is aangeduid als vastgesteld gebied in de landschapsatlas Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos
Deze vaststelling is geldig sinds
omvat de aanduiding als erfgoedlandschap 't Kriekske
Deze aanduiding is geldig sinds
omvat de aanduiding als erfgoedlandschap Hallerbos, Lembeekbos, Maasdalbos
Deze aanduiding is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Maasdalbos
Deze bescherming is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Maasdalbos
Deze bescherming was geldig van tot
Hallerbos - Lembeekbos – Maasdalbos toont het typische landschap van de Brabantse Ardennen in al zijn verscheidenheid. Gekenmerkt door een golvende topografie met beekvalleien en boscomplexen, complexe verweving van open ruimten en bebouwing en geïsoleerde bossen heb je op sommige hoger gelegen locaties vergezichten op de omgeving. De oudste geologische lagen van heel Vlaanderen komen er aan de oppervlakte. Op zoek naar steen, zand en andere bouwmaterialen boorde de mens in het verleden die lagen aan. Sporen van verlaten groeven zijn op verschillende locaties nog te zien.
Hallerbos (622 ha), Lembeekbos (108 ha) en Maasdalbos (18 ha) zijn (oude) bossen met een verschillende ontstaansgeschiedenis. Samen met het Zoniënwoud vormen ze een bosrijke regio, zeker als je bedenkt dat het Hallerbos tot 1830 fysiek bij het Zoniënwoud aansloot en er zelfs één boscomplex van ruim 10.600 ha mee vormde. Kenmerkend voor deze bossen op het plateau tussen Zenne en Zoniën zijn de beekvalleitjes met brongebieden en markante terreinovergangen. Wie de bossen in het voorjaar bezoekt, waadt doorheen een paarse zee van wilde hyacinten.
Van west naar oost loopt het terrein naar omhoog, ruwweg gesteld. De Zenne in het westen ligt er het laagst (rond 35m hoogte), terwijl Hallerbos op het hoogste punt bijna 130m bereikt, net geen 100m hoogteverschil over een afstand van 5km. Beekvalleitjes, waaronder de Steenputbeek, doorsnijden het terrein en zorgen voor reliëf. Hallerbos en Lembeekbos liggen op de rand van het Brabants leemplateau, dat aan de westkant door de Zennevallei is begrensd.
Je vindt er ook geologische sporen van de oude Zenne, onder de vorm van rivierterrassen, herkenbaar als een vlak terrein in de valleiwand. De Mussenberg is zo een voorbeeld van een hoogterras, een grindafzetting uit de Mindelijstijd van ongeveer tussen 700.000 en 600.000 jaar geleden, toen de Zenne nog ongeveer op 75m hoogte stroomde en zich nog niet diep had ingegraven. De 1 à 2m dikke grindlaag bevindt zich onder de leem en bestaat uit gerolde keien in grof zand. Het diep ingraven van de Zenne is een langdurig proces van ettelijke honderdduizenden jaren geweest, waarbij het niveau van de alluviale vlakte zich telkens verlaagde tot dat van de huidige Zennevallei.
Nog veel ouder zijn de gesteentes uit het cambrium die her en der in de regio aan de oppervlakte komen. Halle en omgeving staan hiervoor gekend. Het is de locatie waar de oudste geologische lagen van Vlaanderen te vinden zijn. Ze zijn ruim 540 miljoen jaar oud, toen een relatief ondiepe zee het oppervlak bedekte en grof zand afzette, dat later door samendrukkingsprocessen en warmte tot harde gesteentes werd samengeperst. Ze behoren tot de formatie van Tubize. De gesteentes die daarin voorkomen zijn herkenbaar aan hun groene kleur, veroorzaakt door het mineraal chloriet. Een bekende vindplaats is de groeve van Rodenem in de rechterflank van het Zennekanaal Brussel-Charleroi ten zuiden van Halle. Eén van de flanken uit de groeve is bewaard gebleven en toont deze oudste gesteentes in profiel. En er zijn nog vindplaatsen. Vlak bij het oude kasteel van Lembeek (afgebroken in 1972) steekt een stuk rots uit. Die locatie is niet gekend als een groeve, maar het is er mogelijk wel één geweest, omdat ook hier een abrupt boven het maaiveld verschijnende verticale wand doet denken aan andere historische groeves. Bovendien is het overgebleven muurparement van de kasteelruïne van Lembeek in dezelfde steen opgetrokken. Waarschijnlijk vormde deze plek dus de groeve voor de levering van de bouwstenen van het kasteel van Lembeek. Ook andere gebouwen, zoals de Malakofftoren of de kerk van Lembeek zijn opgetrokken in lokale steen.
