erfgoedobject

Historische stadskern van Halle

archeologisch geheel
ID: 140038   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140038

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

De oudste historische kern van Halle is gelegen op de linkeroever van de Zenne, ter hoogte van waar de Groebengracht uitgeeft in deze rivier. De stad bevindt zich aan de noordrand van het Brabants Massief. De Zenne heeft doorheen deze gesteenten haar loop geschuurd waardoor er een smalle alluviale vlakte ontstaan is. Halle is gelegen in de Vlaamse leemstreek. De historische kern is als bebouwde zone aangeduid op de bodemkaart. Rondom het stadscentrum situeren zich droge leembodems. De beekvallei van de Groebengracht bestaat uit matig droge tot zeer natte alluviale leembodems. De stad situeert zich in het alluviaal gebied van de Zenne en de Groebengracht (ongeveer 30 m TAW) tussen een heuvel in het zuidwesten en een heuvel in het noordoosten. Ook op de rechteroever tegenover de stad situeert zich een heuvelrug. Op het gewestplan staat de historische kern bijna volledig ingekleurd als woongebied, waarvan een groot deel met culturele, historische en/of esthetische waarde. In het zuidwesten situeert zich een kleine zone van ambachtelijke bedrijven en KMO’s. Langsheen de loop van de oorspronkelijke Zenne strekt zich een smalle strook natuurgebied uit. In het oostelijk deel van de stad situeren zich twee gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut en in het noordoosten komt een recreatiegebied en een bufferzone voor.

Archeologische nota

De oudste menselijke sporen binnen de historische kern van Halle betreft een tiental silexfragmenten die aan het licht kwamen tijdens archeologisch onderzoek in de Klinkaart, vlakbij de Sint-Martinusbasiliek (Borremans e.a. 1992, 70). Op het oorspronkelijke terrein van het Sint-Elooishospitaal werd bij archeologisch onderzoek een kuil uit de vroege La Tène-periode aangesneden (Borremans & Taelman 1996, 12) Op hetzelfde terrein van dit hospitaal aan de Bergensesteenweg werden sporen en vondsten uit de Karolingische periode vrij gelegd. Het ging om een deel van een hutkom en twee haarden waarin een hoeveelheid ceramiek werd aangetroffen. Hoe beperkt deze laatste sporen ook zijn, ze wijzen op het belang van deze zone als ontwikkelingskern voor de latere stad. Bovendien maakt het duidelijk dat hoe fragmentarisch ook, elke registratie van die vroegmiddeleeuwse getuigen van groot belang is voor de reconstructie van de oorsprong en de vroegste ontwikkelingen van de stadswording van Halle. De aanwezigheid van twee belangrijke wegen zal ook bijgedragen hebben tot de ontwikkeling en groei van de stad. Het gaat enerzijds om de weg van Bergen naar Brussel en anderzijds om de weg van Nijvel naar Vlaanderen (De Maeyer e.a. 2004, 4). In de eeuwenlang dichtbebouwde oudste stadskern, is het niet evident om sporen van dit verre verleden terug te vinden. Er kan wel vastgesteld worden dat de basiliek van Halle toegewijd is aan Sint-Martinus. Samen met Sint-Pieters en Sint-Amandus is Sint-Martinus een patrocinium dat de christianisatiebeweging in de Merovingische periode weerspiegelt. Mogelijk kent ook deze kerk haar oorsprong als eigenkerk binnen een heerlijk domein.

