erfgoedobject

Plateau van Duisburg

landschappelijk geheel
ID: 135377   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135377

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld landschapsatlasrelict Plateau van Duisburg
    Deze vaststelling is geldig sinds 01-12-2011

Beschrijving

Fysische geografie

Geomorfologie

Het macroreliëf is vlak en helt licht af naar het noordoosten. Het is een versneden plateau, wat betekent dat het vlakke karakter onderbroken wordt door tal van korte dalen met een vrij steil verval. De laagste punten, in de valleien, situeren zich op ongeveer 40-50 meter boven de zeespiegel, de meeste delen van het plateau liggen boven de 70 meter met enkele uitschieters zoals Weeberg bij Leefdaal (95 meter), Ganspoel (97,5 meter) en Schonenboom (102,5 meter) bij Duisburg. De gemiddelde hoogteligging bedraagt ongeveer 80 meter boven zeespiegel en maakt talrijke vergezichten mogelijk.

De Brede Weg ligt centraal op het plateau op de waterscheidingslijn tussen enerzijds de Voer en anderzijds de Dijle en de IJse. Vanaf de Brede Weg is het zachtgolvend uitzicht van het plateau zeer goed waarneembaar. De droogdalen voeren vooral regenwater af, plaatselijk zijn bronzones aanwezig zoals in de omgeving van de Ruwaal. Dit zijn plaatsen waar de droogdalen zich in de Brusseliaanzanden hebben ingesneden (zie verder). Vanaf de randen van het plateau, vooral aan de kant van de Dijlevallei noteren we prachtige vergezichten over de vallei richting Meerdaalwoud en Sint-Joris-Weert.

Geologie

Geologisch wordt het gebied gekarakteriseerd door fijne kalkhoudende Lediaanzanden. In de droogdalen en in de overgangen naar de valleien dagzomen Brusseliaanzanden. De hoogste delen liggen op zandformaties van Sint-Huibrechts-Hern (Tongriaan). Het plateau van Duisburg behoort geologisch gezien tot het Brabants Massief, waarop in het tertiair mariene afzettingen werden gedeponeerd. Het is het Brusseliaan dat in hoofdzaak verantwoordelijk is voor het uitgesproken reliëf en het plateaukarakter. Dit Brusseliaan is sterk watervoerend en levert het grootste deel van het debiet van de Dijle en haar bijrivieren in deze omgeving. Daardoor ook konden in vroegere geologische tijden zijvalleien het plateau insnijden. In de laatste ijstijd (weichsel) werd het landschap bedekt met een door de wind afgezette lössmantel. Dit gebeurde ongelijkmatig en veroorzaakte een afzwakking, maar geen fundamentele wijziging van het quartaire reliëf. Tijdens het holoceen (subatlanticum) heeft zich onder bosvegetatie een grijsbruine bosbodem ontwikkeld. Vanaf de eerste ontbossingen werd, vooral op de hellingen, deze bodem gedeeltelijk geërodeerd. Bewerking en bemesting zorgden voor een degradatie waarbij vaak de uitlogings- en aanrijkingshorizont werden weggeërodeerd zodat het moedermateriaal - de kalkrijke löss - en soms zelfs het Tertiair aan de oppervlakte kwam.

Nagenoeg het ganse gebied is bedekt met löss. In de depressies is deze laag veel dikker – soms meer dan 10 meter – dan op de plateaugedeelten. Op de hoogste plaatsen en op de steilste delen kan deze löss volledig weggeërodeerd zijn en kunnen tertiaire zanden opduiken zoals in het Weebergbos en het Tersaertbos.

Bodem

De leembodems met een gevlekte textuur B-horizont zouden ontstaan zijn door opvulling na het vergaan van de wortels van de vroegere loofbossen. In de ontginningsgeschiedenis van het plateau van Duisburg kunnen inderdaad twee zones onderscheiden worden. Het noordoostelijk deel was reeds voor de 11de-12de eeuw bijna volledig ontgonnen en in cultuur gebracht. Het zuidwestelijk deel dat aanleunt bij het Zoniënwoud, bleef langer bebost en het oorspronkelijk landbouwareaal was er veel beperkter. Tot in de 19de eeuw werden er nog belangrijke oppervlakten ontbost. Het noordoostelijk deel van het plateau onderscheidt zich echter niet van het zuidwestelijk deel door een verschillende drainagetoestand van de bodem. De waterhuishouding van de leembodems is homogeen over het volledige plateau van Duisburg (drainageklasse b: droge leemgronden). Bovendien is er slechts een kleine variatie in het voorkomen van tertiaire zandige substraten op geringe diepte.