Nog oudere gesteentes uit de formatie van Blanmont zijn gevonden in het Hallerbos in een oude steengroeve langs de Steenputbeek (Houthuys 2010). Samengeperst tot het zeer harde kwartsiet is dit massieve gesteente herkenbaar aan de witte tot paarse kleur. In 1767 gaven de toenmalige eigenaars van Hallerbos toestemming om in deze omgeving stenen te delven voor de verharding van de weg Brussel-Mons. Maar door de scherpe kanten bleken de stenen niet erg geschikt als bestratingsmateriaal. Na zes jaar stopte de ontginning. Wat overbleef was de storthoop van achtergelaten materiaal, nu bekend als de Kristalberg. De groeve zelf is door de natuur herwonnen en bestaat uit bos boven oude steenpoelen.
Maar hoe kwamen deze heel oude harde gesteenten in deze omgeving terecht? Daarvoor moeten we terug grijpen naar oeroude krachten die lang geleden aan het werk gingen.
Het klinkt wat ongewoon, maar onder heel dit gebied ligt een gebergte begraven, het Brabants massief, ouder dan de Ardennen of de Alpen. Ongeveer 440 miljoen jaar geleden ontstond het, toen één van de continenten naar het noorden opschoof en tegen andere opbotste. De botsing frommelde de aardlagen op en stuwde ze naar omhoog. Dat verklaart waarom in sommige groeven sommige rotslagen wel rechtop lijken te staan. Door de enorme krachten van de botsing gingen horizontale gesteentepakketten hellen. In sommige gevallen zoals in de omgeving van Halle eindigden ze zelfs verticaal, wat voor een stevige verankering tot in de aardmantel zorgde. In de miljoenen jaren na de gebergtevorming kreeg erosie vrij spel. Ook al zag het Brabants massief er aanvankelijk als een echt gebergte uit, na een miljoenen jaren durend proces van erosie vlakte het enorm af. Erosie in combinatie met een zeespiegelstijging zorgde ervoor dat ongeveer 80 miljoen jaar geleden het oude gebergte door zee overspoelde. Door opeenvolgende processen van landdalingen en stijgingen, de afwisseling tussen diepe en ondiepe zeeën, tussen woelig en rustig water, de nabijheid of afstand van een kust raakte het oeroude gebergte bedekt met klei- en zandlagen, wat de afzetting verklaart van de zanden van Grandglise, Ieperse klei, zanden van Brussel. Onder het Hallerbos vormt de laag zanden van Brussel een dik pakket van 25 tot 30m. Maar ook elders in het gebied zijn zones met dikke zandpakketten bekend, zoals in Maasdalbos waar twee tot in de jaren 1950 actieve zandgroeven, Cromphout en Van Steenberghe, genoemd naar de uitbaters, hun sporen hebben nagelaten. De randen van de voormalige zandgroeven zijn nu nog herkenbaar aan hun zeer steile hellingen.
