eeuwse vraag naar mijnhout, maar vanaf 2000 vindt er ook natuurlijke verjonging plaats. Door de jonge leeftijd komt vooral het eiken-berkenbos voor maar op sommige plaatsen is dit al geëvolueerd naar het iets rijkere wintereiken-beukenbos dat de climaxvegetatie is voor de zure, voedselarme lemige zandgronden die hier voorkomen. Beeltjens is sinds het einde van de 18de eeuw onafgebroken bebost geweest en is hierdoor de groeiplaats van een aantal oud-bosplanten die door hun beperkte verspreidingsmogelijkheden en specifieke ecologische eisen gebonden zijn aan oud bos. Voor de 18de-eeuwse bebossing was Beeltjens een heidegebied. Het veelvuldig voorkomen van Blauwe bosbes is gerelateerd aan dit voormalig landgebruik. Beeltjens is heel rijk aan varens die voornamelijk te vinden zijn op de steilranden van de greppels die om bosbouwkundige redenen werden aangelegd. Vermeldenswaardig is de zeer zeldzame Stippelvaren waarvan dit gebied de grootste gekende vindplaats in Vlaanderen is. Deze typische zoomplant komt voornamelijk voor langs de historische dreven in de ster, waar het licht tot op de bodem reikt.

De arme zandgronden van de Asberg lagen lange tijd onder heide, ontstaan door verarming van de gronden onder invloed van begrazing en afplagging. In de 19de eeuw wilde men deze arme gronden valoriseren en werden ze volledig bebost met naaldhout, waardoor er enkel hier en daar relictvegetatie overblijft. Door middel van een aantal natuurinrichtingsmaatregelen tracht men de heide op de Asberg plaatselijk te herstellen.

De vallei van de Grote Nete is een open en gesloten valleilandschap waarin de vegetatie bestaat uit afwisselend bossen, populieraanplanten, graslanden, (wilgen)struwelen en (moerasspirea)ruigten. De van oorsprong zeer natte valleibodems werden door bedijking van de Grote Nete en drainage geschikt gemaakt voor veeleisende landbouwgewassen. Hierdoor komen verspreid in de vallei ook maïsakkers en raaigraslanden voor. Zowel de bossen als de vochtige graslanden vertonen een gradiënt van de rivier naar de valleiranden. Daarnaast zorgt ook de rijke textuurvariatie van de valleibodems voor verschillen in de vegetatie. In de laag gelegen delen dichtbij de rivier komen elzen(broek)bossen voor waarvan een deel onder de vorm van hakhout. Verder van de rivier, naarmate de grond droger wordt, verandert het bostype naar elzen-eikenbossen op de armere meer zandige bodems en iepenrijke essenbossen op de rijkere meer lemige bodems. Bij de graslanden is een gelijkaardige variatie aanwezig. Op de natste gronden groeien vooral riet- en zeggevegetaties. Naarmate de bodem iets droger wordt, komen dotterbloemhooilanden en kamgraslanden voor en in mindere mate glanshavergrasland (op de kleiige bodems). De graslanden die recent door de landbouw verlaten werden, bevinden zich in diverse overgangsstadia. Op heel wat vochtige graslanden vindt men Slangewortel, vooral in de grachten en op de perceelsranden. In de Kwarekken komen, vooral ten noorden van de Grote Nete, enkele kwelafhankelijke soorten voor zoals Moerasviooltje, Waterdrieblad, Holpijp en Waterviolier. De sporadische aanwezigheid van een aantal veenmossen en zeldzame zeggesoorten onder andere in de Kwarekken en het Riet, wijzen op de aanwezigheid van veen in min of meer voedselrijke omstandigheden.

In de depressie van Goor-Asbroek komen vooral vochtige bossen en graslanden voor, die net zoals in de vallei van de Grote Nete wijzigen onder invloed van de gradiënt nat-droog in combinatie met de textuurvariatie. De aanwezigheid van oud alluviale gronden en de gradiënt in het grondwater, die varieert van uitermate mineralenarm tot mineralenrijk, zorgen voor bijkomende diversificatie. Zo komen hier ook eiken-berkenbossen, eiken-beukenbossen en eiken-haagbeukenbossen voor. In Asbroek komen ook nog oud-bosplanten voor. Door het kappen van naaldhoutaanplanten en voeren van plaggenbeheer werd aan de zuidrand van de vallei de heidevegetatie hersteld. Ook ten noorden van de depressie, op de zandige langgerekte heuvel van Westmeerbeek, lag vroeger een uitgestrekt heidegebied. Slechts een heel klein gedeelte van deze Meerbeekheide, opgenomen binnen de ankerplaats, bleef onbebouwd maar is ondertussen bebost. In het Goor zorgt het reliëf met rabatten en greppels in het reservaat voor verticale gradiënten op kleine schaal met een diverse vegetatie als gevolg. In de waterhoudende greppels, met wisselende waterstanden, komt oligotroof tot mesotroof (hoofdzakelijk regen)water voor. Hier groeien karakteristieke soorten zoals drijvende waterweegbree en blaasjeskruid. Op de drogere ruggen groeien veenmossen (onder andere Rhizomnium pseudopunctatum, waarvan het Goor de enige gekende vindplaats in Vlaanderen is), vochtige heide, draadzegge en galigaan. Deze laatste soorten, die erg zeldzaam zijn, komen opvallend voor op de rand van de rabatten en worden vaak beschouwd als kenmerkend voor kalkmoerassen. Nochtans is er hiervan in het Goor geen sprake. Toch gedijen deze soorten hier goed dank zij de uitzonderlijke eigenschappen van het gebied die het gevolg zijn van de scheikundige samenstelling van de ondergrond.

Fauna

De grote variatie in en de gradiënten van bodem- en vegetatietypes en de afwisseling tussen verschillende landschapstypes leiden ook tot een grote diversiteit aan habitats. In ‘De Grote Nete van Zammel tot Zoerle, Beeltjens en de depressie van Goor-Asbroek’ komen dan ook talrijke (broed)vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën, spinnen en insecten voor, waaronder een aantal Europees beschermde soorten en zeldzame en bedreigde Rode Lijstsoorten. De depressie van Goor-Asbroek en de vallei van de Grote Nete ten oosten van de N19 worden op de biologische waarderingskaart aangegeven als ‘faunistisch voornaam gebied’. Hieronder worden enkele soorten, die voornamelijk kunnen gelinkt worden aan typische landschapskenmerken binnen de ankerplaats, als voorbeeld gegeven.

De goede combinatie van oude bomen, dreven en open water als jachtterrein maken Beeltjens en de vallei van de Grote Nete tot een uiterst geschikte woonplaats voor vleermuizen. Binnen de ankerplaats werden er minstens 7 soorten, allen Europees beschermd, waargenomen. Ook (oude) gebouwen spelen een belangrijke rol als verblijfplaats voor deze diersoort.

De oude dreven in Beeltjens en de Kwarekken maken de ankerplaats ook geschikt als habitat voor de zeldzaam geworden Boommarter.

Op de Asberg is de Mierenleeuw waargenomen. De aanwezigheid van onverharde, vooral zandige, veldwegen en paden is zeer belangrijk voor dit insect.

De Nachtegaal komt in aanzienlijke aantallen voor in de Kwarekken. Deze soort verkiest een ijle boomlaag en dichte struiklaag en is dus gebaat bij het in stand houden en herstellen van het hakhoutbeheer in de Kwarekken.

Binnen de ankerplaats werden de Hazelworm en Levendbarende hagedis waargenomen. Deze warmteminnende soorten komen typisch voor op open, zonbelichte plaatsen waar een warm microklimaat heerst, zoals op de ijzerzandsteenheuvels.

De ankerplaats is ook een van de schaars gekende locaties in Vlaanderen waar de Veldspitsmuis voorkomt. Deze Rode Lijstsoort komt typisch voor in kleinschalige landschappen.

Cultuurhistorie

Bewoning, nederzettingen en bebouwing

Er zijn binnen de ankerplaats te weinig archeologische vondsten bekend om continue bewoning tot de vroege middeleeuwen te kunnen bewijzen. De Centrale Archeologische Inventaris vermeldt wel een aantal losse vondsten. Uit de prehistorie dateert een afslag die werd gevonden ter hoogte van de Zammelbrug. Op de Asberg werd rond het jaar 1870 pré-Romeins vaatwerk gevonden. Mogelijk gaat het hier om fragmenten van urnen, afkomstig van een grafveld uit de late bronstijd of vroege ijzertijd. In de omgeving van de Kaaibeekhoeve werd een concentratie aan Romeinse munten en artefacten teruggevonden die zouden kunnen wijzen op een openluchtheiligdom of grafveldje. Het aantal archeologische vondsten is beperkt omdat er binnen de ankerplaats weinig onderzocht werd. Nochtans is het archeologisch potentieel hoog. Valleien en de droge gronden erlangs vormden immers een belangrijk aantrekkingspunt voor de mens in het verleden. Stuifduinen, plaggenbodems en alluviale sedimenten in (fossiele) valleien kunnen bovendien archeologische sites afdekken en daarmee voor een uitstekende bewaring zorgen. Westerlo ligt op iets hogere zandige grond aan de rand van de vallei van de Grote Nete. Het suffix –lo komt van het Germaanse ‘lauhaz’ wat ‘bos op hoge zandgrond’ betekent. Het betreft hier een specifiek soort bos, namelijk een open loofbos dat nauw verweven was met de menselijke aanwezigheid. Dit bos werd gebruikt voor het weiden van vee en bevatte ook akkertjes en verspreide bewoning. Vanaf de metaaltijden tot de vroege middeleeuwen zwierven deze nederzettingen nog rond in het bos in de buurt van het akkerareaal. Onder invloed van bevolkingsgroei en bodemdegradatie ontstonden vanaf de late ijzertijd en de Romeinse periode bewoningsclusters op de zandige verhevenheden die generatie op generatie op dezelfde plek bleven. Naar de late middeleeuwen toe verschoof de bewoning naar de valleirand, aan de rand van de akkers en in de buurt van de hooilanden die pas later ontgonnen werden. Deze bewoningsevolutie wordt algemeen in de Kempen vastgesteld maar is voor Westerlo nooit daadwerkelijk onderzocht. De oudste geschreven vermelding van Westerlo dateert van het einde van de 10de eeuw, wanneer graaf Ansfried zijn bezittingen schenkt aan het domkapittel van Utrecht. Dit zijn zijn goederen onder ‘Westerlo, Olen, Mierbeke, Bolo (Buul), Honbeke en Buronte‘. De goederen Mierbeke, Honbeke en Buronte zijn nog niet met zekerheid gelokaliseerd. Tot voor kort werd algemeen aangenomen dat met Mierbeke Westmeerbeek werd bedoeld maar dit werd recent in vraag gesteld. Mierbeke zou ook kunnen gesitueerd worden ter hoogte van het noordelijker gelegen Hoog Heultje. Sommige historici nemen aan dat met Honbeke (de) Kaaibeek(hoeve) wordt bedoeld en dat Buronte een kopiefout is van het woord ‘Burchte’. Gezien de strategische ligging van het huidige kasteel de Merode lijkt het aannemelijk dat hier voordien een middeleeuwse burcht stond maar hiervoor is geen archeologisch bewijs gevonden.

