erfgoedobject

Historische stadskern van Zoutleeuw

archeologisch geheel
ID: 140044   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140044

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

De stad Zoutleeuw, ongeveer 60 km ten oosten van Brussel, ligt in de provincie Vlaams-Brabant, arrondissement Leuven, en grenst in het oosten aan de provincie Limburg. De stad ligt op de grens van het Hageland en Vochtig en Droog Haspengouw. De gronden rond de stad worden vooral gekenmerkt door vochtige (zand)leemgronden. De Kleine Gete die door Zoutleeuw loopt, vormt de fysieke grens tussen het Hageland in het westen en Haspengouw in het oosten. Op het gewestplan staat de binnenkern van Zoutleeuw aangeduid als ‘woongebied met cultureel, historische en/of esthetische waarde’, de ruimere stadsomgeving met Stationswijk als ‘woongebied’, de buitenste schil als ’landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, de IJzerenweg als ‘parkgebied’ en de sporthal Ter Wallen als ’gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en algemeen nut’. De historische stadskern ligt volledig binnen de ankerplaats ’Valleien van Grote en Kleine Gete tussen Grimde, Budingen en Dormaal’.

Archeologische nota

Het eerste Zoutleeuw zou een pre-Romeinse nederzetting in het gehucht Kastel geweest zijn. Kastel zou afgeleid zijn van het Latijnse castellum, dat versterking betekent. De eerste vermelding dateert uit 1213 (Kempeneers 2003). Archeologisch onderzoek in 1992 toonde aan dat de feodale motteheuvel in Kastel (Castelbergh in 1330) minstens terug gaat tot de 12de eeuw, maar vondsten in en om de motte wezen op menselijke activiteit in de prehistorie, ijzertijd en Romeinse periode. De bewoning op de motteheuvel verdween al in de 14de eeuw. Het is niet geweten welke lokale heer de motte bewoonde (Verbeeck 1993a; Verbeeck 1993b; Verbeeck 1994). Of de Castelbergh de eerste, kortstondige kern van Zoutleeuw vormde, staat nog ter discussie (infra). Bij de kanalisering van de Kleine Gete in 1994-1996 werden in de opvulling grote hoeveelheden laatmiddeleeuws en vroegmodern afval aangetroffen. Archeologen onderzochten restanten van de eerste en tweede stadsomwalling en verwierven meer inzicht in de constructie en het uitzicht van de ingeplante verdedigingstorens (Opsteyn 1996). Ook bij het archeologisch onderzoek uitgevoerd tijdens de studieopdracht ’Archeologische evaluatie en waardering van de Spaanse Citadel’ en de archeologische vooronderzoeken bij “Aen Den Hoorn” en “De Vesten” werden talrijke restanten van de middeleeuwse omwallingen en de 17de-eeuwse vestengordel annex citadel gedocumenteerd (Ryssaert e.a 2013; Vander Ginst e.a. 2013; Hazen 2014).

De oudst overgeleverde vorm van Zoutleeuw stamt uit 980 en luidt Leuua (Gysseling 1960). Dit komt uit het Germaans hlaiwa. Hlaiwa of Leeuw betekent "bij de (graf)heuvels". Dit toponiem is van vroegmiddeleeuwse oorsprong. De tot heden oudst gevonden vorm met ’zout’ dateert van 1533. In dit jaar werd Guilelmus van Ottenborch van Soutleu ingeschreven aan de universiteit te Leuven. De betekenis van de term ’Zout’ is onzeker: misschien bestaat er een verband met de taks op zout die Zoutleeuw mocht heffen en dat druk verhandeld werd in de stad. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat het een afleiding is van ’solde’, soldij, een verwijzing naar de soldeniers van het aanzienlijke garnizoen dat in de 16de eeuw in Leeuw was gelegerd (Kempeneers 2003).

Algemeen neemt men aan dat er vanaf de 10de eeuw in de regio Zoutleeuw een aantal gelijkaardige, zogenaamde primitieve bewoningskernen bestonden waarbij twee gehuchten opvielen (Ryssaert e.a. 2013). Het gehucht Ophem door de vroege aanwezigheid van de Sint-Sulpitiuskapel, de eerste parochiekerk van Leeuw (vermoedelijk 7de eeuw), en het gehucht Dalhem aan de Kleine Gete aangezien daaruit het latere Zoutleeuw zou groeien. In de directe nabijheid situeren zich nog twee gehuchten die het vermelden waard zijn. Het gehucht Uithem met de Sint-Janskapel en het gehucht Kastel met de motte op de Kastelberg. Ophem, Dalhem en Uithem zijn namen met een hem-suffix wat duidt op de plaats die bewoond wordt door een groep van personen, met elkaar verbonden door een familie- of dienstverband. Zulke plaatsnamen kennen hun oorsprong in de 6de tot 8ste eeuw. Het patrocinium Sint-Sulpitius verwijst naar de vroegmiddeleeuwse bisschop Sulpitius II Pius (ook de Goede of de Vrome) van Bourges (Frankrijk; † 647).