Wat op de bodemkaart niet duidelijk tot uiting komt, is hoe de ontkalkte leemlaag op verschillende plaatsen ontgonnen werd voor de baksteenproductie. De aanwezigheid van exploitatietaluds en akkerbermen dwars op de hoogtelijnen en talrijke toponiemen zijn evenveel verwijzingen naar deze afgravingen. Vele auteurs gebruiken in dit verband verkeerdelijk de term ‘graften’: graften zijn in feite ontstaan doordat men bij ontginningen smalle stroken bos dwars op de hellingrichting spaarde om erosie van de akkers tegen te gaan. Omdat de grond aldus aan de bovenzijde van de graft werd bewaard en die aan de onderzijde wel wegspoelde ontstond er een steilte of knik in het terrein. Dit zou echter niet het geval zijn voor het plateau van Duisburg en daarom wordt in dit geval beter gesproken van bermen. Vanaf de 14de eeuw en vooral vanaf de 17de eeuw werd baksteen in steeds grotere mate aangewend in de stedelijke en landelijke bouwkunst. De productie in situ en het gebruik van veldovens was in de dorpen rond Leuven tot een eind in de 20ste eeuw vrij algemeen.

Bodemerosie en bodemverlies dreigen uit te groeien tot een ernstig probleem, nauw verbonden met de waterbeheersingsproblematiek (zie hieromtrent de studies en experimenten van J. De Ploey, J. Poesen en G. Govers). Jaarlijks wordt er in augustus een internationale autocross gehouden op akkers nabij Duisburg. Deze zijn op luchtfoto’s goed te herkennen. Enkele dagen na het evenement zijn de akkers opnieuw geëgaliseerd.

Hydrografie

De aanwezigheid van talrijke droge dalen ligt aan de basis van het golvende landschap. Enkele zijvalleitjes van vooral de IJse – bijvoorbeeld de Ruwaal - tekenen zich af in het landschap door de aanwezigheid van grasland, perceelsrandbegroeiing en populierenaanplantingen. Korter bij de valleien liggen talrijke bronnen. Waterlopen zijn er weinig aanwezig: de Vloedgroebe nabij de hoeves Raffelberg en Tersaert op de grens van Vossem en Neerijse en in het verlengde ervan de Lange Gracht tussen Duisburg en Huldenberg stromen door een breed dal waarin ook grote poelen voorkomen.

Flora en Fauna

Inzake flora liggen de zones met de grootste soortendiversiteit rond de bossen en de steilranden. Op het plateau van Duisburg treffen we overwegend pioniervegetaties aan omwille van de hoge dynamiek vooral als gevolg van de intense landbouwactiviteit. Er werden ongeveer 150 pionierssoorten genoteerd, dit betekent bijna 40 procent van de Belgische pioniersflora. Soorten zoals groot spiegelklokje en spiesleeuwenbek werden nog in de laatste decennia genoteerd. Lineaire elementen in het landschap zijn vaak opgaand en bestaan uit eik, es, iep, hazelaar, vlier, sleedoorn en meidoorn. Taluds en bermen zonder houtige gewassen herbergen meestal een glanshavervegetatie. We vinden er droge, mesofiele, mineraalarme tot matig mineraalrijke graslandgemeenschappen met zeldzame plantensoorten en slakken. Sommige bermen hebben een soortenrijke vegetatie, op kalkrijke bermen komen bijvoorbeeld marjolein, borstelkrans en grote tijm voor. Kleine kaardebol en veldsalie werden plaatselijk eveneens genoteerd. Op eerder zuurdere bodems werd rechte ganzerik en eekhoorngras gevonden. Recent werd ook de akkergeelster waargenomen. Holle wegen vertonen een flora die kenmerkend is voor voedselrijke droge bossen met gevlekte aronskelk, maarts viooltje, muskuskruid, bosviooltje, klimop en stekelvarens. De graslanden zijn meestal productief, minder productieve kamgrasweiden komen niet zelden voor. Een kwelgrasland is slechts in de omgeving van Ganspoel te vinden. De bossen worden hoofdzakelijk gekenmerkt door een Wintereiken-Beukenbos.

Inzake fauna is het plateau één van de zeldzame leefgebieden van de hamster en vinden we er één van de weinige relictpopulaties van de vroedmeesterpad in Vlaanderen (poelen bij Tersaert en nabij Ganspoel, en bij de zandgroeves nabij Tersaert). Voor wat de avifauna betreft noteren we dank zij de aanwezigheid van kwalitatieve lineaire elementen in het agrarisch landschap belangrijke populaties van geelgors, veldleeuwerik, gele kwikstaart, zeldzamer zijn kwartel en grauwe gors. In de velden komen blauwe, bruine en grauwe kiekendief voor. De huiszwaluw doet het nog goed in het gebied en in de noordelijke zandgroeve langs de Ganzemansstraat werd een kolonie oeverzwaluwen genoteerd evenals de bijeneter. Het gebied is niet alleen belangrijk als broedgebied voor diverse akkervogels, maar is eveneens een belangrijke rustplaats voor doortrekkers en overwinteraars buiten het broedseizoen.

Cultuurhistorie

Het is een landschappelijk waardevol agrarisch gebied gespaard van verstedelijkingsdruk. Het leemplateau vormt een groot open landbouwgebied met geïsoleerde boskernen. Het plateau is gelegen tussen twee belangrijke oude boscomplexen: Heverleebos-Meerdaalwoud en Zoniënwoud. Het plateau bestaat bijna uitsluitend uit akkers (kouterlandschap of zogenaamd open field landschap), terwijl de resterende oppervlakte wordt ingenomen door bosjes, holle wegen, bermen en graften. De valleihellingen hebben een overwegend gesloten karakter met bosjes, houtkanten en holle wegen. Met uitzondering van enkele beperkte zones van lintbebouwing langs de dwarswegen over het plateau ligt alle bebouwing aan de rand van het plateau.

