erfgoedobject

Historische stadskern van Menen

archeologisch geheel
ID: 140007   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140007

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Menen is gelegen op de rand van de linkeroever van de Leievallei, op droge tot vochtige (lichte) zandleemgronden. De inplanting is bepaald door enerzijds de landweg Brugge-Rijsel, die hier de Leie dwarst en de landweg, die de noordelijke oever van de Leie volgt en zo onder meer Wervik (ten westen) en Kortrijk (ten oosten) verbindt. Een ander belangrijk gegeven is de Sint-Jansbeek, een samengaan van de Kruishoekbeek, de Schonebeek en de Geluwse beek, die hier in de Leie uitmondt. Op het gewestplan is de historische kern van Menen ingekleurd als woon-, recreatie- en parkgebied en gebied voor milieubelastende industrieën. Onder andere allerlei stukken van de vestingwerken en bijhorende kazematten, het kazernegebouw of militair hospitaal (Leopoldplein), een vroegere olieslagmolen (Fabiolalaan), het wapenarsenaal (Vaubanstraat), het stadhuis met belfort en schuilkelder, de Sint-Vedastuskerk en de Sint-Franciscuskerk (voormalige Capucijnerkerk) zijn beschermd als monument.

Archeologische nota

Menen wordt al in 867 vermeld als Maininium of Maininion (Gysseling 1960). Tot dusver zijn echter geen archeologisch vondsten of sporen uit deze oudste periode gekend. Over de betekenis van de plaatsnaam is er absoluut geen consensus. De oorsprong van de stad Menen ligt in een dorpsheerlijkheid, die als de ‘Bruel’ bekend stond. Er zijn voldoende aanwijzingen dat een motte met neerhof, waarop ook de kerk gesitueerd is, is hiervan de veruitwendiging was. In 1991 werd in de Sint-Jansmolenstraat de gracht ervan aangesneden (Despriet 2009). De heren van Menen komen in de 2de helft van de 12de eeuw voor het eerst echt in beeld. Ook de kerk wordt hen dan toegewezen. In 1087 was de Sint-Vedastuskerk al opgedoken in de bronnen. Vedastus is een patroonheilige, die ten laatste vanaf de 8ste eeuw wordt gesitueerd. In 1288 zet de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre door zijn conflict met de Franse koning de heer van Menen aan de dijk en neemt zijn leengoed (en de aanzienlijke geldelijke inkomsten) opnieuw onder z’n hoede (Warlop 1968).

Op de rechteroever van de Leie kwam een andere heerlijkheid tot stand, die van de heren van Halewijn. In de 14de eeuw trokken ze daar een imposante burcht op. Het was een kasteel op vierkant grondplan met uitspringende ronde hoektorens, waarvan er één als donjon was uitgebouwd. Er was ook een duidelijk ingangspartij met flankeertorens. De bouw ervan heeft zeker te maken met de voortdurende strubbelingen tussen Vlaanderen en Frankrijk. Zo nam Filips IV, koning van Frankrijk, na 1305 en de Vrede van Athis-sur-Orge de kasselrij Rijsel - een van de bestuurlijke entiteiten van het graafschap Vlaanderen - in beslag. Het kasteel van Halewijn is dus eigenlijk een grensvesting. Op het einde van de 14de eeuw, als de hertog van Bourgondië de Vlaamse steden laat versterken en stadskastelen uitbouwt, krijgt Halewijn een nieuwe betekenis. Het kasteel zelf verdween - gedeeltelijk? - bij de rechttrekking van de Leie in het begin van de jaren ‘70 van de vorige eeuw (Despriet 2009). Mogelijk zijn nog resten van een neerhof of andere aanhorigheden bewaard.

In 1351 volgt de toekenning van stadsrechten aan Menen. Eigenlijk was het een draperiekeure, die toestemming gaf om laken te produceren en een stapelplaats op te richten. Vanaf de periode rond 1400 ontwikkelt Menen stedelijke functies en groeit de stad uit tot een regionaal administratief centrum. Het blijft wel een ‘open’ stad, zonder een eigen verdedigingswal (Vindevogel 1986). Door de opstand tegen de Spanjaarden (van 1566 tot 1604) werd Menen in 1578 versterkt met een stadsgracht en aarden wallen, met 7 bastions (de Montigny-vesting). In 1583 heroverde Alexander Farnese de stad. Tussen 1669 en 1689 werden de versterkingen gemoderniseerd door Vauban en groeide Menen uit tot een modelvesting binnen het Pré-Carrésysteem, een driedubbele gordel van versterkingen langs de noordgrens van Frankrijk. De Leie en de Geluwebeek bevoorraadden de stadsgrachten en maakten de creatie van overstroombare gebieden mogelijk. De vestingwerken zelf hadden een omtrek van 3000 m en waren voorzien voorzien van 11 bolwerken en 4 stadspoorten. Uiteindelijk volgde de (gedeeltelijke?) ontmanteling door de Fransen zelf tijdens hun bezetting van 1744-1748. De versterking werd tussen 1817 en 1830 heropgebouwd door de Hollanders om deel uit te maken van de anti-Franse Wellingtonlinie. Veel hiervan werd in 1967 gesloopt (Pyncket 2002).

De stadsbrand van 9 mei 1548, waarbij twee derde van de stad in de vlammen opging, kan een belangrijk archeologisch ijkpunt zijn (Despriet 2009).

Vermeldenswaardig is ook de aanzienlijke bierproductie, die vooral in de 16de eeuw exponentieel toenam. De ligging aan de Leie zal voor aanvoer (graan, turf, …) en uitvoer ideaal geweest zijn. Het hoeft niet te verwonderen dat de brouwerijen vooral in het lagere stadsdeel te vinden waren.

