Teksten van Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135379

Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos ()

Hallerbos - Lembeekbos – Maasdalbos toont het typische landschap van de Brabantse Ardennen in al zijn verscheidenheid. Gekenmerkt door een golvende topografie met beekvalleien en boscomplexen, complexe verweving van open ruimten en bebouwing en geïsoleerde bossen heb je op sommige hoger gelegen locaties vergezichten op de omgeving. De oudste geologische lagen van heel Vlaanderen komen er aan de oppervlakte. Op zoek naar steen, zand en andere bouwmaterialen boorde de mens in het verleden die lagen aan. Sporen van verlaten groeven zijn op verschillende locaties nog te zien.

Hallerbos (622 ha), Lembeekbos (108 ha) en Maasdalbos (18 ha) zijn (oude) bossen met een verschillende ontstaansgeschiedenis. Samen met het Zoniënwoud vormen ze een bosrijke regio, zeker als je bedenkt dat het Hallerbos tot 1830 fysiek bij het Zoniënwoud aansloot en er zelfs één boscomplex van ruim 10.600 ha mee vormde. Kenmerkend voor deze bossen op het plateau tussen Zenne en Zoniën zijn de beekvalleitjes met brongebieden en markante terreinovergangen. Wie de bossen in het voorjaar bezoekt, waadt doorheen een paarse zee van wilde hyacinten.

De golvende topografie van Halle en Lembeek

Van west naar oost loopt het terrein naar omhoog, ruwweg gesteld. De Zenne in het westen ligt er het laagst (rond 35m hoogte), terwijl Hallerbos op het hoogste punt bijna 130m bereikt, net geen 100m hoogteverschil over een afstand van 5km. Beekvalleitjes, waaronder de Steenputbeek, doorsnijden het terrein en zorgen voor reliëf. Hallerbos en Lembeekbos liggen op de rand van het Brabants leemplateau, dat aan de westkant door de Zennevallei is begrensd.

Je vindt er ook geologische sporen van de oude Zenne, onder de vorm van rivierterrassen, herkenbaar als een vlak terrein in de valleiwand. De Mussenberg is zo een voorbeeld van een hoogterras, een grindafzetting uit de Mindelijstijd van ongeveer tussen 700.000 en 600.000 jaar geleden, toen de Zenne nog ongeveer op 75m hoogte stroomde en zich nog niet diep had ingegraven. De 1 à 2m dikke grindlaag bevindt zich onder de leem en bestaat uit gerolde keien in grof zand. Het diep ingraven van de Zenne is een langdurig proces van ettelijke honderdduizenden jaren geweest, waarbij het niveau van de alluviale vlakte zich telkens verlaagde tot dat van de huidige Zennevallei.

De oudste geologie van Vlaanderen komt aan de oppervlakte in de Zennevallei bij Halle en Lembeek

Nog veel ouder zijn de gesteentes uit het cambrium die her en der in de regio aan de oppervlakte komen. Halle en omgeving staan hiervoor gekend. Het is de locatie waar de oudste geologische lagen van Vlaanderen te vinden zijn. Ze zijn ruim 540 miljoen jaar oud, toen een relatief ondiepe zee het oppervlak bedekte en grof zand afzette, dat later door samendrukkingsprocessen en warmte tot harde gesteentes werd samengeperst. Ze behoren tot de formatie van Tubize. De gesteentes die daarin voorkomen zijn herkenbaar aan hun groene kleur, veroorzaakt door het mineraal chloriet. Een bekende vindplaats is de groeve van Rodenem in de rechterflank van het Zennekanaal Brussel-Charleroi ten zuiden van Halle. Eén van de flanken uit de groeve is bewaard gebleven en toont deze oudste gesteentes in profiel. En er zijn nog vindplaatsen. Vlak bij het oude kasteel van Lembeek (afgebroken in 1972) steekt een stuk rots uit. Die locatie is niet gekend als een groeve, maar het is er mogelijk wel één geweest, omdat ook hier een abrupt boven het maaiveld verschijnende verticale wand doet denken aan andere historische groeves. Bovendien is het overgebleven muurparement van de kasteelruïne van Lembeek in dezelfde steen opgetrokken. Waarschijnlijk vormde deze plek dus de groeve voor de levering van de bouwstenen van het kasteel van Lembeek. Ook andere gebouwen, zoals de Malakofftoren of de kerk van Lembeek zijn opgetrokken in lokale steen.

Nog oudere gesteentes uit de formatie van Blanmont zijn gevonden in het Hallerbos in een oude steengroeve langs de Steenputbeek (Houthuys 2010). Samengeperst tot het zeer harde kwartsiet is dit massieve gesteente herkenbaar aan de witte tot paarse kleur. In 1767 gaven de toenmalige eigenaars van Hallerbos toestemming om in deze omgeving stenen te delven voor de verharding van de weg Brussel-Mons. Maar door de scherpe kanten bleken de stenen niet erg geschikt als bestratingsmateriaal. Na zes jaar stopte de ontginning. Wat overbleef was de storthoop van achtergelaten materiaal, nu bekend als de Kristalberg. De groeve zelf is door de natuur herwonnen en bestaat uit bos boven oude steenpoelen.

Maar hoe kwamen deze heel oude harde gesteenten in deze omgeving terecht? Daarvoor moeten we terug grijpen naar oeroude krachten die lang geleden aan het werk gingen.

Hallerbos-Lembeekbos-Maasdalbos liggen boven op een oeroud gebergte

Het klinkt wat ongewoon, maar onder heel dit gebied ligt een gebergte begraven, het Brabants massief, ouder dan de Ardennen of de Alpen. Ongeveer 440 miljoen jaar geleden ontstond het, toen één van de continenten naar het noorden opschoof en tegen andere opbotste. De botsing frommelde de aardlagen op en stuwde ze naar omhoog. Dat verklaart waarom in sommige groeven sommige rotslagen wel rechtop lijken te staan. Door de enorme krachten van de botsing gingen horizontale gesteentepakketten hellen. In sommige gevallen zoals in de omgeving van Halle eindigden ze zelfs verticaal, wat voor een stevige verankering tot in de aardmantel zorgde. In de miljoenen jaren na de gebergtevorming kreeg erosie vrij spel. Ook al zag het Brabants massief er aanvankelijk als een echt gebergte uit, na een miljoenen jaren durend proces van erosie vlakte het enorm af. Erosie in combinatie met een zeespiegelstijging zorgde ervoor dat ongeveer 80 miljoen jaar geleden het oude gebergte door zee overspoelde. Door opeenvolgende processen van landdalingen en stijgingen, de afwisseling tussen diepe en ondiepe zeeën, tussen woelig en rustig water, de nabijheid of afstand van een kust raakte het oeroude gebergte bedekt met klei- en zandlagen, wat de afzetting verklaart van de zanden van Grandglise, Ieperse klei, zanden van Brussel. Onder het Hallerbos vormt de laag zanden van Brussel een dik pakket van 25 tot 30m. Maar ook elders in het gebied zijn zones met dikke zandpakketten bekend, zoals in Maasdalbos waar twee tot in de jaren 1950 actieve zandgroeven, Cromphout en Van Steenberghe, genoemd naar de uitbaters, hun sporen hebben nagelaten. De randen van de voormalige zandgroeven zijn nu nog herkenbaar aan hun zeer steile hellingen.

Vermoedelijk kwam ongeveer 30 miljoen jaar geleden een einde aan de opeenvolgende zee-overstromingen, wat de afzetting van mariene sedimenten stopzette. Vandaag dekt een fijne leemlaag (löss) de ondergrond af. Maar deze löss is veel recenter en kende een andere ontstaansgeschiedenis die aan de ijstijden kan worden gekoppeld. Vanuit het noorden voerden koude winden leemdeeltjes aan die in een brede strook in midden-België neerdwarrelden en de huidige leemstreek deden ontstaan. Deze keer geen zee-afzettingen maar afzettingen door de wind bepaalden de bovenste laag waarin onze bodems zich zouden ontwikkelen. Enkel van de laatste ijstijd bleef het löss bewaard (van ongeveer 50.000-13.000 jaar geleden). Door erosie kwamen her en der de onderliggende zandlagen (formatie van Brussel) tevoorschijn, herkenbaar aan de oranjerode verweringskleur. Maar het zand werd ook door de mens bewust opgedolven, waarvan de zandwinningen zoals die aan Keldergat in Hallerbos of de zandgroeven van Maasdalbos getuigen. Meestal zijn deze zandwinningen recent en diende het zand voor de aanleg of het herstel van boswegen.

Hallerbos is een oud bos dat zeker tot de 12de eeuw terug gaat

Langdurig hetzelfde landgebruik, in Vlaanderen kom je het niet vaak tegen. Maar Hallerbos is samen met nog enkele andere oude bossen een voorbeeld van locaties die eeuwenlang als bos zijn beheerd. Zelden kun je puur op basis van archiefstukken de ouderdom van een bos met zekerheid tot zover in de tijd terugvoeren, maar hier kan dat wel omdat het bos voorkomt in goederenbeschrijvingen uit 1194 en 1278 van een vrouwenklooster, het Sint-Waltrudiskapittel uit Mons dat Hallerbos in (mede)eigendom had. Oudere schriftelijke bronnen bestaan er niet van, maar toch menen vele auteurs het bestaan van Hallerbos al in de 7de eeuw te mogen situeren, enkel en alleen omdat Waltrudis in de 7de eeuw leefde en zij (als lid van de merovingische aristocratie) haar bezittingen aan het klooster zou hebben geschonken. Maar daar bestaat geen enkel bewijs van. Waarschijnlijk verwierf het klooster haar eigendommen in Halle later. Een stichtingsoorkonde is niet bewaard gebleven.

Waarom een deel van Hallerbos het Kapittelbos wordt genoemd en er grenspalen midden in het bos staan

Het Sint-Waltrudiskapittel was overigens niet de enige eigenaar van Hallerbos. Het moest haar eigendom met anderen delen, eerst met de voogd die de wereldlijke macht over het kapittel vertegenwoordigde en vanaf de 12de eeuw ook met de graven van Henegouwen. In de strijd om macht en territorium hadden de graven van Henegouwen zich aan het kapittel opgedrongen. Ze pikten een deel van de inkomsten van het kapittel in, wonnen vooral ook aan rechten en territoriale aanspraken. In de 12de-13de eeuw was de regio de inzet geworden in de strijd tussen Henegouwen en de hertogen van Brabant. Deze laatsten hadden hun claims al op het Zoniënwoud hard kunnen maken, maar moesten in Halle de duimen leggen tegen de graven van Henegouwen. Voortaan zou de grens tussen de territoria door het bos lopen. Hoewel Hallerbos en het Zoniënwoud toen nog één aaneensluitend boscomplex vormden, ging Hallerbos tot het graafschap Henegouwen behoren en het Zoniënwoud tot het hertogdom Brabant.

Nog een eigendomswissel volgde in de 17de eeuw. Toen trad Philippe François d’Arenberg als (mede)eigenaar van Hallerbos op de voorgrond, in de plaats van de graven van Henegouwen. Sinds 1652 (en tot de opheffing van het kapittel in 1792) telde het bos nog twee eigenaars: het Sint-Waltrudiskapittel en de Arenbergs.

De hele geschiedenis verklaart waarom een deel van het noordelijke Hallerbos tot op vandaag het Kapittelbos wordt genoemd. Dat toponiem geeft aan welk deel het Sint-Waltrudiskapittel in eigendom had. In 1779 kwamen het kapittel en de Arenbergs immers overeen om hun eigendom fysiek te verdelen. Voorheen was het bos hun gemeenschappelijk bezit: ze deelden de inkomsten en beslisten samen over het beheer van het bos. Sinds 1779 bekrachtigden 24 grenspalen de opsplitsing van hun mede-eigendom tot twee aparte delen die elk afzonderlijk werden beheerd.