De dorpskernen zijn als een keten gelegen buiten het plateau, in de valleien, dwarswegen over het plateau verbinden de kernen in de valleien. Bertem, Leefdaal en Vossem liggen langs de Voer, Korbeek-Dijle, Neerijse, Loonbeek en Huldenberg langs Dijle en IJse. In het zuidwesten vinden we eerder plateaudorpen zoals Duisburg en het naburige Eizer (dit laatste ligt grotendeels buiten de afbakening). De kern van Duisburg heeft zich radiaal uitgebreid met uitlopers die gekenmerkt worden door lintbebouwing. Op het plateau zijn relicten gevonden van menselijke activiteiten. Duisburg wordt door een smalle bijna rechte verharde weg verbonden met Vossem. In de omgeving van Duisburg en Huldenberg vinden we nog talrijke serres.

Vooral het noordoosten van het Plateau van Duisburg wordt gekenmerkt door een vrijwel onbebouwd weids open kouterlandschap. Geïsoleerde bospercelen, hier en daar solitaire bomen en bermbegroeiing langs holle wegen en taluds zorgen voor variatie in het landschapsbeeld. Een aantal percelen zijn met populieren beplant. Het landgebruik bestaat voor het grootste deel uit akkerland met vooral graan- en bietenteelt, enkele grotere bossen zoals Weebergbos en Tersaertbos bedekken de steilste hellingen.

De meeste holle wegen zijn niet verhard of hebben in het deel dat het kortst bij de woonkernen ligt een kasseibedekking. De oorsprong van de holle wegen moet gezocht worden bij het samengaan van natuurlijke erosie en menselijke activiteit, bermen zijn ontstaan door afgravingen van de klei-aanrijkingshorizont (B2t-horizont) voor de baksteenproductie. Deze landschapselementen hebben dus meteen ook een cultuurhistorische waarde. Centraal ligt de Brede Weg, die het tracé volgt van een voormalige Romeinse heerbaan en waarvan het grootste deel een betonverharding gekregen heeft ten behoeve van de landbouwexploitatie. Dit geldt eveneens voor een aantal wegen die hierop aansluiten, zij het dat deze meestal slechts twee betonstroken hebben. Delen van holle wegen en ook een aantal veldwegen hebben een kasseibedekking. De Brede Weg fungeert tevens als een belangrijke fietsroute. Langs diverse wegen, op kruispunten en ook in holle wegen worden kapelletjes aangetroffen als getuigenis van volksdevotie. Vaak staan deze kapelletjes nabij een grote solitaire boom.

Historiek van het landschap

Sporen uit de Romeinse periode (57 voor Christus – 481 na Christus) zijn nog duidelijk herkenbaar. De Romeinen bouwden een verhard wegennet uit, voornamelijk om de Rijn en de Noordzee met elkaar te verbinden. De belangrijkste heirbaan in het studiegebied liep van Tongeren naar Kassel en de Noordzee. Vanuit Tienen liep deze weg over Opvelp, Sint-Joris-Weert, Vossem en Duisburg en Kester naar het westen. De huidige Leuvensebaan of Brede Weg is daar nog een getuigenis van. Het diverticulum (landweg) van Namen via Baudecet, Gembloers en Waver naar Rumst (de zogenaamde Oude Waalse weg) kruiste de voornoemde heirbaan in Duisburg. Baudecet lag op de heirbaan Bavai-Tongeren. In de Laat-Romeinse periode liep een tweede tak meer noordwaarts rechtstreeks van Tienen over Leuven naar Elewijt. De wegen Tienen-Kester en Baudecet-Rumst kruisten elkaar aan de kerk van Duisburg. Deze 'secundaire heirbanen' waren in tegenstelling tot de primaire niet gekasseid, wel waren het brede aardewegen, soms tot 7 of 8 meter breed. De huidige Brede Weg (lovenen wech in 1425) loopt van boven aan de Vossemberg over het plateau naar Leuven. Het noordelijk deel te Bertem verdween bij de aanleg van de verkeerswisselaar E40 (toen E5) met de afrit Leuven (en later de E314) omstreeks 1970.

Op het plateau van Duisburg kan men nog sporen herkennen van de Romeinse kadasterindeling. Dit soort kadaster werd teruggevonden in heel Noord-Gallië. In de Leuvense regio werden de duidelijkste sporen aangetroffen tussen Duisburg, Neerijse en Bertem. Het gaat om een systematische perceelsindeling van heel het grondgebied in regelmatige vierkante loten met een zijde van 750 tot 1000 meter. Ze waren overal noordwest-zuidoost gericht, alleen in de vroegere beboste delen van het grondgebied treft men ze niet aan. Deze indeling wordt centuriatio genoemd. Deze loten werden op hun beurt ingedeeld in soortgelijke kleinere loten. Rechte veldwegen, haaks op elkaar, omlijnen deze blokken. De oudste straten zijn deze die het tracé van deze wegen volgen. Straten die over de perceelsgrenzen heen lopen zijn van recentere datum. De percellering en het oude wegenpatroon hebben als basis het kruis dat door de twee voornoemde Romeinse wegen gevormd werd. Romeinse nederzettingssporen zijn teruggevonden evenals restanten van Gallo-Romeinse villa’s en begraafplaatsen.