Vermoedelijk kwam ongeveer 30 miljoen jaar geleden een einde aan de opeenvolgende zee-overstromingen, wat de afzetting van mariene sedimenten stopzette. Vandaag dekt een fijne leemlaag (löss) de ondergrond af. Maar deze löss is veel recenter en kende een andere ontstaansgeschiedenis die aan de ijstijden kan worden gekoppeld. Vanuit het noorden voerden koude winden leemdeeltjes aan die in een brede strook in midden-België neerdwarrelden en de huidige leemstreek deden ontstaan. Deze keer geen zee-afzettingen maar afzettingen door de wind bepaalden de bovenste laag waarin onze bodems zich zouden ontwikkelen. Enkel van de laatste ijstijd bleef het löss bewaard (van ongeveer 50.000-13.000 jaar geleden). Door erosie kwamen her en der de onderliggende zandlagen (formatie van Brussel) tevoorschijn, herkenbaar aan de oranjerode verweringskleur. Maar het zand werd ook door de mens bewust opgedolven, waarvan de zandwinningen zoals die aan Keldergat in Hallerbos of de zandgroeven van Maasdalbos getuigen. Meestal zijn deze zandwinningen recent en diende het zand voor de aanleg of het herstel van boswegen.
Langdurig hetzelfde landgebruik, in Vlaanderen kom je het niet vaak tegen. Maar Hallerbos is samen met nog enkele andere oude bossen een voorbeeld van locaties die eeuwenlang als bos zijn beheerd. Zelden kun je puur op basis van archiefstukken de ouderdom van een bos met zekerheid tot zover in de tijd terugvoeren, maar hier kan dat wel omdat het bos voorkomt in goederenbeschrijvingen uit 1194 en 1278 van een vrouwenklooster, het Sint-Waltrudiskapittel uit Mons dat Hallerbos in (mede)eigendom had. Oudere schriftelijke bronnen bestaan er niet van, maar toch menen vele auteurs het bestaan van Hallerbos al in de 7de eeuw te mogen situeren, enkel en alleen omdat Waltrudis in de 7de eeuw leefde en zij (als lid van de merovingische aristocratie) haar bezittingen aan het klooster zou hebben geschonken. Maar daar bestaat geen enkel bewijs van. Waarschijnlijk verwierf het klooster haar eigendommen in Halle later. Een stichtingsoorkonde is niet bewaard gebleven.
Het Sint-Waltrudiskapittel was overigens niet de enige eigenaar van Hallerbos. Het moest haar eigendom met anderen delen, eerst met de voogd die de wereldlijke macht over het kapittel vertegenwoordigde en vanaf de 12de eeuw ook met de graven van Henegouwen. In de strijd om macht en territorium hadden de graven van Henegouwen zich aan het kapittel opgedrongen. Ze pikten een deel van de inkomsten van het kapittel in, wonnen vooral ook aan rechten en territoriale aanspraken. In de 12de-13de eeuw was de regio de inzet geworden in de strijd tussen Henegouwen en de hertogen van Brabant. Deze laatsten hadden hun claims al op het Zoniënwoud hard kunnen maken, maar moesten in Halle de duimen leggen tegen de graven van Henegouwen. Voortaan zou de grens tussen de territoria door het bos lopen. Hoewel Hallerbos en het Zoniënwoud toen nog één aaneensluitend boscomplex vormden, ging Hallerbos tot het graafschap Henegouwen behoren en het Zoniënwoud tot het hertogdom Brabant.
Nog een eigendomswissel volgde in de 17de eeuw. Toen trad Philippe François d’Arenberg als (mede)eigenaar van Hallerbos op de voorgrond, in de plaats van de graven van Henegouwen. Sinds 1652 (en tot de opheffing van het kapittel in 1792) telde het bos nog twee eigenaars: het Sint-Waltrudiskapittel en de Arenbergs.
