erfgoedobject

Historische stadskern van Maaseik

archeologisch geheel
ID
140051
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140051

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Maaseik ontwikkelde zich op de linkeroever van de Maas op een uitloper van een middenterras, een interfluviale rug in de Maasvallei (tussen 31 à 33 m TAW). Dwars door deze heuvelrug vloeien de Bosbeek en de Sint-Jansbergbeek, die beide een cruciale rol speelden in de verdere ontwikkeling van Maaseik. Door deze iets hoger gelegen rug was de stad relatief veilig voor overstromingen. Omgeven door oude armen van de Maas was Maaseik als het ware van nature voorbestemd om een belangrijke versterkte stad met militair en economisch belang te worden. Een stad die zich ontwikkelde vanaf het einde van de dertiende eeuw aan de belangrijke oude Romeinse verkeersweg langs de Maas van Tongeren naar Nijmegen. De bodem van het gebied varieert van een zandleem tot een lemige zandbodem. Op het gewestplan staat de historische kern bijna volledig ingekleurd als woongebied, waarvan de helft met culturele, historische en/of esthetische waarde. Twee kleinere gebieden in het noordoosten zijn aangeduid als woongebied en gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut.

Archeologische nota

Binnen de omwalling van de stad zijn weinig vondsten gekend van het pre-middeleeuwse Maaseik. Prehistorische (buiten een fragment van een gepolijste bijl die net buiten de oostelijke poort werd opgeraapt in 1887), Romeinse en vroegmiddeleeuwse vondsten zijn vooral gekend uit de omliggende gebieden waar alle perioden rijk vertegenwoordigd zijn. De belangrijkste opgravingen zijn deze in Geistingen met sporen uit het laat-neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd (Heymans 1983). Een belangrijk bronsdepot uit de late bronstijd bestaande uit bronzen bijlen en een lanspunt werd aangetroffen ten zuiden van Maaseik, in Heppeneer (Van Impe 1994). Ten noorden van Maaseik werd een Romeins en Merovingisch grafveld in Ophoven opgegraven (Janssens 1977; Roosens 1976; Roosens 1978). In de Romeinse periode werd een heirbaan aangelegd van Tongeren naar Nijmegen die grotendeels parallel liep met de Maas en waarlangs talrijke Romeinse nederzettingen ontstonden.

In de vroege en de volle middeleeuwen zouden eerst Aldeneik en later Maaseik een grotere rol spelen. Eerst vanuit kerkelijk oogpunt maar nadien ook op economisch vlak. De eerste vermelding van Nieuw Eycke was in 1244 (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989). Toen was de stad al gesticht en men weet niet exact wanneer de eerste mensen er zich vestigden. In dat jaar onderhandelde Arnold IV met de kanunniken van Aldeneik over het toekennen van parochierechten aan zijn nieuwe stad en werd de Sint-Catherinaparochie gesticht (Mersch 2014). Vooraleer Maaseik het centrum werd, was het in noordoosten gelegen Aldeneik (Alden Eyck) het belangrijkste kerkelijk centrum. Hier werd in de eerste helft van de 8ste eeuw een vrouwenabdij gesticht door familie van een plaatselijk grootgrondbezitter. Toch zou Aldeneik, hoewel het voorbestemd was om uit te groeien tot een stad, geen economisch centrum worden en werd dit omstreeks het midden van de 13de eeuw verlegd naar de nova villa de Eke. Dit zou later uitgroeien tot Maaseik dat in 1240-1243 haar stadsbrief kreeg en een eigen toekomst tegemoet ging (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989). Vanaf de 13de eeuw wordt er dan ook een duidelijk onderscheid gemaakt tussen Aldeneyck (Vetus Eka) en Nieuw-Eyck (Nova Eka).