De houten, primitieve Sint-Veronakapel met grafveld te Leefdaal, daterend uit de 8ste eeuw, vormt de eerste archeologische aanwijzing voor de kerstening van de streek. Grootschalige ontginningen en ontbossingen vonden plaats in de 11de tot de 13de eeuw, diverse toponiemen wijzen hier nog op. Op de kabinetskaart van graaf de Ferraris (1771-1777) wordt het plateau van Duisburg al hoofdzakelijk ingenomen door akkerland afgewisseld met kleinere boscomplexen. Het bosareaal zal nog verder gereduceerd worden in de tweede helft van de 19de eeuw. Rond het Raffelberghof en het Tersaarthof vertoont de veldindeling eigenschappen van de hoogmiddeleeuwse ontginning gekenmerkt door grote blokken.

De grootste veranderingen die zich in de loop van de voorbije eeuwen hebben voorgedaan moeten gesitueerd worden in het westelijk gedeelte: we noteren hier vooral een toegenomen bebouwing en het verdwijnen van het Ganspoelbos. Talrijke toponiemen verwijzen naar het landschap of het vroeger gebruik: Slangepoel, Korbeekveld, Windbergen, Lazendelle, Overhoutveld, Zavelberg, Mosdelle, Heide, Kwade Putten, Weeberg, Bosveld, Keerveld, Eikenveld, Builbos, Raffelberg, Schonenboom, Korenheide. Nabij de centraal op het plateau gelegen hoeve Tersaart ligt het Tersaartbos, daarnaast kunnen nog vermeld worden het Raffelberghof en het Hof ten Bos. In de nabijheid van dit laatste ligt het Instituut Ganspoel, met als kern een villa of landhuis, met bijhorend landschapspark, dat er tussen 1860 en 1865 gebouwd werd. Tijdens het interbellum werd er een instelling voor blinden in gevestigd. De omgeving van Duisburg werd de voorbije eeuw gekenmerkt door talrijke druivenserres, deze verdwenen snel tijdens de laatste decennia omwille van de teloorgang van de druiventeelt in de regio. Langs de dwarswegen over het plateau treffen we stroken met lintbebouwing. In de tweede helft van de 20ste eeuw werden zones op de rand van het plateau aangesneden als bouwzone (bijvoorbeeld Struikenbos bij Neerijse en de omgeving van de Ruwaal te Korbeek-Dijle). Er worden nog steeds nieuwe villa’s en loodsen opgetrokken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, bijvoorbeeld op het plateau bij Korbeek-Dijle tussen de gebieden aangeduid met de toponiemen Lazendelle en Overhoutveld. Centraal op het plateau staat langs de Brede weg een opvallende vakantiewoning.

Bewoning

De dorpskern van Duisburg

De Sint-Katherinakerk ligt op het kruispunt van twee voormalige Romeinse wegen, een gunstig gelegen plek op één van de hoogste punten van de omgeving, tussen de moerassige valleien van de Voer en de IJse en aan de rand van een uitgestrekt woud. Een belangrijk pluspunt was het feit dat er op die hoogte (92,5 meter boven de zeespiegel) water te vinden was dankzij de aanwezige kleiige laag in de ondergrond. Op het kruispunt van de wegen vonden we de Doelpoel of Dollepoel en op het huidige Kerkplein was er de Stokpoel rechts voor de kerk. Het is niet zeker of het ging om natuurlijke of gegraven poelen. Deze poelen waren ideale drenkplaatsen voor de dieren. Ze zijn weergegeven in het kaartboek van de abdij van ’t Park uit 1665. De Doelpoel domineerde het centrum van Duisburg en werd pas omstreeks 1950 met puin opgevuld, vandaag is het een parking. Sommige bronnen laten vermoeden dat het water van de Doelpoel ook voor het brouwen van bier gebruikt werd. In 1982 werd de voormalige brouwerij op het Kerkplein gesloopt. Bij regenweer stroomde het water van de nog iets hoger gelegen Rootstraat naar de Doelpoel. In de 18de eeuw was er sprake van een Meirebrugge die waarschijnlijk op een drassige moeilijk begaanbare plaats gebouwd was. Of de driehoekige vorm van het Dorpsplein verband heeft met een Frankische nederzetting is niet zeker, opvallend is dat de naam dries niet in oude documenten terug te vinden is. Andere gehuchten van Duisburg hadden wel driesen. De dorpskern van Duisburg met de Doelpoel werd afgebeeld in het kaartboek van de abdij van Park (1665 – kaart 237) met de 'Herbaene van Namen op Mechelen' en 'Die baene van Duysborgh op Louen'.

Eigenaardig genoeg is het noordoostelijke deel van het dorpsplein (Kerkplaats) gelegen op het grondgebied van Vossem. De pleinwand bestaat uit een vrijwel aaneengesloten bebouwing van overwegend twee bouwlagen tellende dorpswoningen met zadeldak, waarvan de oudsten in kern opklimmen tot het midden van de 18de eeuw. Beeldbepalend zijn enkele gevels met een decoratieve gevelcementering uit eind 19de-begin 20ste eeuw. Dergelijke gevelafwerking werd ook toegepast bij het 1751 gedateerde dubbelhuis met fraaie Lodewijk XV-deur in een hardstenen omlijsting.

