Historische stadskern van Borgloon

inventaris archeologisch erfgoed \ archeologische zone

Locatie

Alternatieve naam Looz
Provincie Limburg
Gemeente Borgloon
Deelgemeente Borgloon
Straat
Locatie Borgloon (Borgloon)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • AZ-project historische stadskernen (bureauonderzoek, inventarisatie: 2010 - 2014).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als archeologische zone Historische stadskern van Borgloon

Deze vaststelling is geldig sinds 19-02-2016.

Beknopte karakterisering

Tags Vastgesteld

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Borgloon ligt in het Limburgse deel van de leemstreek, op de grens van droog Haspengouw in het zuiden en vochtig Haspengouw in het noorden. De stad bevindt zich op het massief van Borgloon (tot 131 meter TAW), in het noorden begrensd door de steilrand van Borgloon. In zuidelijke richting bevindt dit massief zich ruim 30 meter boven de vruchtbare schiervlakte. De sokkel van dit massief is gevormd door tertiaire Rupeliaanzanden. Een groot deel van de pleistocene löss bovenop deze zanden is tijdens het Holoceen weer weg geërodeerd en als colluvium afgezet in de lagere delen (Baeyens, 1959). Dit glooiende landschap bevat zeer vruchtbare landbouwgronden. Door zijn hoge positie ligt Borgloon niet aan het water. Aan de voet van het massief ontspringen wel enkele zijriviertjes van de Herk die ten noordwesten van de stad stroomt.

Op het gewestplan staat de historische kern van Borgloon ingevuld als woongebied, woongebied met cultureel, historisch en/of esthetische waarde en parkgebied.

Archeologische nota

Bekeken vanuit de antieke topografie ligt de historische kern van Borgloon bij de kruising van de Romeinse wegen van Tongeren naar Tienen (en verder naar Cassel) en van Trier naar Nijmegen (over Hasselt; Gerits 1989). Tot vandaag zijn delen van deze Romeinse trajecten in gebruik en zijn er resten van grafheuvels en Romeinse villadomeinen bewaard. Van Romeinse aanwezigheid ter hoogte van de huidige stad getuigen verschillende vondsten, onder meer gedaan tijdens nivelleringswerken aan de motte in 1871 en in het zuidelijk transept van de parochiekerk (Gerits 1989; Wouters 1992).

Op één van de hoogste heuvels in de buurt van dit kruispunt van Romeinse wegen richtten de graven van Loon vermoedelijk in de tweede helft van de 10de eeuw en zeker voor 1032 een motteburcht op. In 1078 wordt Borgloon vermeld als ‘Lon’, vermoedelijk van het Germaanse Lauhun (beboste heuvel). Mogelijk is er een nog oudere vermelding als ‘Lone’ uit 938. Sinds de eerste helft van de 11de eeuw was Borgloon de hoofdplaats van het graafschap Loon en reeds voor het einde van de 12de eeuw krijgt de plaats klaarblijkelijk het statuut van stad met Luikse stadsrechten. Als caput comitatus (hoofd van het graafschap) was de ‘borch van Loon’ hier landschappelijk goed gesitueerd op een hoge plaats met strategische vergezichten. Geografisch bevindt ze zich bovendien nabij de grens met het rivaliserende prinsbisdom van Luik. Voor de bouw van de burcht creëerden de graven voor een stuk een kunstmatige heuvel op een plek die al van zichzelf dominant was. Langs de burcht bevond zich de kerk. Deze Sint-Odulphuskerk is een zeer oude stichting en bestond misschien ook al vóór de graven van Loon er hun burchtkapel van maakten. De kerk werd waarschijnlijk eind 10de - begin 11de eeuw een collegiale. In de 11de eeuw waren de heiligen Petrus, Paulus en Odulphus de patronen van de kerk. Na een verbouwing in 1131 blijft alleen Sint-Odulphus over. Doorheen de eeuwen is de kerk uitgebouwd, maar zijn vele delen ook weer afgebroken of verbouwd. Haar huidig uitzicht kreeg ze in het begin van de 20ste eeuw. De kapittelzaal en het grootste gedeelte van het romaanse kloosterpand uit eind 12de-begin 13de eeuw werden dan afgebroken.