Hallerbos was lange tijd een hakhoutbos met opgaande bomen

In een hakhoutbos worden de bomen onderaan de stam, dus kort boven de grond, gekapt. De overblijvende stronk vormt daarna nieuwe takken of uitlopers, die traditioneel na enkele jaren opnieuw worden gekapt. Het middeleeuwse Hallerbos was zo een hakhoutbos (ook raspaille of bois de raspe genoemd), waar het hout om de 10 tot 18 jaar werd gekapt. Een Latijnse oorkonde uit 1229 omschrijft Hallerbos als een raspailliis met een omlooptijd van 10 jaar. Elk jaar kapte men ongeveer een tiende deel van het bos tot men in het tiende jaar terug bij het begin uitkwam en de kapcyclus opnieuw begon. De jaarlijks gekapte oppervlakte noemde men een houw of een taille. Rond 1500 telde het bos 18 houwen, wat doet vermoeden dat de omlooptijd tot 18 jaar was opgelopen. Een 18de-eeuwse kaart toont Hallerbos met 13 houwen. De jaarlijks gekapte oppervlakte kon dus variëren evenals de duur van de kapcyclus. Sommige toponiemen in het huidige bos gaan nog terug op die oude houwnamen, zoals Tranendal (18de eeuw), Kluisbos of hermitage, verwijzend naar een 15de-eeuwse kluizenaarswoning in het bos.

Andere houwnamen verwijzen dan weer naar een boomsoort, zoals de eikenhouw, de beukenhouw, de drie linden, de rode appelaar, wat een diverse samenstelling van het bos doet vermoeden. Vermoedelijk was eik de dominante boomsoort tot in de 17de-18de eeuw, omdat de domeinrekeningen die soort heel vaak vermelden. De domeinrekeningen hebben het immers over de verkoop van hakhout, gevolgd door de verkoop van opgaande eiken en wit hout (meestal grauwe abeel of es). Deze opgaande bomen waren wellicht overstaanders of zaadbomen die bij elke kapcyclus uitgeselecteerd of gedund werden. Ze werden apart verkocht of waren bestemd voor herstellingswerken aan domeingoederen in de buurt.

Een begraasd bos met open plekken

In de oudste bewaarde domeinrekening van 1375 staat een bijzondere inkomstenpost vermeld onder de titel “pour plusieurs biestes a corne et chevaux en pasture alant pastre ce bos de Hal en lestet lan LXXV”. In de 14de eeuw graasden koeien en paarden in het Hallerbos. Ongewoon was dat niet, want in vele bossen hadden omwonenden, soms ook veehandelaars, het recht om tegen betaling enkele van hun dieren in het bos te herderen. In totaal ging het toch als snel om een 100-tal dieren, soms veel minder. Hun aantal kon jaarlijks sterk variëren. En ook al mocht het vee de pas gekapte houwen niet in, toch moet die begrazing een impact hebben gehad op de samenstelling van het bos. Niet verwonderlijk dat Hallerbos ‘vage plekken’ of wastines en heides binnen de contouren van het bos telde. Een oorkonde uit 1239 vermeldt “tout li bos de Hal, wastines, raspailles, bruières et toutes li faites choses qui pertienent al bos”. Bij de eigenaars was die begrazing daarom zelden populair.

Vanaf het einde van de 14de eeuw zien we begrazing grotendeels verdwijnen of occasioneel vervangen worden door de zogenaamde paisson of het recht om eikels (glands) of andere vruchten (soms ook wilde appels, mispels, beukennootjes) in het bos te rapen of door varkens en andere dieren ter plaatse te laten eten. In de praktijk kwam het er meestal op neer dat er enkel in mastjaren, dat zijn jaren met een overvloedige eikeloogst, gegadigden waren die voor de paisson wilden betalen.

Een vernieuwd bosbeheer onder de Arenbergfamilie

Aan deze praktijken kwam een einde als gevolg van wijzigingen in het bosbeheer. Voor Hallerbos situeren we deze omslag intuïtief bij begin 19de eeuw, samenhangend met de uitbreiding van het bosbezit door de Arenberg-familie. In 1831 kochten ze dat deel van het bos dat voorheen eigendom was van het Sint-Waltrudiskapittel van Mons en werden de Arenbergs voortaan de enige eigenaars van het 625 ha grote Hallerbos. De Arenbergs stonden bekend voor hun goed georganiseerde commerciële bosbeheer, waaruit ze heel wat inkomsten haalden. Ongeveer de helft van hun domeinbezit in België bestond tegen 1860 uit bos (9500 ha bos op een totaal van 18.000 ha grondbezit)! Onder hun beheer evolueerde Hallerbos naar een middelhoutbos met veel opgaande bomen (opperhoutrijk middelhout), als een tussenfase in de omvorming naar een hooghoutbos zoals we dat vandaag kennen. Omdat hakhout geleidelijk commercieel minder interessant werd en de vraag naar hout voor de mijnbouw zeker in de 19de eeuw groeide, vormden de beheerders geleidelijk grote stukken om. Dat proces verliep traag. Hallerbos bleef tot na de eerste wereldoorlog hakhout onder opgaande bomen hebben.

En vaak introduceerden ze bij de omvorming ook nieuwe uitheemse boomsoorten, die de beheerders in eigen boomkwekerijen in het bos kweekten. Tegen het midden van de 19de eeuw telde Hallerbos al bijna 140 ha naaldhoutbestanden op een totaal van 465 ha. Het totale bosareaal was tegen het midden van de 19de eeuw ingekrompen, omdat de Arenbergs vooral in de rand van het bos heel wat percelen naar landbouwgrond lieten omzetten.

Hoe Hallerbos tot een openbaar bos uitgroeide

Duizenden bezoekers van over de hele wereld trekken jaarlijks naar het Hallerbos als het tapijt van wilde hyacinten het bos in een paarse gloed hult. Iedereen kan het bos bezoeken omdat het openbaar is. Maar was het geen eigendom van de Arenberg-familie? Zo was het toch tot in 1918, het jaar dat de Belgische staat onverwacht het Hallerbos in bewaring nam. Vlak voor het einde van de eerste wereldoorlog plaatste de overheid de goederen van personen uit landen die tegen België de wapens hadden opgenomen, onder sekwester totdat een oplossing zou worden gevonden voor de terugbetaling van de door België geleden oorlogsschade. Omdat de overheid de familie als ‘Duits’ beschouwde, werd Hallerbos aan hun eigendom onttrokken, samen met heel wat andere Arenbergbossen.

‘Waters en Bossen’ zag er een kans in om de oorlogsschade aan het staatsbosdomein te compenseren. Daarom drong deze overheidsadministratie, gesteund door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, aan op de integratie van deze bossen bij het staatsdomein. Zo ging het tijdelijke beheer van het Hallerbos door het sekwester in 1929 definitief over op ‘Waters en Bossen’ (nu agentschap Natuur en Bos).

Een oud bos met jonge bomen

Toen ‘Waters en Bossen’ het bos in 1929 begon te beheren, erfde het een terrein dat in grote mate was kaalgeslagen. Om de grote nood aan hout aan het front te lenigen, waren bijna alle stevige opgaande bomen tijdens de oorlog in opdracht van de Duitse bezetter gekapt. Daar bovenop kwam nog dat de toenmalige eigenaar (Arenberg) ook de overblijvende jonge bomen liet kappen. Wat overbleef waren stukken hakhout van kastanje en robinia die voorheen onder de opgaande bomen groeiden.

Na de oorlog begon de moeizame herbebossing. In bijna 20 jaar klaarde men die klus. Daarbij koos het beheerscomité nog uitsluitend voor hooghout. De laatste percelen hakhout verdwenen daarbij. Omdat de herbebossing vooral tussen 1930-1950 plaatsvond zijn de meeste bomen nog relatief jong. Hallerbos is een oud bos... met jonge bomen.

Maasdalbos, voormalig waterwinningsgebied van Halle

In tegenstelling tot Hallerbos en Lembeekbos is Maasdalbos niet altijd bebost geweest. Volgens de Ferrariskaart was het bos, maar de Vandermaelenkaart uit 1835 toont de Meysdelle, want dat is de historische benaming van het huidige Maasdal (tiendenkaart 1754), als een open terrein met akkers en graslanden. In het begin van de 20ste eeuw kocht Halle het gebied met het oog op waterwinning en toevoer naar de stad. Meerdere gemeenten in de streek hadden hun eigen kleinschalige waterwinning. In de kwelzone tussen de Maasdalbeek en de Veugeleer legde de stad ondergrondse betonnen winningsgalerijen aan, met toegangsputten doorheen het bos. Enkele decennia bleef de waterwinning er actief, tot ze in 1967 werd stopgezet omdat de kleinschalige waterwinning niet tegen de concurrentie vanuit Wallonië op kon. Maasdal verboste opnieuw. Op de lager gelegen gronden in het bos liggen nog altijd bronzones, het begin van de Maasdalbeek. De twee bospoeltjes ontstonden in de jaren 1960 door afdamming van de bovenloop van de beek.

Lembeekbos, een historisch hakhoutbos in neutraal gebied

Van het 108 ha grote Lembeekbos wordt wel eens beweerd dat het ‘ooit’ één geheel vormde met Hallerbos en het Zoniënwoud, maar daar bestaat geen enkel bewijs van. Wel weten we dat Lembeekbos tot de heerlijkheid Lembeek behoorde en dat de heerlijkheid al voor 1182 bestond. De oudste expliciete vermelding van het Lembeekbos of Beersbroekbos dateert van 1466. Bijzonder aan Lembeek was zijn statuut als vrijheid: het behoorde niet tot het graafschap Henegouwen (zoals voor Halle en Hallerbos wel het geval was), maar evenmin tot het hertogdom Brabant. Het was neutraal (“ne relevant que de Dieu et du soleil”) en genoot van bijzondere vrijheden, zoals belastingvrijheid. Dat bijzondere statuut had het te danken aan de middeleeuwse territoriumstrijd tussen Brabant en Henegouwen en het akkoord dat de twee in 1194 sloten na een jarenlang conflict. In tegenstelling tot in Halle kreeg de graaf van Henegouwen geen vaste voet aan de grond in Lembeek en was het de lokale heer die er de plak zwaaide. Diezelfde heer, die ook eigenaar van Lembeekbos was. Hij beheerde het als hakhoutbos met een omlooptijd van 17 jaar. Vooral eik en els kwamen er voor (17de eeuw). De inkomsten uit het bos kwamen vooral uit de houtverkoop, maar ook uit een steengroeve (17de eeuw).

Van in de 14de-15de eeuw had het bos de contouren zoals we die vandaag kennen. In die periode namen twee grote hoeven, genaamd Groot en Hoog Villers, het terrein aansluitend bij het bos in. De hoeves lagen op de Mussenberg en zouden van daaruit aan de ontginning van het landbouwgebied hebben bijgedragen.

Lembeekbos, het bos van industriëlen

Al decennialang in de 19de eeuw leverde de familie Claes de burgemeester van Lembeek. De familie had zich als industriële jeneverstokers opgewerkt en bezat een jeneverstokerij, een windmolen, een potasfabriek en een fabriek voor het verwerken van suikerbieten langs het kanaal. Naar verluidt zou Claes het vee dat met het restproduct van de jeneverstokerijen werd vetgemest, in het Lembeekbos hebben gestald (Vogeleer 1979).

In volle oorlog (1915) kocht de Leuvense industrieel Destordeur het Lembeekbos over, die er -wellicht na de oorlog- aanplantingen uitvoerde en het jachtpaviljoen en het boswachtershuis liet herstellen.