Vanaf de volle middeleeuwen zijn er heel wat archivalische en literaire bronnen over Zoutleeuw. Dit is niet verrassend aangezien de nederzetting een belangrijke schakel bleek in de geo- en handelspolitiek van de graven van Leuven en later de hertogen van Brabant tegen de prins-bisschop van Luik (Ryssaert e.a. 2013). De heerlijkheid Leeuw werd in de 11de eeuw door de graven van Leuven verworven. Het historische belang van Zoutleeuw vertaalde zich in een aantal verwezenlijkingen die nu nog steeds gedeeltelijk bewaard zijn in het stadsweefsel, de percelering en de hoge concentratie monumentale resten. In de vroege 12de eeuw (1100-1133) kreeg de stad zijn eerste omwalling, op initiatief van de graven van Leuven. Deze eerste omwalling beperkte zich tot het gehucht Dalhem. In de loop van de 12de eeuw bleek Dalhem de andere kernen te overschaduwen. De aanleg van een omwalling omheen het gehucht suggereert dat Dalhem al druk werd bewoond. Uit de historische bronnen blijkt bovendien duidelijk dat de textielindustrie en handelsactiviteiten zich ontplooiden ten laatste in de 12de eeuw. Dalhem profiteerde mogelijk van een betere ligging aan de Kleine Gete en werd zo de kern van de latere stad Zoutleeuw. De Kleine Gete speelde immers een belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad. Zeker in 1213 was de Kleine Gete bevaarbaar gemaakt. Dit blijkt uit een oorkonde van hertog Hendrik I waarin werd bepaald dat goederen vervoerd over de rivier voorbij Halen enkel in Zoutleeuw gelost en verkocht mochten worden. Ook zou er tot zeker in de 13de eeuw een aanlegplaats voor schepen gelegen hebben. In een bron uit de 14de eeuw werd letterlijk een haven vermeld. Zoutleeuw werd de meest landinwaarts gelegen haven van het Scheldebekken. Het was de eerste inscheepmogelijkheid om het handelsverkeer over land van het Rijnland naar de Noordzee te brengen, met andere woorden dé schakel van Oost naar West. De lakenhandel floreerde. Het Leeuwse laken werd bijvoorbeeld in het hele Maas- en Rijnland, Frankrijk en Engeland verhandeld (Ryssaert e.a. 2013). Over de bouw en het uitzicht van de omwalling bevatten de bronnen nauwelijks informatie. De binnenste omwalling was waarschijnlijk ongeveer 1.500 m lang. Toegang tot de stad kreeg men via vijf poorten. Tussen de poorten werd de omwalling versterkt door minstens twaalf torens. Het kunnen er ook meer geweest zijn, want in de 16de eeuw – wanneer de kaart van Deventer werd opgetekend - was al een gedeelte van de binnenste omwalling afgebroken. Wellicht was deze muur al in natuur- en ijzerzandsteen opgebouwd. Over de volledige lengte was een waterdragende gracht gegraven. De exacte breedte van deze gracht is niet bekend. Het huidige stratenpatroon in de stadskern herinnert nog aan deze eerste omwalling, maar is vooral goed bewaard aan de zuidelijke en westelijke zijde van de stad. Resten van de eerste omwalling zijn fysiek bewaard op de hoek van de Grote Markt en V. Betsstraat (Vandenberghe 1980). Aan de zuidkant valt op dat het tracé van de omwalling zich situeert ter hoogte van braakliggende percelen. De westelijke zone is geïntegreerd in de tweede stadsomwalling (infra).