Over het ontstaan van en ontwikkeling van de stad Halle werden in het verleden al verschillende hypothesen geformuleerd (De Maeyer e.a. 2004, 4-7). Everaert en Bouchery situeren het ontstaan van Halle in de 8ste eeuw, waarbij ze verwijzen naar de inwijding van de kerk in 727 door de Heilige Hubertus (Everaert & Bouchery 1879, 2-3, 13-14). Volgens de verouderde visie van Possoz ontstaat Halle pas in de 12de eeuw na de bouw van de burcht door de graven van Henegouwen. Hij onderscheidde vijf stadsuitbreidingen, waarvan de aanleg van de grote wallen tussen 1381 en 1396 de laatste fase vormt (Possoz 1929). Martens benadrukt de landschappelijke elementen voor het ontstaan van de stad en ziet een doorwaadbare plaats van de Zenne als bepalende factor in de ontstaansgeschiedenis (Martens 1927). Jan Verbesselt plaatst het ontstaan van Halle in de 7de eeuw, waarbij Sint-Waltrudis het domein van Halle schenkt aan de abdij van Bergen die het tot in de 14de eeuw zal beheren (Verbesselt 1987). Het domeincentrum is volgens deze auteur het primitieve hof van Nederhem, gelegen op de rechteroever van de Zenne. Het ontwikkelingsmodel van Franssens sluit aan bij de visie van Verbesselt, maar met betrekking tot de burcht en de relatie van de versterking ten opzichte van de stadsomwalling heeft hij een andere visie (Franssens 1985). Hij meent dat er pas sprake is van een kasteel in samenhang met het ontstaan van de stadsomwallingen in het midden van de 14de eeuw.

De oudste vermelding van de burcht van Halle dateert uit 1357, wanneer Willem III van Beieren, graaf van Henegouwen beschermheer wordt van de stad en deze het burgerschap en het recht van het beste kasteel verleent (Borremans 2001). Over de oorsprong echter van de burcht ontbreken archivalische gegevens. Tijdens het archeologisch onderzoek naar de burcht van Halle in 2004 werd een gracht aangesneden die dateert uit de 11de eeuw of de vroege 12de eeuw (De Maeyer e.a. 2004, 14). Er wordt verondersteld dat deze structuur verband houdt met een motteheuvel of een vlaktenederzetting. Ook bij het onderzoek in de Klinkaart werden sporen terug gevonden die dateren uit de 11de-12de eeuw (Borremans e.a. 1992, 68-69). In de 9de eeuw vormde het gebied van Halle één van de vier delen van de Pagus Bracbatensis. Oorspronkelijk viel Halle onder de voogdij van de Sint-Waldetrudisabdij van Bergen. In de 10de eeuw krijgt de lekenabt, de latere graaf van Henegouwen, het kerkelijk en parochiaal beheer toegewezen en in de loop van de 11de eeuw gaat de kastelein van Brussel, vertegenwoordiger van Brabant, aanspraak kunnen maken op een deel van de inkomsten. In 1331 wordt de voogdij van de kastelein van Brussel overgenomen door de graaf van Henegouwen en wordt Halle Henegouws grondgebied.