De huidige situatie van Lembeekbos gaat grotendeels terug op de ingrepen uitgevoerd door industrieel en koloniaal Victor Brien na 1937. In het brongebied van de Lembeekbosbeek, waar het water op het snijvlak van de onderliggende kleilaag en de watervoerende zandlaag aan de oppervlakte komt, damde hij het water af zodat een snoer van vier opeenvolgende visvijvers ontstond. Als woonst bouwde hij een neoclassicistisch kasteel op de hoger gelegen plaats in het bos tegen de helling aan, die hij prominent in beeld bracht door de creatie van een brede, rechte vista midden in het bos. Terwijl het bosbeheer aanvankelijk nog grotendeels manueel gebeurde en de gekapte bomen met paarden uit het bos werden weg gesleept, evolueerde het bosbeheer onder Brien naar machinaal beheer. Na 1945 vervingen vrachtwagens de vroegere paarden. Sinds zijn dood in 1962 is kasteel Brien een wetenschappelijk onderzoeksdomein van de Université Libre de Bruxelles (ULB). Brien liet het na met als voornaamste wilsbeschikking dat het bos ongeschonden bewaard zou blijven en voor onderzoeksdoeleinden zou worden gebruikt. Na de splitsing van de Brusselse universiteit in een Vlaamse en een Waalse afdeling ging het Lembeekbos naar de Franstalige ULB, omdat het grootste deel van het bosgebied dat bij het Bois de Bailly aansloot, op Waals grondgebied lag.

Kasteeldomein en de Malakofftoren in Lembeek

In meerdere opzichten was Lembeek een speciaal geval: als vrijheid, maar ook als dorp met een bijzondere ruimtelijke ontwikkeling. Lembeek had zich ontwikkeld als een straatdorp in een scherpe bocht van de Zenne (kaart van 1601). Een natuurlijke rotsopduiking verklaart het bizarre riviertracé én ook de ligging van het dorp op het lichtjes verhoogde terrein in de binnenbocht van de meander. Omdat de Zennemeander zo smal was, bestond het dorp uit één straat met bebouwing aan weerszijden. Maar daar kwam begin 17de eeuw verandering in. Grotendeels vernietigd door de zware oorlogsomstandigheden van het einde van de 16de eeuw, had het dorp al zware klappen gekregen. In 1618 besloot de toenmalige heer van Lembeek, Jean Richardot, tevens voorzitter van de Geheime Raad en hoogste ambtenaar van het land, zijn nieuwe prestigieuze kasteeldomein in de Zennemeander op te richten, precies op de locatie van het oude dorp dat op het einde van de 16de eeuw zwaar te lijden had gekregen van de oorlogslasten en het conflict tijdens de 80-jarige oorlog. Een nieuwe dorpskern ontwikkelde zich rond de kerk.

Op de locatie van het verdwenen dorp liet Richardot het kasteel in lokale steen optrekken en legde daarrond bloemperken, vijvers, wijn- en boomgaarden aan. De heren van Lembeek beschikten voortaan over een prestigieus kasteeldomein, dat overging van generatie op generatie, familie op familie, via erfenissen of verkoop van eigenaar wisselde. Door de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi in 1826-1832 verloor het kasteeldomein wat van zijn aantrekkelijkheid. Het tracé sneed het domein middendoor en sloot de Zennemeanders af.

In 1853 kocht de toenmalige burgemeester Paul Claes het kasteeldomein samen met Lembeekbos. Het kasteel was aan een restauratie toe en het park gaf hij een nieuwe inrichting met als blikvanger een nieuw gebouwde ‘middeleeuwse’ toren. Geheel naar de geest van de romantiek verwees de toren naar het middeleeuwse verleden van de vrijheid Lembeek die door versterkingtorens was afgebakend. De toren ging de geschiedenis in als de Malakofftoren, genoemd naar een slag in de Krimoorlog in 1855 die bij de inhuldiging van de toren volop aan de gang was.

  • Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer I_VI_Domeinrekeningen (CCRK 06), nr. 9530, 9591-9600, 9646, 9730-9731: domeinrekeningen van het kwartier Brussel, jaren 1375-1380, 1492-1502, 1551-1556, 1646-1647.
  • Algemeen Rijksarchief, Dienst van het Sekwester van de Administratie der Domeinen (I 484) nr. 702: Algemeen dossier inzake sekwester Arenberg, 1919-1928.
  • Algemeen Rijksarchief, Dienst van het Sekwester van de Administratie der Domeinen (I 484) nr. 872: Dossiers inzake het gesekwestreerde "Bos van Halle", 1919-1938.
  • Algemeen Rijksarchief, Familie d'Ursel. Reeks Kaarten en plannen, nr. 203: Figuratieve kaart van de vrijheid Lembeek (vermoedelijk 1601), door landmeter Mathieu Bollin.
  • Algemeen Rijksarchief, Kaarten en plattegronden in handschrift, reeks 1, nr. 2036: Tiendenkaart van gronden in , Halle waarop de Jezuïeten de grote tiende innen, door landmeter C. Everaert, schaal 1:8500, 1754, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_0002_000_02036_000/0_0001 (geraadpleegd op 4 november 2025).
  • Algemeen Rijksarchief, Arenbergfamilie kaarten en plannen (T580) nr. 1012: Kaart van Hallerbos, voor 1/3 toebehorend aan het kapittel van Sainte-Waudru in Mons en voor 2/3 aan de hertog van Arenberg, door landmeters F.J. Pourbaix et G. Demoustier, 1779, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_0713_000_01012_000/ (geraadpleegd op 22 oktober 2025).
  • Algemeen Rijksarchief, Arenbergfamilie Kaarten en plannen, nr. 355: Plan des bois de Hal et des différentes coupes entre 1723 et 1735, door landmeter A.J. Bonnevie, schaal 1:2500, 1735, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_0713_000_00355_000/0_0001 (geraadpleegd op 4 november 2025).
  • Algemeen Rijksarchief, Arenbergfamilie kaarten en plannen (T 580), nr. 1013: Kaart van Hallerbos, voor 2/3 toebehorend aan het huis Arenberg en voor 1/3 aan de Franse regering, rond 1800, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_0713_000_01013_000/ (geraadpleegd op 8 november 2025).
  • Algemeen Rijksarchief, Arenbergfamilie kaarten en plannen (T 580), nr. 2422: Plan des coupes à exploiter au bois de Hal appartenant au prince Charles d'Arenberg entre 1872 et 1885 1872-1885, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_0713_000_02422_000/0_0001 (geraadpleegd op 21 november 2025).
  • Ferrariskaart Brussel 1771-1778: Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens levée à l'initiative du comte de Ferraris, schaal 1:11.520, originelen in de Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plans, Ms. IV 5.627, Geopunt [online], https://www.geopunt.be/shared/b1faca18-e8da-41e3-bf8e-30fc56129376 (geraadpleegd op 13 november 2025).
  • Gereduceerd kadaster 1845-1855: Gereduceerde kadasterplan Halle en Lembeek, door het Krijgsdepot, schaal 1:20.000, originelen bij het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plannen, nr. VDM III 334: Plan parcellaire de la commune de Hal : avec les mutations jusqu'en 1835, schaal 1:5000, Etablissement géographique de Bruxelles fondé par Ph. Vandermaelen, Cartesius [online], kaart en legger (geraadpleegd op 13 november 2025).
  • Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plannen, nr. 0381: Plan parcellaire de la commune de Lembecq lez Hal: avec les mutations publié avec l'autorisation du gouvernement sous les auspices de Monsieur le Ministre des Finances par P. C. Popp, 1861, KBR [online], kaart en legger (geraadpleegd op 18 november 2025).
  • Topo 1939: Chronologische mozaïek van de kaart van België voor het jaar 1939, terreinopnames tussen 1883-1939, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut, Cartesius [online], kaartblad 39-2 (1937). http://www.cartesius.be/arcgis/home/webmap/viewer.html?url=https://wmts.ngi.be/arcgis/rest/services/seamless_carto__default__3857__800/MapServer&lang=nl (geraadpleegd op 18 november 2025).
  • Topo 1969: Chronologische mozaïek van de kaart van België voor het jaar 1969, terreinopnames tussen 1952-1969, schaal 1:25.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut, Cartesius [online], kaartblad 39-2 (1964) http://www.cartesius.be/arcgis/home/webmap/viewer.html?url=https://wmts.ngi.be/arcgis/rest/services/seamless_carto__default__3857__1100/MapServer&lang=nl (geraadpleegd op 18 november 2025).
  • BAETE H., CHRISTIAENS B., DE KEERSMAEKER L., ESPRIT M., VAN DE KERCKHOVE P., VANDEKERKHOVE K., WALLEYN R. 2006: Bosreservaat Jansheideberg (Hallerbos) : basisrapport: situering, standplaats, historiek en onderzoek, Basisrapport. rapport INBO.R.2006.13, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
  • BAIX F.1956: Waudru, Nouvelle Biographie Nationale 29 , Brussel, 862-863, https://www.academieroyale.be/academie/documents/FichierPDFNouvelleBiographieNational2105.pdf (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • BERNARD H. 1982: Crahay Nestor, Biographie Nationale 42, Brussel, 174-178, https://www.academieroyale.be/academie/documents/FichierPDFBiographieNationaleTome2100.pdf (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • Borremans R. 1983: Lembeek. Opgraving van de grondvesten van het kasteel (BR.), Archaeologia Mediaevalis 6, 21.
  • BRUWIER M., GYSSELING M. 1956: Les revenus, les biens et les droits de Sainte-Waudru de Mons à la fin du XIIe siècle, Bulletin de la Commission royale d'histoire. Académie royale de Belgique, 121, 239-330, https://doi.org/10.3406/bcrh.1956.1648 (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • DEHEM A. 1908: L'emploi de l'arkose dans les constructions, Annales des travaux publics de Belgqiue, 13, 425-
  • DE MAEGD C. 1998: Twee kadastrale kaarten van Mathieu Bollin uit ca 1600, Het Tijdschrift van het Gemeentekrediet, 52/204, 49-76.
  • DE MAEGD C. 1998: Een einde en een nieuw begin : de creatie van een hof van plaisantie te Lembeek in 1618, Monumenten & Landschappen 17/1, 6-44.
  • DE MAEGD C. 2007: Een einde en een nieuw begin. De creatie van een hof van plaisantie te Lembeek in 1618, Hallensia, 29/6, 9-36.
  • DE MOFFARTS A., DEJONGHE R., PETIT C. 1987: De familie Claes: van landbouwers tot industriëlen tot grootgrondbezitters : Lembeek van de 17de tot de 19de eeuw, Publikatie bij de gelijknamige tentoonstelling in het bovenzaaltje van de Kring te Lembeek van 31 oktober-2 november 1987, Hallensia: trimestrieel bulletin van de Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Halle 9-4, 1-114.
  • EVERAERT L., BOUCHERIJ J. 1876: Geschiedenis der oude vrijheid Lembeek, Antwerpen, https://play.google.com/books/reader?id=Ja2MmhtkJ_MC&pg=GBS.PA6&hl=nl (geraadpleegd op 20 november 2025).
  • HERBIGNAT A. 1945: Le bois domanial de Hal, Bulletin Société Centrale Forestière de Belgique, 52/7-8, 49-59.
  • HOUTHUYS R. 2010: Een geologische beschrijving van Halle, ANDOC [online], https://adoc.pub/een-geologische-beschrijving-van-halle-rik-houthuys-augustus.html (geraadpleegd op 19 november 2025).
  • HOUTHUYS R. 2018: Landschap en ondergrond van het Hallerbos, Hallerbos, Halle, 48-69.
  • KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR GESCHIEDENIS 2015: Diplomata belgica, Les sources diplomatiques des Pays-Bas méridionaux au Moyen Âge [online], nr. 18586 (oorkonde 1229), nr. 21254 en 21255 (twee oorkondes van 1239), nr. 22981 en nr. 22998 (twee oorkondes uit 1246), https://www.diplomata-belgica.be (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • LERNOUT G. 2018: Een bos met een verleden, Hallerbos, Halle, 18-43.
  • Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Aanduidingsdossier ankerplaats - Hallerbos, Lembeekbos, Maasdalbos (WIJNANT J. en SMETS K. 2013).
  • RENSON G. Het domein Halle, in Derez M. (red.), Arenberg in de Lange Landen. Een hoogadellijk huis in Vlaanderen & Nederland, Leuven, 197-199.
  • S.N. 2009: De waterwinning in het Hallerbos, Hyacint Natuur en milieu Zuidwest-Brabant, 37/1, 15-17.
  • TALLIER P.A. 2004: Forêts et propriétaires forestiers en Belgique de la fin du XVIIIe siècle à 1914: histoire de l'évolution de la superficie forestière, des peuplements, des techniques sylvicoles et des débouchés offerts aux produits ligneux, Mémoires de l'Académie Royale de Belgique. Classe des lettres. Collection in-8, 32 0378-7893, Brussel.
  • TALLIER P.A. 2011: Les biens immobiliers des ducs d’Arenberg dans les anciens Pays-Bas (de la fin 18e siècle au début 20e siècle), La Maison d’Arenberg en Wallonie, à Bruxelles et au Grand-Duché de Luxembourg depuis le XIVème siècle. Contribution à l'histoire d'une famille princière, Brussel, 1-17.
  • TALLIER P.A. 2003: L’annexion des canton d’Eupen-Malmédy et la reconstitution du patrimoine forestier belge après la Première Guerre mondiale. Le rôle préponderant de l’administration forestière et de son directeur-général Nestor-Iris Crahay, Forêt wallonne, 67/nov-dec, 3-11, https://foretnature.be/wp-content/uploads/2024/10/fw67_2-11guerre.pdf (geraadpleegd op 6 november 2025).
  • TYTGAT J.P. 2002: De bezittingen van Arenberg in de Nederlanden en Frankrijk, in Derez M. (red.) Arenberg in de Lage Landen, een hoogadellijk huis in Vlaanderen & Nederland, Leuven, 111-131.
  • VANDENPLAS D. 1992: Onderzoek naar de vrijheden van Lembeek in 1603, Het oude land van Edingen en omliggende, 20/2, 117-137.
  • VANDENPLAS D. 2007: Requiem voor het kasteel van Lembeek, Hallensia, 29/6, 37-63.
  • VAN DEN WEGHE M-J. 1938: De uitbating van het Halderbosch, Gedenkschriften van de Geschied- en Oudheidkundige kring van Halle 13, 77-100.
  • VANHEMELRYCK F., CLEMENT R. 2006: Halle en het bosland tussen Zenne en Zoniën, Leuven.
  • VERBESSELT J. 1987: Halle en Lembeek, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw 20, Koninklijk geschied- en oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant, Brussel.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 1: Henri Vogeleer onze gids, Gazet van Halle 81.12, 1, 7.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 2: Een tapijt van blauwe bloemen, Gazet van Halle 81.13, 1, 5.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 3: Het begon met Paul Claes, Gazet van Halle 81.14, 1, 7.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 4: Dokter Spitaels en de oorlog, Gazet van Halle 81.15, 1-2.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 5: Verkocht en nog eens verkocht, Gazet van Halle 81.16, 1.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 6: Van koloniaal naar kasteelheer, Gazet van Halle 81.17, 1.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 7: Schuilplaats voor de ‘witte brigade’, Gazet van Halle 81.18, 1-2.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos slot: de koning drinkt ... en wij ook, Gazet van Halle 81.20, 1, 3.
  • WALSCHOT L. 1963: Geologie van de Zennevallei te Halle en omgeving, Verhandelingen Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring 3, Halle.