Bespreking van enkele bewoningssites op het plateau

Het ontstaan van de grote, centraal op het plateau gelegen hoeves wordt algemeen gesitueerd in de grote ontginningsperiode van de 12de-13de eeuw en de oprichting van diverse “villae novae”. Niet zelden verwijzen de toponiemen zoals 'ter Saa(r)t' (van het Franse 'sart', rode) of 'ten Bossche' naar de grote bosrooiingen. Ze beschikten tijdens het ancien régime reeds over een uitgestrekt areaal dat rond de 100 à 150 hectare kon schommelen.

De hoeve Raffelberg is gelegen op het grondgebied van Leefdaal. Dit vroegere leen van de heren van Leefdaal kwam in 1514 in het bezit van de abdij van Affligem die het hof tijdens het laatste kwart van de 18de eeuw volledig liet vernieuwen. Van de 18de-eeuwse, gesloten vierkantshoeve in bak- en natuursteen bleven de overluifelde poort en het twee bouwlagen tellende woonhuis met zijn karakteristieke muurvlechtingen en rechthoekige vensteromlijstingen in zandige kalksteen bewaard alsook de kleine, op de hardstenen deuromlijsting 1789 gedateerde stalvleugel. Inmiddels is de grote schuur gesloopt, nadat ze tijdens de storm van begin 1990 zwaar beschadigd werd. Daardoor is het geen vierkantshoeve meer en heeft men een prachtig zicht op de velden. De hoeve werd met diverse loodsen uitgebreid. Ze is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.

Het Hof ten Bossche is samen met Ganspoel gelegen op het grondgebied van de deelgemeente Huldenberg. Het hof ten Bossche wordt reeds in de 15de eeuw samen met Ganspoel vermeld als leen van de heerlijkheid Huldenberg. Ganspoel omvatte toen 33 bunder land en 25 bunder bos, het Ganspoelbos. Reeds in de 17de eeuw werd melding gemaakt van erosieproblemen in de omgeving. In 1620 werden Ten Bossche en Ganspoel verkocht aan de abdij van ’t Park te Heverlee. Het ging toen om 111 bunder landerijen en 50 bunder winstgevend bos. Een deel van de landerijen werd ingenomen door boomgaarden.

Bij de opmeting in 1656 door landmeter Joris Subil (kaartboek abdij van ’t Park, kaart 145) besloeg het hoeveareaal ongeveer 92 hectare, waarvan slechts 3 hectare weidegrond. Langs de weg van Huldenberg naar Duisburg stonden de hoevegebouwen in semi-gesloten opstelling rondom een open plein met in het midden er van een bakhuis. Aan de achterkant leidde een fraaie dreef naar de verderop gelegen velden en weiden. Het leengoed lag te midden een bosrijke omgeving. In 1663 was er al sprake van 75 hectare akkers en 137 hectare bos.

Grote verbouwingswerken werden sinds het einde van de 17de eeuw niet meer vermeld. In de loop van de 18de eeuw evolueerde het hof tot een omvangrijk en gesloten hof, nieuwe stallingen en een wagenhuis werden opgetrokken. In de tweede helft van de 18de eeuw werd Ten Bossche in opdracht van de abdij volledig vernieuwd tot een semi-gesloten, classicistisch geïnspireerde vierkantshoeve. Het huidige, gesloten aspect van deze grote, bak- en natuurstenen hoeve is het resultaat van 19de-eeuwse aanpassingen. Een 1761 gedateerde korfboogpoort, een wellicht gelijktijdig opgericht, ruim woonhuis met kloosterkozijnen en een lichtgetoogde deur met negblokomlijsting, twee stalvleugels en een langsschuur omsluiten de grote, gekasseide binnenkoer met merkwaardige, 32 meter diepe waterput. Op veilige brandafstand, in de voormalige boomgaard, het karakteristieke volume van het bakhuis. Voor de toegangsweg staan enkele monumentale bomen. In het dal achter de hoeve ligt een grote poel.

In 1798 werd Ten Bossche geveild als nationaal goed: het werd omschreven als een goed onderhouden in baksteen en leem opgetrokken geheel bedekt met leien, pannen en stro. De fraaie pachterswoning met marmeren schouw (geïnstalleerd in 1794) omvatte een grote kamer, drie kabinetten, een keuken, kelders en ruime zolders.

Tersaart is gelegen op het grondgebied van de deelgemeente Neerijse. Naar alle waarschijnlijkheid is het ontstaan op een plaats gewonnen op het bos (Waals: sart = rode) in de 12de 13de eeuw. Misschien wel eigendom van de abdij van Corbie, die eigenaar was van de parochie van Neerijse. De oudst gekende eigenaar gaat terug tot de 16de eeuw. In 1846 werd het gekocht door graaf Vanderstegen De Schrick en in 1911 overgekocht door graaf de Liedekerke. Het is een monumentale, tot de 18de eeuw opklimmende, semi-gesloten vierkantshoeve met indrukwekkende langsschuur en L-vormige stalvleugel. In 1934 werd de kleinere dwarsschuur tot stallingen omgevormd en werd er ten zuidwesten van het erf een nieuw woonhuis opgetrokken. De Ganzemanstraat loopt kronkelend door het landschap naar de hoeve Tersaart, een groot deel heeft een typische kasseibedekking.