De hele geschiedenis verklaart waarom een deel van het noordelijke Hallerbos tot op vandaag het Kapittelbos wordt genoemd. Dat toponiem geeft aan welk deel het Sint-Waltrudiskapittel in eigendom had. In 1779 kwamen het kapittel en de Arenbergs immers overeen om hun eigendom fysiek te verdelen. Voorheen was het bos hun gemeenschappelijk bezit: ze deelden de inkomsten en beslisten samen over het beheer van het bos. Sinds 1779 bekrachtigden 24 grenspalen de opsplitsing van hun mede-eigendom tot twee aparte delen die elk afzonderlijk werden beheerd.
In een hakhoutbos worden de bomen onderaan de stam, dus kort boven de grond, gekapt. De overblijvende stronk vormt daarna nieuwe takken of uitlopers, die traditioneel na enkele jaren opnieuw worden gekapt. Het middeleeuwse Hallerbos was zo een hakhoutbos (ook raspaille of bois de raspe genoemd), waar het hout om de 10 tot 18 jaar werd gekapt. Een Latijnse oorkonde uit 1229 omschrijft Hallerbos als een raspailliis met een omlooptijd van 10 jaar. Elk jaar kapte men ongeveer een tiende deel van het bos tot men in het tiende jaar terug bij het begin uitkwam en de kapcyclus opnieuw begon. De jaarlijks gekapte oppervlakte noemde men een houw of een taille. Rond 1500 telde het bos 18 houwen, wat doet vermoeden dat de omlooptijd tot 18 jaar was opgelopen. Een 18de-eeuwse kaart toont Hallerbos met 13 houwen. De jaarlijks gekapte oppervlakte kon dus variëren evenals de duur van de kapcyclus. Sommige toponiemen in het huidige bos gaan nog terug op die oude houwnamen, zoals Tranendal (18de eeuw), Kluisbos of hermitage, verwijzend naar een 15de-eeuwse kluizenaarswoning in het bos.
Andere houwnamen verwijzen dan weer naar een boomsoort, zoals de eikenhouw, de beukenhouw, de drie linden, de rode appelaar, wat een diverse samenstelling van het bos doet vermoeden. Vermoedelijk was eik de dominante boomsoort tot in de 17de-18de eeuw, omdat de domeinrekeningen die soort heel vaak vermelden. De domeinrekeningen hebben het immers over de verkoop van hakhout, gevolgd door de verkoop van opgaande eiken en wit hout (meestal grauwe abeel of es). Deze opgaande bomen waren wellicht overstaanders of zaadbomen die bij elke kapcyclus uitgeselecteerd of gedund werden. Ze werden apart verkocht of waren bestemd voor herstellingswerken aan domeingoederen in de buurt.
In de oudste bewaarde domeinrekening van 1375 staat een bijzondere inkomstenpost vermeld onder de titel “pour plusieurs biestes a corne et chevaux en pasture alant pastre ce bos de Hal en lestet lan LXXV”. In de 14de eeuw graasden koeien en paarden in het Hallerbos. Ongewoon was dat niet, want in vele bossen hadden omwonenden, soms ook veehandelaars, het recht om tegen betaling enkele van hun dieren in het bos te herderen. In totaal ging het toch als snel om een 100-tal dieren, soms veel minder. Hun aantal kon jaarlijks sterk variëren. En ook al mocht het vee de pas gekapte houwen niet in, toch moet die begrazing een impact hebben gehad op de samenstelling van het bos. Niet verwonderlijk dat Hallerbos ‘vage plekken’ of wastines en heides binnen de contouren van het bos telde. Een oorkonde uit 1239 vermeldt “tout li bos de Hal, wastines, raspailles, bruières et toutes li faites choses qui pertienent al bos”. Bij de eigenaars was die begrazing daarom zelden populair.
Vanaf het einde van de 14de eeuw zien we begrazing grotendeels verdwijnen of occasioneel vervangen worden door de zogenaamde paisson of het recht om eikels (glands) of andere vruchten (soms ook wilde appels, mispels, beukennootjes) in het bos te rapen of door varkens en andere dieren ter plaatse te laten eten. In de praktijk kwam het er meestal op neer dat er enkel in mastjaren, dat zijn jaren met een overvloedige eikeloogst, gegadigden waren die voor de paisson wilden betalen.