Auteurs:  Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Verboven H. 2026: Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453769 (geraadpleegd op ).


Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos (Aanduidingsdossier 2013) ()

Fysische geografie

Hydrografisch ligt het gebied in het Scheldebekken, op de oostelijke rand van de Zennevallei. Bijzonder opvallend in de Zennevallei zijn de fundamentele verschillen van het landschap aan weerszijden van de Zenne.

Het Pajotse landschap is versneden door talrijke kleine beekjes met smalle heuvelruggen ertussen. Tussen Zenne en Zoniën daarentegen vindt men zware, gesloten massieven waar slechts hier en daar een beek in doordringt. De Zennevallei is er een wirwar van geulen in drassige dalbodems. Ter hoogte van Halle is de vallei zeer smal, omdat de bedding van de rivier er in het primair gesteente is uitgeschuurd.

Ook de geomorfologie van de linker- en de rechteroever van de Zenne is sterk verschillend. De rechterflank van de Zennevallei is duidelijk hoger en steiler dan de linkerflank. De topografie van het oostelijk gebied wordt gekenmerkt door een sterk ingesneden reliëf. Eenmaal uit de quasi vlakke Zennevallei bereikt men hoogten van 100 meter en meer. Het gebied is heuvelig en sterk versneden en wordt gekenmerkt door het voorkomen van diepe smalle beekdalletjes naast hoge heuveltoppen. Relatief vlakke delen nemen slechts kleine oppervlakten in. De linkerflank van de Zenne wordt eerder gekenmerkt door een glooiend landschap. Er worden, met uitzondering van enkele geïsoleerde heuveltoppen, geen hoogte van meer dan 70 meter boven de zeespiegel genoteerd. Tussen Zenne en Dijle wordt de geologische gesteldheid gedomineerd door het Brusseliaans zand, de befaamde ‘scherpe zavel’ die op vele plaatsen dagzoomt en bepalend is voor het steile reliëf, de vele heiden en de talrijke naaldbossen op de zandige hellingen. Deze laag ontbreekt volledig in het Pajottenland.

Volgens Goosens (1984) werd "de loop van de Zenne pas gevormd op het einde van het Diestiaan, ten gevolge van het terugtrekken van de Diestiaanzee in noordnoordoostelijke richting. Op het vrijgekomen land ontstonden in het bekken van de Schelde een aantal rivieren die naar de terugtrekkende zee toestroomden. De richting van de rivierlopen stond loodrecht op de diestiaanse kustlijn. De Zenne is één van deze consequente rivieren". In de diepe ondergrond bevinden zich de vaste gesteenten uit het paleozoïcum. Vooral in de Zennevallei komen afzettingen voor die behoren tot de Formatie van Tubize, het Lid van Rogissart. Het zijn de oudste gesteenten die in België gevonden worden. De afzettingsperiode situeert zich in het ondercambrium, circa 530 miljoen jaar geleden. Deze geologische formatie behoort tot het Massief van Brabant en wordt beschouwd als de sokkel waarop alle jongere afzettingen in Vlaanderen en Midden-België ontstaan zijn. Men schat de dikte van deze formatie op 1500 meter, voornamelijk zandsteen, arkose, siltsteen, soms schieferig, soms eerder kwartsiet. Omdat deze gesteenten rijk zijn aan chloriet hebben ze een typische groene kleur. Deze zandsteen of arkose werd vanaf de 12de tot 19de eeuw lokaal ontgonnen (in Halle en Tubize) als bouwsteen voor kerken en kastelen in de regio (Halle, Lembeek, Braine, Tubize). De Arkose du Dévillien, Arkose de Clabecq, Grès vert de Tubize, Tubize Zandsteen, Blanmont Kwartsiet werd soms ook gebruikt als straatsteen. Omwille van zijn opvallend groene kleur werd de Tubize Zandsteen aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw gebruikt als decoratieve parementsteen.

Ter hoogte van Halle en Lembeek is de Zenne uitgeschuurd tot in het primaire gesteente. Het is de enige plaats in Vlaanderen waar het primair dicht bij het oppervlak komt. Op de steenharde primaire sokkel liggen tertiaire afzettingen van het Ieperiaan (klei en zand) en het Brusseliaan (zand).

Het Brusseliaan is een gele tot roodbruine, matig fijn tot tamelijk grof zand en komt voor vanaf de hoogtelijn 75-80 meter. Plaatselijk is de formatie zeer kalkrijk en vormt harde kalksteenbanken. Deze werden in de 19de eeuw ontgonnen als bouw- en constructiemateriaal. Ook typisch voor het Brusseliaan zijn de amorfe ‘knollen’ van kiezelzandsteen, doorgaans grottensteen genoemd. De maximale dikte van het Brusseliaan bedraagt circa 20 meter. Aanvankelijk was deze zandlaag veel dikker vermits er sinds de afzetting – ruim 50 miljoen jaar geleden – reeds een aanzienlijk gedeelte weggeërodeerd is. Het Brusseliaan bedekt de vroeger afgezette Ieperiaanse zand- en kleilagen. Het Boven-Ieperiaan, ook het ‘zand van Vorst’ genoemd, is een homogeen zand met fijne gelaagdheid, waarvan het kleigehalte onderaan toeneemt en dagzoomt bij hoogtelijn 100 meter. Het is een watervoerende laag waarin onder andere de bronamfitheaters van de Hallerbosbeken geërodeerd zijn.

Op de sokkel van het Massief van Brabant liggen de afzettingen van het cenozoïcum (eoceen). De Formatie van Kortrijk van vroeg-Ieperiaanouderdom bestaat uit homogene, compacte kleilagen (Lid van Aalbeke). De dikte schommelt tussen de 10 en de 30 meter. Het is een bijna ondoordringbare laag voor grondwater zodat aan de top hiervan bronnen ontstaan. Bovenop de Formatie van Kortrijk komt de Formatie van Brussel voor. Deze bestaat uit gele tot roodbruine, matig fijne tot tamelijk grove zanden en hebben een maximale dikte van circa 20 meter. Plaatselijk is de formatie zeer kalkrijk. Hierdoor vormden zich harde kalksteenbanken, die in de 19de eeuw ontgonnen werden als bouw- en constructiemateriaal. Deze zandige lagen vormen tevens de watervoerende laag waarin onder andere de bronamfitheaters van de Hallerbossen ontstaan zijn. Omdat dit bronwater zo kalkrijk is, vormt er zich travertijn of tufsteen aan de bronnen.

Zeer karakteristiek zijn de leemafzettingen die voorkomen, vooral op de hellingen en de heuvelruggen. Ze zijn ontstaan tijdens de laatste ijstijd, het weichseliaan, tijdens de koude en droge periodes waarbij de wind de siltfractie over honderden km kon verplaatsen. Deze niveo-eolische afzettingen behoren tot de Formatie van Gembloux en behoren tot het Brabants Leemplateau.

Tengevolge van erosie en afzettingen van de Zenne ontstonden er tijdens het pleistoceen – gedurende de opeenvolging van de ijstijden - terrassen en grindafzettingen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen laag-, midden-, hoog- en plateauterras. Het Laagterras ligt op 2 meter boven de alluviale vlakte van de Zenne en omvat de Zennebeemden. Het Middenterras ligt op 8 tot 10 meter boven de alluviale vlakte van de Zenne en omvat de Berendries. Het Hoogterras ligt op 30 tot 40 meter boven de alluviale vlakte van de Zenne en omvat de Mussenberg. Het Plateauterras ligt op 75 tot 80 meter boven de alluviale vlakte van de Zenne en omvat het Lembeek-, Maasdal- en Hallerbos.

Cultuurhistorie

Omstreeks 10.000 jaren geleden, het begin van het holoceen en het mesolithicum, veranderde het klimaat in onze streken grondig. Het klimaat warmde op (einde van de ijstijden) en het open toendralandschap maakte plaats voor een meer gesloten bosrijke omgeving. Op de heuvelruggen en de valleihellingen evolueerde tijdens het Atlanticum het loofbos naar een eikenbeukenbos, de natuurlijke climaxvegetatie op de vruchtbare leembodems.