Een mooi voorbeeld van een kleinere, circa 1840 te dateren, U-vormige hoeve gelegen in Neerijse te Ganzemanstraat 15. Karakteristiek voor deze sobere baksteenarchitectuur zijn de getoogde inrijpoort met duiventil, de nog met vlechtingen en aandaken afgewerkte zijgevels, de kleine dwarsschuur met natuurstenen korfboogpoort en het anderhalve bouwlaag tellende woonhuis met rechthoekige deuromlijsting in blauwe hardsteen.

Kapellen

Hieronder worden enkele markante voorbeelden exemplarisch toegelicht, dit geeft geen volledig overzicht van alle kapellen binnen de ankerplaats.

De Sint-Veronakapel te Leefdaal: Op de rand van het plateau ligt deze merkwaardige kapel tussen bomen, het is een preromaanse en romaanse constructie (10de – 13de eeuw) aan de ingang van het dorp. De kapel bestaat heden uit een westertoren, drie beuken van drie traveeën en een rechthoekig koor. Recente bijbouw aan de zuidoostzijde. In de kapel bevindt zich een merovingische sarcofaag opgegraven in 1951.

Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskapel in de Limburg Stirumlaan: Aan de overzijde van de straat, ter hoogte van een veldweg staat een wit bepleisterde, octogonale wegkapel opgedragen aan Onze-Live-Vrouw van Lourdes die in 1871 werd opgericht door Jozef Minet, pachter van Hof ten Bossche, ter genezing van zijn veertienjarige dochter.

Sint-Rochuskapel in de Limburg Stirumlaan: Op een rand van het plateau ingeplante en door vier linden omkaderde, laat barokke, 1727 gedateerde processiekapel voorafgegaan door een steile trappartij. In 1919 werd het bak- en zandstenen rechthoekige volume met driezijdig koor uitgebreid met een pittoreske, houten luifel.

Sint-Barbarakapel, hoek Kleermakersstraatje (Keersmakersstraat)-Huldenbergstraat te Duisburg: Ter hoogte van een kruising van veldwegen, gemarkeerd door een monumentale boom. 1865 gedateerde, neoclassicistische Sint-Barbarakapel met gecementeerde gevel, verlevendigd met een portiekschildering rond het traliehekje. Niet te verwarren met de Sint-Barbarakapel te Vossem.

Oude trambedding Neerijse-Duisburg

Deze trambedding maakte deel uit van de buurtspoorwegverbinding Tervuren-Tienen via Sint-Joris-Weert, Hamme-Mille en Beauvechain. Zij verbond dus typische agrarische gemeenten met de steden. De concessie voor deze lijn werd verleend in 1897 aan de S.A. pour l’Exploitation des Chemins de Fer Vicinaux. Het traject Sint-Joris-Weert – Vossem werd in 1905 in gebruik genomen. Het traject liep kronkelend over het plateau van Duisburg langs de hoeves Tersaert (waar een oplaadplaats was) en Raffelberg. In 1920 neemt de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen (NMVB) de exploitatie over. In 1957 werd het reizigersvervoer tussen Vossem en Hamme-Mille opgedoekt, in 1959 volgt ook het goederenvervoer. Deze tramlijn werd nooit geëlektrificeerd. De 'statie' van Duisburg (een halteplaats zonder stationsgebouw maar wel met een herberg die als dusdanig fungeerde) telde twee sporen, een hoofdspoor en een zijspoor. De gemeente Duisburg heeft de bedding op haar grondgebied aangekocht, ze is nog op verschillende plaatsen goed herkenbaar en vormt een onderdeel van het cultuurlandschap op het Duisburgs plateau.

Militair erfgoed: de KW-linie (Koningshooikt-Waver)

Midden 1938 besloot de Generale Staf een studie te maken omtrent de KW-stelling, het eerste deel van een uitgestrekte verdedigingsstelling die het bruggenhoofd Antwerpen moest verbinden met de versterkte vesting Namen. Reeds in 1934 was een tijdelijke wet uitgevaardigd (de geldigheidsduur van de wet werd in 1936 en 1937 verlengd) om snelle onteigeningen ten behoeve van defensie mogelijk te maken. Met de bouw van de tankhindernis Lier-Heverlee werd gestart op 29 augustus 1939. Deze bestond uit zogenaamde metalen Cointet-elementen (genoemd naar de Franse generaal Leon Edmond de Cointete de Filain) die verankerd werden aan betonnen palen. Men sprak van een 'IJzeren Muur'. Enkele van deze palen bestaan vandaag nog. Daarnaast werd gebruik gemaakt van tetraëders en railvelden, te Haacht werd de betonnen muur (antitankgracht) gebouwd. Twee rijen gevechtsbunkers moesten voor de bewaking instaan. Sommige waren zodanig gecamoufleerd dat ze op een huis leken. De stelling werd uitgebreid van Heverlee tot Waver en Rixensart. Het was de bedoeling de Dijlevallei onder water te zetten door de aanleg van dijken en constructies om het waterpeil te regelen. Slechts één rij gevechtsbunkers moest voor de bewaking kunnen instaan. Van Borgerhout tot Waver kwamen hier begin 1940 nog 40 bunkers voor telefooncentrales (type C) en 80 connectiebunkers (type V) voor het ondergronds telefoonnet bij. Het gaat om kleinere bunkers zonder schietgaten en observatiesleuven gelegen achter de lijn met de gevechtsbunkers. Tussen Leuven en Waver werden de telefoonlijnen echter nooit gelegd. Er werden wel nog stellingen Waver-Ninove en Waver-Namen gebouwd. Tussen Heverlee en Waver waren er 22 gevechtsbunkers van de eerste echelon, 14 type C en 24 type V