Aan deze praktijken kwam een einde als gevolg van wijzigingen in het bosbeheer. Voor Hallerbos situeren we deze omslag intuïtief bij begin 19de eeuw, samenhangend met de uitbreiding van het bosbezit door de Arenberg-familie. In 1831 kochten ze dat deel van het bos dat voorheen eigendom was van het Sint-Waltrudiskapittel van Mons en werden de Arenbergs voortaan de enige eigenaars van het 625 ha grote Hallerbos. De Arenbergs stonden bekend voor hun goed georganiseerde commerciële bosbeheer, waaruit ze heel wat inkomsten haalden. Ongeveer de helft van hun domeinbezit in België bestond tegen 1860 uit bos (9500 ha bos op een totaal van 18.000 ha grondbezit)! Onder hun beheer evolueerde Hallerbos naar een middelhoutbos met veel opgaande bomen (opperhoutrijk middelhout), als een tussenfase in de omvorming naar een hooghoutbos zoals we dat vandaag kennen. Omdat hakhout geleidelijk commercieel minder interessant werd en de vraag naar hout voor de mijnbouw zeker in de 19de eeuw groeide, vormden de beheerders geleidelijk grote stukken om. Dat proces verliep traag. Hallerbos bleef tot na de eerste wereldoorlog hakhout onder opgaande bomen hebben.
En vaak introduceerden ze bij de omvorming ook nieuwe uitheemse boomsoorten, die de beheerders in eigen boomkwekerijen in het bos kweekten. Tegen het midden van de 19de eeuw telde Hallerbos al bijna 140 ha naaldhoutbestanden op een totaal van 465 ha. Het totale bosareaal was tegen het midden van de 19de eeuw ingekrompen, omdat de Arenbergs vooral in de rand van het bos heel wat percelen naar landbouwgrond lieten omzetten.
Duizenden bezoekers van over de hele wereld trekken jaarlijks naar het Hallerbos als het tapijt van wilde hyacinten het bos in een paarse gloed hult. Iedereen kan het bos bezoeken omdat het openbaar is. Maar was het geen eigendom van de Arenberg-familie? Zo was het toch tot in 1918, het jaar dat de Belgische staat onverwacht het Hallerbos in bewaring nam. Vlak voor het einde van de eerste wereldoorlog plaatste de overheid de goederen van personen uit landen die tegen België de wapens hadden opgenomen, onder sekwester totdat een oplossing zou worden gevonden voor de terugbetaling van de door België geleden oorlogsschade. Omdat de overheid de familie als ‘Duits’ beschouwde, werd Hallerbos aan hun eigendom onttrokken, samen met heel wat andere Arenbergbossen.
‘Waters en Bossen’ zag er een kans in om de oorlogsschade aan het staatsbosdomein te compenseren. Daarom drong deze overheidsadministratie, gesteund door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, aan op de integratie van deze bossen bij het staatsdomein. Zo ging het tijdelijke beheer van het Hallerbos door het sekwester in 1929 definitief over op ‘Waters en Bossen’ (nu agentschap Natuur en Bos).
Toen ‘Waters en Bossen’ het bos in 1929 begon te beheren, erfde het een terrein dat in grote mate was kaalgeslagen. Om de grote nood aan hout aan het front te lenigen, waren bijna alle stevige opgaande bomen tijdens de oorlog in opdracht van de Duitse bezetter gekapt. Daar bovenop kwam nog dat de toenmalige eigenaar (Arenberg) ook de overblijvende jonge bomen liet kappen. Wat overbleef waren stukken hakhout van kastanje en robinia die voorheen onder de opgaande bomen groeiden.