In de vochtige brongebieden en beekdalen daarentegen ontwikkelde zich een vochtminnende vegetatie, variërend van riet- en zeggenmoerassen naar wilgen- en elzenbroekbossen. De mesolithische mens trok rond in dit landschap en leefde van jacht, visvangst en pluk. De eerste landbouwactiviteiten – zowel akkerbouw als veeteelt – dateren uit het neolithicum (5500 tot 2000 voor Christus). Het is echter in de daaropvolgende periode (brons- en ijzertijd) dat het landschap in belangrijke mate gewijzigd wordt door de menselijke activiteiten. Bossen werden gekapt en omgevormd tot landbouwgronden, die na uitputting in een heidelandschap resulteren.

Halle

Een zeer uitgebreid overzicht van ‘De Geschiedenis van Halle en het Hallerbos’ werd gedetailleerd beschreven door R. Desmet (1995). Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste elementen.

Bij het begin van onze tijdrekening maakte het Hallerbos nog deel uit van het uitgestrekte Kolenwoud, dat vanaf de Romeinse tijd langzaam verbrokkelde. Toen de Franken zich tijdens de ineenstorting van het Romeinse Rijk in de regio kwamen vestigen, namen ze in grote mate de bestaande administratieve indeling uit de Gallo-Romeinse tijd over. Het christendom had het hard te verduren en verdween bijna, maar het hernam zich na de collectieve bekering van de Frankische overheersers. De pagus werd onder de Merovingers en Karolingers de gouw. Zo viel wat we nu Halle noemen en ommeland onder de Pagus Brabantensis of Brabantgouw. Ten zuiden hiervan lag een ander gouw : de Pagus Hanoniensis of Henegouw (de Hene was de grens). De verdere administratieve indeling van gouw was het graafschap of comitatus met aan het hoofd een graaf. Kerkelijk gezien viel het graafschap samen met het decanaat (dekenij) en de gouw met het aartsdecanaat.

Dit alles is belangrijk voor wat de huidige grenzen betreft, want de kerkelijke indeling bleef door de eeuwen heen behouden, vooral de parochiegrenzen, zelfs als het grondgebied ervan in de loop van de tijd verdeeld werd over twee vorstendommen. In onze streek waren dat het graafschap Henegouwen en het hertogdom Brabant. Verbesselt J. (1987) meldt dat de Frankische kolonisatie verantwoordelijk is voor het basisstramien van de streek. Het parochiewezen, de oude hoven, het nederzettingspatroon, de rechtsstructuur en de vele oude plaatsnamen wijzen hierop. De Franken richtten verder het land in volgens het dominale stelsel, een gesloten economisch geheel van het agrarische type waarbij alles gebruikt werd wat geproduceerd werd. De oudste bestuurlijke indeling van het Brabantgouw bestond uit vier graafschappen. Pas in 870 in het Verdrag van Meersen worden ze vermeld : het graafschap Biest/Aalst, het graafschap Chievres, het graafschap Ukkel/Brussel en het graafschap Halle.

Vanaf de 7de eeuw stellen we vast dat er een aantal abdijstichtingen ontstaan. Zo wordt in Nijvel en in Bergen door Sint-Gertrudis en Sint-Waltrudis een abdij gesticht. Gertrudis en Waltrudis waren leden van voorname Merovingische geslachten. Zij waren de eerste abdis van de door hen gestichte abdij en schonken uitgebreide domeinen uit hun patrimonium. Een groot deel van Halle en omstreken viel onder deze schenkingen: de abdijen van Nijvel en Bergen waren de belangrijkste grootgrondbezitters.

Vanaf de 9de eeuw werden kerkelijke bezittingen gelaïciseerd, niet alleen abdijdomeinen, maar ook parochiegoederen. Wereldlijke heren wierpen zich op als ‘beschermheren’ van de abdij- en parochiegoederen. Ze sloten met het kapittel een overeenkomst om bepaalde aspecten van het beheer over te nemen. In ruil hiervoor konden ze delen in de opbrengst van de goederen. Zo wierpen de graven van Leuven zich op als beschermheer van de goederen van de abdij van Nijvel. Toen ze via een huwelijkspolitiek het graafschap Brussel opslorpten en ze ook de titel verwierven van hertog van Neder-Lotharingen, noemden ze zich zelf mettertijd hertogen van Brabant. Het Halse domein van het kapittel van Sint-Waltrudis kwam als abdijgoed gedeeltelijk onder de bevoegdheid van Henegouwen. De Henegouwse graaf moest nog een voogd dulden vanwege de hertog van Brabant : de kastelein van Brussel. Een paar eeuwen lang zullen deze Brusselse kasteleins het domein van Halle mee beheren.

In het polyticon van 1278 krijgen we een tamelijk gedetailleerd overzicht van de bezittingen van het domein Halle. Hierin worden cijnslanden vermeld, het eigenland (rechtstreeks door het kapittel uitgebaat en de opbrengst voor het kapittel), maar ook ‘les vies (vieux) bruyères et les nouvelles bruyères’, de oude heide (57 bunder) en de nieuwe heide. Deze nieuwe heidevelden kwamen tot stand in de tweede helft van de 13de eeuw door het rooien van bos (het Hallerbos). Het is weliswaar niet het oudste document waarin het Hallerbos wordt vermeld, maar wel het document waarin voor het eerst een hele reeks details over de uitbating van het Hallerbos worden gegeven.

Het domein had een min of meer evenwichtige structuur: centraal de agglomeratiekern, hoofdplaats van het domein en tegelijkertijd tot in de 10de eeuw ook de hoofdplaats van het graafschap, daarbij aansluitend links en rechts de landbouwgronden en aan de uitkanten de bosgebieden. Langs de oostkant op het plateauterras van de Zennevallei is er het Hallerbos, dat door de eeuwen heen als bosgebied is bewaard gebleven. Aangezien de ondergrond uit Brusseliaanse zand bestaat, ontstaat heide waar het bos gekapt werd. In de oude teksten is er sprake van de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ heiden: deze lagen hoofdzakelijk tussen de huidige Nijvelsesteenweg en de grens met Lembeek.

Het Hallerbos

De oudste documenten die betrekking hebben op het Hallerbos zelf, dateren uit 1229 en betreffen onder meer een verdeling van de opbrengsten - in ruil voor de bescherming ervan - tussen het kapittel en de kastelein of burggraaf van Brussel. Nog volgens Desmet R. (1995) is er in een oorkonde uit 1229 sprake van om een woonkern en een parochiekerk op te richten op het grondgebied van het Hallerbos : "... Cum vir nobilis Leonius castellanus de Bruxella per litteras suas patentes nobis concesserit, qoud si villam et parochialem ecclesiam in fundo nemoris de Hall ...". Uit bijgevoegde tekst blijkt dat de kastelein de nodige documenten opgestuurd heeft naar het kapittel om de toestemming te geven. Verder in het document worden wederzijdse rechten en belangen vastgelegd aangaande de uitbating van deze parochie en mogelijke inkomsten uit steenkoolontginning, ontginning van metaalertsen en steengroeven. Er is zelfs sprake van de bouw van een molen op de Steenputbeek en de aanleg van een visvijver. Volgens Desmet R. houdt deze evolutie ongetwijfeld verband met de talrijke personen die in het Hallerbos werk hadden door de bosuitbating.

Het is bij plannen gebleven, de nieuw op te richten parochie is er nooit gekomen ... de uitbating van steengroeve kwam er wel maar dan een paar eeuwen later. Het polypticon van 1278 wijdt aan het Hallerbos een klein hoofdstuk: Het Hallerbos moet dus op dat moment 650 bunder omvat hebben en het kapittel (li glise de Mons) is er alleen de grondheer (treffonsière). De opbrengsten van het Hallerbos moesten worden gedeeld (en tous porfis, en toutes valeurs,en toutes amendes et en tous forfais) tot de boeten toe. Destijds (jadis) deelde de Brusselse kastelein (le castelein de Broussele) voor 1/3 (au tierc). We kunnen hier vermelden dat het de regel in zulke gevallen was dat het kapittel de overige 2/3 had en daar had de leke-abt dan weer 1/3 van. Berekend op het geheel was dat 2/9 van dit geheel. We lezen hier dat de graaf van Henegouwen (als leke-abt) hier nu de volle 1/3 krijgt. De graaf heeft dus zijn inkomsten uit het Hallerbos met 1/9 kunnen vergroten sedert de vorige regeling. En dat is een constant gegeven: de graaf van Henegouwen zal steeds meer te zeggen krijgen in de uitbating en opbrengsten van het Hallerbos en dat zal ook zo worden in het oude Halse domein: "... et aprés i racompaignièrent à l’autre tierce conté Thumas et la contesse Jehanain". Het gaat hier over gravin Johanna van Henegouwen, dochter van de in Byzantium spoorloos verdwenen graaf van Vlaanderen en Henegouwen, Boudewijn van Constantinopel. Ze was gehuwd met Thomas van Savoie, die de titel van graaf van Henegouwen mocht voeren.

Verder staat in de tekst dat sindsdien het Hallerbos in gemeenschap werd gehouden door de drie heren (si ke cis bos est kemuns as 3 seigneurs en tous profis). Ze mochten niets van het bos weggeven noch in leen geven (ne metre hors de lors main en fief u autrement). Elk van de drie heren zal een vester (forestier) mogen aanstellen die aan elk van de drie onder eed moet beloven hun rechten in het Hallerbos te behartigen. Het gemeenschappelijk huis van de vesters in Halle zal ook dienst doen als ‘vroente’ of gevang (stropers en houtdieven).

In 1246 vaardigde paus Innocentius IV een bulle uit om een geschil omtrent het Hallerbos tussen enerzijds het kapittel van Mons en anderzijds de graaf van Henegouwen en de Brusselse kastelein te beslechten. De oorkonde van 16 juni 1331 over het Hallerbos dienen we in een ruimere context te plaatsen. Eveneens in 1331 verkoopt de Brusselse kastelein, Gerard de Marbais zijn voogdijrechten over het Halse domein. De Brusselse kastelein en de hertog van Brabant zijn op dat moment hun invloed in Halle definitief kwijt: Halle zal een Henegouwse stad worden. Toch behoudt de kastelein zijn rechten voor wat het Hallerbos betreft. In 1417 valt het aandeel van de Brusselse kastelein in handen van Jacoba van Beieren, gravin van Henegouwen. Jacoba van Beieren was gehuwd met Jan IV, hertog van Brabant (wat de transactie in verband met het Hallerbos wellicht verklaart). Zo doen de hertogen van Brabant hun intrede in het Hallerbos en ook in het oude domein van Halle: ze worden de heren van Halle.

Ruim een half millennium was het hertogelijk domein – met onder andere het Hallerbos, het Zoniënwoud en het Meerdaalwoud - een voorbebouden jachtgebied voor de machtige hertogen van Brabant, onttrokken aan alle andere vormen van exploitatie of kolonisatie, met een gans eigen rechtsstatuut, beheer,... Gevolg hiervan was dat dit aaneengesloten woud, dat zich uitstrekte tot in het hart van Brussel, een haast ondoordringbare barrière vormde voor menselijk verkeer.

Ingevolge de Vrede van Munster (1648), na de dood van Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, werd het Hallerbos verkocht aan de hertog van Arenberg, Filips-Frans van Arenberg, die buiten de titel van hertog ook die van prins voerde. Als opvolgers van de graven van Henegouwen werden ze ook de heren van Halle. Filips-Frans van Arenberg, kleinzoon van Karel van Arenberg, wordt hier op 24 december 1655 als heer van Halle ingehuldigd. Zo verwierf het huis van Arenberg heel de jurisdictie, alle rechten, cijnzen, renten, boeten, rechten wat visvangst en jacht,... Het Hallerbos kwam voor 2/3 toe aan de Arenbergs. Eén derde bleef eigendom van het kapittel tot aan de Franse Revolutie. Vlak hiervoor moeten er betwistingen gerezen zijn tussen de beide eigenaars: in 1779 werden er 24 grenspalen geplaatst, waarvan er nu nog steeds 20 in het Hallerbos te vinden zijn. Ze hebben de vorm van een afgeknotte piramide en dragen aan de ene zijde het opschrift AR (Arenberg) en langs de andere zijde SW (Sainte Woudru of Sint-Waltridis).

