erfgoedobject

Westhoekduinen, duinen van Cabour, De Moeren en plateau van Izenberge

landschappelijk geheel
ID: 135398   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135398

Juridische gevolgen

Beschrijving

Dit gebied behoort grotendeels tot de kustvlakte die zich van Cap Blanc Nez (Frankrijk) tot in Denemarken uitstrekt langs de zuidelijke Noordzee. Ze situeert zich in het uiterste zuidwesten van Vlaanderen op het grondgebied van de gemeenten De Panne en Veurne. Dit gebied omvat een bijzondere landschappelijke sequentie van strand - jonge duinen (de Westhoek, de Krakeelduinen, het Calmeynbos en de Oosthoek), poldergebied van Adinkerke, binnenduinen van Adinkerke-Ghyvelde (met het domein Cabour en het Garzebekeveld), De Frans-Belgische Moeren, de Buitenmoeren en de overgang naar het Plateau van Izenberge (Houtem-Wulveringem). Alle landschapseenheden lopen in het westen, mits enkele kleine verschillen, door op Frans grondgebied. Volgens dezelfde sequentie vinden we daar het strand en de duinen van ‘Le Perroquet’, het poldergebied van Bray-Dunes, de ‘fossiele’ duinen van Ghyvelde, De Moeren en het overgangsgebied naar het zandleemgebied.

De quartair-geologische en de historische ontwikkelingen zijn respectievelijk bepalend geweest voor het natuurlijk reliëf en de variatie in de bodemtextuur en voor het actuele landschapsbeeld van het gebied. Op basis hiervan kunnen er zeven grote landschappelijke eenheden worden onderscheiden:

  • Het Strand van De Panne,
  • Het Duingebied van de Westhoek, de Krakeelduinen, het Calmeynbos en de Oosthoek (de jonge duinen van De Panne),
  • De Polder van Adinkerke,
  • De Cabourduinen en het Garzebekeveld (een relict van de ‘binnenduinen van Adinkerke-Ghyvelde’),
  • De Moeren,
  • De Buitenmoeren,
  • Overgangszone naar het Plateau van Izenberge.

De onderscheiden grote landschappelijke eenheden die representatief zijn voor de westelijke kustvlakte lopen binnen de ankerplaats quasi ongestoord in elkaar over. Dit is één van de belangrijkste landschappelijke waarden van het gebied.

Fysische geografie

Ontstaan en evolutie van de kustvlakte

De geschiedenis van de huidige kustvlakte begon zowat 10 000 jaar geleden, op het einde van het pleistoceen. Door het afsmelten van de ijskappen begon de zeespiegel opnieuw te stijgen. Daardoor overspoelde de zee geleidelijk meer en meer het lager gelegen landschap. Binnen de grenzen van het gebied reikte de invloed van de zee uiteindelijk tot het pleistocene Plateau van Izenberge, net ten noorden van de lijn Houtem-Wulveringem. Tot omstreeks 6400 jaar geleden was de kustvlakte één groot getijdenlandschap bestaande uit geulen, slikken en schorren. De opslibbing leidde tot een zodanige ophoging van het wad dat zich op vele plaatsen landinwaarts een (zoetwater)moeras kon vormen.

Tussen 5300 en 4700 jaar geleden was de kustvlakte zo hoog opgeslibd dat in het grootste gedeelte van de westelijke kustvlakte veenvorming startte, die 2000 tot 3000 jaar nagenoeg ononderbroken aanhield. Rond 4200 jaar geleden was bijna de gehele toenmalige kustvlakte ingenomen door een groot kustmoeras. Enkel zeewaarts en in het gebied van De Moeren werden verder sedimenten afgezet in een waddengebied. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden tot ongeveer 2400 jaar geleden bestond het gebied van De Moeren uit een wad dat in noordelijke en oostelijke richting omgeven was door een veengebied. Door de ligging onder het zeeniveau bij laagwaterstand bleef het gebied ook na de definitieve inname van de kustvlakte, nog zeer lang bestaan als een zoetwaterplas. In dezelfde periode was zeewaarts nog duin aanwezig, dat vermoedelijk ontstond op een waddenplaat (zie waddeneiland). De ouderdom ervan wordt geschat op 3000 jaar voor heden. De zogenaamde ‘Oude duinen van De Panne’ werden onder meer in de ijzertijd en de Romeinse tijd bewoond. Tussen beide duingebieden kwam een waddengebied voor. Het einde van de veengroei situeert zich tussen 2300 en 2000 jaar geleden. Ten gevolge van de toegenomen mariene invloed vanaf 2300 jaar geleden breidde het areaal van de wadden en de schorren zich uit in landwaartse richting. Hierdoor stopte de veengroei. Het gebied van De Moeren vormde een buitenbeentje in de ontwikkeling van de kustvlakte, er vond geen veenvorming plaats. Vanaf circa 5000 jaar geleden tot ongeveer 6400 jaar geleden bestond het gebied van De Moeren uit een wad dat in noordelijke en oostelijke richting omgeven was door een veengebied. Door de ligging onder het zeeniveau bij laagwaterstand bleef het gebied, ook na de definitieve inname van de kustvlakte, nog zeer lang bestaan als een zoetwaterplas.

Bij het begin van de Romeinse occupatie was het zeewaartse gedeelte van de westelijke kustvlakte waarschijnlijk één grote schorre, doorsneden door enkele brede geulen, van waaruit kleinere geulen en kreken de schorre ontwaterden. Tijdens de Romeinse periode nam de invloed van de zee opnieuw toe. Er werd weer een pakket sediment afgezet. Dit gebeurde in nagenoeg de hele westelijke kustvlakte. Er wordt aangenomen dat de overstromingen een rol gespeeld hebben bij het verdwijnen van de Romeinen uit de kustvlakte (270 na Christus). Door die overstromingen werd het gehele gebied opnieuw een actief waddengebied dat door opslibbing verder evolueerde naar een schorrevlakte, waarbij de meeste geulen verzandden en de kreken dichtslibden. De wadafzettingen van het poldergebied zijn eerst sterk zandig, maar naar de top toe worden ze erg kleiig. Aan die top bevindt zich meestal een vegetatiehorizont; dichtbij de duinengordels zelfs een veenlaagje. Het laatste wijst op het bestaan van vermoedelijk met (duin)kwelwater gevoede moerassen in deze omgeving. Het veenlaagje is bedekt met een kleidek, dat gemiddeld iets minder dan 1 meter dik is. Het bovenste deel van dit kleidek is opnieuw te interpreteren als een afzetting van een hoge schorre. Plaatselijk, vooral langs de binnenduinrand, trad vervolgens veenvorming op in een moerassige omgeving. In de periode van 800-900 na Christus was het belangrijkste gedeelte van dit waddengebied opnieuw door uitgebreide schorren ingenomen, uitgezonderd in De Moeren en was het geulennet waarschijnlijk eveneens gestabiliseerd. Eén van de vijf belangrijke hoofdgeulen was de Bulskampgeul, die nu voor een deel door de Bergenvaart wordt gevolgd en ten noorden van Veurne in zee uitmondde. De loop van deze geulen laat zich nog gedeeltelijk reconstrueren door hun hogere ligging en door de bewaarde met zand gevulde geulen die tot +4 meter TAW reiken en anderzijds in de loop van nog bestaande polderwaterlopen. Het zijn belangrijke landschapsstructurerende elementen.

Door overstuiving zou later een deel van het kleidek verdwijnen onder het jonge duinlandschap van De Panne. Ter hoogte van het natuurreservaat ‘Zwarten Hoek’ kwamen op het voormalige zandwad verspreid liggende lage duintjes voor. Hiervan is een klein restant bewaard gebleven, een deel ervan werd voor zandwinning afgegraven. Momenteel is de meer dan 10 meter diepe zandgroeve gevuld met zuiver en helder grond- en neerslagwater. Aansluitend op de duinen van de Westhoek, de Oosthoekduinen en de Cabourduinen treft men duin-polderovergangszones aan gelegen op de overgangsgronden van de duinstreek. De overgangszone tussen de ‘Jonge duinen van De Panne’ en de ‘Binnenduinen van Ghyvelde-Adinkerke’ wordt gevormd door de Polder van Adinkerke. Omstreeks het begin van onze jaartelling situeerde deze overgangszone zich al tussen de toenmalige, zogenaamde ‘Oude duinen van De Panne’ en de ‘Binnenduinen van Ghyvelde-Adinkerke’, waarvan de Cabourduinen deel uitmaken. Sindsdien zou de westelijke deelzone steeds geprangd zitten tussen deze twee duingebieden. Het oostelijk deel van de polder gaat nog steeds naadloos over in de polders van Veurne.