In 1236 werd de parochiekerk overgedragen van de Sint-Sulpitiuskerk naar de Sint-Leonarduskerk in het huidige centrum. De patroonheilige Sint-Leonardus verwijst naar de kluizenaar en/of abt Leonardus van Sint-Léonard-de-Noblat (Frankrijk; † ca. 559). Vele kooplui en ambachtslui vestigden zich binnen de beschermende muren van de nederzetting. Het stratenpatroon van de kern werd gedomineerd door de Kleine Gete en de markt. In deze periode kregen de delen van het plein de naam van de goederen die er werden verhandeld (Korenmarkt, Kaasmarkt, Garenmarkt, Vismarkt). De stad had in 1281 al een Vleeshuys of Vleeshalle, maar het te klein geworden gebouw werd in 1316 vervangen door het huidige gebouw. De nieuwe hal werd opgetrokken op de muur van de eerste vestingwal uit de 12de eeuw. Een fragment van die wal is ingebouwd in de achtergevel. De Bogaarden waren aanwezig in de stad vanaf ca. 1290. Zij bouwden hun klooster in het noorden van de stad. Het Bethaniaklooster werd gesticht in 1480, aansluitend aan de eerste stadsomwalling. Het eerste begijnhof bevond zich buiten de stadsomwalling, tussen de Kleine Gete en de Vloedgracht, op de plaats De Grieken. Na de doortocht van de Hollandse troepen in 1578 werd het begijnhof verplaatst naar huidige locatie. Als versterkte stad bezat Zoutleeuw 3 schuttersgilden. Er was een voet- of kruisbooggilde met Sint-Joris als patroon. De handboogschutters kozen Sint-Sebastiaan als patroon. Later kwam de Kolveniersgilde erbij, met Sint-Leonardus als patroon (Kempeneers 2003).

In de 13de eeuw had de stad van de hertogen van Brabant belangrijke vrijheden gekregen. De lakennijverheid had op dat moment voor een enorme economische groei gezorgd. Door deze welvaart werd Zoutleeuw in 1312 één van de hoofdsteden van Brabant. De stad ontving belangrijke privileges van de hertogen van Brabant, maar moest in ruil het grondgebied verdedigen tegen invallen van het nabijgelegen prinsbisdom Luik. Om die reden werd rond 1330-1350 een tweede, ruimere ringmuur gebouwd. De stadsomwalling werd in zuidelijke richting uitgebreid om het Scholierenklooster, gelegen op een natuurlijke hoogte in het gehucht Ophem, binnen de stadswal te brengen. Dit klooster werd in 1235 opgericht bij de Sint-Sulpitiuskerk. De tweede omwalling - te zien op de kaart van Deventer - was 3.000 meter lang en telde vijf poorten en twintig torens. Ook hier was er een waterdragende gracht. Deze zou op sommige plaatsen wel 25 à 35 m breed zijn geweest. De eerste en tweede omwalling hadden drie torens en de Uithempoort (of Tiensepoort) gemeenschappelijk. Aan de noordoostelijke zijde lijkt een dubbele gracht te hebben gelegen. Opvallend is dat behalve aan de westelijke zijde, waar men een gedeelte van de binnenste omwalling heeft gebruikt, overal poorten enkele honderden meters verder dan de bestaande poorten werden gebouwd. Talrijke resten van deze omwalling zijn nog leesbaar in het stratenpatroon en zowel onder- als bovengronds aanwezig (o.a. het Heksenkot, muurresten aan het Walstraatje, restanten Sint-Truidensepoort, fragment bij de OCMW-campus, De Vesten-Kamiano, …). Het omwalde areaal werd gevoelig vergroot en bevond zich tot voor kort nog steeds voor een groot deel in ruraal gebied, wat de bewaring van de resten bevorderde. In het stadsweefsel en op het digitaal hoogtemodel kunnen de contouren ervan nog herkend worden.

Vanaf de 15de eeuw was de economische bloeiperiode van Zoutleeuw voorbij. Concurrentie van laken uit Engeland zorgde voor de neergang van het Leeuwse laken. Die neergang werd versterkt door de opkomst van Tienen als handelscentrum toen de Grote Gete in 1525 tot in die stad bevaarbaar werd. Het resultaat is dat Zoutleeuw onder andere de aansluiting verloor met de andere Brabantse hoofdsteden. Ook op demografisch vlak valt een afname op. Tijdens de godsdienstoorlogen en de Tachtigjarige Oorlog werd de stad enkele keren grondig vernield. Toch slaagde de stad erin de schijn van grootheid op te houden en bouwde in 1538 zelfs nog een prestigieus stadhuis, dat thans nog de markt siert.