Uit de geschreven bronnen is op te maken dat Halle door gravin Johanna van Henegouwen als stad erkend werd in een keure uit 1225. Hieruit blijkt dat er op dat ogenblik al een stedelijke kern aanwezig was. Over de omvang en de begrenzing zijn er echter momenteel geen archeologische gegevens voorhanden. De stadsomwalling zoals die te zien is op de kaart van Jacob van Deventer (1554) werd aangelegd tussen 1381 en 1396 en omsloot op de linkeroever ook de burcht (De Maeyer & Van Bellingen 2004). Op de rechteroever van de Zenne werd eveneens een areaal omsloten door deze stadsomwalling. Dit verdedigingswerk bestond uit een stenen muur en bijhorende gracht. De stadsmuur was op regelmatige afstand, en dit hoofdzakelijk in het noordelijk gedeelte, voorzien van torens. Ter hoogte van de invalswegen bevonden zich de poorten tot de stad. In het noorden zijn dit de Brusselpoort en de Sint-Katharinapoort. Aan de westzijde situeerden zich de Poternepoort en in het zuiden de Bergpoort en de Bospoort. Aan de oostzijde was de Vondelpoort gelegen. Deze laatmiddeleeuwse omwalling blijft tot op heden bewaard in de ruimtelijke structuur van de huidige stad. In het noordelijk en noordwestelijk deel is de buitenste begrenzing van de stadsgracht duidelijk te volgen in de percelering die parallel verloopt met de huidige Vestingstraat en de Sint-Katarinavest. In het zuidwesten komt dit tracé overeen met de Poststraat en een deel van de thans overwelfde Groebenbeek die aansluit op de Zenne. De oorspronkelijke loop van deze rivier reflecteert zich nog in het huidige stratenpatroon, meer bepaald in de Molenborre, Vuurkruisenstraat en de zuidoostelijke grens van het Possozplein. De stadsgracht op de rechter oever is nog altijd als relict aanwezig en sinds de demping van de Zenne in het centrum van de stad vormt zij het nieuwe verloop van de rivier. De noordoostelijke grens van de middeleeuwse stad reflecteert zich in de Monseigneur Senciestraat. In de periode van de 13de tot de 15de eeuw kent Halle een gestage groei, voornamelijk als handelscentrum en bedevaartsoord. De mandenmakers, leerlooiers en brouwer waren er de voornaamste ambachten. Een korenhal wordt vermeld in 1362 en in 1390 een lakenhalle. De bescherming van de stad gebeurde door de Sint-Joris gilde van de voetboogschutters (vermeld in 1368), de handboogschutters van Sint-Sebastiaan (vermeld in 1368-1390) en de kolveniers- of Sint-Kristoffelgilde. In de 15de en 16de eeuw gaan drie kloosterordes zich vestigen binnen de stadsmuren van Halle. Het betreft de grauwzusters (1556), de jezuïeten (1621) en de minderbroeders (1627).

Een belangrijk gegeven in de historiek van de stad Halle vormt de Sint-Martinuskerk. In 1267 werd door Aleidis, dochter van Floris IV van Holland, een Onze-Lieve-Vrouwbeeld geschonken aan de stad. Het miraculeuze beeldje leidde tot het ontstaan van een bedevaartsoord. De drukbezochte Mariakapel zou in 1341 aanleiding geven tot de bouw van een nieuwe, grotere kerk. Deze kerk is gelegen ten noorden van de Grote Markt waar in de eerste helft van de 15de eeuw een stadhuis wordt gebouwd. Na de brand van de stad in 1595 zou het in 1616 heropgebouwd worden.

Door zijn strategische ligging in het grensgebied tussen Brabant, Vlaanderen en Henegouwen werd Halle enkele malen belegerd. Dit was onder meer het geval bij de oorlogen van Maximiliaan van Oostenrijk in 1489. In 1580 werd de stad belegerd door de gouverneur van Brussel. Tijdens de Spaans-Franse oorlog onder Lodewijk XIV werden de stadswallen gesloopt (1618-1648). Op het stadsplan van J.J. de Ferraris (1771-1778) is de stadsmuur als relict nog gedeeltelijk te zien. In het noordoostelijk deel van de stad echter is deze al volledig verdwenen.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdend met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimten tussen de bebouwde kern en strategische elementen, zoals de rivieroever, worden opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BORREMANS R. 2001: Het voormalige kasteel van Halle, Archeologie in Zuidwestbrabant 3, 13-35.

BORREMANS R. 2006: Waarneming in het voormalig pand 'De Minnestrik', Basiliekstraat (1963), Hallensia. Tijdschrift over de geschiedenis van Halle, Buizingen en Lembeek 28, nr. 2, 16.

BORREMANS R. 2006: Waarnemingen in het pand 'Welvaart', hoek Basiliekstraat-Possozplein (1970), Hallensia. Tijdschrift over de geschiedenis van Halle, Buizingen en Lembeek 28, nr. 2, 17-20.

BORREMANS R. & TAELMAN G. 1996: Opgraving St. Elooishospitaal: 2500 jaar Halse geschiedenis (Vl.-Brabant), Archaeologia Mediaevalis 19, 12-14.

BORREMANS R. & TAELMAN G. 1997: Opgraving van het St.-Elooishospitaal: 2500 Halse geschiedenis, Hallensia. Driemaandelijks Bulletin van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle 19, nr. 3, 25-26.