Het duingebied, een markante reliëfstructuur die zich longitudinaal langs de zee uitstrekt en landwaarts tot 2 kilometer breed is, is in een eerste fase ontstaan vanaf de 9de en 10de eeuw tot einde 13de eeuw (De Ceunynck, 1992). Rond 1000 na Christus vond ter hoogte van De Panne volop de eerste fase van de jonge duinvorming plaats. De stormfrequentie nam in die periode sterk toe, met een sterke kusterosie als gevolg. Dit alles resulteerde in een grotere zandaanvoer naar het strand. De jonge duinvorming was hoogstwaarschijnlijk gekenmerkt door de landinwaartse verplaatsing van omvangrijke zandmassa’s, onder de vorm van bewegende loopduinreeksen. Het voorbijkomen van het loopduinenfront werd onder meer archeologisch geregistreerd ter hoogte van de zuidrand van de ‘Oude duinen van De Panne’. Daar bevond zich namelijk een 12de-eeuwse nederzetting die definitief opgegeven werd bij het begin van de 13de eeuw. Ze werd nadien onder het duinzand begraven. De tweede fase van duinvorming situeert zich in de periode van de 14de tot de 16de eeuw. De tweede duinvormingsfase, gekenmerkt door het ontstaan van paraboolduinen, was de onvermijdelijke uitloper van de eerste fase. De vorming van paraboolduinen uit de loopduinen moet het gevolg zijn geweest van een samenspel van gestegen grondwatertafels en het stabiliserend effect van de toegenomen plantengroei. Na de paraboolduinfase zijn er ten westen van De Panne nog verschillende grote verstuivingen geweest. Zand dat via bressen in de zeereep samenkomt met gereactiveerde paraboolduinen kunnen grote bewegende duinen laten ontstaan. Op deze wijze verklaart De Ceunynck (1992) het ontstaan van het zogenaamd ‘centraal wandelduin’ in het natuurreservaat ‘De Westhoek’. Het duinengebied dat zo ontstond wordt door de geologen aangeduid als de ‘Jonge duinen van De Panne’. Dit laat een onderscheid toe met de zogenaamde ‘Oude duinen van De Panne’, die in de vermelde periode bedekt geraakten onder de jonge duinen.

Het jonge duinlandschap van De Panne vormt het meest gaaf gebleven zeeduinlandschap van de Vlaamse kust. Door het natuurlijk karakter en de natuurlijke processen die er nog over een grote oppervlakte kunnen doorgaan is dit landschap uniek in Vlaanderen. Van noord naar zuid kunnen verschillende landschapseenheden onderscheiden worden: de zeereepduinen, de chaotische voorduinen, deels verdwenen door betonverhardingen, en het eigenlijke paraboolduinlandschap, dat verder opgedeeld kan worden in een oud en jong paraboolduinlandschap. Het jonge paraboolduinlandschap grenst in het noorden aan de zeereep en de chaotische voorduinen en in het zuiden aan het centraal wandelduin dat er nog deel van uitmaakt. Het jonge paraboolduinlandschap bestaat uit drie paraboolduinen met bijhorende pannenvloeren. Het oude, zuidelijk gelegen paraboolduinlandschap bestaat uit vijf paraboolduinen. De bijhorende pannengordel wordt geleidelijk overstoven door het centraal wandelduin, dat zich onder invloed van de overheersende wind, met een snelheid van 5 tot 10 meter per jaar, in oostelijke richting verplaatst. De zuidgrens van het jonge duinlandschap wordt gekenmerkt door een steile binnenduinrand die de overgang naar de Polder van Adinkerke markeert. De steile duinhelling is het gevolg van de aanplantingen met bomen en struiken, aangelegd in een poging om de polders te beschermen van verdere overstuiving met duinzand.

Overgangsgebied naar het Plateau van Izenberge

Ten zuiden van de Bergenvaart ligt het overgangsgebied naar het Plateau van Izenberge met een overgangszone van zandige geulgronden, naar zware poelgronden, lemige zandgronden en zandige leemgronden in correlatie met de respectievelijke hoogteligging. Het Plateau van Izenberge is een verhevenheid van de Ieperiaanse klei, die gedurende de laatste ijstijd (weichsel-glaciaal) bedekt geraakte met zandlemig materiaal. Dankzij de zandlemige bodem en de hogere topografische ligging (dus een betere afwatering) vormde het een uitstekend landbouwgebied dat reeds in de vroege middeleeuwen ontgonnen werd. Het wegenpatroon getuigt van de vroegere ontginningsstrategie. Van de Frankische landname getuigen de toponiemen op –hem en -inaghem (bijvoorbeeld Wulveringem, Vinkem, Alveringem…). Hun landschappelijke inplanting is opmerkelijk. De meeste kernen zijn gelegen op de rand van het overstromingsgebied, met een opvallende concentratie op de noordrand van het Plateau van Izenberge.

Vegetatie, flora en fauna

Het jonge duinlandschap van De Panne is een gebied met een zeer hoge biodiversiteit. Alleen al in het Westhoekreservaat werden 400 soorten vaatplanten of één derde van de wilde Vlaamse flora genoteerd. Daarnaast werden 93 soorten mos, 41 korstmossen en minstens enkele honderden soorten zwammen waargenomen. Ook op faunistisch vlak heeft het reservaat een belangrijke waarde (127 vogelsoorten, zes amfibieën, één reptiel en circa 300 soorten ongewervelde dieren). Onder deze soorten bevinden zich vele zeldzame en of kustspecifieke organismen, die het belang van het gebied voor de Vlaamse en Europese biodiversiteit extra onderstrepen. De hoge biodiversiteit houdt verband met de grote verscheidenheid aan milieus die in het jonge duinlandschap aanwezig zijn. De zeereep en chaotische voorduinen staan onder de stresserende invloed van zee(zout) en wind. Helm- en kalkrijke mosduinvegetaties zijn er de meest karakteristieke begroeiingen. De pannen in het jonge paraboolduinlandschap bestaan naargelang hun leeftijd en het gevoerde natuurbeheer uit vochtige duinvalleivegetaties, nat schraalland of struweel van kruipwilg, duindoorn en wilde liguster. De paraboolduinen zijn vaak begroeid met helm, mosduin of definitief gefixeerd onder duindoornstruweel. Het centraal wandelduin is lange tijd in hoofdzaak onbegroeid geweest. Het voorbije decennium is echter een kolonisatie door helm, zandzegge en andere zandfixeerders aan de gang. De oude zuidelijke pannengordel was tot voor kort vaak dichtgegroeid met duindoorn- en ligusterstruweel. Door het gevoerde natuurbeheer en door natuurlijk afsterven is het struweel op verschillende plaatsen vervangen door vochtig, schraal grasland, natte ruigten of struisrietvegetaties. De duinruggen zijn vaak begroeid met mosduin of duindoorn. De meest landwaartse delen van het Westhoekreservaat zijn bebost. In het oosten sluit het Calmeynbos aan bij de Westhoekduinen. Het werd in het begin van de 20ste eeuw aangelegd. Hoewel de bosontwikkeling de laatste decennia grotendeels spontaan verliep, is de vegetatie van de kruidlaag sterk antropogeen beïnvloed. Vanuit de omliggende tuinen invaseerden verschillende plantensoorten het bos en gingen er lokaal domineren. In mindere mate is dit soms ook het geval met fauna-elementen. In de oostelijke uithoek bevindt zich een paraboolduin waarvan de top nog overwegend kaal is. De panne aan de voet ervan is begroeid met kalkrijk duingrasland dat overgaat in duinstruweel en loofbos.

Geheel het duinencomplex van Westhoekduinen, Krakeelduinen, Calmeynbos en Oosthoekduinen liggen in waterwinningsgebied waardoor aanzienlijke gedeelten van het duingebied te droog zijn ten opzichte van hun natuurlijke situatie. Door de waterwinning wordt het grondwaterpeil immers te veel verlaagd om de kenmerkende flora en fauna van vochtige omstandigheden overlevingskansen te bieden.

Aansluitend op de duinen van de Westhoekduinen, de Oosthoekduinen en de Cabourduinen treft men duin-polderovergangszones aan gelegen op de overgangsgronden van de duinstreek. Het betreft landschapsecologisch interessante gradiëntzones die onder natuurlijke omstandigheden gekenmerkt worden door typische grondwatergebonden vegetaties. Ten zuiden van de Oosthoekduinen is de duin-polderovergang landschappelijk nog gaaf. De perceelsrandbegroeiing benadrukt de kleinschaligheid van deze overgangszone. Het voormalig grondgebruik, de drinkwaterwinning en de drainage van de polder verhindert hier echter (voorlopig) de ontwikkeling van mesotrofe (kwel-)moerasvegetaties, die vroeger zeker aanwezig waren in sommige duin-polderovergangsgebieden onder andere tussen Oostduinkerke en Nieuwpoort (Provoost & Hoffmann, 1996).