Na de oorlog begon de moeizame herbebossing. In bijna 20 jaar klaarde men die klus. Daarbij koos het beheerscomité nog uitsluitend voor hooghout. De laatste percelen hakhout verdwenen daarbij. Omdat de herbebossing vooral tussen 1930-1950 plaatsvond zijn de meeste bomen nog relatief jong. Hallerbos is een oud bos... met jonge bomen.
In tegenstelling tot Hallerbos en Lembeekbos is Maasdalbos niet altijd bebost geweest. Volgens de Ferrariskaart was het bos, maar de Vandermaelenkaart uit 1835 toont de Meysdelle, want dat is de historische benaming van het huidige Maasdal (tiendenkaart 1754), als een open terrein met akkers en graslanden. In het begin van de 20ste eeuw kocht Halle het gebied met het oog op waterwinning en toevoer naar de stad. Meerdere gemeenten in de streek hadden hun eigen kleinschalige waterwinning. In de kwelzone tussen de Maasdalbeek en de Veugeleer legde de stad ondergrondse betonnen winningsgalerijen aan, met toegangsputten doorheen het bos. Enkele decennia bleef de waterwinning er actief, tot ze in 1967 werd stopgezet omdat de kleinschalige waterwinning niet tegen de concurrentie vanuit Wallonië op kon. Maasdal verboste opnieuw. Op de lager gelegen gronden in het bos liggen nog altijd bronzones, het begin van de Maasdalbeek. De twee bospoeltjes ontstonden in de jaren 1960 door afdamming van de bovenloop van de beek.
Van het 108 ha grote Lembeekbos wordt wel eens beweerd dat het ‘ooit’ één geheel vormde met Hallerbos en het Zoniënwoud, maar daar bestaat geen enkel bewijs van. Wel weten we dat Lembeekbos tot de heerlijkheid Lembeek behoorde en dat de heerlijkheid al voor 1182 bestond. De oudste expliciete vermelding van het Lembeekbos of Beersbroekbos dateert van 1466. Bijzonder aan Lembeek was zijn statuut als vrijheid: het behoorde niet tot het graafschap Henegouwen (zoals voor Halle en Hallerbos wel het geval was), maar evenmin tot het hertogdom Brabant. Het was neutraal (“ne relevant que de Dieu et du soleil”) en genoot van bijzondere vrijheden, zoals belastingvrijheid. Dat bijzondere statuut had het te danken aan de middeleeuwse territoriumstrijd tussen Brabant en Henegouwen en het akkoord dat de twee in 1194 sloten na een jarenlang conflict. In tegenstelling tot in Halle kreeg de graaf van Henegouwen geen vaste voet aan de grond in Lembeek en was het de lokale heer die er de plak zwaaide. Diezelfde heer, die ook eigenaar van Lembeekbos was. Hij beheerde het als hakhoutbos met een omlooptijd van 17 jaar. Vooral eik en els kwamen er voor (17de eeuw). De inkomsten uit het bos kwamen vooral uit de houtverkoop, maar ook uit een steengroeve (17de eeuw).
Van in de 14de-15de eeuw had het bos de contouren zoals we die vandaag kennen. In die periode namen twee grote hoeven, genaamd Groot en Hoog Villers, het terrein aansluitend bij het bos in. De hoeves lagen op de Mussenberg en zouden van daaruit aan de ontginning van het landbouwgebied hebben bijgedragen.
Al decennialang in de 19de eeuw leverde de familie Claes de burgemeester van Lembeek. De familie had zich als industriële jeneverstokers opgewerkt en bezat een jeneverstokerij, een windmolen, een potasfabriek en een fabriek voor het verwerken van suikerbieten langs het kanaal. Naar verluidt zou Claes het vee dat met het restproduct van de jeneverstokerijen werd vetgemest, in het Lembeekbos hebben gestald (Vogeleer 1979).
In volle oorlog (1915) kocht de Leuvense industrieel Destordeur het Lembeekbos over, die er -wellicht na de oorlog- aanplantingen uitvoerde en het jachtpaviljoen en het boswachtershuis liet herstellen.