Aantal bunkers per gemeente (nu deelgemeenten) die deel uitmaakt van het Plateau van Duisburg: Bertem (4) – Duisburg (2) – Heverlee (19) – Huldenberg (5) – Leefdaal (6) – Leuven (2) – Loonbeek (3) – Neerijse (2) – Overijse (6) – Vossem (2), dit op een totaal van 416 bunkers. We konden vier bunkers situeren binnen de afbakening van de ankerplaats, waaronder enkele van het geplande telefoonnet gelegen in holle wegen. De bunkers zijn tevens gegeerde woonplaatsen voor vleermuizen. Eén van deze bunkers is gelegen in de Flosstraat te Vossem ter hoogte van woning nummer 4, de andere liggen in bermen ter hoogte van Ganspoel (Huldenberg), zandgroeven Ganzemansstraat (Neerijse), een holle weg ten westen van Kinderveld (Leefdaal).

De krijgsdienstbaarheden van kracht op de terreinen van de KW-linie werden ingevoerd krachtens een schrijven aan de gemeenten van 20 december 1939, steunende op een wet van 8-10 juli 1791 en van 4 februari 1815. Een eerste reeks militaire erfdienstbaarheden van de KW-stelling werd afgeschaft bij Koninklijk besluit op 24 mei 1951. Een tweede reeks volgde op 3 november 1952.

Alle Cointet-elementen, tetraëders en railvelden werden al in 1940 verwijderd, sommige kregen nog een functie aan de Atlantikwall. Hier en daar resten vandaag nog enkele betonnen aanhechtingspunten. De antitankgracht bestaat eveneens nog, ze werd beschermd als monument op 21 december 1998 en kreeg gedeeltelijk een natuurfunctie. De meeste nog bestaande bunkers werden vervreemd, ze werden te koop aangeboden aan gemeenten en aan de eigenaren van de aanpalende gronden. Ze zijn moeilijk te verwijderen er staan nog in velden en tuinen. Slechts enkele zijn gesloopt.

Archeologie

Om een overzicht te verkrijgen van de gekende archeologische vindplaatsen binnen de ankerplaats werd de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) geraadpleegd.

Binnen de afbakening van de ankerplaats Plateau van Duisburg valt op dat de archeologische sites binnen elke zone sterk verspreid liggen en dat daartussen vaak blanco gebieden gelegen zijn. Hiervoor kunnen twee oorzaken aangeduid worden. In eerste instantie is onze kennis in sterke mate afhankelijk van het feit of er in het gebied projecten werden uitgevoerd die erop gericht waren archeologische sites te detecteren, of kleine en grote infrastructuurwerken al dan niet systematisch werden opgevolgd en of er lokale heemkundekringen en individuen in het gebied actief zijn geweest die in hun vrije tijd systematisch de terreinen prospecteerden. Anderzijds lenen niet alle bodems zich voor een eenvoudige veldkartering. Graslanden, bossen en sterk bebouwde zones lenen zich niet voor het karteren van een site door middel van een eenvoudige veldprospectie. Dus zowel de eerdere interesse voor een gebied als de bodemkundige en landschappelijke kenmerken ervan zorgen ervoor dat er sommige gebieden op archeologisch vlak beter gekend zijn als andere.

De vindplaatsen aangeduid binnen de ankerplaatsen omvatten enerzijds toevalsvondsten, aangetroffen in het kader van een prospectie of een veldkartering (onder andere losse vondsten uit de steentijd) en anderzijds een aantal monumenten die nu nog zichtbaar zijn in het landschap (onder andere grafheuvel, villa's, hoeves, wegen, kapellen,...).

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, uitgegeven tussen 1950-1975, schaal 1:20.000, kaartblad 89E (Leuven).