Op militair-strategisch vlak won Zoutleeuw echter aan belang. Vanaf 1552 werd gestart met de gefaseerde uitbouw van de derde wal, waarbij de tweede stadsomwalling werd geïntegreerd. In de 17de eeuw, onder Spaans bewind, kreeg de stad een uitgesproken militaire functie. Vanaf 1642 werden de deels vervallen vestingen hersteld en aangevuld met monumentale aarden versterkingen in de vorm van halve manen of hoornwerken. Dit was vooral indrukwekkend aan de oostelijke zijde waar de Sint-Truidensepoort werd versterkt met een barbacane en diverse voorwerken. Een belangrijk facet in de 17de-eeuwse verdedigingsstrategie werd namelijk gevormd door lager gelegen gebieden die in tijden van oorlog onder water gezet konden worden. Aan de (noord)oostelijke zijde van Zoutleeuw kon inundatie omwille van de topografie niet. De imposante uitbouw van de versterking is nog te volgen via de waterwegen, perceelsgrenzen en reliëfverschillen zichtbaar op het digitaal hoogtemodel. Restanten van de Sint-Tuidensepoort en barbacane dagzomen, zij het dat ze in zeer slecht staat zijn. Het nabijgelegen Heksenkot werd in deze periode als kruitmagazijn ingericht. De aanpassingen aan noordelijke zijde zijn minder prominent herkenbaar, maar nog steeds te volgen aan de hand van de percelering en microreliëfverschillen. Ten westen van Zoutleeuw is de conservering minder, onder andere ten gevolge van de recente bouw van de OCMW campus. Langs de zuidwestelijke zijde zijn microreliëfverschillen te zien maar het is niet duidelijk of ze tot de tweede dan wel derde omwalling horen.

Een aangepaste stadswal volstond niet als verdediging tegen een artillerieaanval en daarom besliste de Spaanse bewindvoerder tot de oprichting van een extra fortificatie, een imposant aarden bolwerk. Het op een natuurlijke hoogte liggende gehucht Ophem werd gekozen als locatie voor de oprichting van een citadel, geïntegreerd in de bestaande stadsomwalling. In de herfst van 1670 begon men met de bouw die tot 1679 zou duren. Voor de aanleg van dit grote bouwwerk moest een deel van de stad verdwijnen, het klooster van de Dalscholieren werd afgebroken en de Sint-Sulpitiuskerk werd omgevormd tot garnizoenskerk. De versterking bestond uit wallen, grachten, kroonwerken, ravelijnen, bastions en halfbastions. De citadel vormde een dorp op zich: het omvatte kazernes, een kerk, magazijn, bakkerij, barakken, stallen en een hoge batterij. De totale oppervlakte van de omwalde stad met citadel bedroeg ca. 83 ha.

Na de snelle verovering van de vestingstad door de Fransen vanuit Maastricht in 1678 heeft ook de bekende Franse vestingbouwkundige Vauban zijn licht op de vesting geworpen. Door tijdsgebrek konden zijn ideeën echter niet worden uitgevoerd. Door de vrede van Nijmegen van 1678 kwam Zoutleeuw immers opnieuw in Spaanse handen. Toen de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) uitbrak, ging men de door Vauban voorgestelde verbeteringswerken opnieuw bestuderen. De Fransen lieten de vesting opnieuw in staat van verdediging brengen door de grachten uit te diepen en de borstweringen te verhogen. Vesting Zoutleeuw werd in deze periode geïntegreerd in ‘La ligne du Brabant’, een verdedigingslinie met als doel de Zuidelijke Nederlanden veilig te stellen tegen aanvallers uit het noorden en het oosten. Dit feit had tot gevolg dat Franse militaire ingenieurs plannen maakten voor de verdere uitbreiding en verbetering van de vesting. Zo werden bijkomende ravelijnen, bastions, wapenplaatsen en tal van voorwerken gepland. Deze werden evenwel niet uitgevoerd. Aan de Sint-Truidensepoort werd in 1703 wel een grote halve maan toegevoegd. Deze halve maan was zelf beschermd door een voorliggende natte gracht met op het voorterrein twee wapenplaatsen. In 1705 valt Zoutleeuw in de handen van de geallieerde aanvoerder hertog van Marlborough (1650-1722).

Door veranderingen op het politieke toneel verloor de vesting haar militaire betekenis. Na de inlijving van onze gewesten bij Frankrijk, werd het prinsbisdom Luik opgeheven en hiermee viel ook de dreiging binnen deze regio weg. Het garnizoen werd er weggehaald. De vestingwerken raakten in verval. De Ferrariskaart (1771-1777) toont de situatie vlak voor de afbraak. In 1784 begon de ontmanteling van de stadsomwallingen en de citadel. De wallen werden geslecht, de grachten opgevuld en de gronden werden daarna verkaveld en verkocht of verhuurd als grasland.