De bodem van de Cabourduinen is over het algemeen tot op grote diepte ontkalkt, alleen in de noordelijke randzone is de duinbodem matig kalkhoudend. Dit resulteert in een unieke combinatie van half-natuurlijke vegetatietypen die elders langs de kust amper aanwezig is. De ontkalkte duinbodems worden begroeid door mossenrijke struisgraslanden en zeer korstmossenrijke zure mosduinen (Dwerghaver-verbond). In de zone met kalkhoudende duinbodems komen in de graslanden soorten voor die hun optimum hebben in droog tot mesofiel kalkrijk duingrasland. Ruim één derde van het duingebied werd met populier bebost of verbost op spontane wijze tot een duineikenbos. Hier en daar is kruipwilgstruweel aanwezig. Mede door een sterke daling van de grondwatertafel kan kruipwilg zich niet meer verjongen en dreigt dit struweeltype op termijn uit het landschap te verdwijnen. In het Garzebekeveld zijn slechts relicten van mossenrijke struisgraslanden en korstmossenrijke zure mosduinvegetaties aan te treffen. Hier en daar heeft zich beperkt bremstruweel ontwikkeld. De vijvers zijn het resultaat van de voormalige zandwinning. De relicten van het voormalige Garzebekeveld worden bepaald door de relictvegetaties van mosduin, schrale graslanden van ontkalkte zandbodems en bremstruwelen, welke verwijzen naar de intrinsieke waarden van het voormalige half-natuurlijke (wastine)landschap. De huidige bebouwing, vertuining en de aanleg van de A18 betekenen een verstoring van deze zone.

De Moeren zijn bij uitstek een landbouwgebied met actueel een eerder beperkte biologische waarde. De belangrijkste natuurwaarden bevinden zich onder meer in het noordoosten, nabij de Noordmoerse Hoek waar enkele percelen goed ontwikkeld zilt grasland aanwezig zijn. Verder zijn De Moeren botanisch belangrijk door de aanwezigheid van water- en oeverplanten in en langs de talrijke grachten.

Cultuurhistorie

Archeologie

Er wordt een kort overzicht gegeven van de archeologische vondsten en/of verwijzingen naar de oudste bewoningsgegevens in het gebied en onmiddellijke omgeving.

Er werd een tweetal gepolijste bijlen aangetroffen uit de steentijd. Op de oude duinen van De Panne was er wellicht al bewoning vanaf 700 voor Christus. Deze wordt voornamelijk aangetroffen op de oude duinsokkel in kleine concentraties, ten westen van De Panne, tot op het grondgebied van Zuydcote (Frankrijk). Het gaat hier om permanente of semi-permanente nederzettingen van veetelers, die zich in de zomer ook met zoutwinning bezig hielden. In 2002 en 2003 werd in de Oosthoekduinen een archeologische site aangesneden tijdens natuurinrichtingswerken aan de duin-polderovergang (Langgeleed). Een noodopgraving wees uit dat de oudste sporen opklimmen tot het einde van de Vroege La Tène tot het Midden van de La Tène-periode (circa 275-100 voor Christus). Waarschijnlijk ging het om artisanale activiteiten zoals zoutwinning. Er werden geen sporen van structurele bewoning aangetroffen, wellicht zijn deze in de directe omgeving te situeren. Er worden ook ijzertijdvondsten vermeld in de Duinhoek, ten zuidoosten van het Westhoekreservaat. Dit zijn wellicht resten van de nederzettingen op de noordkant van de toenmalige duinen, die door erosie verdwenen zijn. Bij prospecties in de jaren 1930 werden in de Cabourduinen scherven uit de ijzertijd gevonden. Meer precieze gegevens zijn niet voorhanden.

De nederzettingssporen die als eerste door G. Donny (1886) en later door A. De Loë, J. Maertens, M. De Maere en G. Cumont, en nog later door K. Loppens aangetroffen werden op de duinen van De Panne en Bray-Dunes behelzen zowel sporen uit de pre-Romeinse ijzertijd als de Romeinse periode, alsook de Merovingische en Karolingische periode. Hun classificatie van het gebied in De Panne I, II en III als drie aparte nederzettingen berust eigenlijk op een misverstand, daar de sporen tussen deze sites gewoon doorlopen en het eigenlijk om één groot geheel gaat. Het onderzoek werd verdergezet vanaf 1980, waarbij de nadruk kwam te liggen op de relatie bodem-bewoning. Hierbij werden nieuwe sporen in het duingebied aangetroffen. De pre-Romeinse nederzetting, die sterk verstoord is geworden door de latere Romeinse bewoning, kan gekarakteriseerd worden als een nederzetting van zoutzieders, getuige de talrijke overblijfselen van briquetage. Geen argumenten konden gevonden worden voor een pottenbakkerscentrum ter plaatse.

De Gallo-Romeinse nederzetting van De Panne I had zich ontwikkeld op een door duinen afgesloten strandvlakte, op dezelfde plaats van de ijzertijdnederzetting. De inplanting van deze nederzetting werd aldus bepaald door aspecten van fysisch-geografische aard: de veilige ligging tussen de duinengordels, de nabijheid van de zee en de nabijheid van een riviermonding, die mogelijk in verbinding stond met de loop van de oude IJzer (de Avekapelle- en Spermaliegeul, en een doorbraakgeul gesitueerd ten oosten van Adinkerke). Wat de continuïteit van de bewoning tussen de pre-Romeinse en Romeinse periode betreft, is men niet zeker. De ijzertijdnederzetting nam zeker een aanvang vanaf 700 voor Christus en bereikte een hoogtepunt in de La-Tène periode, 500-300 voor Christus. De Romeinse bewoning op dezelfde plaats vangt pas aan rond 70 na Christus. Bovendien werd een steriele zandlaag aangetroffen tussen de ijzertijd- en de Romeinse lagen. Palynologisch onderzoek duidt daarenboven op een toename van eolische activiteit in dit gebied in de periode tussen de ijzertijd- en de Romeinse bewoning, wellicht één van de redenen voor het verlaten van de site. Een andere reden was misschien de verdroging van het klimaat, waardoor de zoutziederij op die plaats niet meer zo rendabel was. Het verlaten van het site in deze periode betekent echter niet dat de hele duinenstreek verlaten werd in deze periode. De ’herbewoning’ vanaf 70 na Christus van de site kan daarentegen wel wijzen op een toename in de populatie van de streek. De Romeinse bewoning werd er echter met een andere motivatie ingericht dan de voormalige ijzertijdbewoning, namelijk militair. Misschien was er op deze plaats een Romeins kamp (vergelijk met de benaming ‘champ romain’) aanwezig, behorende tot het ‘litus saxonicum’, sporen ervan werden echter niet teruggevonden. Uit het archeologisch onderzoek in het aangrenzende duinengebied van Ghyvelde, dat niet minder dan 34 vindplaatsen opleverde uit de Romeinse periode en voornamelijk uit de 13de-14de eeuw, kan worden afgeleid dat het domein Cabour zeer interessante archeologische plaatsen bevat. Bij de opgravingen aan de Oosthoekduinen - Langgeleed werden vijf brandrestengraven aangetroffen die dateren uit de late 2de of de 3de eeuw na Christus. Verspreid over het grondgebied van De Panne en Veurne zijn er verschillende meldingen van de vondst van Romeinse munten of luxe-aardewerk (terra sigillata), die veelal aan het licht kwamen bij uitveningen of graafwerken. Naar verluidt zou er sprake zijn van twee antieke wegtracés: een antieke weg van Bulskamp naar De Panne en een weg van Cassel naar Oostduinkerke. Hiervoor zijn evenwel geen overtuigende archeologische argumenten.