De huidige situatie van Lembeekbos gaat grotendeels terug op de ingrepen uitgevoerd door industrieel en koloniaal Victor Brien na 1937. In het brongebied van de Lembeekbosbeek, waar het water op het snijvlak van de onderliggende kleilaag en de watervoerende zandlaag aan de oppervlakte komt, damde hij het water af zodat een snoer van vier opeenvolgende visvijvers ontstond. Als woonst bouwde hij een neoclassicistisch kasteel op de hoger gelegen plaats in het bos tegen de helling aan, die hij prominent in beeld bracht door de creatie van een brede, rechte vista midden in het bos. Terwijl het bosbeheer aanvankelijk nog grotendeels manueel gebeurde en de gekapte bomen met paarden uit het bos werden weg gesleept, evolueerde het bosbeheer onder Brien naar machinaal beheer. Na 1945 vervingen vrachtwagens de vroegere paarden. Sinds zijn dood in 1962 is kasteel Brien een wetenschappelijk onderzoeksdomein van de Université Libre de Bruxelles (ULB). Brien liet het na met als voornaamste wilsbeschikking dat het bos ongeschonden bewaard zou blijven en voor onderzoeksdoeleinden zou worden gebruikt. Na de splitsing van de Brusselse universiteit in een Vlaamse en een Waalse afdeling ging het Lembeekbos naar de Franstalige ULB, omdat het grootste deel van het bosgebied dat bij het Bois de Bailly aansloot, op Waals grondgebied lag.
In meerdere opzichten was Lembeek een speciaal geval: als vrijheid, maar ook als dorp met een bijzondere ruimtelijke ontwikkeling. Lembeek had zich ontwikkeld als een straatdorp in een scherpe bocht van de Zenne (kaart van 1601). Een natuurlijke rotsopduiking verklaart het bizarre riviertracé én ook de ligging van het dorp op het lichtjes verhoogde terrein in de binnenbocht van de meander. Omdat de Zennemeander zo smal was, bestond het dorp uit één straat met bebouwing aan weerszijden. Maar daar kwam begin 17de eeuw verandering in. Grotendeels vernietigd door de zware oorlogsomstandigheden van het einde van de 16de eeuw, had het dorp al zware klappen gekregen. In 1618 besloot de toenmalige heer van Lembeek, Jean Richardot, tevens voorzitter van de Geheime Raad en hoogste ambtenaar van het land, zijn nieuwe prestigieuze kasteeldomein in de Zennemeander op te richten, precies op de locatie van het oude dorp dat op het einde van de 16de eeuw zwaar te lijden had gekregen van de oorlogslasten en het conflict tijdens de 80-jarige oorlog. Een nieuwe dorpskern ontwikkelde zich rond de kerk.
Op de locatie van het verdwenen dorp liet Richardot het kasteel in lokale steen optrekken en legde daarrond bloemperken, vijvers, wijn- en boomgaarden aan. De heren van Lembeek beschikten voortaan over een prestigieus kasteeldomein, dat overging van generatie op generatie, familie op familie, via erfenissen of verkoop van eigenaar wisselde. Door de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi in 1826-1832 verloor het kasteeldomein wat van zijn aantrekkelijkheid. Het tracé sneed het domein middendoor en sloot de Zennemeanders af.
In 1853 kocht de toenmalige burgemeester Paul Claes het kasteeldomein samen met Lembeekbos. Het kasteel was aan een restauratie toe en het park gaf hij een nieuwe inrichting met als blikvanger een nieuw gebouwde ‘middeleeuwse’ toren. Geheel naar de geest van de romantiek verwees de toren naar het middeleeuwse verleden van de vrijheid Lembeek die door versterkingtorens was afgebakend. De toren ging de geschiedenis in als de Malakofftoren, genoemd naar een slag in de Krimoorlog in 1855 die bij de inhuldiging van de toren volop aan de gang was.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)