Rond de burcht en de kerk ontwikkelde zich een bloeiende middeleeuwse bewoning en bedrijvigheid. In Borgloon fungeerden zeven ambachten (smeden, bakkers, brouwers, slachters, wegers, schoenmakers en koopmannen of kremers) die tot het einde van de 17de eeuw een democratische inbreng hadden in het bestuur van de stad. In 1760 werden de ambachten door de toenmalige prins-bisschop afgeschaft en vervangen door vier kamers. Borgloon had ook een rederijkerskamer en twee schuttersgilden.

Bij het verwerven van de stadrechten kreeg het stadje kort na 1200 een omwalling en vier poorten: de Wellerpoort of Hasseltse poort aan de Wellenstraat-Statiestraat, de Steenpoort of Tongerse Poort aan de Tongersestraat-Tongersesteenweg, de Keulerpoort (ook Nerempoort of Akense poort genoemd) gelegen aan de huidige kruising Trapkensstraat-Graaf en de Graethempoort. Bij die laatste ontstond het begijnhof van Borgloon rondom de kapel van het hospitaal, bediend door de Johannieters.

Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw werden de graven van Loon meermaals in hun motteburcht belegerd door vijandige milities. In 1179 worden de burcht, de kerk en de bewoning verwoest. In het begin van de 13de eeuw verplaatsen de graven hun residentie en het feodale hof naar het mottekasteel van Kuringen bij Hasselt waar ze resideren tot in 1366 wanneer het graafschap Loon ophoudt te bestaan. Gelegen tussen de inmiddels welvarende steden Sint-Truiden en Tongeren verliest Borgloon in de loop van de 13de eeuw geleidelijk aan de functie van regionale hoofdplaats, ten voordele van het groeiende Hasselt (Gerits 1989; Wouters 1992). Na de aanhechting van het graafschap Loon na 1366 bij het prinsbisdom Luik krijgt Borgloon het statuut van Bonne Ville. De omwalling werd dan ook een juridische grens, waarbinnen een aparte rechtbank het Luikse recht volgde, terwijl buiten de wallen via de bank van Graethem het Loonse recht vigeerde.

Borgloon is in de loop van zijn verdere geschiedenis vaak belegerd en geplunderd. In 1482 verwoesten de Brabantse troepen van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk de stad en in 1491 worden de stad en de kerk alweer geplunderd. In 1568 plunderen vervolgens de troepen van de prins van Oranje de kerk en in 1577 gebeurt het opnieuw. In 1604 en 1606 wordt de stad bezet door Spanjaarden. Tijdens de Dertigjarige Oorlog en zijn nasleep bezetten in 1629 de keizerlijke troepen en in 1636 de Kroatische troepen de stad. In 1654 volgt een belegering door de hertog van Lorreinen, waarbij de negen begijnhofhuizen worden platgebrand. Van het begijnhof rest nu enkel de kapel. In de 17de eeuw wordt de stad bovendien herhaaldelijk geteisterd door pest en andere epidemieën en sterft een belangrijk deel van de toenmalige bevolking. In 1675 volgt een bezetting door het Franse garnizoen van Maastricht, tot aan de Vrede van Nijmegen in 1678. Tijdens de Negenjarige Oorlog in 1691 bezetten troepen en tijdens de Spaanse Successie-oorlog in 1702 geallieerde troepen de stad; pas in 1713 wordt de stad opnieuw overgedragen aan de prins-bisschop. Tijdens de Oostenrijkse successieoorlog heeft Borgloon in 1746-1747 vervolgens te lijden van Hongaarse en Franse troepen.