De tijd onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bracht opnieuw welvaart. In 1830 viel de uitroeping van de Belgische Onafhankelijkheid voor Zoutleeuw ironisch genoeg samen met het verlies van haar stadstitel. Pas in 1985 kreeg Zoutleeuw die titel terug.

De Leeuwse stadskern kent nog steeds het middeleeuwse stratenpatroon rond de Kleine Gete, wat zich heeft bestendigd in de (bouwkundige) bescherming van de gehele stadskern. Het volledige areaal tot en met de derde stadsomwalling heeft toch ook een groot archeologisch potentieel. De relatief goede conservatie van de omwalling en het bouwkundig erfgoed, zowel ondergronds als bovengronds, is in de eerste plaats een gevolg van de beperkte stadsontwikkeling in de 19de-20ste eeuw. De Stationswijk ten zuidoosten van het stadscentrum is een illustratie van de kortstondige stedelijke expansie op het eind van de 19de eeuw, resulterend in een aantal eclectische villa’s met omliggende parken. Een drietal villa’s hebben bijzondere waarde vanwege hun typerend park in landschappelijke stijl en de restanten van de omwallingen die in elke tuin aanwezig zijn.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die onze steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat ons echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Atlas des villes de la Belgique au XVIe siècle, Jacob Van Deventer, Nationaal Geografisch Instituut, facsimile uitgegeven in 1884-1924.

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

Ankerplaats uit de landschapsatlas: 2001: Ankerplaats ‘Valleien van Grote en Kleine Gete tussen Grimde, Budingen en Dormaal’. Landschapsatlas, A20050, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.

Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/24130/102.1, De Spaanse Citadel te Zoutleeuw (I. Jansen, 2014).

GYSSELING M. 1960: Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) II, 1105.

HAZEN P. 2014: De verdedigingswerken van De Vesten onderzocht. Een archeologische opgraving aan De Vesten (vzw Kamiano) te Zoutleeuw, VEC rapport 21, Leuven.

KEMPENEERS P. 2003: Zoutleeuw: een toponymisch-geschiedkundige studie, Nomina Geographica Flandrica, Monografieën 19, Leuven : Instituut voor Naamkunde.

OPSTEYN L. 1996: Grote vondsten uit de kleine Gete. Recent archeologisch onderzoek te Zoutleeuw, De Brabantse Folklore en Geschiedenis 289, 3-126.

RYSSAERT C., MAES D., EXALTUS R., ORBON J. & SEVENANTS W. 2013: Archeologische evaluatie en waardering van de Spaanse Citadel. Zoutleeuw, provincie Vlaams-Brabant, Antwerpen.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VANDENBERGHE S. 1980: Archeologische vondsten in Zoutleeuw, De Brabantse Folklore 227-228, 406-408.

VANDER GINST V., SMEETS M. & DE PUYDT M. 2013: Het archeologisch vooronderzoek Aen Den Hoorn te Zoutleeuw, Archeo-rapport 179, Kessel-Lo.

VERBEECK M. 1993: De Castelbergh-motte te Zoutleeuw (Brab.), Archaeologia Mediaevalis 16.1, 34-35.

VERBEECK M. 1993: Archeologie in de regio Zoutleeuw, In: Verbeeck, M. (ed.), Zoutleeuws verleden aan het woord. Eerste resultaten van het archeologisch en archivalisch onderzoek, 39-60.

VERBEECK M. 1994: De castrale motte de Castelberg te Zoutleeuw (Brab.), Archaeologia Mediaevalis 17, 26-27.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Zoutleeuw (geraadpleegd op 15 september 2014).

http://www.zoutleeuw.be/website/12-www/68-www/142-www.html (geraadpleegd op 15 september 2014).

DE CROMBRUGGHE A., GENICOT L., SANSEN H., VAN AERSCHOT S. & VANHOVE J. 1971: Hal van Zoutleeuw [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/43128 (geraadpleegd op 15 september 2014).

S.N. s.d.: Gasthuis der grauwzusters [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200156 (geraadpleegd op 15 september 2014).

DENEEF R. 2008: Park van de Villa Fineau [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/244 (geraadpleegd op 15 september 2014).

DE CROMBRUGGHE A., GENICOT L., SANSEN H., VAN AERSCHOT S. & VANHOVE J. 1971: Stadhuis van Zoutleeuw [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/43129 (geraadpleegd op 15 september 2014).

http://www.heiligen.net/ (geraadpleegd op 15 september 2014)


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Jansen, Isabelle
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Zoutleeuw [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140044 (Geraadpleegd op 21-08-2019)