Westerlo is een typisch Kempens pleindorp. De dorpsstructuur bestaat uit een noordelijk plein, de Bist, gelegen ten noorden van de dekenij net buiten de ankerplaats, en een zuidelijk plein, de Grote Markt, gelegen ten westen van de kerk. Het noordelijke plein behield zijn oude agrarisch pastorale naam ‘biest’, die verwijst naar het oorspronkelijk gemeenschappelijk gebruik als veekraal. Het zuidelijke plein vormde een additionele agrarische biest, die met opeenvolgende privilegies tot juridische ‘Plaetse’ en commerciële ‘Markt’ werd omgedoopt. Beide pleinen hebben een langgerekte driehoekige vorm die typisch is voor de Kempen en waren vermoedelijk met bomen beplant. In de middeleeuwen was Westerlo een centrum voor schapenteelt. De gemene veekraalpleinen, afgesloten met draaibomen, beschermden de schaapskudde ’s nachts tegen wilde dieren en dieven. Ter hoogte van de huidige fontein was destijds een ‘pensenpoel’, een kuil met water die diende als drenkplaats voor het vee en waarrond de dierlijke mest dagelijks verzameld werd alvorens uit te spreiden over de akkers. Op het marktplein stond ook een halle in de vorm van een toren, waar men de wol verzamelde voor verkoop. Deze brandde aan het einde van de 16de eeuw af ten gevolge van de oorlog tussen de Spanjaarden en ‘malcontenten’. Rond 1630 werd op ongeveer dezelfde locatie een etagelinde aangeplant, die ook zichtbaar is op een figuratieve kaart van Westerlo uit 1716. Deze heeft een specifieke snoeivorm waarbij gewoonlijk drie etages gevormd werden: met de onderste etage wordt het volk uitgebeeld, de middelste etage staat symbool voor de clerus en de bovenste etage symboliseert God. De Marktlinde bestaat uit twee etages waarvan de onderste moet ondersteund worden. Het oorspronkelijke houten staketsel werd in 1871 vervangen door een gietijzeren geraamte naar een ontwerp van Taeymans. Tijdens feestelijkheden werd onder de boom gedanst, vandaar ook de naam 'dansbomen'. Ondergronds zou binnen de omheining van deze lindeboom nog metselwerk, mogelijks van de middeleeuwse halle, bewaard zijn. Op de Markt staan ook nog een witmarmeren monument van 1913 ter ere van Hendrik graaf de Merode (1856-1908) door graaf beeldhouwer Jacques de Lalaing en bouwkundige J. Diongre; een monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog uit 1930 en twee gedenkplaten.

De oorspronkelijke bebouwing met hoeven rondom het plein heeft ondertussen plaats gemaakt voor heterogene panden uit de 19de en 20ste eeuw met soms nog een oudere kern. Desondanks vertoont het marktplein een vrij homogeen karakter waarbij vooral de neoclassicistische, bepleisterde en beschilderde lijstgevels primeren. Vooral aan de zuidzijde van de Grote Markt zijn er nog een aantal fraaie 19de-eeuwse burgerhuizen. De figuratieve kaart uit 1716 toont de toenmalige kern van Westerlo met het marktplein, omzoomd door bomen, de lindeboom, het kasteel, de kerk en dekenij en de toenmalige bebouwing. Deze laatste bevond zich rondom het dorpsplein en langs de zuidzijde van de huidige Polderstraat. De volgende twee eeuwen breidde de dorpskern slechts lichtjes uit in noordelijke en westelijke richting. Pas na de Tweede Wereldoorlog neemt de bebouwing sterk toe, zoals te zien is op de topografische kaart van 1960. In het zuiden en oosten grenst de oorspronkelijke kern aan het kasteel en park de Merode en de vallei van de Grote Nete waardoor grootschalige uitbreidingen in deze richting verhinderd werden. Hierdoor zijn ook de lange smalle tuinen aan de zuidzijde van het marktplein, op de kaart uit 1716 afgebeeld als moestuinen, grotendeels bewaard gebleven. Deze lange tuinpercelen zijn via kleine brugjes over de Kleine Laak verbonden met het Riet. Tussen de talrijke ijzeren, vernieuwde brugjes, zijn een drietal oudere exemplaren bewaard. Deze brugjes maken deel uit van het standaard arsenaal aan sierbouwsels dat in 19de-eeuwse parken en tuinen in Engelse stijl terug te vinden is. Op het Riet, het open terrein tussen de Grote Markt en de Nete, ligt het terrein van de Sint-Sebastiaansgilde, met een staande wip en bijhorend houten gildelokaal. De constructie is een getuige van een teloor gaande, typische volkssport met een lange traditie en maakt deel uit van het goed bewaarde, authentieke dorpsbeeld van Westerlo. De wip staat al sinds het begin van de 18de eeuw op deze plaats en is ook te zien op de figuratieve kaart uit 1716. Dergelijke houten constructies worden echter telkens heropgebouwd. De huidige schutsboom werd rond 2000 opgericht in lork, nadat de vorige afbrak in een storm. De lork werd geschonken door Prins de Merode-Westerloo, erehoofdman van de Sint-Sebastiaansgilde, uit zijn bossen. Naast deze wip zijn de fundamenten van een oudere wip te vinden. De traditionele wipschietingen, die hier nog steeds plaatsvinden hebben hun oorspronkelijk militair karakter ingewisseld voor folklore. De Sint-Lambertuskerk bevindt zich ten oosten van het dorpsplein, zonder er echt in opgenomen te zijn. Ze werd vermoedelijk door de dorpsgemeenschap gesticht op voormalige gemene grond, in de buurt van het eerder aanwezige centrale plein. Het koor en transept van de huidige kerk werden rond 1415-1416 opgetrokken in ijzerzandsteen. Nadien volgden nog een aantal uitbreidingen en herstellingen met verschillend materiaalgebruik. Het huidige neogotische uitzicht werd bepaald door de grondige restauratie onder leiding van architect Langerock in de periode 1890-1904. In tegenstelling tot vele andere Kempische nederzettingen, bleef het ommuurd kerkhof rondom de kerk bewaard. De dekenij bevindt zich ten noorden van de kerk. Ze werd in 1618 opgericht door de abdij van Tongerlo die hier de kerkelijke macht uitoefende. Oorspronkelijk telde ze slechts één bouwlaag en was ze volledig omgracht met toegangen langs de noord- en zuidzijde. De figuratieve kaart uit 1716 toont de toenmalige dekenij met twee bouwlagen (bouwlaag toegevoegd in 1686), via muren verbonden met de schuur en stal ervoor, en een grote moestuin omringd door hagen en grachten. Van de gebouwen rest enkel het hoofdgebouw, dat nu dienst doet als vredegerecht en politierechtbank. Dit onderging een aantal vergrotingen en verbouwingen waarvan de laatste plaatsvond in het begin van de jaren 1980 van de vorige eeuw. De oorspronkelijke 17de-eeuwse kern bleef wel bewaard. Ook de tuin, nagenoeg volledig omzoomd door bomen, is nog steeds aanwezig. De oude structuur bleef grotendeels bewaard maar de moestuinen werden ondertussen vervangen door met buxus omhaagde grasvelden met fruitbomen. De twee oorspronkelijke toegangen werden in de tweede helft van de 19de eeuw vervangen door de huidige toegang langs de westzijde. De noordelijke en westelijke grachten werden na 1960 gedempt.

Het kasteel de Merode bevindt zich ten zuiden van de dorpskern, langs de Grote Nete. Deze waterburcht is gegroeid rondom een heerlijke versterking met donjon. De donjon van ijzerzandsteen, vaak geciteerd als een van de meest gave middeleeuwse woontorens, werd rond circa 1400 opgericht onder Jan I van Wesemael in wiens testament (1416) het slot expliciet vermeld staat. Vermoedelijk was dit, gezien de strategische ligging, oorspronkelijk een defensiepunt in het grensgebied van het hertogdom Brabant en het graafschap Loon (vanaf 1366 het prinsbisdom Luik). Door de evolutie van de vuurwapens in de volgende eeuwen verloor de donjon zijn defensieve kracht en werd het in de 16de eeuw uitgebreid volgens een geometrisch grondplan met vier hoektorens als vooruitgeschoven bastions, waartussen vestingmuren werden opgetrokken rondom een binnenplaats. Dit kasteel van baksteen en ijzerzandsteen bleef grotendeels intact bewaard. Het traditionele 16de- en 17de-eeuwse neerhof was ingeplant ten westen van de binnenste grachten met het centrale erf maar lag wel binnen de versterkte omwalling. Hiervan rest nog één gerenoveerde vleugel in (neo)tradionele bak- en zandsteenstijl met een toren, renaissancepoorten en dienstgebouwen. Latere aanpassingen en uitbreidingen in functie van het residentiële karakter leidden tot het huidige uitzicht.