De belangrijkste nederzetting van de streek bevindt zich op de duinensokkel van De Panne. Het gaat om een laat-Merovingische-Larolingische handelspost, die daar vanaf eind 7de eeuw tot bloei kwam. Sporen van het site strekken zich uit achter de duinreep over een strook van ruim 1 kilometer, tot op Frans grondgebied. Tussen de vondsten onder meer talrijke Angelsaksiche sceatta’s, tussen 680 en 750 geslagen, en een 8ste- - 9de-eeuws grafveld. Op het kerkhof van Adinkerke werd een mantelspeld uit de 8ste of 9de eeuw aangetroffen, evenwel buiten een archeologische context. Hoewel er tal van gegevens zijn die aantonen dat verschillende van de actuele dorpen en gehuchten opklimmen tot de volle middeleeuwen zijn er nauwelijks archeologische gegevens om dit te staven. Tijdens de opgravingen aan het Langgeleed werd een windmolenconstructie uit de 12de eeuw aangetroffen. Er zijn tal van middeleeuwse schervenconcentraties gekend uit de duinen van De Panne (zogenaamde Zwarte vlakte). Deze werden evenwel tot heden niet nader onderzocht. Bij opgravingen aan de kerk van Wulveringem in de jaren 1950 werden de funderingen van een Romaanse driebeukige kerk ontdekt. In de Cabourduinen en het Garzebekeveld werd op meerdere plaatsen middeleeuws aardewerk aangetroffen. Daarnaast telt dit gebied ook tal van sites met walgracht vanaf de late middeleeuwen (voornamgelijk regio Houtem-Wulveringem), redoutes van Vauban-versterkingen,…

De kasselrij Veurne kwam in de handen terecht van Lodewijk XIV door de vredesverdragen van Aken en Nijmegen. In het kader van de verdediging van de noordgrens van zijn rijk en door de toenemende druk werd door Franse vestingbouwkundige Vauban een linie aangelegd ten noordoosten van de havenstad Duinkerke. Na de ontzetting van Veurne in 1693 werden de werken gestart. De verdediging werd opgetrokken langsheen het Kanaal Duinkerke-Veurne, de Lovaart (Fintele), de IJzer (tot Fort De Knocke) en de het Kanaal Ieper-IJzer (tot Ieper). De steunpunten van het systeem waren Veurne en het Fort De Knocke. De noordzijde van Veurne werd beschermd door een vijftal redoutes langs het Langgeleed, nu verdwenen. Ook tussen Veurne en De Moeren werden verschillende kleine redoutes aangelegd. Op het terrein zijn deze slecht zichtbaar onder de vorm van kleine niveauverschillen in het landschap en wat puin aan de oppervlakte (twee locaties aanwezig aan de oostelijke rand van de ankerplaats.

Bewoningsgeschiedenis

De differentiatie van het fysisch systeem van de landschapseenheden in het gebied geeft een verscheidenheid in de ontginning van het landschap, wat zich uit in de bewoningsgeschiedenis. Zoals de hoger gelegen overgangszone van het Plateau van Izenberge de oudste bewoningsgeschiedenis kent met een kernbebouwing in de dorpen en gehuchten en een verspreide bebouwing elders, worden De Moeren en de Buitenmoeren gekenmerkt door een systematisch ontginningspatroon met zeer verspreide bewoning.

De eerste indirecte aanwijzingen van menselijke aanwezigheid gaan terug tot het middenneolithicum (3500-2500 voor Christus). Het stuifmeelonderzoek van de veenlaag tegen de zuidflank van de duinen leverde immers ook sporen van onkruid op. Bewoning kwam in de omgeving in essentie in de ‘Oude duinen van De Panne’ minstens voor vanaf de late ijzertijd en meer bepaald vanaf de La Tène I-a periode (500-350 voor Christus). Deze bewoning bleef continu doorlopen tot de Romeinse periode. Sporen uit de vroegmiddeleeuwse periode zijn voor het duingebied van Ghyvelde-Adinkerke vooral van het Franse grondgebied bekend. Reeds in 1166 wordt dit duingebied in de grafelijke akten als ‘harena dunarum’ omschreven, zijnde jachtgebied. Als woeste grond kwam het gebied krachtens het wildernisregaal vanaf einde 9de-begin 10de eeuw in de handen van de graaf van Vlaanderen. Reeds in de loop van de 11de eeuw ontstonden op dit duin de parochies Adinkerke en Ghyvelde, met de interessante vermelding van ‘vaccariam Ghyvelde’ wat verwijst naar runderteelt in deze duinen. Later werd het gebied als eigendom van verscheidene adellijke families gebruikt als jachtgebied. In de 12de eeuw kwam het duinengebied via grafelijke schenking in handen van de heren van Hondschote en hun erfgenamen tot het einde van de 17de eeuw. De cisterciënzerabdij Ter Duinen verwierf vanaf midden 12de eeuw het westelijk deel van de Cabourduinen, dat deel uitmaakt van het uithof van het Groot Moerhof, gebruikt als wei- en hooiland en als jachtgebied.

De bebouwing, in het bijzonder de Vlaams-renaissancistische en landelijke architectuur van respectievelijk kerken, pastorieën, burgerhuizen, herenhoeven, hoeven, herbergen en arbeidershuizen, determineert het uitzicht en authenticiteit van het landschap, vooral in het vlakke poldergebied en in de overgangszone tussen polder en zandleemstreek.

De in cultuurname van de kustvlakte gebeurde door een op elkaar inspelen van mens en natuur. De eerste helft van de 10de eeuw werd gekenmerkt door een toenemende droogte. Dit zou de verlanding van schorre en de vorming van een duinengordel in aanzienlijke mate versnellen en meteen de consolidatie van de kustvlakte door de mens mogelijk maken. Zandaanvoer vanuit de Noordzee leverde materiaal voor de vorming van een nieuwe duinengordel, die door de stroming en de overheersende westenwinden geleidelijk in oostelijke richting aangroeide en op deze wijze de getijdegeulen van de Bulskampgeul en de Avekapellegeul afsloot. In het meest westelijk gelegen gedeelte van de schorre nam de verlanding toe en dit gebied werd door de mens stapsgewijs door middel van dijken geconsolideerd (vergelijk toponiem Oude Zeedijkstraat). De datering en de organisatie van deze eerste landconsolidatie, die in de oude geologische literatuur gemeenzaam het ‘Oudland’ genoemd wordt, is minder duidelijk. Deze regio blijkt in het begin van de 11de eeuw parochiaal en bestuurlijk reeds goed georganiseerd. Het dorp Adinkerke wordt bijvoorbeeld in 1123 reeds vermeld als ‘Adenkercka’.

De duinen behoren tot een dynamisch systeem: de vorming en vervorming zijn grotendeels door natuurlijke processen veroorzaakt. Toch heeft ook hier de mens zijn stempel gedrukt. Zoals onder ‘archeologie’ al vermeld, zijn de duinen al vrij vroeg bewoond geworden. De natuurlijke dynamiek heeft er echter voor gezorgd dat de vroegste bewoningssporen werden uitgewist of onder zand werden bedolven. De oudste woningen en sporen van ontginning die vandaag nog duidelijk aanwezig zijn, gaan meestal niet veel verder terug dan tot de 18de-19de eeuw. De bewoning concentreerde zich vooral op de duin-polderovergang, bijvoorbeeld langs de huidige Duinhoekstraat (Westhoek), de Cabourweg en de Veldstraat (Cabourduinen), met als oudste hoeven ‘De Woestijne’ en ‘Riethof’, reeds vermeld in 1584.

Vooral in de Veldstraat is het oude bewoningspatroon nog goed bewaard gebleven en duidelijk herkenbaar in het landschap. De hoevetjes zelf zijn vaak verbouwd waardoor de oorspronkelijke architecturale kenmerken verloren gingen. Vaak ging het om langgevelhoevetjes bestaande uit een woonhuis en stalling, omgeven door weilanden. De noordelijke begrenzing van de weilanden volgde de bodemkundige grens tussen duin en polder (zie kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778)), een patroon dat hier vandaag nog grotendeels zichtbaar is. De duinen van de Westkust waren, tot de Franse Revolutie, bezit van de vorst, die er het jachtrecht had. De opperduinwachters, die het gebied beheerden, lieten echter ook veeteelt toe. Op de kabinetskaart van de Ferraris wordt het gebied van de Cabourduinen als schraal grasland weergegeven, wat er op wijst dat het als konijnenwarande werd uitgebaat. Op een enkele plaats in het duin zijn akkertjes aanwezig. De polderrand tegen het duin daarentegen toont een vrij dichte bewoning. Eén van de woningen in de Cabourduinen zal uitgroeien tot de kasteelsite van Cabour, gebouwd in 1908. Belangrijke delen van de beplantingen van het kasteelpark, de bomenrij voor het kasteel en de vijver dateren van deze tijd. In 1819 werden op de lijn tussen de hoogkamer van het Groot Moerhof en de herberg ‘Au Retour de la Chasse’ zes grenspalen geplaatst die de scheiding tussen Frankrijk en België aangaven; van de zes resteren er nog twee op hun oorspronkelijke plaats. In de duinen zelf zijn hier en daar ontginningspogingen ondernomen. In het centrale deel van de Cabourduinen gebeurde dit minstens al in de 18de eeuw. In de Westhoekduinen en het latere Calmeynbos was dit vooral het geval in de 19de eeuw. Deze locaties zijn vaak nog goed herkenbaar als rechthoekige depressies, die soms nog geheel of gedeeltelijk omwald zijn. Op de wallen zijn vaak nog relicten van de oorspronkelijke houtige begroeiing aanwezig van sering, zwarte els en gladde iep. De Calmeynduinen, die ten oosten aan de Westhoek grenzen, werden in 1902-1903 bebost met verschillende soorten loofbomen op initiatief van ingenieur M. Calmeyn. Hij wilde de groeimogelijkheden van loofbomen op zandige grond onderzoeken. Het Calmeynbos is het enige loofbos in Vlaanderen uit die periode, dat op dergelijke schaal als hooghoutbos werd aangeplant. De rechtlijnige paden getuigen van het systematisch bebossingspatroon. In andere bossen verliep de omschakeling naar hooghout geleidelijk door verwaarlozing en stoppen van het hakhoutbeheer.