BORREMANS R., TAELMAN G.& NOTEBAERT J. 1992: Opgravingen te Halle (Brab.), Archaeologia Mediaevalis 15, 68-69.

BORREMANS R., TAELMAN G. & DEVOS Y. 2006: Archeologisch onderzoek in het voormalig pand 'Volkshuis' (2001), Hallensia. Tijdschrift over de geschiedenis van Halle, Buizingen en Lembeek 28, nr. 2, 4-15.

BORREMANS R. & WALSCHOT L. 1967: Fysisch kader en historisch wegennet als elementen van de situatie en het site van Halle (Brabant), Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies 36, 1, 37-78.

BRACKE M., VAN HOVE S. & ACKE B. 2011: Archeologische prospectie. Joseph Possozplein Halle (prov. Vlaams-Brabant). Basisrapport - november 2011, onuitgegeven rapport, Gemeente Halle.

BRACKE M. 2012: Archeologische prospectie. Joseph Possozplein Halle (prov. Vlaams-Brabant). Basisrapport - november 2011. Addendum werfbegeleiding, onuitgegeven rapport, Stad Halle.

DESMET Z. 2003: VII Poorten & 7 pleinen. Deel I: VII Poorten, Hallensia, nieuwe reeks 25, nr. 2, 3-22.

DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen 2n, 99.

DE MAEYER W. 2003: Het archeologisch onderzoek naar de burcht van Halle, Archeologie 2003. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 9-10.

DE MAEYER W. 2004: Het archeologisch onderzoek naar de burcht van Halle, Hallensia 26, nr. 2, 40-44.

DE MAEYER W., DOPERÉ F. & VAN BELLINGEN S. 2004: Het archeologisch onderzoek naar de burcht van Halle: een voorlopig verslag (intern rapport VIOE).

DE MAEYER W. & VAN BELLINGEN S. 2004: Het archeologisch onderzoek naar de burcht van Halle (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis 27, 62-66.

DOPERÉ F. & UBREGTS W. 1991: De Donjon in Vlaanderen. Architectuur en Wooncultuur, Acta Lovaniensia Monographiae 3, 141.

EVERAERT L. & BOUCHERY J. 1879: Histoire de la Ville de Hal d’après les documents originaux, 2de uitgave, Louvain.

FRANSSENS M. 1985: Halle, Twaalfhonderd jaar stadsontwikkeling, Halle.

FRANSSENS M. 2011: De Architect van de St.-Martinusbasiliek te Halle, Hallensia 33, nr. 4, 19-24.

MARTENS F. 1927: Les environs de Hal – Géologie et Histoire, Verhandelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle 4, 23-31.

MATTHYS A. 1969: Archeologisch onderzoek te Halle, Eigen Schoon en de Brabander 52, nr. 10-11-12, 408-423.

POSSOZ J. 1929-1930: A travers les rues de Hal, II. Le centre de la ville, Gedenkschriften van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle 6, 492-545.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VAN BELLINGEN S. 2006: Een kleine sondering onder de toren van de Sint-Martinusbasiliek te Halle, Archeologie 2006. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 26.

VAN BELLINGEN S. 2006: Een kleine sondering onder de toren van de Sint-Martinusbasiliek te Halle (Vl.-Br.), Archaeologia Mediaevalis 29, 98-99.

VAN HOVE S. & BRACKE M. 2012: Archeologisch vooronderzoek langs de oever van de oude Zenne. Halle - Joseph Possozplein, Archeologie 2012. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams Brabant, 4-5.

VERBESSELT J. 1987: Halle en Lembeek, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw XX.

URL:

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/21432 (geraadpleegd op 29 juli 2014).

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/39441 (geraadpleegd op 29 juli 2014).

http://www.halle.be/product.aspx?id=7739 (geraadpleegd op 31 juli 2014).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  onbepaald
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Halle
    Halle (Halle)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Halle [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140038 (Geraadpleegd op 24-08-2019)