De buiten de dorpskern gelegen bewoning ontwikkelde zich vooral aan de randen van de valleien, op de hoger gelegen zandigere gronden binnen de vallei en langs verbindingswegen. Op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1777) is er ten westen van Westerlo verspreide bebouwing langs de verbindingswegen naar Zoerle en Westmeerbeek. Deze wegen lopen respectievelijk aan de noord- en zuidrand van de vallei van de Grote Nete. Ten oosten van Westerlo was er verspreide bebouwing op de kleine zandige heuvel ten oosten van Bergom, aan de valleirand van de Varendonkse loop, op de zandige donk ten zuiden van de Kaaibeekhoeve en op het hoger gelegen interfluvium tussen de valleien van de Grote Nete en de Varendonkse loop. Naar het westen toe, tegen de verbindingsweg tussen Zammel en Veerle, concentreerde de bewoning zich in twee gehuchten: respectievelijk ‘Blarendonck’ en ‘Watereynde’. De bebouwing bestond grotendeels uit hoeves. Deze lagen verspreid in de omgeving van de dorpskernen, op de hoger gelegen gronden in de buurt van de valleien. Op die manier hadden ze direct toegang tot enerzijds droge hoger gelegen akkergronden en anderzijds vochtige hooilanden in de vallei. De grotere pachthoeves waren gewoonlijk omgracht en hadden/hebben vaak een naam waardoor ze op (oude) kaarten gelokaliseerd kunnen worden. Deze ruimere hoeves, bestaande uit meerdere losstaande bestanddelen, behoorden vaak tot het patrimonium van een adellijk geslacht (de Heren van Wesemael en Merode), een invloedrijke abdij (Tongerlo of Averbode) of een andere kerkelijke instelling. De Kaaibeekhoeve is de grootste pachthoeve binnen de ankerplaats. Deze omgrachte hoeve bestaat uit een centraal aarden erf, woonhuis met aangebouwde (ondertussen gedempte) potstal, een driebeukige schuur en bijgebouwen. Ze werd al vermeld in 1270 wanneer ze in leen gegeven werd aan Gerard van Wesemael en gedurende honderd jaar een aparte heerlijkheid vormde. In 1488 kwam ze in het bezit van de Heren van Merode die de hoeve in 1686 op luxueuze wijze herbouwden. Ook toen had Kaaibeek een apart statuut als baronie. Geleidelijk verdween het belang als aparte heerlijkheid en werd de nadruk gelegd op landbouw, een functie die ze tot op de dag van vandaag uitoefent.

Een andere omgrachte hoeve was de site te Herselt gelegen in het westen van de ankerplaats, ten noorden van de N15. Deze hoeve met walgracht en vijver, via een gracht met elkaar verbonden, is te zien op de kabinetskaart van de Ferraris en ook op het huidige digitaal hoogtemodel. De verbindingsgracht en vijver zijn nog steeds aanwezig. Uit literatuur is zeer weinig over deze hoeve bekend. Volgens de eigenaar echter zou het gaan om de voormalige ‘Schranshoeve’, een hoeve die het hospitaal van Leuven bevoorraadde. Op de kaart van Vandermaelen (1846-1854) is de hoeve met walgracht volledig verdwenen en is er iets oostelijker, ten zuiden van de verbindingsgracht, een omgrachting met zuidelijk gelegen poel zichtbaar. De omgrachting werd tijdens de eerste helft van de vorige eeuw gedempt, maar de poel bleef bewaard en is nu nog steeds aanwezig. Heel deze zone vormt dus een potentiële archeologische site. De huidige Schanshoeve is gelegen langs de weg en dus zuidelijker ingeplant ten opzichte van de oorspronkelijke hoeve.

De agrarische bevolking woonde in bescheiden langgestrekte hoeves opgebouwd uit hout, leem en stro. Vanaf de 16de eeuw kwamen meer duurzame bouwmaterialen zoals baksteen en pannen en in beperkte mate natuursteen voor. Dit architectonische versteningsproces verliep echter zeer langzaam waardoor de geleemde vakwerkbouw bleef voortbestaan tot in het midden van de 20ste eeuw. Eeuwenlang bouwde men volgens hetzelfde stramien: schuur, potstal en woonhuis onder één zadeldak met een west-oost oriëntatie en een zuidelijke voorgevel. Het schuurtje lag doorgaans aan de westzijde als buffer tegen slagregens en gure westenwinden. Deze hoeves komen, weliswaar meestal in sterk verbouwde vorm, verspreid voor in heel de ankerplaats ter hoogte van de oudste bewoonde sites en gehuchten. In Beeltjens en in Asbroek zijn nog enkele representatieve voorbeelden bewaard. In het Goor staat nog een sterk verbouwde hoeve met een hondenrad. In dit rad, dat verbonden was met het botervat in het binnenhuis, liet men de hond lopen om zo de boterkarn in beweging te houden. Daarnaast komt er in heel de ankerplaats nog klein religieus erfgoed voor onder de vorm van (boom)kapelletjes. Deze bevinden zich vaak op kruispunten van wegen en worden traditioneel begeleid door linde of eik, een gebruik dat teruggaat op de voorchristelijke boomverering. Enkel de belangrijkste (opgenomen in de inventaris bouwkundig erfgoed) worden beschreven: De kapel van de Huypensberg, gelegen aan de rand van de vallei van de Grote Nete, werd in 1989-1990 naar het model van 1747 heropgebouwd, maar zou teruggaan tot het einde van de 17de eeuw. Vanaf de kapel, die zich op opgehoogde grond bevindt, had men vroeger zicht op de abdij van Averbode. De kapel wordt geflankeerd door twee grote lindebomen die samen één kruin lijken te vormen. Rondom zijn nog een paar kleinere exemplaren aangeplant. Ter nagedachtenis van de veldmaarschalk Jean Philippe Eugene de Merode, die de prachtige dreven in Westerlo liet aanleggen, werd in de 18de eeuw het Kapelleke van de Maarschalk gebouwd, een laat barok kapelletje met classicerende inslag en ijzerzandsteenelementen. Ook deze kapel staat te midden van twee lindes. Op het Riet staat het neogotisch Kapelletje van de Engelbewaarder uit 1883. De kapel, die nu onder een lindeboom staat, was oorspronkelijk een muurkapel opgericht tegen de tuinmuur van het voormalige rusthuis, van waaruit ook het beeld van de aartsengel Gabriël afkomstig is. Het opschrift verwijst naar prins Charles de Merode. Te Bergom ligt een Mariagrot die opgericht werd in 1874, naar het model van de grot te Lourdes waar Maria in 1858 verschenen was. Dergelijke Lourdesgrotten werden in de tweede helft van de 19de eeuw in Vlaanderen talrijke keren in miniatuuruitvoering nagebouwd.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog nam de bebouwing slechts gestaag toe en bleef geconcentreerd in de oorspronkelijk kleine bewoningskernen. Vanaf 1960 steeg de bewoningsdruk sterk. Op de kaart van het Militair Geografisch Instituut (1949-1970) is te zien dat de historische gehuchten de aanzet gaven tot lintbebouwing die zich verspreidde langs de bestaande invalswegen. Op de topografische kaart uit 1990 zijn die verbindingswegen nagenoeg volledig dichtgeslibd met bebouwing. Vanaf de jaren 1960 van vorige eeuw werden ook de valleien stelselmatig ingepalmd met weekendhuisjes, al dan niet permanent bewoond. Zowel in de vallei van de Grote Nete als in de depressie van Goor-Asbroek zijn enkele concentraties van dergelijke huisjes terug te vinden.

Landschapsevolutie en landgebruik

Vooraleer de mens actief ingreep in het landschap werd het uitzicht ervan grotendeels bepaald door het klimaat en de ondergrond. Na de laatste ijstijd ontstonden dichte loofbossen die gans de Kempen bedekten. In vochtige beekdalen groeiden elzen-wilgenbossen en op de hogere interfluvia en zandige duinruggen stonden gemengde eikenbossen. Door de introductie van de landbouw kreeg dit landschap geleidelijk een meer open karakter. Op de hogere droge gronden werd het bos plaatselijk ontgonnen en ontstonden eilandjes akkerland, die bij uitputting verlaten werden. Door veebeweiding in de omringende loofbossen veranderde het bos geleidelijk in een wastine, een grasheide met boomopslag, en vervolgens in heide. In de vochtige beekdalen hield het bos langer stand. In Westerlo lagen de akkers ten noorden van de dorpskern en de gemene weiden ten zuiden hiervan, langs de Grote Nete ter hoogte van het Riet, en ten westen van het kasteelpark tussen de Grote Nete en de Oude Loop. Op een kaart die de landmeter Meulemans in 1788 opmaakte van de bezittingen van de heren van Merode zijn deze aangegeven als respectievelijk het ‘Cleijn Broeck’ en het ‘Gemeijn Broeck’. Het vee werd geweid op de talrijke onontgonnen woeste gronden rondom deze woon- en cultuurgronden.