  • BAEYENS L. & DUDAL R. 1959: Bodemkaart van België: verklarende tekst bij het kaartblad Duisburg 103W, Brussel.
  • BAEYENS L. 1959: Bodemkaart van België: verklarende tekst bij het kaartblad Leuven 89, Brussel.
  • BAEYENS L. 1959: Bodemkaart van België: verklarende tekst bij het kaartblad Hamme-Mille 103E, Brussel.
  • BAEYENS L. 1962: Bodemkaart van België: verklarende tekst bij het kaartblad Erps-Kwerps 89W, Brussel.
  • BRUMAGNE W. 1999: Leefdaal 1780-1855. De moeilijke geboorte van een nieuwe tijd, Leuven.
  • CASTEELS R. & VANDEGOOR G. 2002: 1940 in de regio Haacht. De Belgische eenheden op de KW-stelling, s.l.
  • CRESENS A., CRAPS F., BRUMAGNE W. & VAN UYTVEN R. 1984: Oude dorpsgezichten en landschappen in het natuurpark Dijleland, Heverlee.
  • DE PLOEY J. 1986: Bodemerosie in de Lage Landen: een Europees milieuprobleem, Leuven.
  • DENEEF R. & OSTYN G. 1986: Landschappelijke waarden, problemen en mythen in een loessleemgebied: het plateau van Duisburg, Documentatiemap Landschapsonderzoek 15, 3-69.
  • DENEEF R. & OSTYN G. 1987: Landschappelijke waarden, problemen en mythen in een loessleemgebied: het plateau van Duisburg, Monumenten, Landschappen & Archeologie 6.3, 8-31.
  • DIRIKEN P. & VAN DE GENACHTE G. 2000: Landschapskenmerkenkaart Vlaams-Brabant, s.l.
  • DUSSART F. 1961: Les types de dessin parcellaire et leur répartition en Belgique, Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige studies 30.1, 21-65.
  • GOVERS G., PAULISSEN E., POESEN J., DE PLOEY J., MUECHER H. & DEPUYDT F. 1985: The Huldenberg experimental field. Excursion Guide. Workshop on Soil Erosion and Hillslope Morphology with Emphasis on Higher Magnitude Events. Leuven, 27-30 maart 1985.
  • LEMAIRE R.M., GERNICOT L.F., VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK S., DE CROMBRUGGE A., SANSEN H., VANHOVE J. & GYOMEREY G. 1971: Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen. Architectuur, deel 1, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, Liège.
  • LORENT J. 1981: Perceelsecologische aspecten van de gemeente Bertem, Jaarbulletin van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud 1981, 43-53.
  • MARTENS E. 1983: Omtrent het hof ten Bosch, Huldenbergs Heemblad 1983, 141-159.
  • MARTENS E. 1984: Omtrent het hof ten Bosch, Huldenbergs Heemblad 1984, 17-40.
  • MARTENS E. 1984: Omtrent het hof ten Bosch, Huldenbergs Heemblad 1984, 73-82.
  • MARTENS E. 1984: Omtrent het hof ten Bosch, Huldenbergs Heemblad 1984, 141-153.
  • MENS & RUIMTE. 2003: Landinrichtingsproject Brabants plateau: cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke aspecten van het landschap, Brussel.
  • MOREELS A. 1952: Studie van de Tersaathoeve te Neerijse, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven.
  • OCKELEY J. 1983: Het Affligems kloosterdomein op het einde van de 18de eeuw, Eigen Schoon en de Brabander 1983, 157-184.
  • PIED R. 1991: Wavre “centre antichar” et les défenses environnantes sur la ligne K.W., T.1 (1939-1940), Wavre.
  • VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LANI S. 2000: Het kaartboek van de Abdij van Park 1665, Brussel.
  • VAN LANI S. 1999: Abdij van 't Park: Pachthoeven en landbouwdomein, Heverlee.
  • VERBESSELT J. 1984: Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, Vol. 15: Erps-Kwerps - Bertem - Sint-Verone - Leefdaal, Pittem.
  • VERBESSELT J. 1984: Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, Vol. 16: Vosssem - Duisberg - Tervuren - Korbeek-Dijle - Neerijse - Loonbeek - Huldenberg, Pittem.
  • VERHAEGEN T. 1984: Labo-experimenten en terreinwaarnemingen in verband met de erosiegevoeligheid van lemige bodems, onuitgegeven doctoraal proefschrift, Katholieke Universiteit Leuven.
  • WIJNANTS M. 1996: Duisburg, oude vrijheid op nieuwe wegen: bijdragen tot de geschiedenis van Duisburg nav 20 jaar dorpsfeesten (1976-1996), Vura Ducum, Tervuren.
  • WIJNANTS M. 2000: Het hof ten Bosch, Huldenbergs Heemblad 19.4, 249-269.

Bron     : Aanduidingsdossier ankerplaats 'Plateau van Duisburg', definitieve aanduiding 01/12/2011. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2011


Relaties

  • Is deel van
    Bertem
    Bertem (Vlaams-Brabant)

  • Is deel van
    Duisburg
    Duisburg (Tervuren)

  • Is deel van
    Heverlee
    Heverlee (Leuven)

  • Is deel van
    Huldenberg
    Huldenberg (Vlaams-Brabant)

  • Is deel van
    Korbeek-Dijle
    Korbeek-dijle (Bertem)

  • Is deel van
    Leefdaal
    Leefdaal (Bertem)

  • Is deel van
    Loonbeek
    Loonbeek (Huldenberg)

  • Is deel van
    Neerijse
    Neerijse (Huldenberg)

  • Is deel van
    Overijse
    Overijse (Overijse)

  • Is deel van
    Vossem
    Vossem (Tervuren)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Plateau van Duisburg [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135377 (Geraadpleegd op 25-08-2019)