De bouw van het schepenhuis of stadhuis werd ca. 1520-1525 voltooid, maar de constructie moest al na de stadsbrand van 1548 hersteld worden. Het belfort kwam later tot stand (1574-1611). Daarna volgden nog verschillende verbouwingen en herstellingen. In z’n huidige vorm dateert het complex uit 1782. Naar aanleiding van restauratieactiviteiten was archeologisch onderzoek mogelijk van 2001 tot 2005. Daarbij zijn muurresten van de 16de tot de 19de eeuw, een waterput en een uitgebreid gamma aan vondstenmateriaal aangetroffen.

Ook de Sint-Vedastuskerk is door de vele verbouwingen een interessante, archeologisch site. De 11de-eeuwse kerk is afgebroken en herbouwd in 1454-1463, waarna nog ettelijke ingrepen volgden.

Van het (verdwenen) kapucijnenklooster (1603-1627) werd de kerk in 1873 omgevormd tot de tweede parochiekerk, de Sint-Franciscuskerk. Ook hier worden talloze verbouwingen gemeld. Vanaf 1690 is er sprake van het klooster van de benedictinessen.

Menen bezat 4 molens. Binnen de stad lagen er 3. De grafelijke banmolen op de Leie (de Grote Koren- en Moutmolen) gaat alleszins terug tot 1255. In 1457 kwam er aan de overzijde van de maalgeul een tweede bij. De Beekmolen was een andere grafelijke molen, die op een bepaald moment binnen de wallen gehaald werd. Een andere Grote moutmolen ligt op de Sint-Jansbeek ter hoogte van de Fabiolalaan. Op het einde van de 19de eeuw was het de belangrijkste oliemolen van de streek. Het passantenliedengasthuis van Sint-Joris wordt voor de eerste maal vermeld in 1273. Een ander belangrijk moment voor de Sint-Joriskerk en -hospitaal situeert zich tussen 1408 en 1416. Ook deze gebouwen waren onderhevig aan verwoesting, herstelling en/of wederopbouw (Vindevogel 1986; Despriet 2009).

Parallel met de start van een restauratieproject van de nog zichtbare vestingen (noordoostelijke sector) in het Park ter Walle (521 m hoofdwal, bastion 3 en 4 en de tussenliggende courtine) in 1990 werd ook archeologisch onderzoek opgenomen. Daarbij kwamen vondsten en sporen aan het licht die de volledige vestinggeschiedenis (3 fazen) overspannen. Bij werfcontroles kwam in 1993 de westelijke muur van bastion 9 aan het licht. De muur was, gefundeerd op spaarbogen en voorzien van 43 schietgaten. Ook het aansluitend gebouw werd aangesneden. In 1994 volgde de oostflank van bastion 3 met aanwijzingen voor 14 opeenvolgende kazematten. In 1997 kon de binnen-infrastructuur van bastion 3 (ondergrondse kanonstellingen, manschappenonderkomens en een overdekte toegangstunnel) verkend worden. In 1998 kwamen in bastion 3 funderingen (van een militair magazijn?) aan het licht (Despriet 2009).

In 1995 werd vanuit dezelfde aanpak een tweede gedeelte (zuidwestelijke sector) aangepakt. Daarbij werd in eerste instantie een vestingfront vrij gelegd, waarop 13 kazematten aansloten, waarvan er 11 volledig bewaard bleken, voorzien van schietgaten en doorgangen. Ook valt de extra fundering op in de Leie-oever. Bij een werfcontrole in 1996 kwam de noordelijke flank en een binnenmuur van bastion 9 aan het licht, in 1999 een verbindingsgang tussen verschillende kazematten en een datumsteen 1688 en tenslotte in 2001 een stuk van het voorwerk (Despriet 2009).

In 2001 kwamen bij de afbraak van het stedelijk openluchtzwembad muurresten tevoorschijn, die evenzeer te linken zijn aan de vestingwerken. Waarschijnlijk betreft het een vestingfront, waarop een brugconstructie aansloot (Dewilde & Wyffels 2002).

In april 2010 trokken de vestingen opnieuw de aandacht. Nabij Huize Ter Walle, in de oostelijke sector greep een archeologische prospectie met ingreep in de bodem plaats. Bij de - niet aangesneden - Kortrijksepoort kwamen Hollandse vestingwerken aan het licht. Er werden 5 kazematten en een opslagplaats en ook een verbindingstunnel met andere kazematten vrij gelegd. In de buurt werd ook een 18de-19de-eeuwse brouwerij aangetroffen (Bradt & Acke 2010).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdend met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimten tussen de bebouwde kern en strategische elementen, zoals de rivieroever, worden opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Menen, uitgebouwd door Vauban in 1679-1689 (S.H.I.A.T., Paris-Vincennes).

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BRADT T. & ACKE B. 2010: Archeologische prospectie Huize Ter Walle Menen (prov. West-Vlaanderen), Basisrapport, Ingelmunster.

DESPRIET P. 2009: 10.000 jaar Menen, 40 jaar opgravingen 1969-2009, Archeologische en historische monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 72.

DEWILDE M. & WYFFELS F. 2002: Vauban in Ieper en Menen, Archaeologia Mediaevalis 25, 55-57.

GYSSELING M. 1960: Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) I, 39-58.

PYNCKET 2002: De vesting Menen, een verkenning, Menen.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VINDEVOGEL P. 1986: Het Menen van toen, Brugge.

WARLOP E. 1968: De Vlaamse adel voor 1300 (deel II.146, 379-381).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Dewilde, Marc
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Menen
    Menen (Menen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Menen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140007 (Geraadpleegd op 18-07-2019)