De demografische druk en de stedelijke vraag naar grondstoffen leidden tot een grote ontginningsbeweging in de 12de en 13de eeuw. Ten gevolge van deze grote middeleeuwse bosontginningen verdween nagenoeg het hele bosareaal en kwamen er verspreid over de heerlijkheid nog slechts enkele bossen voor. Sommige ontginningen werden collectief ondernomen en resulteerden in grote open bouwlanden, andere ontginningen gebeurden eerder op individuele basis wat leidde tot een gesloten landschap van kleine afzonderlijk omheinde akkers en weilanden. De vele houtkanten die de akkers omzoomden leverden samen met verspreide hakhoutbosjes het hout dat nodig was voor herstellingen en voor gebruik als brandhout. Daarnaast dienden ze tevens als afbakening van de percelen en boden ze bescherming tegen erosie, loslopende dieren en slecht weer. De schapen, die vooral gehouden werden voor de wolproductie, werden geweid op de omliggende uitgestrekte open gemene heide. De Carte de Naudin uit 1706, hoewel weinig gedetailleerd, toont dat aan het begin van de 18de eeuw de landbouwgronden binnen de ankerplaats gesitueerd waren rondom de woonkernen en in de Netevallei en voornamelijk bestonden uit omheinde percelen. Tussen de woon-, akker- en hooilandcomplexen lagen uitgestrekte heidevelden en woeste gronden onder andere ter hoogte van Beeltjens en de depressie van Goor-Asbroek. Op de kabinetskaart van de Ferraris is te zien dat de omheinde akkers zich vooral situeerden ten westen en oosten van de kern van Westerlo, langs de verbindingswegen (bijvoorbeeld tussen Westerlo en Westmeerbeek) en rond de gehuchten (ter hoogte van Blaardonk en Watereinde). De weilanden lagen in de valleien (van de Grote Nete en de Varendonkse loop) en in de depressies (ter hoogte van Asbroek). De woeste gronden bevonden zich in Beeltjens, op de arme stuifzandgronden van de Asberg en op de zandige heuvelrug ten oosten van Westmeerbeek die de huidige vallei van de Grote Nete scheidt van haar fossiele loop. De ooit zo veelvuldig aanwezige houtige perceelsbegrenzingen zijn ondertussen ten gevolge van schaalvergroting, functieverlies en verandering van grondgebruik grotendeels verdwenen binnen de ankerplaats. Toch resten er hier en daar nog relicten zoals hoekbomen en (knot)bomenrijen. De topografie, bodemgesteldheid en de bereikbaarheid beïnvloedden in belangrijke mate het landgebruik. Dit uitte zich niet enkel op macroniveau (hele ankerplaats) maar ook op microniveau (één landbouwbedrijf). Op de figuratieve kaart van A. Meulemans staat de Kaaibeekhoeve met al haar gronden afgebeeld. De akkers lagen op de drogere donk in de vallei ten zuiden van de hoeve en sloten hier rechtstreeks op aan. Deze akkers waren omzoomd door houtkanten en bomenrijen. De hooilanden lagen ten noorden van de hoeve, tegen de Grote Nete. De weilanden, eveneens omzoomd door houtige beplantingen, lagen wat verder ten oosten van de hoeve in de vallei, langs de rand van de langgerekte donk, en werden van de akkers gescheiden door een bosje, houtkant of dreef met hierrond wat heide met verspreid hakhout. Langs deze weiden liep een beek (Varendonkse loop) of gracht die de gronden afwaterde en tevens diende als watervoorziening voor het vee. Deze percelen, inclusief houtige perceelsbegrenzingen, bestaande uit voornamelijk bomenrijen van opgaande zomereik, zijn tot op heden grotendeels bewaard gebleven.

Na de periode van ontginningen en extensieve landbouw, volgde een tijd waarin de landbouw steeds intensiever werd en zich sterker diversifieerde. Op een gegeven moment begon het proces van plaggenbemesting. De evolutie van deze bemestingsvorm gebeurde, volgens een onderzoek in Noord-Brabant (Theuws F. en Verspay J., 2011), stapsgewijs. Aanvankelijk werd de dierlijke mest aangevuld met strooisel afkomstig uit de nattere delen van het landschap, vermoedelijk vochtige heide, en vond er dus een vorm van groenbemesting plaats. Ten gevolge van overexploitatie van de woeste gronden, verschraalde de plantaardige bijmesting en degradeerden dus ook de akkers. Bijgevolg ging men niet meer het strooisel maaien en bij elkaar harken maar daadwerkelijk plaggen steken, ook op de drogere heide. Vanaf dat ogenblik werd er niet enkel plantaardige mest maar ook zand vermengd met de dierlijke mest op de akkers aangebracht. Dit leidde tot ophoging van de akkers of plaggendekvorming. Deze plaggenbemesting steeg exponentieel ten gevolge van een stijgende bodemdegradatie zodat de grootste ophoging plaatsvond in de 17de en 18de eeuw. In de 18de eeuw lagen de intensief bewerkte akkers op de droge gronden buiten de vallei nabij de dorpskern en op de hogere donken in de vallei waar vaak ook hoeven gesticht werden. Binnen de ankerplaats waren deze akkers gesitueerd in het oosten (nabij Westerlo) en westen (nabij Zoerle) van Beeltjens, op de hellingen van de Limberg (nabij Herselt) en de heuvel te Bergom (nabij Bergom), op de rand van de vallei langs verbindingswegen (Westerlo-Westmeerbeek) en op de donken nabij de Kaaibeekhoeve en in de Kwarekken. Op sommige van deze plaatsen werd dit historisch agrarisch gebruik tot op heden verdergezet. Dit is onder andere het geval voor het gebied rondom de Kaaibeekhoeve, de gronden rond de voormalige Schranshoeve en op de Limberg. De degeneratie van de gemene gronden kan, samen met de uitvaardiging van een aantal ordonnanties met betrekking tot het in cultuur brengen van woeste gronden, meegespeeld hebben in het omzetten van heide naar bos vanaf de tweede helft van de 18de eeuw. Op de kabinetskaart van de Ferraris is te zien dat de heide al sterk teruggedrongen is ten opzichte van de vorige eeuw. Ten noorden van de Grote Nete was Beeltjens ondertussen quasi volledig bebost. De heide hield enkel nog stand op de paraboolduinen. Ten zuiden van de Grote Nete lag de zandige heuvel van Westmeerbeek, ten noorden van de depressie Goor-Asbroek, nog steeds onder heide. Ook in het Goor, ten zuiden van de Steenkesbeek, lagen nog een aantal percelen vochtige heide. Deze zijn door Natuurpunt ondertussen deels hersteld. Het centrale gedeelte van Asbroek was volledig bebost terwijl de zuid- en oostrand in gebruik waren als hooiland. Aanvankelijk werd er bebost met loofhout, maar uit de figuratieve kaart van Meulemans uit 1788 blijkt dat er ook toen al soms den werd uitgezaaid of geplant, zoals in het noordwesten van Beeltjens. In de 19de eeuw werd het bosareaal sterk uitgebreid in functie van de vraag naar mijnhout voor de steenkoolmijnen in Wallonië en brandhout voor de Kempense steenbakkerijen. In Beeltjens werd het loofhout stelselmatig omgezet naar naaldhout (mijnhout). Bosbouw ging gepaard met de aanleg van een dicht netwerk van ontginningsdreven en een uitgebreid systeem van rabatten, dat in Beeltjens nog goed zichtbaar is. Dit zijn kunstmatig opgeworpen ruggetjes die van elkaar gescheiden worden door parallelle slootjes. De slootjes staan in voor de ontwatering van het gebied. Ze werden aangelegd in een dicht geometrisch patroon loodrecht op de hoogtelijnen. Op de kaart van Vandermaelen is duidelijk te zien dat een groot deel van de bossen in Beeltjens al heraangeplant werd met naaldhout. Ook een deel van de Asberg was dan al bebost met naaldhout en een nieuwe ontginningsdreef werd over de Asberg aangelegd. In Beeltjens is een deel van het naaldhout door natuurlijke verjonging ondertussen weer omgezet naar loofhout. De Asberg is nog steeds quasi volledig bebost met naaldhout, waardoor deze paraboolduin goed leesbaar is in het landschap. Op de Gereduceerde Kadasterkaart is te zien dat ook in de heide van Westmeerbeek de bebossing in de 19de eeuw op gang kwam.

Grondstofwinning

Binnen de ankerplaats werd het aanwezige veen in zowel de vallei van de Grote Nete als in haar fossiele vallei ontgonnen. In de vallei van de Grote Nete werd in de 18de eeuw zeker in de Kwarekken en het kasteeldomein baggerturf gewonnen. Binnen het kasteeldomein moesten de turfputten echter steeds weer opgevuld worden, waardoor deze niet meer zichtbaar zijn in het landschap. In het Goor gebeurde de turfwinning planmatiger en was ze waarschijnlijk ook grootschaliger. Op de kabinetskaart van de Ferraris staat het Goor aangeduid als een ontoegankelijk, nat moerassig gebied met daarin enkele grote vennen. Eén ervan heeft echter een zeer regelmatige vorm met rechte zijden wat er op wijst dat de winning toen reeds begonnen was. In de 18de eeuw waren er talrijke afspraken tussen de Heren van Westmeerbeek en de inwoners in verband met het steken van turf, leem en schadden (plaggen) in het Goor. Op de Atlas der Buurtwegen uit 1836 is heel het Goor verdeeld in regelmatige blokpercelen met daartussen rechte (private) wegen. Een aantal van deze blokken (zoals ook het huidige natuurreservaat het Goor) zijn uitgegraven en staan vol water. Ook op het gereduceerd kadaster zijn deze waterplassen goed zichtbaar. Vanuit dit gebied vertrekt er een kanaal naar de verbindingsweg tussen Westerlo en Westmeerbeek, mogelijk een turfvaart. In 1845 had de gemeente 8 hectare 88 are turfvelden in eigendom. Een aantal van deze voormalige turfputten, het kanaal en het wegenpatroon zijn binnen de ankerplaats bewaard gebleven. Op de figuratieve kaart van A. Meulemans uit 1788 staan er nabij de Kaaibeekhoeve twee steenbakkerijen, in eigendom van de Heren van Merode. De locatie waarop deze zich bevonden steekt iets hoger uit boven het omringende landschap en resten ervan zijn mogelijk nog ondergronds bewaard. Er is voorlopig echter niets gekend over kleiwinning binnen de ankerplaats. Toen André Dumont in 1901 de Limburgse steenkool ontdekte, sloeg de boorkoorts toe in de financiële en industriële wereld. Al wie kapitaalkrachtig genoeg was, vroeg concessies aan en wilde zo snel mogelijk boren. Ook de familie de Merode financierde uit eigen middelen boringen op hun gronden en vroeg een concessie aan voor al hun eigendommen ten zuiden van Westerlo centrum tot in Averbode. Eén boring werd uitgevoerd in de Kwarekken, achter het huidige waterzuiveringsstation, en duurde ongeveer een half jaar. De uitslag was echter teleurstellend. De aangeboorde steenkoollaag, een uitloper van de gekende Beringse lagen, was hier slechts in geringe dikte aanwezig.