De polders zijn een zeer open, laag en vlak landelijk gebied, de bewoning is er meestal ijl verspreid en bestaat, behalve in de dorpskommen, vooral uit landbouwbedrijven. Het cultuurlandschap kwam hier systematisch tot stand. De nog behouden vrij regelmatige perceelindeling wijst op de stelselmatige bedijking ervan. In de Polder van Adinkerke gebeurde de in cultuurname van het land volgens langgerekte, rechthoekige, noord-zuid gerichte percelen. Deze structuur is vandaag nog grotendeels bewaard gebleven, met dien verstande dat het door oost-west gerichte infrastructuur is versneden. De oorzaak voor de in oorsprong verhoudingsgewijs smalle percelering (1/5), had vermoedelijk te maken met de initiële nood aan een dicht afwateringsstelsel. Het gebied ligt in het westen immers gekneld tussen twee duingebieden van waaruit vermoedelijk aanvoer van grondwater gebeurde (kwelstromen) wat, minstens in de rand van het gebied, voor tijdelijk natte tot zeer natte omstandigheden kon zorgen.

Het poldergebied beschikt over twee belangrijke grondstoffen: veen en klei. Deze grondstoffen werden reeds vanaf de metaaltijden (750-50 voor Christus) geëxploiteerd. Vanaf de 12de-13de eeuw greep echter een meer systematische exploitatie plaats gestuwd door de Duinenabdij van Koksijde en de Sint-Niklaasabdij van Veurne.

Het veengebied rond De Moeren werd in de loop van de 13de eeuw ontgonnen. De veenexploitatie leidde niet alleen tot de aanleg van een aantal waterlopen, maar stimuleerde ook de groei van een aantal dorpen. Bulskamp, gelegen aan het kruispunt van de Nieuwe gracht, Bergenvaart en de Steengracht is hiervan een duidelijk voorbeeld. Het gedroogde veen werd eveneens via landwegen vervoerd. De nog bestaande Turfweg vormde de verbinding tussen de Augustijnerabdij van Eversam te Stavele en haar veenderijen aan de zuidrand van De Moeren.

Het radiale ontginningspatroon in de Buitenmoeren, geënt op het Ringslot van De Moeren en de Bergenvaart als belangrijke afwatering en transportas, verwijst naar de veenontginning gestuurd door het Groot Moerhof, uithof van de Ter Duinenabdij te Koksijde en door het Moerhof en Ameliehoeve, veenhoeven van de Sint-Niklaasabdij van Veurne. In De Moeren, die in de 17de eeuw drooggelegd werden, gebeurde de in cultuurname nog meer georganiseerd en volgens een strak meetkundig patroon van grote, rechthoekige kavels, dijken en rechtlijnige grachtengangen. De wegen, sloten en grachten lopen loodrecht of parallel aan het Ringslot. Langs wegen en grotere afwateringskanalen staan veelal bomenrijen die deze structuren accentueren. Het gebied bestaat in hoofdzaak uit een afwisseling van akkers en weilanden. De Buitenmoeren kennen verspreide bebouwing met vooral landbouwbedrijven, waarvan een aantal 18de-eeuwse hoeves.

Na de bedijking van de polders circa 13de eeuw werd baksteen het ‘nieuwe’ bouwmateriaal van de streek om voor de hand liggende redenen: het is rijkelijk aanwezig en andere bouwmaterialen zoals natuursteen zijn afwezig en kunnen moeilijk aangevoerd worden door het ontbreken van goede waterwegen. De meeste nog bewaard gebleven bakstenen gebouwen dateren doorgaans uit de 18de eeuw. Het doorsnee-hoevetype bestond uit losse bestanddelen van een bouwlaag onder pannen zadeldaken, geschikt rondom een rechthoekig erf met boerenhuis ongeveer ten noorden. De stal- en de schuurvleugel stonden links en rechts van het boerenhuis. Een alleenstaand bakhuis bevond zich op het erf of achter het boerenhuis. De meeste erven waren begraasd en hadden met bakstenen verharde looppaden en stoepen rondom de hoevegebouwen. Een conisch hondenhok markeerde soms het centrale erfgedeelte en ook de mestvaalt bevond zich meestal in het midden van of voor de stallingen. Baksteen was het bouwmateriaal van de polderhoeve waarvan de witgekalkte bestanddelen met gepikte plint een typisch landschapselement vormen. In de ankerplaats staan ook nog twee uithoven van de Ter Duinenabdij van Koksijde, namelijk het Groot Moerhof, eertijds gesplitst in het ‘Moer’ en het ‘Voormoer’, waarvan de ligging kaderde in de veenwinning van de Buitenmoeren. Het Groot Moerhof bestaat nu uit een vierzijdige, grotendeels gedempte walgracht met U-vormige opstelling van de gebouwen rondom een deels verhard, deels begraasd erf. Een wat apart geval vormen de zogenaamde ‘noodwoningen’ in De Moeren. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam het gebied van De Moeren opnieuw onder water te staan. De drooglegging kon pas aangevat worden vanaf de zomer van 1945 en duurde tot februari 1946. Een ministerieel besluit voorzag in de oprichting van noodwoningen (1947-1948). Uiteindelijk werden 21 landbouw-woonsten en vijf dubbelwoonsten opgetrokken volgens een historiserende wederopbouwarchitectuur zoals toegepast kort na de Eerste Wereldoorlog. Deze woningen vormen het meest kenmerkende aspect van de landelijke bewoning in De Moeren, zijnde een kleine, witgeschilderde of -gekalkte woning onder één bouwlaag met een pannendak, zijtuitgevels met een sierkrul onder de kroonlijst, een boogvormige voordeur met rode bakstenen omlijsting en beluikte ramen met rode bakstenen strikken.

De oudste bewoning in het gebied situeert zich in de overgangszone van het Plateau van Izenberge omwille van zijn relatief hogere ligging ten opzichte van het omgevende kustgebied. Minstens sinds de vroege middeleeuwen werd het gebied permanent bewoond. Ten zuiden van het Langgeleed situeert zich de overgang naar de polderstreek met de aanwezigheid van twee oorspronkelijke omwalde 18de-eeuwse hoeven met omgevende huisweiden, namelijk het Noord Gasthuis en de Zwarte Hond. De ontginning van het gebied gebeurde ongeorganiseerd, op individuele basis. De onregelmatige kleinschalige percelering verwijst naar deze vroegmiddeleeuwse ontginning, die in relatie stond tot de bodemkundige gesteldheid en het reliëf. Het overgangsgebied tussen polders en zandleemstreek is daardoor ook vandaag nog anders en grilliger gestructureerd en was aanvankelijk ook meer beboomd dan de poldervlakte, vandaar dat het ook wel als ‘Houtland’ wordt aangeduid. Van het bocagelandschap resten echter nog weinig relicten. De dorpskernen van Houtem, Wulveringem en Vinkem zijn opvallende structuurbepalende eenheden. Ze hebben een gaaf uitzicht en vinden hun oorsprong in middeleeuwse kernen. De eerste vermeldingen gaan respectievelijk terug tot 1187 (‘Houthem’) en 1128 (‘Wulfringhem’ en ‘Veinghem’). De dorpskernen van Vinkem en Wulveringem, gedomineerd door hun kerk respectievelijk kerk en kasteel, geraakten in de loop van de 19de en 20ste eeuw met elkaar vergroeid, door middel van lintbebouwing aan een deels gekasseide verbindingsweg. De bebouwing in deze dorpskernen is kleinschalig en bestaat onder meer uit typische arbeidershuisjes, enkele hoeven en soms een herenhuis. De I-vormige dorpskom van Houtem wordt gedomineerd door de gotische bakstenen kerk met omringend kerkhof afgezoomd met bomen, de pastorie ten zuiden hiervan, een 19de-eeuwse hoeve ten westen, naast burgerhuizen met lijstgevels en een enigszins storend 20ste-eeuws schoolgebouw ten noorden. Lintbebouwing uit de 19de en 20ste eeuw sluit in de onmiddellijke omgeving hierop aan. Hier zijn tevens kleine concentraties van voornamelijk recent aangepaste 19de-eeuwse arbeiderswoningen aanwezig. Daarnaast zijn er de landelijke wijken, bijvoorbeeld de Schipperiehoek, Dodeman Hoek, Goemoet Hoek, Elzentap, Klein ’t Moertje en de Westmoerhoek. Verder is er ook verspreide hoevebouw aanwezig. De religieuze architectuur bestaat in elk van deze dorpen uit monumentale doch sobere kerken, die soms teruggaat op een romaanse constructie (Wulveringem), die was opgetrokken in ijzerzandsteen. De huidige kerkgebouwen zijn gotisch (Houtem) of laatgotisch en beantwoorden aan het schema van een hallenkerk met drie beuken. Zij beschikken meestal over een westelijke of vieringtoren met een bakstenen spitsbekroning. Voornamelijk de architectonische versieringen illustreren de regionale baksteengotiek: de rond-, korf-,Tudor-, of spitsbogige casementen zijn soms verrijkt met laatgotisch traceerwerk (Houtem, Vinkem). De kerken zijn vaak omgeven door een met bomen omzoomd kerkhof. Bij de kerken horen ook pastorieën, doorgaans daterend uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Zij beantwoorden aan het basispatroon van een dubbelhuis op rechthoekige plattegrond, soms gemarkeerd door twee lagere vleugels. Zowel te Wulveringem, Vinkem en Houtem zijn ze omgeven door een vroegere omwalling met een toegangsbruggetje. De pastorie van Houtem deed voorheen dienst als refugium van de Veurnse Sint-Niklaasabdij (1144). Het werd in 1588 verwoest door de Fransen en in de 17de eeuw wederopgebouwd.