De ovaalvorm van de huidige stad weerspiegelt nog de oorspronkelijke vorm van de middeleeuwse omwalde kern. Ook het tracé van de stadsomwalling is nog duidelijk herkenbaar in de opeenvolging van straten die bijna rondom de stad in het noorden, het westen en het zuiden de naam ‘Graaf’ dragen. Aan al die zijden waar de stad gemakkelijk benaderd kon worden was immers een stadsgracht of ‘graaf’ aangebracht met wal en muur. Het oorspronkelijk zwaartepunt van de stad, de Markt, is iets zuidwestelijk gelegen van de centrale noord-zuidas. De Markt was in het middeleeuwse Borgloon het hart van de stad. In het begin van de 19de eeuw zijn hier het kloosterpand van het kapittel op het Speelhof en de kapittelzaal voor het grootste gedeelte afgebroken. Het kerkhof dat op de vrijgekomen plaats werd ingericht, is in 1850 ook weer verdwenen, waardoor een ruim plein ontstond naast de kerk. De historische hoofdas van de stad wordt van west naar oost nog steeds gevormd door een aaneenschakeling van straten en pleinen: van de Graethempoort door de Graethemstraat en het Abeelplein komt men op de Markt met het stadhuis (vroeger meestal als sgrevenhuys vermeld), vervolgens via de Papenstraat op het Speelhof met de Sint-Odulphuskerk en vroeger ook de kapittelgebouwen, en tenslotte via de Steenstraat en Tongersestraat tot aan de Tongerse- of Steenderpoort. De belangrijkste, historische verkeersader doorheen de stad was de Kroonstraat, die ten noorden van de Papenstraat en de Steenstraat eveneens de Graethempoort met de Tongerse poort verbond. Langsheen de Kroonstraat lagen verschillende herbergen en afspanningen. De naam Nieuwland voor een aantal straten in het noordoostelijk kwartier van de stad wijst op een relatief late ingebruikname van dit gedeelte, dat ook vandaag nog steeds een aantal open percelen bevat. Dit is archeologisch zeker niet minder interessant omdat hier wellicht de sporen van meer perifere activiteiten binnen de stadswallen kunnen worden verwacht. De grafelijke burcht, tenslotte, lag helemaal op het uiterste zuidelijke punt van de stad en moet vrij indrukwekkend zijn geweest. De plaats wordt nu afgebakend door de Trapkensstraat, het Speelhof en de Kortestraat. Ook het oorspronkelijke voorhof is nog gematerialiseerd in het huidige stratenplan.

Het patroon van de middeleeuwse stad is dus nog zeer goed bewaard in de huidige topografie, waardoor verwacht mag worden dat er nog heel wat archeologisch erfgoed verborgen zit. Uit de omgeving van Borgloon zijn archeologische vondsten uit diverse perioden bekend. Voor de stadskern is voorlopig uit enkele kleine onderzoeken en via sporadische waarnemingen archeologische informatie beschikbaar. In 1871 gebeurde dat voor het eerst bij nivelleringswerken van de oorspronkelijke motte om de bouw van een kleuterschool mogelijk te maken (die op haar beurt weer werd afgebroken op het einde van de jaren ‘1970). Van die motte blijft nu nog maar een klein deel over in het zuidwesten. Bij die werken trof men, naast een vermoedelijke Romeinse speld in ivoor en een gouden Merovingische sierspeld, hergebruikt Romeins bouwmateriaal in een muurconstructie met schietgaten en rondbogen (Daris 1876). Verder onderzoek in 1979 bevestigde dat het ging om resten van een grote constructie uit de tweede helft van de 11de tot einde 12de eeuw met minstens twee bouwfasen (Lux & Thijssen 1980). De grote afmetingen van deze donjon, binnenwerks 10 meter op 33 meter, reveleren de beduidende politieke macht van de graven van Loon op dat moment. Op verschillende iconografische bronnen en ook op het gereduceerd kadaster is de monumentaliteit van deze motteburcht nog opvallend zichtbaar. Ook de gracht tussen het oorspronkelijk mottelichaam en het huidige Speelhof werd in 1979 aangetroffen. Een bijkomende sleuf die bij herinrichtingswerken op het Speelhof werd onderzocht in de zomer van 1991 leverde voorlopig geen bijkomende inzichten over de aanleg van dit complex in de 11de-12de eeuw. Wel werden o.a. enkele waterputten en resten van het latere kerkhof aangesneden (Wouters 1992). Ook de kleine vondstregistraties in het kanunnikenhuis/Speelhof die in de jaren ‘2000 zijn uitgevoerd door het IAP brachten voorlopig geen verder inzicht omtrent de vroegste ontwikkeling van Borgloon (Pauwels 2006; Vynckier 2009).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