Vanaf het einde van de 19de eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog werd overal in de vallei van de Grote Nete op grote schaal ijzererts gedolven. Al in de middeleeuwen werd moerasijzererts gewonnen en plaatselijk gebruikt als bouwmateriaal. De toren van de Sint-Lambertuskerk te Westerlo was oorspronkelijk gebouwd uit moerasijzererts maar werd in de 18de eeuw vernield. Ook in de fundamenten van gebouwen werd dit erts regelmatig gebruikt. Na 1870 werd de vraag naar ijzererts gestimuleerd door de industrialisatie en de uitbouw van het spoorwegennet en gebeurde de ontginning veel algemener en intensiever. In Westerlo vonden de industriële ontginningen ten behoeve van het Duitse Ruhrgebied plaats tussen 1870 en 1918. Binnen de ankerplaats concentreerden deze moerasijzerertsontginningen zich langs de Grote Nete in de Kwarekken en langs de Zijptloop en de Kleine Laak. De grondeigenaars waren akkoord met deze winning, omdat ze aannamen dat de bodemkwaliteit zou verbeteren eens de ertslaag verwijderd was. Aanvankelijk verplichtte de industriële onderneming zich er immers toe om de grond, na het opdelven, terug in zijn oorspronkelijke staat te herstellen en de afgegraven toplaag weer aan te brengen. Na enige tijd werd de bodem echter zonder meer achtergelaten en ontstonden putten en vijvers in het landschap. De industrie ging teloor toen de eerste vaste lagen uitgeput raakten en de ontginning van dit erts van laag ijzergehalte minder rendabel werd. Een aantal moerasijzerertsputten zijn nog aanwezig binnen de ankerplaats. Vaak werden deze vanaf de jaren 1960 in gebruik genomen als visvijver.

De Heerlijkheid Westerlo-Herselt en invloed van haar Heren

Nagenoeg de hele ankerplaats, op het Goor na, maakte deel uit van de Heerlijkheid Westerlo-Herselt. Deze werd vanaf de 12de-13de eeuw door het domkapittel van Utrecht in erfpacht gegeven aan de Heren van Wesemael. Ook het goed te ‘Quaetbeke’, de huidige Kaaibeekhoeve, maakte hier deel van uit. Het was Jan I van Wesemael die omstreeks 1400 de donjon liet optrekken. Als eigenaars van het kasteeldomein en verschillende pachthoeven speelden de Heren van Wesemael een belangrijke rol bij de ontginning van het gebied. Naast de Kaaibeekhoeve bezaten ze ook de Spikdoornhoeve (sinds 1478), gelegen ten zuiden van Beeltjens net buiten de ankerplaats. Ook bij het kasteel was een landbouwbedrijf, het neerhof, gevestigd. In de 15de eeuw lagen in de omgeving van het kasteel een boomgaard, een kruidentuin, een groetentuin, een bosje elzenhakhout enkele visvijvers en een aantal opbrengstgronden. Langs de oevers van de Grote Nete lagen beemden. Verspreid over de heerlijkheid kwamen enkele bossen voor. De heer beschikte tevens over een aantal banmolens in het gebied: een wateroliemolen te Kaaibeek, een waterkorenmolen meer stroomafwaarts te Westerlo en een windmolen op de Asberg te Zoerle. Deze zijn ondertussen allemaal verdwenen. De locatie van de Asberghoeve is wel nog te zien als het hoogste punt in de omgeving. Ook het voormalige bakhuis bij de Asberghoeve, ondertussen sterk verbouwd, is hier nog steeds aanwezig. Aan het einde van de 15de eeuw verloren de Heren van Wesemael na 70 jaar juridische strijd hun macht over het gebied aan de adellijke familie de Merode die vanaf dan hun stempel drukten op de ontginningsgeschiedenis binnen de ankerplaats. Op dat ogenblik vond er een opstand van de Brabantse steden tegen Maximiliaan van Oostenrijk plaats en liet Jan II verstevigingswerken uitvoeren aan het kasteel. Ondanks deze verstevigingswerken werd het kasteel op het einde van de 16de eeuw afwisselend ingenomen door de ‘Malcontenten’ en Spaanse troepen. Ten gevolge van deze oorlogsperikelen brandden ook de watermolens af. Vlakbij het kasteel werd een nieuwe watermolen opgericht die nog te zien is op de figuratieve kaart van A. Meulemans uit 1788.

Op 20 mei 1626 werd Westerlo verheven tot ‘Markizaat’ en Kaaibeek tot ‘Baronnie’. Vanaf dan gingen de Heren de Merode als Markies door het leven. Vooral de ingrepen van de veldmaarschalk, Jean-Philippe-Eugène de Merode (1674-1732) zijn nu nog duidelijk in het landschap terug te vinden. Hij verfraaide het kasteel met barokelementen en voegde het poortgebouw met de spreuk ‘Où serasse Mérode’ toe dat in 1716 ontworpen zou zijn door J.P. Van Bauerscheit. In het kasteeldomein liet hij een geometrische tuin aanleggen met centrale vijver en stervormige dreven. Aan weerszijden van de langgerekte rechthoekige spiegelvijver in het kasteelpark ten zuiden van de Grote Nete, reeds zichtbaar op een figuratieve kaart van P. Wijnrickx uit 1712, werd een dubbele lindendreef aangeplant met daarlangs nog een buitengracht. De dreven in de ster, gericht op belangrijke zichtpunten zoals de toren van de abdij van Averbode, werden telkens met een andere boomsoort aangeplant. Zo waren er onder andere een populierendreef, essendreef en kastanjedreef. Dit is goed te zien op de kaart van Meulemans uit 1788. Opvallend is dat alle gronden tussen de dreven op dat moment nog in landbouwgebruik waren en dat nog niet het volledige huidige park in het bezit was van de familie de Merode. De toenmalige akkers zijn nog duidelijk te herkennen op het digitaal hoogtemodel als lichte verhevenheden in het landschap. Ook de geometrische structuur van het park is volledig bewaard gebleven, maar de dreefbeplantingen zijn niet meer altijd volledig en anders ingevuld. Zo zijn de dubbele lindendreven langs de spiegelvijver ondertussen vervangen door eikendreven. Ook de overige dreven in het park zijn ondertussen aangeplant met eik of beuk. Ten noorden van de Grote Nete werden de tuinen eveneens geometrisch ingericht. De figuratieve kaart van P. Wijnrickx uit 1712 toont het noordelijke park, begrensd door brede grachten ten noorden en westen en door de Grote Nete en Kleine Laak respectievelijk ten zuiden en oosten. Vlak naast de noordelijke gracht lag een ‘maliebaan’. Op deze gewoonlijk circa 750 meter lange baan speelde men het maliespel. Bij dit spel, dat in de 16de eeuw aan het Franse hof ontstond, was het de bedoeling om met een slaghout op een maliebaan of malieveld tegen een houten bal te slaan en deze met zo weinig mogelijk slagen tussen twee palen te mikken. Ten noorden en westen rond het kasteel lagen moestuinen doorsneden door een geometrisch netwerk van paden. Ten zuiden van het kasteel lag een open grasvlakte met enkele bomen, en paden die leidden naar de thans verdwenen watermolen en zuidelijke toegangspoort. Ten oosten van het kasteel lag een (park)bos met een dreef parallel aan de Grote Nete en twee kleinere dreven quasi loodrecht hierop. Uit de figuratieve kaart van A. Meulemans uit 1788 blijkt dat het (park)bos ten westen van het neerhof aan het einde van de 18de eeuw vervangen was door een stervormig drevenpatroon, omringd door grachten. Ten noorden en oosten van het kasteel lag op dat ogenblik akkerland omgeven door een brede vijver met aanmeerplaats in het noordoosten. In navolging van de abdij van Tongerlo, die sinds het begin van de 17de eeuw gestart was met de aanleg van bossen en dreven in stervormige patronen, startte de Veldmaarschalk vanaf 1710 met de aanleg van rechte dreven over heel het grondgebied van de Heerlijkheid Westerlo. Dit ging gepaard met heel wat moeilijkheden daar veel gronden van particulieren gekocht of geruild moesten worden. Het rechttrekken en egaliseren van de oude kromme wegen met gaten en bulten was eveneens geen sinecure. De verbinding tussen het kasteel van Westerlo en de abdij van Tongerlo werd als eerste van vele dreven gerealiseerd in 1710-1711. De daaropvolgende jaren werden de dreven naar Zammel, Kaaibeek, Zoerle, Geel en Diest en de Kwarekkendreef aangelegd. Deze laatste liep oorspronkelijk volledig langs de zuidrand van de donk maar werd in de tweede helft van de 18de eeuw, bij de oprichting van de Marlyhoeve, verlegd naar het huidig traject. Achter het waterzuiveringsstation is nog een deel van het oorspronkelijk tracé bewaard, nog deels geflankeerd door een rij monumentale beuken. In 1722 werden de Beeltjensdreef en de ster in de Beeltjens aangeplant. Deze bestond op dat ogenblik uit vier dreven. Ook met de aanleg van de bossen daar werd vermoedelijk toen reeds gestart. De ster en het bos werden vervolledigd en opnieuw aangeplant in 1784, zoals te zien is op de figuratieve kaart van A. Meulemans uit 1788. Tenslotte volgden nog de Hollandse dreef, Zwaandonksedreef, de Hooge dreef, de Lange dreef en de Nieuwe dreef. Deze zijn allen goed te zien op de figuratieve kaart uit 1788. De dreven bestonden meestal uit drie bomenrijen in vierkantsverband of drie geschrankte rijen en een gracht aan elke zijde. Er werd onder andere plantgoed van eik, beuk, linde en berk gebruikt. De gangen tussen de dreven werden verhuurd om het vee te weiden en voor gebruik van het snoeisel. Af en toe werden ook bomen geveld voor het uitvoeren van reparatiewerken. Soms werd de volledige dreef gekapt voor de houtopbrengst en heraangeplant. Uit de figuratieve kaart uit 1788 blijkt dat het grootste deel van de dreven in Westerlo tussen 1780 en 1788 opnieuw werden aangeplant. Bij de heraanleg van de wegen in de 20ste eeuw werden de meeste dreven gekapt en niet of slechts met een enkele dreef heraangeplant. Enkel de Beeltjensdreef bestaat nog uit een dubbele dreef van eiken en beuken. Langs het restant van de oude Kwarekkendreef resten nog een aantal majestueuze beuken met een stamomtrek van bijna 4 meter. Ook in het bos naast deze dreef zijn nog oude beuken aanwezig, die mogelijk deel uitmaakten van de tweede of derde gang.