Een ander opvallend landschapselement is het Kasteel van Beauvoorde met omgevend park. Het werd oorspronkelijk als versterking in dezelfde tijd van de romaanse kerk gebouwd (1100). Ze vormden samen de kern van het dorp. Het volgde de normale evolutie van burcht naar residentieel landhuis. In 1573 werd de naam Beauvoorde geïntroduceerd, naar analogie met een landgoed in het grensgebied met Noord-Frankrijk van de toenmalige eigenaar hoogbaljuw Jacob de Bryarde. Het huidige omwalde kasteel dateert uit het eerste kwart van de 17de eeuw. Het werd opgetrokken in regionale Vlaamse renaissancestijl. Het kasteel bleef eigendom van de familie de Bryarde tot 1838. Na een periode van verval kwam het kasteel in 1875 in bezit van jonker Arthur Merghelynck (1853-1908). Hij restaureerde het gebouw en liet het huidige kasteelpark aanleggen. Merghelynck bleef kinderloos en schonk het kasteel in 1902 aan de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Sinds 1998 is het domein publiek opengesteld.

De huizen in de dorpskernen van Houtem, Wulveringem en Vinkem zijn meestal kleinschalig en dateren uit de 19de of 20ste eeuw. Het zijn eenvoudige bakstenen constructies van één of twee bouwlagen onder pannen zadeldaken. Sommige woningen zijn met een dakkapel uitgerust. Soms zijn de gevels gecementeerd. In enkele gevallen is een opkamer aanwezig. Verschillende van deze woningen waren vroeger herberg. De bouwstijl van de huizen in Houtem stemt overeen met die van de wijk ’t Zwaantje, namelijk rijwoningen van één- of twee bouwlagen met lijstgevels. De recente bebouwing is architecturaal van weinig belang.

Het gehucht ’t Zwaantje situeert zich langs een bocht van de Bergenvaart en is ontstaan als handelsnederzetting langs deze kanaalverbinding tussen Veurne en Sint-Winoksbergen (Frankrijk). De gebouwen bestaan uit arbeiderswoningen, voormalige herbergen en kleine hoeven die zonder uitzondering bestaan uit maximaal twee bouwlagen onder een zadeldak. Door de witgekalkte gevels afgewisseld met andere zachte kleuren vormt dit straatgehucht een blikvanger in het open landschap. Achter deze huisjes ligt een waardevol weilandcomplex.

Onder de hoeven kunnen verschillende typen onderscheiden worden. De meest markante hoeven zijn de heren- en de kasteelhoeven, bijvoorbeeld het Blauwhuis en de Torreelen te Vinkem. Zij overstijgen door hun originele vormgeving de doorsnee-hoeve. Ook de onmiddellijke omgeving van deze herenhoeven weerspiegelt hun belangrijkheid: soms is er een drievoudige omwalling zoals bij de Torreelen of komt de monumentaliteit tot uiting in het sober bakstenen volume, zoals bij het Blauwhuis.

De doorsnee-hoeven bestaan uit losse bestanddelen van één bouwlaag onder pannen zadeldaken, geschikt rondom een rechthoekig erf met boerenhuis (vaak Vlaamse renaissance) ongeveer ten noorden. De stal- en de schuurvleugel staan links en rechts van, en loodrecht ingeplant op het boerenhuis. Een alleenstaand bakhuis bevond zich vaak op het erf of achter het boerenhuis. De meeste erven waren begraasd en hadden met bakstenen verharde looppaden en stoepen rondom de hoevegebouwen. Een conisch hondenhok markeerde soms het centrale erfgedeelte en ook de mestvaalt bevond zich meestal in het midden van of voor de stallingen.

Tot de landelijke architectuur behoren hier eveneens de hoeven naast burgerhuizen, pastorieën en kerken die hier op verschillende plaatsen in het gebied aanwezig zijn. De duin-polderovergang ten zuiden van de Westhoekduinen is door de aanwezige infrastructuur, lintbebouwing langs de Duinhoekstraat en de horeca- en winkelzaken ter hoogte van de landsgrens echter sterk verstoord. Van de voormalige typische hoevetjes en visserhuisjes op de duingrens rest enkel nog een goed bewaard gebleven hoevetje met kleine boomgaard, het zogenaamde ‘Craceelhof’ gelegen langs de Duinhoekstraat op de grens van de Westhoekduinen. De duin-polderovergang naar de Cabourduinen is zeer goed behouden en in het landschap duidelijk herkenbaar door de bewaard gebleven percelering, het grondgebruik en de aanwezigheid van de kleinschalige bebouwing op de fysische grens tussen polder- en duinstreek. Het belang van het historisch grondgebruik en -beheer in deze overgangszones wordt bijkomend aangetoond door het voorkomen van tal van locaties van autochtone bomen en struiken. Zeer typisch zijn de olmenbosjes op de binnenduinrand en hiermee samengaand de olmenhagen rond de vaak oude, maar doorgaans sterk verbouwde hoevetjes of visserswoningen. Vaak is de sering een toegevoegd cultuurhistorisch element.

Sporadisch bewaarde vakwerkbouw met lemen vullingen kwam alleen in het eertijds eiken- en olmenrijke ‘Houtland’ voor. Hout (eik en olm) wordt courant aangetroffen in de schuurbouw van stijl- en regelwerk met horizontale plankenbeschieting (in tegenstelling tot de polders, waar vaak alles in baksteen is opgetrokken). De oorspronkelijke strobedekking werd ondertussen door pannen vervangen.

Het hydrografisch netwerk van de kustvlakte, vroeger en nu

In de loop van de 13de eeuw ging het belang van de IJzer als transportweg steeds meer doorwegen en dit gelijklopend met de groei van de stad Ieper. De IJzer en de Ieperlee vormden voor Ieper een cruciale vaarweg naar zee. Op vraag van de stad Ieper werden vanaf 1251 belangrijke kanalisatiewerken ondernomen met het doel het waterpeil van de stroom te verhogen en de seizoenschommelingen weg te werken. Dit impliceerde talrijke ingrepen in de afwatering. De ontwatering van de westelijke kustvlakte werd geregeld door de Noordwatering, die het polderwater loosde via de Oostsluis en via de nieuwe, in 1251 of 1265 opgetrokken Westsluis bij Nieuwpoort.

De bouw van dijken impliceert ook de beheersing van het binnenwater door de bouw van uitwateringssluizen en de organisatie van de afwatering van het gebied. Hierbij werden de oost-west lopende geulen aangesproken en lijkt het duidelijk dat de mens dit oost-west-verloop verbeterd of althans begeleid heeft.