Het patroon van de middeleeuwse stad is nog zeer goed bewaard in de huidige topografie. Relicten van opeenvolgende activiteiten gedurende 1000 jaar menselijke aanwezigheid zijn dus vermoedelijk op elkaar gestapeld en niet weggevaagd door recente grootschalige urbanisatie-projecten of ondergrondse ingrepen. Van de aanvankelijke zeer indrukwekkende burchtmotte is op dit moment nog een deel bewaard als plateau ten zuidwesten van de Sint-Odulfuskerk.

Uit de beperkte archeologische verkenningen tot nu toe blijkt dat duidelijk heel wat sporen bewaard bleven. In geschikte contexten zoals grachtvullingen, beerputten, waterputten, enz. zullen zeker nog organische resten bewaard gebleven zijn. Tijdens het archeologisch onderzoek op het Speelhof (Wouters 1992) werd botmateriaal en zelfs textiel geborgen.

Een historische stedelijke ruimte zoals de kern van Borgloon bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid. De historische stedelijke kernen zijn zo immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Als bron voor het inschatten van de historische gelaagdheid van de stad gebruiken we de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig ook actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn. Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. Deze bakenen het complex stadsarcheologisch erfgoed af. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BAERTEN J. 1969: Het graafschap Loon (11de-14de eeuw), Maaslandse Monografieën, Assen.

BAEYENS L. 1959: Bodemkaart van België. Verklarende tekst bij het kaartblad Borgloon 106 E, Gent.

BAUWENS-LESENNE M. 1968 Repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg, behoudens Tongeren-Koninksem (vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen), Oudheidkundige repertoria. Reeks A. Bibliografische repertoria VIII, 26-28.

DE CORSWAREM G. & DE BORMAN C. 1978: "Borchgracht" à Looz, Jaarboek van het Limburgsch Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 14, CLXIX-CLXXII.

DARIS J. 1862: Histoire de la bonne ville de Looz, Bulletin de l'Institut archéologique liégeois 5, 337-394.

DARIS J. 1865: Histoire de la ville, de l'église et des comtes de Looz, 2 delen, Luik, 103-117, 155-167.

GERITS J. 1989: Borgloon, in Historische steden in Limburg, Brussel, 49-64.

LUX G.V. 1979: Borgloon, Archeologie 2, 53.

LUX G.V. & THIJSSEN W. 1980: De grondvesten van de burcht te Borgloon, Archaeologica Belgica 223, 98-101.

PAUWELS D. 2006: Borgloon: Speelhof, in Archeologische kroniek van Limburg 2003, Limburg. Het Oude Land van Loon 85, 292-293.

TYS, D., BUYLE, E., VERDURMEN, I. & CANTERS, F. 2010 : Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', onuitgegeven rapport, VUB-VIOE

VYNCKIER G. 2009: Borgloon: Speelhof, in Archeologische kroniek van Limburg 2004, Limburg. Het Oude Land van Loon 88, 318-321.

WOUTERS W. 1992: Archeologisch onderzoek op het “Speelhof” te Borgloon (prov. Limburg), Archeologie in Vlaanderen II, 237-246.

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/21127; (geraadpleegd op 21 november 2014).

Bron: AZ-dossier

Auteurs: De Bie, Marc

Datum tekst: 2015

Relaties

maakt deel uit van Borgloon

Borgloon (Borgloon)

omvat Restanten gravenburcht: heuvel en gracht

Kortestraat, Speelhof, Trapkensstraat (Borgloon)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.