In 1842 startte Henri de Merode met de wederopbouw van het vervallen kasteel, waardoor het zijn huidige uiterlijk kreeg. De verfraaiingswerken werden verdergezet door zijn zoon Charles-Antoine de Merode. Deze liet rond 1870 ook het landschappelijk park in de onmiddellijke omgeving van het kasteel aanleggen naar een plan van C.H. Petersen dat in 1834 was opgemaakt in opdracht van zijn vader. Op de topografische kaart van het Depot de la Guerre uit 1869 is deze landschappelijke aanleg al zichtbaar. De vijver ten noorden en oosten van het kasteel bleef behouden maar kreeg een meer natuurlijke vorm. De rechthoekige grachtenpatronen en de stervorm ten westen van het kasteel zijn verdwenen. Ten westen en zuiden van het kasteel werden grasvelden met bomengroepen en slingerende paden aangelegd. Deze aanleg bleef tot op vandaag grotendeels bewaard. Op het plan van Petersen is te zien dat het oorspronkelijk de bedoeling was om ook het park ten zuiden van de Grote Nete landschappelijk aan te leggen, maar dit werd nooit uitgevoerd. Wel werd aan de rand van het park de boswachterswoning opgericht. Naast het kasteeldomein liet Henri de Merode in 1874 een mobiele dam ‘het Trammetje’ bouwen. Dit sluis- of stuwsysteem diende om het water in de kasteelvijver te verversen, om scheepvaart in functie van het transport van ijzererts mogelijk te maken en om de weiden van het Riet te bevloeien, zodat er twee hooibeurten konden plaatsvinden.

De laatste de Merode die mee het uitzicht van Westerlo bepaalde, was gravin Jeanne de Merode. Zij liet in 1910-1911 het Nieuw Kasteel met park aanleggen. Dit neogotische buitenverblijf, een ontwerp van P. Langerock, is geïnspireerd op een gevel van de nabijgelegen abdij van Tongerlo. Bij haar overlijden liet de gravin haar kasteel na aan de Zusters Augustinessen die er een rusthuis voor priesters inrichtten. Sinds 1973 doen het gebouw en omringende kasteelpark dienst als respectievelijk gemeentehuis van Westerlo en gemeentepark. Het park was aanvankelijk volledig omheind door smeedijzeren hekpijlers en bestond uit een lusttuin met portierswoning rond het kasteel. In het park stonden eerst houten schaapskooien die rond 1930 vervangen werden door een L-vormig kippenhok. In het noorden van het park werd een pomphuis rond een artesische put gebouwd. Het overtollig opgepompte water werd aanvankelijk naar de omheiningsgracht afgeleid maar diende later voor de bevoorrading van de in 1927 gegraven vijver. In het noordwesten lag een deels ommuurde moestuin met een groot was- en strijkhuis met droogzolder en een aanpalende kleinere hovenierswoning met broeikassen en een boomgaard met een aantal pruimelaars en grote verscheidenheid aan appelrassen ten zuiden hiervan. De eigenaardige inplanting van de muur zou het gevolg zijn van een geschil met de aanpalende eigenaar. Over de oorspronkelijke aanplantingen is weinig geweten, maar naar verluidt bracht de toenmalige tuinman F. Verrezen na de Eerste Wereldoorlog een aantal veranderingen in de parkaanleg aan. De neotraditionele gebouwen in het park en ook de serres met druivelaars achter de voormalige hovenierswoning zijn nog alle aanwezig. De padenstructuur en de toegangspoorten uit giet- en smeedijzer in neogotische stijl in de lusttuin zijn nog deels bewaard, evenals de bowling green voor het kasteel, het parkbos ten zuiden en een deel van de oorspronkelijke beplantingen. Na 1973 werden een aantal nieuwe aanplantingen met parkbomen toegevoegd en werd het kippenhok sterk vergroot en verbouwd tot een cafetaria. De boomgaard in het westen is volledig verdwenen. Op de zuidelijke helft van het perceel werden ondertussen de openbare bibliotheek en parking ondergebracht. De muur ten noorden van het perceel met fruithaken langs de zuidzijde en een drietal leiperen, vermoedelijk uit het Interbellum, aan de oostelijke zijde, zijn wel bewaard. Tegenwoordig bevindt zich nog een kleine halfhoogstamboomgaard in het noorden van het park, nabij het voormalige pomphuis. Jeanne de Merode bekostigde ook (deels) de restauratie van de Sint-Lambertuskerk te Westerlo door P. Langerock en liet daarbij een privékapel voor zichzelf en een grafkapel voor de familie de Merode bouwen. Deze grafkapel is opgetrokken uit streekeigen ijzerzandsteen, kenmerkend voor de Demergotiek.

Naast impact op de esthetische aanleg binnen de ankerplaats, oefende de familie de Merode ook invloed uit op de landbouwontginningen door middel van de verpachting van hoeves en gronden. Door de eeuwen heen bezat de familie verschillende pachthoeves, waarvan echter enkel de Kaaibeekhoeve bewaard bleef. Op het einde van de middeleeuwen was er sprake van de pachthoeve ‘Dullekenshoeve’ gelegen in Beeltjens. Dit was een kleinschalige, door grachten omgeven hoeve waar schapen gehouden werden op de omringende heidevelden. Toen in de 16de eeuw de wolprijs daalde was de uitbating van deze hoeve niet meer interessant en werd ze buiten bedrijf gesteld. Deze hoeve bevond zich vermoedelijk tussen Beeltjens en Asberg, langs de verbindingsweg naar Zoerle. Op het einde van de 18de eeuw bevond zich ter hoogte van de school langs de Beeltjensdreef ‘de Beeltjenshoeve’, een kleinere pachthoeve. Deze raakte zwaar beschadigd tijdens de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748) en werd afgebroken in 1757-1758. De meeste gronden van deze hoeve werden toen beplant met bomen en opgenomen in de ster van Beeltjens. Omstreeks dezelfde periode werd op de donk in de Kwarekken de Marlyhoeve gesticht, tegelijk hoeve, herberg en afspanning. Deze verdween bij de aanleg van de gebouwen van politie en brandweer in 2001.

Menselijke invloed op de hydrografie

Binnen de ankerplaats lopen vele waterlopen, kanaaltjes en grachten. Een groot deel van de waterlopen en grachten in het gebied werden de laatste 200 jaar gegraven of verlegd. Vooral de Grote Nete heeft sinds de middeleeuwen grote veranderingen ondergaan. Over de eeuwen heen werd de rivier uitgediept, verbreed, verlegd en rechtgetrokken. Meanders werden afgesneden en de rivier werd ingedijkt. De ‘verbeteringswerken’ werden uitgevoerd in functie van de scheepvaart, om de afvoer van het omliggende gebied te verhogen en om overstromingen te voorkomen. Ook werden er korte parallelle afwateringsgrachten gegraven voor de werking van de watermolens die vanaf de middeleeuwen langs de Grote Nete gelegen waren. Tussen de Lange brug en het kasteel de Merode volgt de huidige Grote Nete nu een dergelijke afwateringsgracht terwijl zijn oorspronkelijke noordelijkere loop hier verdwenen is. Uit een figuratieve kaart van P. Wijnrickx uit 1712 blijkt dat de Grote Nete ten oosten van het kasteelpark de Merode meer oostwaarts verlegd werd, om de aanleg van de Merodedreef te kunnen realiseren. In de 15de eeuw werd de Nete bevaarbaar gemaakt tot Westerlo. Dit was nog steeds het geval aan het begin van de 21ste eeuw, toen platte boten gebruikt werden om het moerasijzererts te vervoeren. Hoewel er al sinds de 14de eeuw ingrepen werden uitgevoerd om de Grote Nete bevaarbaar te maken en wateroverlast te beperken werden vanaf het einde van de 18de eeuw de veranderingen ingrijpender: vanaf 1769 werden Netebochten afgesneden en zandbanken geruimd. In de tweede helft van de 19de eeuw werd de Grote Nete naar een plan van ingenieur Goddijn ‘verbeterd’. Ze werd verdiept, hier en daar rechtgetrokken en er werden dijken aangebracht om de erosie van de oevers zoveel mogelijk tegen te gaan en een zo snel mogelijke waterafvoer te garanderen. Enkel al de laatste drie eeuwen waren de wijzigingen erg ingrijpend. Tussen 1766 en 2001 is de breedte van de Nete verdubbeld en de diepte vervijfvoudigd, maar ook de vorm van de rivier is gewijzigd. Binnen de ankerplaats resten nog enkele relicten van de natuurlijke loop, zoals een aantal afgesneden meanders die nu soms als visvijver gebruikt worden.

Ook kleinere waterlopen werden regelmatig verlegd. Langs de Nete lopen enkele waterlopen lange tijd vrijwel parallel aan de Grote Nete. Het gaat hier om zogenaamde leibeken. Deze ontstonden vanaf de tweede helft van de 18de eeuw, toen een aantal kortere parallelle beken met elkaar verbonden werden waardoor hun monding stroomafwaarts verlegd werd. Op die manier kon een grotere oppervlakte, vooral in de winter, versneld ontwateren. Eén van deze leibeken liep oorspronkelijk dwars door een weiland van de Kaaibeekhoeve, maar deze werd aan het einde van de 19de eeuw verlegd om een betere bedrijfsvoering mogelijk te maken.