De polder wordt van oost naar west doorsneden door twee belangrijke waterwegen: in het noorden het Langgeleed, in de zuidelijke helft het Kanaal Duinkerke-Nieuwpoort. Minstens al vanaf de 13de eeuw werd de westelijke kustvlakte ontwaterd via de voorloper van het huidige Langgeleed, dat via de Westsluis bij Nieuwpoort in de toenmalige IJzer uitmondde. In de duin-polderovergang vormt het Langgeleed nagenoeg de fysische grens tussen de duin- en de polderstreek. Deze waterloop speelt vandaag een cruciale rol in de waterhuishouding van deze polder.

Belangrijke water(afvoer)wegen vanuit de westelijke kustvlakte waren in de 13de-14de eeuw, van noord naar zuid: de voorlopers van het huidige Langgeleed, de Speievaart en het Annekensleed (beide in contact met De Moeren), de Nieuwe gracht respectievelijk Steengracht (nabij Bulskamp) en de huidige Bergenvaart die ten zuiden van De Moeren in de bedding van de voormalige Bulskampgeul loopt.

In de loop van de 17de eeuw neemt het personenverkeer toe. Daarbij werd gebruik gemaakt van de trekschuit of ‘barge’. Dit vervoer werd in een eerste fase door de kasselrijen georganiseerd, die hiertoe zelf schepen lieten bouwen om ze vervolgens te verpachten. Hierbij werd gebruik gemaakt van het nieuwe of verbeterde kanalenstelsel. Pas in 1617 werd de plannen voor de drooglegging van De Moeren opgemaakt door ingenieur W. Cobergher. Het plan voorzag in de aanleg van een ringsloot en een grachtenstelsel. Poldermolens zorgden voor het oppompen van het water naar deze sloot, zogenaamd het Ringslot, dat afwaterde richting Duinkerke. In de westelijke kustvlakte was de eerste droogmaking van De Moeren in 1626 een feit. Ten behoeve van de ontginning werd het gebied volgens een dambordvormig patroon ingedeeld. De droogmaking en vooral de constructie van het hogergelegen Ringslot verstoorde grondig de afwatering van de Buitenmoeren. In 1633 stond de stad Sint-Winoksbergen toe de afwatering van de Buitenmoeren via hun grondgebied te laten verlopen. Hierin speelde de in 1622 geconstrueerde schutsluis van Houtem een belangrijke rol. In 1646 lieten de Spaanse troepen, tijdens de belegering van Duinkerke, De Moeren terug onder water lopen. Een tweede droogmaking vond plaats in 1766, maar werd door een dijkdoorbraak in 1770 opnieuw teniet gedaan. De derde en definitieve droogmaking vond plaats in 1827. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebied om strategische redenen, vanaf 1944, opnieuw onder water gezet. De drooglegging kon pas aangevat worden vanaf de zomer van 1945 en duurde tot februari 1946. Een ministerieel besluit voorzag in de oprichting van noodwoningen (1947-1948). Uiteindelijk werden 21 landbouwwoonsten en vijf dubbelwoonsten opgetrokken.

De aanleg van het Kanaal Duinkerke-Nieuwpoort of ‘het Nieuw bedelf’ in 1640 zou de toestand niet verbeteren want nu kon ook het noordelijk deel van de Buitenmoeren niet meer via het noorden worden afgewaterd. De aanleg van dit kanaal was het gevolg van de Tachtigjarige Oorlog waarbij de Schelde en het Zwin werden afgesloten. Hierdoor nam het belang van de havens van Duinkerke, Nieuwpoort en Oostende fel toe. Het Kanaal Duinkerke-Nieuwpoort diende, samen met het Kanaal Gent-Oostende, te zorgen voor een goede ontsluiting van de oude en nieuwe havens.

In de eerste helft van de 19de eeuw werd het waterwegennet grondig aangepast, enerzijds om te voldoen aan de nieuwe behoeften van de scheepvaart, anderzijds om ze in te passen in de nieuwe grensverdediging van de Wellingtonlinie. De eerste sluis die vernieuwd werd was de Veurnesluis op het Kanaal Duinkerke-Nieuwpoort, tevens werd in de periode 1829-1830 het kanaalvak Adinkerke-Veurne en Veurne-Nieuwpoort verbreed en uitgediept. Deze onderneming impliceerde ook de vervanging van de bestaande draaibruggen door ophaalbruggen met een doorgang van 5,2 meter. Tussen 1861 en 1880 volgde een nieuwe fase van herinrichting van de afwatering en de aanpassing van het scheepvaartnet. Tijdens deze werken werd het Kanaal Duinkerke-Nieuwpoort nogmaals verbreed en de dijken ervan verhoogd. De werkzaamheden uit die periode bepalen tot vandaag de afwatering van de regio.

De beide wereldoorlogen

Het complex geworden afwateringssyteem van de Noordelijke Westhoek speelde een rol van betekenis in de Eerste wereldoorlog toen het geallieerde leger van Belgen, Britten en Fransen defensieve stellingen innam tegenover het Duitse Vierde Leger. De belangrijkste inundatie gedurende de Eerste Wereldoorlog betrof vast en zeker deze van de westelijke IJzervlakte tussen Nieuwpoort en Diksmuide waarbij de spoorwegberm tussen beide steden als dijk voor de onderwaterzetting werd gebruikt (oktober 1914). De antropogene invloed op het duingebied was vooral ingrijpend ten gevolge van de militaire inrichtingen gedurende de beide wereldoorlogen, de aanleg van een uitgebreid loopgrachtenstelsel, schietstellingen, bunkers, veldhospitalen en een waterwinningssyteem ter bevoorrading van drinkwater. Het achterliggend land werd door de geallieerde troepen voor allerlei doeleinden gebruikt: logistieke ondersteuning van de gevechtstroepen (drank- en voedselravitaillering, kledij, munitieopslag), medische zorgverstrekking, oefenterrein, gevangenenkamp, uitbouw van achterliggende verdedigingslinies… Talrijke symbolen herinneren vandaag nog aan de ‘Groote Oorlog’. Op de grens van De Panne en Adinkerke bevindt zich één van de grootste Belgische militaire begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog. In het Domein Cabour zijn vele restanten aanwezig van de Eerste Wereldoorlog, zijnde een loopgrachtenstelsel verspreid over het terrein, met bijhorende manschappenbunkers, schietstellingen en veldhospitalen. Daarnaast werd een waterwinningssyteem aangelegd voor drinkwatervoorziening voor de soldaten en de veldhospitalen, later overgenomen door de Belgische Staat. De waterputten en alle relicten horende bij de verschillende fazen van de waterwinning van het domein hebben tevens een industrieel-archeologische waarde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kustvlakte door de Duitsers ingericht als verdedigingslinie tegen een mogelijke inval van de geallieerde troepen. Daartoe werd een 5300 kilometer lange verdedigingsgordel van Noorwegen tot de grens met Spanje uitgebouwd, de ‘Atlantikwall’. De ‘Atlantische Muur’ bestond uit een aaneenschakeling van steunpunten. Omwille van hun relatief lage bevolkingsdichtheid, de grootgrondbezitsstructuur en de zandige ondergrond vormden de duingebieden aan de Vlaamse kust een uitstekende inplantingsplaats voor deze militaire steunpunten. De nog goed bewaarde resten van de verdediging uit de Eerste Wereldoorlog zal eveneens een rol gespeeld hebben bij de inplanting ervan, bijvoorbeeld in het domein Cabour (Adinkerke). Hier is tot op vandaag één van de best bewaard gebleven steunpunten uit die periode aanwezig. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in het gebied de ‘veldbatterij Adinkerke’ uitgebouwd, bestaande uit verschillende types bunkers, geschutsstellingen en loopgraven. De veldbatterij werd vanaf 1940 uitgebouwd en staat gekend onder de benaming Stp.Ost-W-049 ‘Schlieffen’ (= 49ste Stützpunkt, Oostende West, naar de voormalige strateeg Schlieffen). De veldbatterij werd in twee fasen gerealiseerd respectievelijk tussen 1940 en 1942 en tussen 1942 en 1944. Gedurende de eerste fase werden zes open geschutsbatterijen gebouwd. In de tweede fase kwam de eigenlijke veldbatterij tot stand met de commando- en geschutsbunkers.

Huidig grondgebruik

Het huidig straten- en grachtenpatroon en percelering van De Moeren gaan terug op de plannen van de eerste drooglegging. De dambordvormige ontginning van het gebied wordt geaccentueerd door dreven. In sommige percelen zijn nog laantjes (afwateringsgrachtjes) te herkennen. De brugjes in het gebied vallen door hun beperkte omvang en lage ligging, nauwelijks op in het landschap.