Met het oog op de aanleg van de steenweg Brussel-Bergen werd in 1767 de toelating gegeven om op kosten van de Staten van Brabant de uitbating van een steengroeve langsheen de Steenputbeek op te starten. In de toelating werden een aantal voorwaarden vastgelegd: de uitbating moest continu doorgaan, zowel Arenberg als het Kapittel verwierven het recht op tien duizendste van de kasseien en het afval van de steengroeve kwam toe aan de eigenaar om de wegen in het Hallerbos te verbeteren. De uitbating stopte op 22 juli 1773. Met de kwartsieten uit het Hallerbos werden meerdere boswegen geconstrueerd.

In de nasleep van de Franse Revolutie (1789) en na de inval van de Franse troepen in 1794, werden alle kerkelijke eigendommen in beslag genomen. In 1797 werd het kapittel opgeheven en het derde deel van het Hallerbos werd staatseigendom van de Franse Republiek. De overheersing door Frankrijk eindigde in 1815 als gevolg van de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Waterloo.
Het Hallerbos werd vervolgens staatseigendom van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1821 – onder het bewind van koning Willem I – wordt de bevoegdheid over Hallerbos (als onderdeel van het Zoniënwoud) afgestaan aan de ‘Algemene Nederlandse Maatschappij ter begunstiging van de Volksvlijt’ (de latere Société Générale). Het beheer onder deze Société Générale duurt tot 1831, wanneer beslist wordt het Hallerbos in 20 loten op te splitsen en deze te verkopen aan particulieren. Op dat moment slagen de Arenbergs erin alle loten in één keer op te kopen. Zo krijgen ze ook het resterende derde deel van Hallerbos in hun bezit.

Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog oorlog uitbrak, was het Hallerbos in bezit van de uit Hongarije afkomstige Gravin Julia Hunyadi von Kethely, weduwe van prins Karel van Arenberg. Op 13 november 1919 werden, in navolging van het Verdrag van Versailles, alle bezittingen van de familie Arenberg door de Belgische Regering onder sekwester geplaatst als borg voor Duitse herstelbetalingen. Door de wet van 17 november 1921 kwamen de beboste domeinen op 22 juni 1929 in handen van de Belgische Staat. Het staatsbos Hallerbos bezat volgens een landmeting in 1932 een oppervlakte van 569 hectare. Onteigeningen voor de aanleg van de autosnelweg Brussel-Parijs (de huidige E 19) verminderden in 1974 de bosoppervlakte met ongeveer 25 hectare. Deze ontbossingen gebeurden voornamelijk ten zuidwesten van het bosreservaat. Door de regionalisering in 1983 kwam 511 hectare in handen van het Vlaams Gewest (gemeente Halle). De resterende 48 hectare behoort toe aan het Waalse Gewest (gemeente Woutersbrakel). Het bos werd in 1988 uitgebreid met 3 hectare landbouwgrond die door het Vlaamse Gewest werd aangekocht. Dit aangrenzende perceel werd in samenwerking met de stad Halle beplant in het kader van het tweede millenium. In 2005 groeide het bos opnieuw met bijna 11 hectare door aankoop van landbouwgronden. In 2007 werd daarvan 5 hectare bebost in het kader van de actie ‘Kom op tegen Kanker’. In 2008 werd nog eens 1 hectare bebost in het Kapittel. In 2009 werd er 1,6 hectare bebost aan de Hogebremweg. De totale oppervlakte van het bos bedraagt momenteel 535 hectare.

Lembeek

Sommige geschiedschrijvers menen dat Lembeeck of Lembecque zou voorkomen van leeg-Belgis, later verbasterd naar Leeg-beek. Anderen menen dat de naam voorkomt door samenvoegen van leem en beek. Deze stelling wordt ondersteund omdat in Brabant een groot aantal gemeenten aan beken en rivieren liggen onder andere Roosbeek, Tweebeke of Tubeke, Wiesbeek, Tollembeek, Gaasbeek, Leerbeek, Lombeek. Een andere mogelijke verklaring: De oudste zegels en handschriften vermelden Lenbek en Lenbeka (leen aan de beek?). Deze stelling is aannemelijk wanneer men beseft dat Lembeek in de 12de eeuw een leen was van Edingen. Het ontstaan van Lembeek is moeilijk te achterhalen en de rol die het speelt in de geschiedenis der Lage Landen is eerder bescheiden.

Everaert L. en Boucherij J. (1876) melden in ‘Geschiedenis der Oude Vrijheid Lembeek’ dat "Lembeek reeds in de 9de eeuw moet bestaan hebben, daar de Heilige Veronus in 863 in de kerk begraven werd. In de tweede helft van de 12de eeuw bestond het zeker aangezien het in 1182 door Gozewijn van Edingen aan de graaf van Henegouwen afgestaan werd". Verder is er ook een verwijzing in het vredesverdrag van 20 augustus 1194, na de slag van Neuville-op-de-Méhaigne, tussen Lembeek en Halle, door hertog Hendrik I van Brabant en Boudewijn V van Vlaanderen.

Gelegen op de grens tussen Brabant en Henegouwen, was Lembeek een voortdurende twistappel tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen. Algemeen wordt aangenomen dat met de bouw van een versterkte burcht, in een meanderbocht van de Zenne, in de 11de eeuw gestart werd. Deze inplanting werd zeer nauwkeurig gekozen en is omwille van uitgestrekte moerassen, onneembaar. In 1185 brak de oorlog om Lembeek uit. Deze werd beëindigd in 1194 toen Boudewijn te Noville op de Méhaigne een beslissende overwinning behaalde op Hendrik I van Brabant en zijn bondgenoten. Op 20 augustus van hetzelfde jaar werd op het grondgebied van Rodenem, gelegen tussen Lembeek en Halle de ‘Vrede van Lembeek’ getekend. De voornaamste bepalingen van dit verdrag was dat Lembeek een ‘Vrijstad’ werd: "onbemuert ende neutraal, gelijk het geweest was van oude tijden buyten iemandts memorie, sijnde eigentlijk nog van Brabant, nog van Henegouwen, alhouwel (als boven geseyt is) dat het light tusschen de twee Provinciën...". Nog volgens Mostin J. (1974) : "Kwamen de stadskom en het deel op de linkeroever van de Zenne de heer van Edingen toe; de rechteroever van de Zenne bleef het bezit van de heer van Lens, die tevens beschermer en burchtheer van Halle werd."

Everaert L. en Boucherij J. (1876) beschrijven in hun ‘Geschiedenis der Oude Vrijheid Lembeek’: "Het grondgebied der vrijheid Lembeek was onzijdig en maakte derhalve deel van de zeventien provinciën der Nederlanden. Het hing slechts af, zoals eene oorkonde het zeer eigenaardig zegt: van God en van de Zon (de Dieu et du Soleil) en de Heer van Lembeek was alleenlijk gehouden, bij zijne intrede, den eed af te leggen aan God op het heilig Evangelie en op de relikwieën van Sint-Veronus. Aan deze vrije stad behoorden alle rechten op de vischvangst en de jacht, alsmede het recht op ‘den wind’ en de waterloopen. Daarbij bezat hij het hooger, middelbaar en laag gerecht, met het recht van verbeurdverklaring, genadeverleening en kwijtschelding aan booswichten, en zulks door al de zeventien provinciën."

"Eeuwenlang was de grensstreek tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen een echte twistappel. De vele conflicten, oorlogen en intriges zorgden er voor erg grillige grenzen, die nog voortleven in de huidige gemeente- en dorpsgrenzen". Bron : ‘Halle – een Bourgondisch feest’ – Clement R. en Decreton J.

Kasteeldomein van Lembeek

De heerlijkheid Lembeek behoorde in de 16de eeuw toe aan de familie de Lonqueville. In 1571 ging het over naar Jean Richardot (Jan Grusset). In 1618 bouwde Guillaume Richardot, toenmalige heer van Lembeek, een prachtig nieuw kasteel tussen het gasthuis en de Zenne, ongeveer op de plek waar de oude burcht op het einde van de 14de eeuw werd vernield. Het nieuwe kasteel stond symbool voor de ‘Vrijstad Lembeek’ en zou gedurende de volgende drie eeuwen het statige machtssymbool zijn van de heren van Lembeek.
'Un beau grand Château batis à la moderne’ zo beschreef men het kasteel honderd jaar na de bouw. Het nieuwe kasteel was een residentieel, adellijk verblijf zonder defensieve kenmerken, maar door de hoektorens verwijzend naar de vroegere krijgsbouwkunde. Door de eeuwen heen heeft het gebouw, tot de sloop in 1972, weinig verandering ondergaan.
Om het kasteeldomein tot aan de Zenne te kunnen uitbreiden liet hij de brug naar Malheide slopen. Wijn- en boomgaarden, bloemenperken werden aangelegd en vijvers gegraven. De bouwwerken werden voltooid in 1624.

Everaert L. en Boucherij J. (1876) beschrijven het kasteel als volgt: "De plattegrond van het kasteel is bijkans een volkomen vierkant. Het gebouw is twee verdiepingen hoog en heeft op elken hoek een torentje met klokvormige uitgehaalde vierkante daken, dat met zeer fraaie windwijzers versierd is. Het bovendeel van het dak is van klavervormige versierselen voorzien, en vier schouwpijpen, in de vorm van Ionische zuilen, prijken er op. Een breed portaal bevindt zich voor de ingangsdeur en bestaat uit drij bogen, welke op pilaren en op vier zuilen rust. Zeventien groote vensters en vier mindere zijn in den voorgevel. De voornaamste zijde is die langs het oosten, welke uitziet op de warande. Men bemerkt een groot terras, waarnaar men opklimt langs eenen grootschen en prinselijken trap."

Demaegd C. (1998) beschrijft in haar artikel ‘Een einde en een nieuw begin - de creatie van een hof van plaisantie te Lembeek in 1618’ het kasteel als volgt: "Het op een rots gelegen kasteel van Guillaume Richardot en Anne de Rye domineerde in 1618 ongetwijfeld zijn omgeving. Het bezat een bouwvolume van 15 traveeën lengte, met vier hoger uitstekende en vooruitspringende, vierkante hoektorens, was voorzien van de traditionele hoge kruisvensters en kloosterkozijnen, eigen aan de 17de eeuw. Het was afgedekt met een dubbel, parallel leien zadeldak met dakschilden, dakkapellen en fraai uitgewerkte schoorstenen. Het telde twee bouwlagen en omdat het deels op een uitstekende rots was gebouwd, kon men gebruikmaken van het niveauverschil aan de zuidzijde voor een bijkomende verdieping die de keukens en dienstruimten bevatte. Als belangrijkste bouwmateriaal benutte men de plaatselijke grijsgroene natuursteen en gevelankers gaven het bouwjaar 1618 aan. De oost- en westgevels liepen over de drie middelste traveeën uit in een trapgevel, met centrale erker."

Verder beschrijft Demaegd C. (1998) in haar artikel: "Om de plek tot de hunne te maken en de ‘aerdighe situatie’ voor hun huis van plaisantie te benutten, waren Guillaume Richardot en Anne de Rye planmatig te werk gegaan, zoals blijkt uit de ‘inventaris van aanwinsten en verbeteringen’ die ze bij hun testament van 1627 voegden. Hun gerichte aankooppolitiek van huizen, erven, tuinen, gronden, en weiden had tot doel een aaneensluitend, door de Zenne omringd terrein te komen, dat ze later ‘l’enclos du château’ noemden."