Een aantal waterlopen binnen de ankerplaats werden volledig kunstmatig gegraven. Zo blijkt uit de figuratieve kaart van A. Meulemans uit 1788 dat de huidige Kwarekkenloop een restant is van de Pensepoelloop, een loop die de Pensepoel op de Markt van Westerlo afwaterde. Maar ook de Goorbeekloop en de Spikdoornloop werden door mensenhanden gegraven. Dat deze waterlopen kunstmatig aangelegd werden, is te zien aan de tracés met quasi rechte hoeken die mooi de perceelsgrenzen volgen. De talrijke grachten binnen de ankerplaats hebben een verschillende oorsprong en functie. De meeste grachten werden gegraven voor het ontwateren van gronden. In Beeltjens werden ze bijvoorbeeld aangelegd om de percelen te draineren om naaldhout te kunnen produceren. In bepaalde gevallen dienden ze echter net om de gronden te bevloeien om zo de hooilandproductie op te drijven. Op het einde van de 18de eeuw werden in een deel van het Riet grachten gegraven met individuele sluisjes, die deel uitmaakten van een ingenieus bevloeiingssysteem dat werd aangedreven door het Trammeke. Via een door mensen aangedreven trekmechanisme zorgde deze mobiele dam ervoor dat het Netewater in de kanaaltjes vloeide. Elk sluisje kon apart bediend worden zodat de landbouwgronden op maat geïrrigeerd konden worden. Door na de eerste oogst te bevloeien, kon er nog een tweede hooiopbrengst of ‘toemaat’ gerealiseerd worden. Sommige grachten binnen de ankerplaats maken deel uit van een verdedigingssysteem. Rondom het kasteeldomein de Merode bestond de verdediging in de middeleeuwen voor een deel uit gegraven waterlopen en (slot)grachten. Vermoedelijk konden toen reeds door een vernuftig systeem van afdammingen en sluizen op de Nete de omliggende broeken en weilanden onder water gezet worden. Dit systeem was echter niet onfeilbaar. Aan het einde van de 16de eeuw zou het Spaanse leger het kasteel veroverd hebben door een gracht te graven waardoor het water wegvloeide naar een nabijgelegen valleitje. Ook een aantal andere belangrijke gebouwen binnen de ankerplaats, zoals de Kaaibeekhoeve en de dekenij, waren omgeven door grachten. Om deze te voorzien van water werden er aanvoergrachten gegraven vanaf een naburige waterloop. De grachten van de dekenij werden tot na 1960 gevoed vanuit een leigracht van de Grote Nete en tot het begin van de 20ste eeuw waren de grachten van de Kaaibeekhoeve verbonden met de Kleine Laak.

Door haar ideale ligging, volledig ingesloten met water (Grote Nete en Laak) en enkel bereikbaar via twee ophaalbruggen over de Laak, werd het Riet een natuurlijke schans waarop het vee en de inwoners beschutting zochten in woelige tijden. Het terrein werd verdedigd door de gilde, die hiervoor beschikte over wapens, een uitkijkpost in het kasteel en een uitkijkpost op de kerktoren. De oorlogsperikelen die in de 17de eeuw heersten leidden er toe dat een deel van het Riet opgehoogd werd en rondom grachten werden gegraven om het drassige terrein te ontwateren. Deze grachten zijn nog steeds grotendeels aanwezig.

Tot slot zijn een aantal grachten binnen de ankerplaats ontstaan door de grondstofwinning die hier plaatsvond. In de Kwarekken zijn ze voornamelijk ontstaan in functie van de ontginning van ijzeroer. In het Goor zijn de regelmatige grachten en dijken gerelateerd aan de turfwinning. Om de turf makkelijker uit het gebied te transporteren, werden turfvaarten gegraven. Nadat de winning gestopt was, werd getracht om de uitgegraven gronden weer geschikt te maken voor onder andere populierenteelt. Dit gebeurde door de verlaagde gronden weer gedeeltelijk op te hogen mits de aanleg van rabatten.

Wegen

In de middeleeuwen liep er slechts één belangrijke noord-zuidverbinding dwars door de ankerplaats: de verbinding Diest-Westerlo-Herentals-Hoogstraten. Net ten zuiden van Westerlo, aan het Kapelleke van de Maarschalk, voegde de verbinding Leuven-Aarschot (N15) zich hierbij. De route kruiste de Grote Nete ter hoogte van de Marlybrug, een strategische rivieroversteek vlakbij het kasteel de Merode. De meeste verbindingswegen waren geënt op het fysisch systeem en liepen langs de oost-west georiënteerde vallei. Op die manier was Westerlo verbonden met de naburige nederzettingen. De verbinding naar Zammel en Geel in het oosten liep ten noorden van de valleirand, langs de kapel van de Huypensberg. De verbinding naar Zoerle in het westen liep over de Asberg dwars door de ankerplaats en de verbinding naar Westmeerbeek in het zuidwesten liep op de heuvel ten noorden van de depressie van Goor-Asbroek. In de 18de eeuw werden deze eertijds kronkelige en hobbelige wegen binnen de oude Heerlijkheid Westerlo rechtgetrokken en aangeplant als dreven door de markies de Merode. De industriële revolutie kondigde het begin aan van grote infrastructuurwerken: overal werden steenwegen en spoorwegen aangelegd. In de tweede helft van de 19de eeuw werd zo ook de verbinding Herselt–Zoerle–Herentals gerealiseerd, die van zuid naar noord dwars door het Asbroek loopt. In 2001 werd de nieuwe ringweg ten zuiden van Westerlo aangelegd. Hierdoor werden de oude verbindingsroutes minder leesbaar.

Binnen de ankerplaats liepen ook heel wat lokale wegen die de nederzettingen verbonden met de omliggende gemene beemden en heiden. Zo liep de Broekstraat in de 18de eeuw vanuit Zoerle naar de broeken aan de Grote Nete. Korte doodlopende wegjes verbonden woningen met hun nabijgelegen gronden. Dit patroon is langs de N15 nog mooi bewaard gebleven.

In de 18de eeuw werden veel ontginningswegen aangelegd. In Beeltjens en op de Asberg ontstond toen een uitgebreid wegenpatroon in functie van de mijnhoutproductie. Ook in het Goor werd een regelmatig, nog steeds duidelijk herkenbaar patroon aan wegen en dijken aangelegd in het turfwinningsgebied.

  • Mondelinge informatie verkregen van Luc Vervoort (17 augustus 2012).
  • Informatie verkregen van Elise Hooft en Rita Steyaert m.b.t. bouwkundig erfgoed.
  • Informatie verkregen van Geert Van der Linden m.b.t. houtig erfgoed.
  • Informatie verkregen van Herman Van den Bossche en Marijke Michiels m.b.t. de tuinen en parken.
  • Informatie verkregen van Jasmine Michielssen en Marc De Borgher.
  • Informatie verkregen van Jef Thys.
  • Informatie verkregen van Katrien Cousserier, Marijn Van Gils en Rica Annaert m.b.t. archeologie.
  • Informatie verkregen van Thomas Van Driessche m.b.t. lezen en interpreteren van de 17de en 18de eeuwse teksten.

  • De Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Jozef Jean François de Ferraris, opgesteld tussen 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000. Koninklijke Bibliotheek van België, http://www.kbr.be/collections/cart_plan/ferraris/ferraris_nl.html.
  • Figuratieve kaart van de bezittingen van de markies de Merode te Westerlo-Herselt, A. Meulemans, uitgegeven in 1787, ARA, Familie-archief de Merode, KPT 2 n°01.
  • Figuratieve kaart van het dorp van Westerlo, P. Ricquier, uitgegeven in 1716, gepubliceerd in ‘Westerlo, Land van Merode (K. De Winter, 2000).
  • Figuratieve kaart van het kasteel te Westerlo en park, P. Wijnrickx, uitgegeven in 1712, gepubliceerd in Westerlo, Land van Merode (K. De Winter, 2000).
  • Figuratieve kaarten m.b.t. de aanleg van de dreven binnen het Markizaat Westerloo en in het kasteelpark de Merode, 1710-1720, ARA, Familie-archief de Merode, O 0746.
  • Figuratieve kaarten van Westerlo, 1720, ARA, Familie-archief de Merode KPT 2 n°05, n°07 en n°08/1.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20000.
  • Kaart met overstromingen in de omgeving van het kasteel de Merode te Westerlo, 19de eeuw, ARA, Familie-archief de Merode, KPT3 n°438.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • La Carte de Naudins, 1711, CH 291 n° 9, cartothècque du IGN, Saint Mandé Cedex, Frankrijk.
  • Plan général des Embellissemens de la Campagne de Westerloo, C.H. Petersen, uitgegeven in 1834, ARA, Familie-archief de Merode, KPT 3 n°250.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988).