Het dorpscentrum beperkt zich tot het voormalige gemeentehuis en de aanpalende noodwoningen. De hoeves liggen verspreid in het open en vlakke gebied en bevinden zich meestal op een zandige opduiking. Enkele nog zeer gave en waardevolle hoeves zijn Hoeve ’t Moerland, het Moerhof en Hoeve Sint-Julie. Rond de hoeves zijn meestal opgaande bomen aanwezig. Hier en daar staat een veldkapel of -kruis. Kenmerkend is tevens de eenheidsarchitectuur van de naoorlogse noodwoningen voor landbouwers (1947-1948). Ze werden opgetrokken volgens een historiserende wederopbouwarchitectuur van kort na de Eerste Wereldoorlog. De woningen vormen het meest kenmerkende aspect van de landelijke bewoning in De Moeren.

Het landgebruik (onder andere wegen, afwatering en percelering), gestructureerd door het Ringslot, vertoont een radiaal patroon. De wegen, sloten en grachten lopen loodrecht of parallel aan het Ringslot. Langs wegen en grotere afwateringskanalen staan veelal bomenrijen die deze structuren accentueren. Het gebied bestaat in hoofdzaak uit een afwisseling van akkers en weilanden. De Buitenmoeren kennen verspreide bebouwing met vooral landbouwbedrijven, waarvan een aantal 18de-eeuwse hoeves. Het Moerhof in de noordelijke rand van de Buitenmoeren verwijst samen met Groot Moerhof in De Moeren, respectievelijke uithoven van de Ter Duinenabdij van Koksijde en de Sint-Niklaasabdij van Veurne, naar de vroegere turfwinning. Doorgaans is de architectuur van de moderne landbouwbedrijven storend in het landschap. Kenmerkend in het landschap zijn tevens de bruggetjes en de kapelletjes.

Twee opvallende bakens in De Moeren zijn de poldermolens langs het Ringslot waarvan enkel de Sint-Karelsmolen nog maalvaardig is. Van de Sint-Gustaafsmolen in het zuidoosten rest enkel de stenen molenromp. De andere historische poldermolens die instonden voor de bemaling van de Moeren zijn verdwenen of er resten nog enkel de molenromp, bijvoorbeeld de molen gebouwd in functie van de derde droogmaking van de 1700 Gemeten (1798) en het pompstation ‘de Seine’, bestaande uit een achtzijdige romp.

Een ander opvallend landschapselement is het neoclassicistisch kasteel Sint-Flora met bijbehorend park waarvan de kern vermoedelijk teruggaat tot kort na 1827. In 1853 werd de site verder uitgebouwd tot een monumentale hoeve, die toen als een modelhoeve gold voor veel polderboerderijen. De tuin in het zuiden is volgens een geometrisch patroon aangelegd. De Engelse tuin met vijver, in het noorden, dateert vermoedelijk van eind 19de eeuw. Rechts van het kasteel ligt de hoeve met opvallende monumentale dwarsschuur. Daarnaast zijn er de stallen, het woonhuis voor de pachter en de jeneverstokerij, herkenbaar aan zijn dubbele bedaking.

In het gehucht De Moeren (W. Coberghstraat) en verder langs de Moerstraat staan enkele kleine gebouwtjes, die kort na de Tweede Wereldoorlog in dit grensgebied dienst deden als schuilhokjes voor de douanebeambten. De Moeren hebben een uitgesproken vlak en open karakter, met talrijke vergezichten die begrensd worden door de bomenrijen op de voormalige ontginningswegen. Vooral de cultuurhistorische (ontginningsgeschiedenis) en de esthetische waarde (open karakter) maken dit gebied landschappelijk zeer waardevol.

Vroeger had het landbouwgebied een gesloten karakter door de aanwezigheid van perceelrandbegroeiing (hagen, knotbomen…). Dit bocagelandschap is, in tegenstelling tot Frans-Vlaanderen, hier nu grotendeels verdwenen. De verspreide hoeves met aansluitende huisweiden zijn nog gaaf en herkenbaar in het landschap. Sommige weilanden hebben nog perceelsrandbegroeiing bestaande uit knotbomen en houtkanten; een zeer gaaf voorbeeld zijn de weilanden rond de ‘Kleine Hoek van ’t Moertje’. Relicten zijn verder onder meer nog aanwezig tussen Elzentap en het dorp van Houtem en langs de Sacramentstraat en de westzijde van het dorp. Ook solitaire bomen benadrukken de perceelsstructuur.

Typerend voor de overgangszone is de sporadisch bewaarde vakwerkbouw met lemen vullingen. Het erf van de hoeven en de aanpalende huisweiden waren oorspronkelijk vaak met hagen en of bomenrijen omgeven. Hiervan resteren nog slechts enkele relicten. Sommigen waren ook omwald.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.

  • BAETEMAN C. 1991: Chronology of the coastal plain development during the Holocene in West Belgium. Quaternaire 2, 116-125.
  • BAETEMAN C. 2004: The Holocene development of e tide-dominated coastal lowland. Western coastal plain of Belgium. Field Guide, The QRA Third International Postgraduate Symposium Fieldtrip, September 17 204, Belgian Geological Survey, Brussels, Belgium.
  • BRUNEEL D. 1983: De Moeren een historisch-geografische schets (1616-1827). In: De Franse Nederlanden. Les Pays-Bas Français. Jaarboek 1983, Stichting Ons Erfdeel vzw. 95-114.
  • DE CEUNYNCK, R. 1992: Het duinlandschap ontstaan en evolutie in: TERMOTE, J. (red.).Tussen Land en Zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne, Tielt, 18-45.
  • DECLERCQ, E. & DE MOOR, G. 1996: Geomorfologie in PROVOOST S. & HOFFMANN,M (red.). Ecosysteemvisie voor de Vlaamse Kust. Deel 1: Ecosysteembeschrijving. 48-86. Universiteit Gent. Onuitgegeven rapport in opdracht van AMINAL, afdeling Natuur.
  • HOYS, M., LETEN M. & HOFFMANN, M. 1996. Ontwerpbeheersplan voor het staatsnatuurreservaat De Westhoek te De Panne (West-Vlaanderen). Universiteit Gent, 207p. + 2 kaarten.
  • MEYLEMANS, E. 1988: Ruilverkaveling Adinkerke-Oostduinkerke. Archeologische Inventaris, onuitgegeven rapport Instituut voor het Archeologisch Patrimonium.
  • PROVOOST S., AMPE C., BONTE D., COSYNS E. & HOFFMANN M. 2002: Ecology, management and monitoring of dune grassland in Flanders, Belgium in: VELOSO-GOMES F., TAVEIRA-PINTO F. &amp DAS NEVES L. (eds.), The Changing Coast Proceedings of the 6th international symposium Littoral 2002, EUROCOAST/EUCC, Porto, Vol II, 11-20.
  • RAPPÉ G., LETEN M., PROVOOST S., HOYS M. & HOFFMANN M. 1996: Biologie in: PROVOOST S. & HOFFMANN M. (red.). Ecosysteemvisie voor de Vlaamse Kust. Deel 1: Ecosysteembeschrijving Universiteit Gent, Gent, Rapport in opdracht van AMINAL, afdeling Natuur, 167-372.
  • TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M. 1993: Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Leuven.
  • TERMOTE, J. & DEWILDE. 1983: Archeologie 2, 120-1
  • TERMOTE J. & DEWILDE 1984: WAVO, 122, 68-70.
  • TERMOTE J. 1992:. Wonen op het duin. De bewoningsgeschiedenis van het duingebied tot aan de Franse revolutie in TERMOTE J. (red.), Tussen Land en Zee. Het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne, Tielt, 46-87.
  • TERMOTE J. 1995: Strijd tegen het water. De bewoningsgeschiedenis van de prehistorie tot de nieuwste tijden in: DE ROO N. & HINDRYCKX K. (red.) Beeld van een stroom. De Ijzer, 32-63.
  • TERMOTE, J. & HIMPE, K. 2001: Cultuurhistorische inventarisatie van watergebonden bouwkundig erfgoed en advies inzake conservering, restauratie en eventuele reconstructie, Rapport in opdracht van Vlaamse Landmaatschappij-Bestuur Landinrichting.
  • TERMOTE, J. (in prep.). Landschapshistorisch onderzoek in het gebied ‘de Fossiele duinen van Adinkerke-Ghyvelde, Rapport in opdracht ANB, Gebiedsvisie en beheerplan voor de Fossiele duinen van Adinkerke-Ghyvelde.

  • WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE, 2005: Inventaris Autochtone bomen en struiken (geraadpleegd 2007)

Bron     : Aanduidingsdossier ankerplaats ‘Westhoekduinen- Duinen Cabourg-De Moeren-Plateau van Izenberge’, definitieve aanduiding 24/12/2008. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2008


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Westhoekduinen, duinen van Cabour, De Moeren en plateau van Izenberge [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135398 (Geraadpleegd op 21-08-2019)