Door het testament kennen we ook de bestanddelen van het kasteeldomein: het kasteel zelf (la place ou est a present construit led t chateau et la srie nomé vandenbrucht) lag aan een hooghof of opperhof (la haute cour devant le chateau) en was voorafgegaan door een neerhof met poortgebouw en paardenstallen (ou est presentement la porterie de la bassecourt du dt chat et les ecurie). Er was een hopast (ou est a present l’houblonnière vis a vis du chateau) en een galerij (ou gist a present la galerie du dit chateau). Een boomgaard lag bij de (oude) toren van het kasteel (reduite a present en verger ioignant la tour du dit chateau) een andere bij de moestuin (verger suivant le iardin potager), er was vanzelfsprekend ook een bloementuin (a present une partie du iardin boucquetier) en weiden en gronden strekten zich uit tot de rivier (gissant vers la riviere).

Het kasteel kende volgende eigenaars : Guillaume Richardot (baron van Lembeek en graaf van Gallemaarden), Alexander Richardot (graaf van Gallemaarden), Claudius Richardot (heer van Gallemaarden, heer van Gruuthuse, Herzule, Ottignies, Veremaal zich noemende baron van Lembeek en prins van Steenhuyse, krijgssergeant-generaal, ritmeester van een tercio kolveniers te paard, Goeverneur der Spaansche Nederlanden en kamerling van den hertog van Beieren).
Via vererving komt het nalatenschap van Claude Richardot (1701) in handen van hertogelijke en prinselijke familie de Bournonville: Alexander-Albert-Frans-Bartolomeu de Bournonville (hertog en prins van Bournonville, graaf van Hennin-Liétard), Filips-Alexander de Bournonville (hertog en prins van Bournonville, graaf van Hennin-Liétard, ritmeester van het regiment van Condé), Wolfgang-Willem de Bournonville (baron van Capes, heer van Sars, kapitein in de legers van de koning in de Nederlanden, Markgraaf van de heerlijkheid van Sars, goeverneur van Dendermonde en goeverneur en kapitein-generaal van het hertogdom Limburg en van het land over de Maas).

De eerste plannen voor de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi dateren reeds uit de 16de eeuw. Het zou nog tot in het begin van de 19de eeuw duren vooraleer de plannen voor het kanaal gerealiseerd werden. In 1826 werd de maatschappij Nieuwenhuis als concessiehouder aangeduid en konden de werken gestart worden. Van 1827 tot 1832, in minder dan zes jaar, werd het kanaal Brussel-Charleroi gegraven. Hierdoor werd het kasteel met 127 hectare omgevend land en bos in twee gesneden. Een brug – de Duivelsbrug - en een kanaaltunnel werden gebouwd op verzoek van hertog d’ Ursel, toenmalige heer van Lembeek met de bedoeling het kasteelpark en het park aan de overkant van het kanaal te verbinden. Via de brug en de tunnel kon men de Zenne en het kanaal oversteken. Enkel scheepjes met een laadvermogen van maximum 70 ton konden gebruik maken het toenmalige kanaal. De economische belangen noodzaakten de overheid om het kanaal aanzienlijk te verbreden. In 1932 werd gestart met het uitgraven van een nieuw tracé, waarbij de nieuwe sluis ongeveer 100 meter rechts van de oude kwam te liggen.

Door de aanleg van het kanaal werd het kasteeldomein doormidden gesneden. Om de toenmalige eigenaar – de hertog d’Ursel – ter wille te zijn en beide delen van het park te verbinden, werden twee kunstwerken gebouwd: Een kanaaltunnel die verdween bij de verbredingwerken aan het kanaal en de pittoreske Duivelsbrug. Deze werd gesloopt bij de bouw van het overslagstation dat in de loop van de jaren vijftig gerealiseerd werd. De aanleg van het kanaal in het begin van de 19de eeuw bracht voor Lembeek zeer weinig economische welvaart maar had vooral zeer belangrijke landschappelijke implicaties.

Na de Franse omwenteling behoorden de goederen van de heerlijkheid Lembeek toe aan de familie d’Ursel. In 1853 verwierf Paul Claes – toenmalige burgemeester - het kasteeldomein en het Lembeekbos. Vrijwel onmiddellijk na de aankoop van het kasteeldomein in 1853 liet Paul Claes het kasteel restaureren, voegde een gevellang terras aan de oostzijde toe, liet het interieur eclectisch aankleden en naar de mode van de tijd uitbreiden met een wintertuin. Paul Claes was ook gefascineerd door renpaarden. Hij liet een hypodroom aanleggen in het park over het kanaal.

De familie Claes heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de industriële ontwikkeling van Lembeek. Ze hadden een jeneverstokerij, een windmolen, een potasfabriek, een fabriek voor het verwerken van suikerbieten langs het kanaal en een dierenvetmesterij in Lembeekbos

De familie was na de hertog van Arenberg, waarvan een deel van zijn gronden na de Eerste Wereldoorlog door de Belgische Staat werd aangeslagen als Duitse eigendom, de grootste grondbezitters van België. Mede dank zij ‘de vrijheid Lembeek’ en de daaraan verbonden privileges nam de jeneverstokerij in de 18de eeuw snel uitbreiding. Die privileges hielden in dat men de grondstoffen voor jenever kon aankopen en de geproduceerde jenever kon uitvoeren zonder accijns- of tolrechten te betalen. Bij de verkoop van de nationale goederen door de Fransen in de Franse tijd, kreeg Jean Bapiste Claes de kans om aanzienlijke opbrengsten van de jenevernijverheid te investeren in grondbezit.

In 1854, één jaar nadat Paul Claes, burgemeester van Lembeek en plaatselijke ondernemer die zijn fortuin had gemaakt in de jeneverstokerij, het kasteel van Lembeek aangekocht had, liet hij als herinnering aan de 11de eeuwse oude burcht een pseudo-middeleeuwse stenen toren bouwen, die naar de mode van toen, de naam Malakofftoren meekreeg. Volgens oude Lembekenaars bevond zich bovenop de toren een grote waterbak, die de kasteelbewoners van water voorzag. De vierkantige toren van ongeveer tien meter hoog, met drie dikke kantelen en voorzien van smalle, hoge schietgaten, steunberen en boogvormige ingangen en vensters, heeft bij de inhuldiging gefungeerd als decor voor het naspelen van taferelen uit de Krimoorlog, waarbij de Fransen een belangrijke overwinning behalen door het Malakoffbolwerk te Sebastopol (Oekraïne) in te nemen. De charge van de Lichte Brigade, die toen het symbool werd van moed tijdens de Slag bij Balaklava op 25 oktober 1854, heeft hierbij ongetwijfeld inspirerend gewerkt.

Op 10 februari 1904, na de dood van Paul Claes II, werd het ‘kasteel en bijhorend domein’ door notaris Heremans definitief toegewezen aan Isidore Constatin Meert, Louis De Wit, Nestor François Joseph Pirson, Joseph Iliano en Julien Liévin Taets, Broeders van de Christelijke Scholen. Het gedeelte aan de overkant van het kanaal was voor 1904 reeds verkocht aan de Belgische Staat.

Aan de komst van de Broeders van de Christelijke Scholen in Lembeek gaat een geschiedenis vooraf die zich afspeelde in Frankrijk in het jaar 1902 waar een nieuwe regering onder leiding van Emile Combes haar opwachting maakte. De radicale en antiklerikale Emile Combes eist de onverminderde uitvoering van de wet van 1 juli 1901 waarbij vooral de religieuze instellingen geviseerd werden. Door deze wet werden deze laatsten ondermeer verplicht een voorafgaande bestaanstoelating aan te vragen, op straf van ontbinding van de vereniging. Maar de genadeslag kwam er door de wet van 7 juli 1904 met een verbod op elke vorm van onderwijs door religieuze congregaties. De gevolgen waren ronduit dramatisch en voor de Broeders was dan ook het moment aangebroken om elders hun heil te zoeken. Al vrij snel werd gekozen voor het gastvrije België waar de broeders al langer aanwezig waren. De school opende haar deuren op 6 oktober 1904 en telde 2 klassen. Een derde klas werd geopend op 3 januari 1905 en nauwelijks een week later telde de school 80 leerlingen. De voortdurende toevloed van personeel en diensten bracht als snel een nijpend plaatsgebrek met zich mee. De Broeders beslisten om een bijgebouw te realiseren in het verlengde van het kasteel.

Het gebouw kreeg omwille van zijn vierkantig grondplan, de toepasselijke naam van ‘maison carrée’ en werd opgetrokken in dezelfde stijl van het kasteel. Op de plaats van de voormalige wintertuin werd begonnen met de bouw van de kapel, een indrukwekkende maar sobere constructie. Op de gelijkvloerse verdieping voorzag men een refter, op de 1ste verdieping de kapel en op de 2de verdieping de kapittelzaal.

Door de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal novicen en in 1968 werd besloten, wat niemand voor mogelijk hield, om na 64 jaar aanwezigheid, Lembeek definitief te verlaten.

In 1971 werd het kasteeldomein verkocht aan de firma Colruyt. Nog geen jaar later was het kasteel met de grond gelijkgemaakt.

Lembeekbos

Het Lembeekbos en het omliggende agrarische landschap is gelegen in een heuvelachtig landschap, dat omwille van deze golvende topografie en valleien bij de traditionele landschappen in Vlaanderen aangeduid wordt als ‘de Brabantse Ardennen’.

Het Lembeekbos, ongeveer 120 hectare groot, ligt op het hoogterras van het Zennedal, ten zuiden van Halle en ten westen van het Hallerbos. Lembeekbos en het Hallerbos vormden eertijds één geheel met het Zoniënwoud. Aan de zuidkant staat het nog in verbinding met het ‘Bois de Clabecq’ en het ‘Bois du Bailli’, resp. gelegen in de gemeenten Tubize en Braine-le-Château. Volgens I. Brichau (2000) vormt het bos een belangrijke schakel bij de verbinding van de boscomplexen in de regio.

In 1853 slaagde Paul Claes, burgemeester van Lembeek, het kasteel van Lembeek en het Lembeekbos te kopen van hertog d’Ursel. Hij gebruikte het bos als jachtterrein en als verblijf voor zijn veestapel . In het bos hield hij een 700-tal dieren – varkens en ossen - die gevoerd werden met droesem afkomstig van zijn stokerij, dat werd aangevoerd langs een spoorweg waarvan de wagons getrokken werden door ossen.

In 1915 komt het domein in handen van Dokter Spitaels uit Lembeek, die het nog hetzelfde jaar verkocht aan de Leuvense industrieel Destordeur A. Deze laatste was erg begaan met het bos, liet grootschalige aanplantingen uitvoeren, de vijvers reinigen, het jachtpaviljoen en het boswachtershuis herstellen.

Gedurende de ganse oorlog (1914-1918) werd het goed bezet door de Duitsers die er hun eigen jacht en schietinrichting hadden.

In 1936 werd het bos eigendom aan Victor Brien, industrieel en een oud-koloniaal. Op de heuvel met een ontsluiting van Brusseliaanzand liet hij een neoclassicitisch kasteel te bouwen. Hiervoor werden 4 ha. bos gerooid. Na zijn dood, in 1962, kwam het zogenaamd Kasteel Brien en het Lembeekbos in het bezit van de U.L.B. die het gebruikt als wetenschappelijk onderzoeksdomein. De voornaamste wilsbeschikking van de overledene hield onder meer in dat: "het domein ongeschonden zou bewaard blijven; de inkomsten ervan zouden gebruikt worden voor het behoud van het domein in een onberispelijke staat; het bezit van het domein zou bijdragen tot de wetenschappelijke uitstraling van de universiteit en het realiseren van educatieve doeleinden." Gevolg gevend hieraan werd onder andere wetenschappelijk onderzoek verricht op zoetwatersponsen, insecten, vogels en fauna van het bos.