  • ANTROP M. & VANDAMME S. 1995: Landschapszorg in Vlaanderen – onderzoek naar criteria en wenselijkheden voor een ruimtelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische en esthetische waarden van de landschappen in Vlaanderen, Gent.
  • ANTROP M. 2007: Perspectieven op het landschap – Achtergronden om landschappen te lezen en te begrijpen, Gent.
  • BAEYENS L. 1960: Bodemkaart van België, verklarende tekst bij het kaartblad Westerlo 60E, Brussel.
  • BAEYENS L. 1962: Bodemkaart van België, verklarende tekst bij het kaartblad Booischot 60W, Brussel.
  • BAEYENS L. 1969: Bodemkaart van België, verklarende tekst bij het kaartblad Geel 45E, Brussel.
  • BATEN I. & HUYBRECHTS W. 2002: De historische bedding van de bevaarbare Nete, Brussel.
  • BATEN I. & HUYBRECHTS W. 2003: Het grondwater in de vallei van de bevaarbare Nete, Brussel.
  • BAUWENS–LESENNE M. 1965: Bibliografisch Repertorium der Oudheidkundige vondsten in de provincie Antwerpen: vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen, Brussel.
  • BOGEMANS F. 2007: Toelichting bij de Quartairgeologische Kaart, kaartblad 16 Lier, Brussel.
  • BOGEMANS F. 2007: Toelichting bij de Quartairgeologische Kaart, kaartblad 24 Aarschot, Brussel.
  • BREEDVELD L. 2010: Verrassende Utrechtse geschiedenis in ‘Maliebaan in beweging’ [online], http://www.cultuurbewust.nl/kunst-6879-verassende-utrechtse-geschiedenis-in-maliebaan-in-beweging.
  • D’HAESELEER C. & WOUTERS J. s.d.: Erkenning van een natuurreservaat Uitbreiding 1 Het Goor-Asbroek, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE BECKER P., DENYS J., PACKET J., BATELAAN O. & MERTENS W. 2006: Ecohydrologische Studie Life Zuiderkempen (Hulshout, Herselt & Aarschot) in het kader van het Life Natuurproject “Herstel van basenrijke moeras- & heide-ecosystemen in de Zuiderkempen” – eindrapport, Brussel.
  • DE BEELDE T., D’HAESELEER C. & WOUTERS J. 2000: Aanvraag tot erkenning als natuurreservaat uitbreiding 2 “Het Goor-Asbroek” te Hulshout/Herselt, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE BELIE W. 1973: Herselt Oudheidkundige gegevens deel 1, Kontich.
  • DE COSTER K., MANNAERT A., VERHEIJEN W., ROOVERS P., ANDRIESSEN W. & LAMBRECHTS J. 2008: Uitgebreid beheerplan bossen regio Westerlo-Herselt-Laakdal, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE MEYER E. 2011: Rapport 22. Instandhoudingsdoelstellingen voor speciale beschermingszones – BE210040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor – ontwerprapport, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE WIELEWAAL – DUBBELLOOF. 1999: Aanvraag erkenning natuurrservaat Gebied ‘De Kwarekken’ (Netevallei te Westerlo), Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE WIELEWAAL VZW. 2001: Erkenningsdossier natuurreservaat Kwarekken, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE WINTER K. 2000: Westerlo, Land van Merode, Westerlo.
  • DEFORCE K. 2008: Pollen en sporen [online], http://www.onderzoeksbalans.be/onderzoeksbalans/archeologie/natuurwetenschappen/archeobotanie/pollen_en_sporen.
  • DIRIKEN P. & VAN DE GENACHTE G. 2000: Landschapskenmerkenkaart Antwerpen, opgemaakt door Georeto en Aeolus i.o.v. het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en landschappen [online], http://www.provant.be/leefomgeving/natuur_en_landschap/landschapskaart/.
  • DOPERE F. & UBRECHTS W. 1991: De Donjon in Vlaanderen. Architectuur en Wooncultuur, Leuven.
  • EYCKMANS K. 1982: Vier hoeven van de heren van Merode te Herselt en te Westerlo, Mededelingenblad Heemkring Kanton Westerlo IX.4, 122-147.
  • GHEYSEN K., 2011: Landinrichting Beeltjens-Kwarekken – Archeologisch onderzoek, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • GRIETENS J. 1921: Paul de Roye De Wichen, Taxandria 3-4, 56.
  • GULLENTOPS F. & WOUTERS L. 1994: Delfstoffen in Vlaanderen, Brussel.
  • HEEMKRING ANSFRIED WESTERLO. 2012: 100 jaar Kasteel Jeanne de Merode – Gemeentehuis van Westerlo, Westerlo.
  • HOFKENS E. & ROOSENS I. (eds.). 2001: Nieuwe impulsen voor de landschapszorg: De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid, Brussel.
  • HOPPENBROUWERS P. 2004: Boeren op löss, veen en zand. In: VAN UYTVEN R., BRUNEEL C., KOLDEWEIJ A.M., VAN DE SANDE A.W.F.M. & VAN OUDHEUSEN J.A.F.M. (ed.), Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle, 113-118.
  • HUYBRECHTS W. & VERBRUGGEN C. 1994: Rivierlandschappen in Vlaanderen; geomorfologische ontwikkeling, Landschap 11.2, 3-13.
  • JANSEN J.E. 1936: Westerlo en de prinselijke familie de Merode, Turnhout.
  • KEMMERS R.H., DELFT S.P.J. & JANSEN P.C. 2003: Iron and sulphate as possible key factors in the restoration ecology of rich fens in discharge areas, Wetland Ecology and Management 11, 367-381.
  • KNAEPEN R. & ANTROP M., 2002: Gemene pleinnederzettingen in de historisch-rurale Kempen van België en Nederland, Historisch Geografisch Tijdschrift 20, 22-32.
  • LANDUYT C. & BOS K. 1990: Een curiosum: moerasijzererts als bouwsteen, Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie 99.2, 159-165.
  • LEIRS R. & VERREZEN F. 1984: Westerlo: van 1895 tot 1918 een centrum van ijzerertsontginning, Heemkring Ansfried Westerlo vzw jaarboek 1994, 91-97.
  • LENS F., 2010, Vol zilveren tinteling – De Grote Nete tussen Lier en Geel, Heist-op-den-Berg.
  • MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, AFDELING MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN. 2001: Atlas van de relicten van traditionele landschappen in Vlaanderen (Landschapsatlas), cd-rom, Brussel.
  • RAES L. et al. 2010: RUP Sportcentrum, IOK Plangroep i.o.v. gemeente Westerlo [online], www.westerlo.be.
  • ROBBERECHTS B. 2005: Domein de Merode – archeologisch vooronderzoek, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • STERCKX J. 1905: Westerlo 1830-1905: info uit het gemeentearchief, Westerlo.
  • STEURS W. 2004: Een platteland in volle groei. In: VAN UYTVEN R., BRUNEEL C., KOLDEWEIJ A.M., VAN DE SANDE A.W.F.M. & VAN OUDHEUSEN J.A.F.M. (ed.), Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle, 74-78.
  • TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M. 1993: Bossen van Vlaanderen, een historische ecologie, Leuven.
  • THEUWS F. & VERSPAY J. 2011: De archeologie van de Brabantse akkers, Amsterdam.
  • THYS J. 2000: Steenkool in onze gemeente?, Nieuwe Heemtijdingen 5.3, 3-9.
  • TOPS B. 2007: De Heerlijkheid Westerlo-Herselt – Sociaal-Economische geschiedenis (1400-1600), onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven.
  • VANDENBERGHE J. 1977: Geomorfologie van de Zuiderkempen, Brussel.
  • VANNOPPEN H. 1989: Het kasteel van Westerlo en de Prinsen de Merode, Westerlo.
  • VERDUYCKT J. 2011. Markt van Westerlo, Brochure bij de tentoonstelling ‘500 jaar bewoning rond de markt van Westerlo, s.l.
  • VERHULST A. 1995: Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen, Brussel.
  • VERREZEN F. & VOS P. 1981: Ons oude dorp in beeld: Heultje, Oevel, Oosterwijk, Tongerlo, Voortkapel, Westerlo, Zoerle-Parwijs, Westerlo.
  • VERWAERDE J. & WOUTERS J. 2000: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat ‘Netevallei-Schaapswees’ te Westerlo en Hulshout, uitbreiding 1, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VERWAERDE J. & WOUTERS J. 2003: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat Netevallei regio Zuiderkempen – uitbreiding 2003, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VERWAERDE J. 2003: Aanvraag tot uitbreiding van het natuurreservaat Kwarekken eerste uitbreiding, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VERWAERDE J., MATTHEEUSEN D. & SCHELLENS L. 2009: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat Rothoek-Kwarekken 2de uitbreiding, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VERWAERDE J., VLEUGELS T. & WOUTERS J., 2010: Aanvraag tot Erkenning van het natuurreservaat Netevallei-Zuiderkempen (Hulshout, ,Westerlo, Herselt) – 3e uitbreiding, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VLEUGELS J. 1998: Bossen en dreven in Westerlo, onuitgegeven praktijkoefening, Katholieke Universiteit Leuven.
  • VLEUGELS J. 2000: De rentmeesters en het beheer van het Markiezaat van Westerlo in de 18de eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven.
  • VLM ANTWERPEN. 2009: Landinrichtingsproject de Merode: prinsheerlijk platteland, Inrichtingsplan Beeltjens-Kwarekken – eindvoorstel, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VLM. 2006: Landschapsstudie de Merode, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VMM SECRETARIAAT NETEBEKKEN. 2009: Het bekkenbeheerplan van het Netebekken 2008-2013, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • WOUTERS J. 1996: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat “Het Goor – Asbroek” te Hulshout-Herselt, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • WOUTERS J. 1998: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat ‘Netevallei-Schaapswees’ te Westerlo-Herselt, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • WOUTERS L. & VANDENBERGHE N. 1994: Geologie van de Kempen: een synthese, Brussel.

  • IOK. 2006: Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Westerlo [online], www.westerlo.be.
  • IOK. 2007: Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Hulshout [online], www.hulshout.be.
  • IOK. 2011: Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Herselt – Ontwerp voorlopige vaststelling 26-09-2011 [online], www.herselt.be.
  • S.N., s.d.: Databank Ondergrond Vlaanderen, http://www.dov.vlaanderen.be (geraadpleegd maart 2013).
  • S.N., s.d.: Westerlo, Rietschans, [online], https://sites.google.com/site/schansenab/home/extra/westerlo-rietschans. (geraadpleegd 2014).

Bron     : Aanduidingsdossier ankerplaats 'Dal van de Kleine Nete tussen Nijlen en Grobbendonk', definitieve aanduiding 26/05/2014. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Kinnaer, Anse
Datum  : 2014


Relaties

  • Omvat
    Dekenij Sint-Lambertusparochie met tuin

  • Omvat
    Etagelinde op de markt van Westerlo

  • Omvat
    Het Goor

  • Omvat
    Kasteeldomein de Merode

  • Omvat
    Kasteelpark Jeanne de Merode

  • Is deel van
    Geel

  • Is deel van
    Herselt

  • Is deel van
    Hulshout

  • Is deel van
    Laakdal

  • Is deel van
    Westerlo

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Grote Nete van Zammel tot Zoerle, Beeltjens en de depressie van Goor-Asbroek [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135375 (Geraadpleegd op 12-12-2019)