  • Atlas der Buurtwegen van de gemeenten Halle, Lembeek, Buizingen en Dworp, uitgegeven ca. 1848, schaal 1:10.000 voor overzichtsplannen, schaal 1:2500, andere schaal mogelijk in stedelijke centra of buitengebieden.
  • Biologische waarderingskaart, versie 1, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, uitgegeven tussen 1978-2006, schaal 1:10.000, kaartbladen 30 en 31.
  • Biologische waarderingskaart, versie 2, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, toestand 2006, schaal 1:3000, kaartbladen 31-39.
  • Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, uitgegeven tussen 1950-1975, schaal 1:20.000, kaartbladen100E (Denderwindeke) en 101W (Sint-Kwintens-Lennik).
  • D+A Consult nv., Bijzonder Plan van Aanleg nr. 24 – Kasteeldomein Lembeek – herziening 1 (2008). Ongepubliceerde kaart.
  • D+A Consult nv., Halle (Lembeek): Bijzonder Plan van Aanleg – JNP Printing (2005). Ongepubliceerde kaart.
  • D+A Consult nv., Halle (Lembeek): Bijzonder Plan van Aanleg nr. 36 – Lembeek dorp (2005). Ongepubliceerde kaart.
  • D+A Planning pvba, Halle (Lembeek): Bijzonder Plan van Aanleg nr. 24 – Kasteeldomein Lembeek (1994). Ongepubliceerde kaart.
  • D+A Planning pvba, Halle (Lembeek): Bijzonder Plan van Aanleg nr. 32 – Lembeek Zuid (2000). Ongepubliceerde kaart.
  • De Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Jozef Jean François de Ferraris, opgesteld tussen 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000. Koninklijke Bibliotheek van België, http://www.kbr.be/collections/cart_plan/ferraris/ferraris_nl.html.
  • Figuratieve kaart van de Vrijheid Lembeek, Mathieu Bollin, vermoedelijk uitgegeven in 1601, ARAB, Fonds d’Ursel, nr. 203.
  • Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, uitgegeven in 1977, schaal 1:25.000, kaartblad 39/2 (Ittre).
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Kaart van België, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven vanaf 1976, schaal 1:25.000, kaartbladen 30/8 (Galmaarden) en 31/5 (Lennik).
  • Kaart van België, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven vanaf 1976, schaal 1:10.000, kaartbladen 39/2 en 39/3.
  • Primitieve Kadasterkaarten van de gemeenten Halle, Lembeek, Buizingen en Dworp, uitgegeven ca. 1820, schaal 1:2500, 1:5000.
  • Stratenatlas van België. Vol. 3. Provincie Vlaams-Brabant, Standaard uitgeverij nv, uitgegeven in 1995, schaal 1:20.000; schaal 1:10.000 voor stedelijke gebieden.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988).
  • ANTROP M., ROGGE E., BOURGEOIS J., CORDEMANS K., THOEN E., LACHAERT P. & GRYFFROY A. 2003: Onderzoeksopdracht provincie Vlaams-Brabant : Historische-geografische studie Pajottenland – gemeentes : Bever, Galmaarden, Gooik, Halle, Herne, Pepingen, Lennik, Roosdaal en Sint-Pieters-leeuw, Gent.
  • BRICHAU I., AMEEUW G., GRYSEELS M. & PAELINCKX D. 2000: Biologische waarderingskaart, versie 2. Kaartbladen 31 – 39. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 15, Brussel.
  • CEUSTERS K. 2011: Visietekst - Strategisch Project : Zuurstof voor de Zennevallei. Regionaal Landschap Zenne, Zuun en Zoniën, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • CLEMENT R. & DECRETON J. 1991: Halle – Een Bourgondisch feest, Tielt.
  • CORNELIS J., HERMY M., DE KEERSMACKER L. & VANDEKERKHOVE K. 2007: Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen. Een typologie van bossen op basis van de kruidachtige vegetatie. Rapport INBO.R.2007.1, Brussel.
  • D+A PLANNING. 1995: Natuurontwikkelingsplan – Inventarisatie en knelpuntenanalyse, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE BLUST G., FROMENT A., KUYKEN E., NEF L & VERHEYEN R. 1985: Biologische Waarderingskaart van België – Algemene verklarende tekst, Brussel.
  • DE CALUWE C. 1989: De vegetatie van enkele moerassige weilanden te Halle en omgeving, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DE JONGHE S., GEHOT H., GENICOT L. en WEBER P. 1996: Pierre à bâtir traditionnelles de la Wallonie, Namur.
  • DE KEERSMAECKER L., BAETÉ H., CHRISTIAENS B., ESPRIT M., VAN DE KERCKHOVE P. & VANDEKERKHOVE K. 2007: Bosreservaat Jansheideberg (Hallerbos) : Monitoringrapport; monitoring van de dendrometrische gegevens en de vegetatie in de steekproefcirkels en de kernvlakte. Rapport INBO.R.2007.43, Geraardsbergen.
  • DE KEERSMAEKER L., VANDEKERKHOVE K., DE CROP E., DE MOLDER H., OPSTAELE B. & MARTENS L. 2011: Schipperen tussen oud bos en schraalgrasland in het Vroenenbos, De Levende Natuur 112.1, 32-37.
  • DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S. 1975: Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Halle-Vilvoorde (2n), Brussel.
  • DE MAEGD C. 1998: Een einde en een nieuw begin : de creatie van een hof van plaisantie te Lembeek in 1618, Monumenten, Landschappen & Archeologie 17.1, 6-44.
  • DENEEF R. & WIJNANT J. 2001: Inventaris Historische Parken en Tuinen – Dendrologische inventaris van het kasteeldomein van Lembeek, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DESMET R. 1970: Het Maesdaalbos, een natuurreservaat te Halle. Een weinig historiek. In: Noirfalise A., Huble J. & Delvingt W. (ed.), De Natuurreservaten van België, Brussel.
  • DESMET R. 1979: Wandelen in het Hallerbos – Deel III – Kennismaking met de geologie en de prehistorie van de streek tussen Zenne en Zoniën, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DESMET R. 1995: Halle: Van domein tot stad, s.l.
  • DESMET R. s.d.: Geschiedenis van het Hallerbos, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • DIRIKEN P. (1998). Geogids Halle, Toeristisch-recreatieve atlas van Vlaams-Brabant. Zenne en Zoniën, Kortessem.
  • ESPION B. 2009: Early Applications of Prestressing to Bridges and Footbridges in Brussels Area. Proceedings of the Third International Congress on Construction History. Cottbus, 20-24 mei 2009.
  • EVERAERT L. & BOUCHERIJ J. 1876: Geschiedenis der Oude Vrijheid Lembeek, Antwerpen.
  • GEWESTELIJKE VVV ZUID WESTBRABANT VZW. 1993. Het Land van Zenne en Zoniën geografisch en historisch – derde herwerking, s.l.
  • GHYSELS B. & GOEMARE B. 2002: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat Berendries te Halle, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • GOOSSENS D. 1984: Inleiding tot de geologie en geomorfologie van België, Enschede.
  • GULLENTOPS F. & WOUTERS L. 1996: Delfstoffen in Vlaanderen, Brussel.
  • LEYMAN A., SMETS K & VANDEKERHOVE K. 2008: Domeinbos Hallerbos – Uitgebreid bosbeheerplan 2009-2028. Rapport INBO.IR.2008.16, Geraardsbergen.
  • MEULENKAMP W. 1995: Follies – Bizarre bouwwerken in Nederland en België, Amsterdam, Antwerpen.
  • MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, AFDELING MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN. 2001: Atlas van de relicten van traditionele landschappen in Vlaanderen (Landschapsatlas), cd-rom, Brussel.
  • MOSTIN J. 1974: De oorlog om Lembeek volgende kroniek van Gislebert van Mons, Het oude land van Edingen en omliggende II.2, 35-42.
  • ROELANDT B. 2007: Een vegetatieanalyse van het Hallerbos, Brussel.
  • ROMEIJN–PEETERS E. 2011: Visietekst – Plan Boommarter, Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • RONSIJN W. 2007: De kadasterkaarten van Popp: een sleutel tot uw lokale geschiedenis. Historische geografie van Aarschot, Asse, Halle en Tienen aan de hand van de kadasterkaarten van Popp, Accenten uit de geschiedenis van Vlaams-Brabant, 1, Leuven.
  • SCHROYEN K., BUFFEL P. & MATTHIJS J. 2003: Toelichting bij de Quartairgeologische kaart. Kaartblad Brussel – Nijvel (31-39), Brussel.
  • TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M. 1993: Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Leuven.
  • VAN REMOORTERE J. 1995: Wandelen door Vlaams-Brabantse Bossen: gids voor 11 wandelingen door de mooiste domeinbossen, Lannoo's dicht-bij-huisgidsen, Tielt.
  • VAN SCHEPDAEL H., VAN BOCHAUTE H., DESCUYFFELEER P. & DESTOOP L. 2009: De waterwinning in het Hallerbos, Hyacint 37.1.
  • VAN UYTVANCK J. 1997: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat De Rilroheide te Beersel (Dworp), Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VAN UYTVANCK J. 1999: Aanvraag tot erkenning van het natuurreservaat Steenputbeen, De Weikes te Beersel (Dworp), Ongepubliceerd rapport, s.l.
  • VANDENPLAS D. 1984. Lembeek in oude prentkaarten, Zaltbommel.
  • VANDENPLAS D. 1992: Onderzoek naar de vrijheden van Lembeek in 1603, Het oude land van Edingen en omliggende XX.2, 117-137.
  • VANDENPLAS D. 1994: Lembeek in oude prentkaarten – deel 2, Zaltbommel.
  • VANHEMELRYCK F. & VANDER ELST M. 1976: Zenne en Zoniën – Heden en verleden, Dworp.
  • VANVOLSEM J. 1979: De Heerlijkheid Essenbeek , Hallensia 1.3, .
  • VERBESSELT J. 1987: Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw . Deel XX: Halle en Lembeek, Brussel.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 1: Henri Vogeleer onze gids, Gazet van Halle 81.12, 1, 7.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 2: Een tapijt van blauwe bloemen, Gazet van Halle 81.13, 1, 5.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 3: Het begon met Paul Claes, Gazet van Halle 81.14, 1, 7.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 4: Dokter Spitaels en de oorlog, Gazet van Halle 81.15, 1-2.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 5: Verkocht en nog eens verkocht, Gazet van Halle 81.16, 1.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 6: Van koloniaal naar kasteelheer, Gazet van Halle 81.17, 1.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos 7: Schuilplaats voor de ‘witte brigade’, Gazet van Halle 81.18, 1-2.
  • VOGELEER H. 1979: Het Lembeekbos slot: de koning drinkt ... en wij ook, Gazet van Halle 81.20, 1, 3.
  • WALSCHOT L. 1979: De groeve van Rodenem (Halle), Verhandelingen van de Koninklijke Geschied- & Oudheidkundige Kring Halle 1979.15-16, 119-127.
  • DAVIDSFONDS LEMBEEK I.S.M. DE PAROCHIE SINT-VEROON. 2004: 100 jaar Broeders in Lembeek [tentoonstelling], Lembeeks Museum en het Sancta Maria Instituut, november 2004.
  • VAN SCHEPDAEL H., VAN BOCHAUTE H., DESCUYFFELEER P. & DESTOOP L. 2011: Natuursteen [tentoonstelling], Toerisme Halle vzw en Zuidwestbrabants museum, juli-augustus 2011.

Bron: Aanduidingsdossier ankerplaats 'Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos', definitieve aanduiding 04/01/2013. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs:  Wijnant, Jo; Smets, Koen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Wijnant J. & Smets K. 2013: Hallerbos - Lembeekbos - Maasdalbos (Aanduidingsdossier 2013) [online], https://id.erfgoed.net/teksten/163696 (geraadpleegd op ).