Als grensstad van het graafschap Loon werd Maaseik al vroeg, mogelijks nog in de 13de eeuw voorzien van wallen en muren. In 1395 was Maaseik gekend als een goed ommuurde stad waarvan de stadsgracht (stat graeve) gevoed werd door het water van de Oeter- of Bosbeek. Deze beek werd omgeleid en voorzien van meerdere sluizen om de waterstand te regelen. Hoewel de muren in 1467 op bevel van Karel de Stoute werden afgebroken werden ze tien jaar later toch hersteld en weer opgebouwd tot een geduchte versterking met brede wallen (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989).

Toen in de 16de eeuw de versterkingen onderkomen waren, trachtte men de wallen, torens en stadspoorten zo goed mogelijk te herstellen. In 1672 veroverden de Fransen Maaseik en werd er zeer snel gestart met de aanleg van nieuwe versterkingen volgens de plannen van Vauban. De structuren, die zichtbaar zijn op een schilderij van 1672 (dat in het huidige Regionaal Archeologisch Museum hangt), waren geen lang leven beschoren en ze werden drie jaar later al afgebroken. Of deze versterkingen wel degelijk waren uitgevoerd, wordt bevestigd door de opgravingen in 2005 aan de Kloosterbempden waar men een volledig (binnen)bastion van de versterking kon registreren (Heymans 2007). De laatmiddeleeuwse stadsomwalling is tot op heden bewaard in de ruimtelijke structuur van de huidige stad en het verloop ervan is in het huidige stratenpatroon nog goed te herkennen bijvoorbeeld in de Burgemeester Philipslaan en de Walstraat. Een deel van de stadsmuur met zware steunberen is deels bewaard in de tuin van het Kruisherenklooster.

In totaal verleenden in de laatmiddeleeuwse omwalling vier poorten toegang tot de stad: de Bospoort richting Kempen, de Eikerpoort richting Aldeneik, de Bleumerpoort richting Maas en de Heppenerpoort richting Heppeneert. Deze poorten werden grondig afgebroken en verwijderd in 1815 en in 1847 verdwenen de wallen. In 2005 werden tijdens bouwwerken aan de westzijde van de stad op het kolonel Aertsplein vlakbij de Bospoort, de funderingen van twee verdedigingstorens, opgebouwd in Maastrichtersteen, van de stadsomwalling aangetroffen. Deze steunden grotendeels op houten palen aangezien de omwalling zich hier in moerassig gebied bevond (mondelinge informatie verkregen van Anja Neskens). De namen van de stadspoorten leven verder in de plaatsnaamkunde en zijn bij de Maaseikenaars nog steeds goed gekend.

Het ruime rechthoekige marktplein was het knooppunt tussen deze stadspoorten en het hart van de stad. Tot het midden van de 18de eeuw bevond zich daar het gewanthuys/heerenhuys, eigendom van de graven van Loon en later van de prinsbisschop van Luik. Het deed dienst als raadshuis, lakenhal, vergaderplaats voor de ambachten en schuttersgilden. In Maaseik fungeerden twee schepenbanken waarvan de eerste onder Luiks gezag vielen (doordat Maaseik de Luikse vrijheid had gekregen) en de tweede aan het Loonse recht waren onderworpen. Een vroegste lijst van schepenen dateert uit 1298 en een eerste lijst van het stadsbestuur, dat bestond uit burgemeesters en gezworenen, uit 1352. In een verordening van Jan van Beieren uit 1397 werd duidelijk omschreven waaruit de stedelijke raad bestond en dit zou van kracht blijven, ondanks enkele latere beknottingen, tot in de 16de eeuw. In 1730 en in 1753 werd de samenstelling nogmaals veranderd. Het gewoonterecht dat de stedelijke samenleving regelde en vastgelegd in een keure werd steeds door de prinsbisschop van Luik goedgekeurd of vernieuwd (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989).

Op kerkelijk vlak behoorde Maaseik aanvankelijk tot de moederparochie Sint-Pieter van Aldeneyck. In 1244 werd Maaseik als stedelijke nederzetting afgescheiden en werd de Sint-Catharinaparochie in 1245 opgericht. In 1571 verhuisden de kanunniken van Aldeneyk naar Maaseik met toestemming van de prinsbisschop en vestigden zich binnen de stadsmuren. Ook de goederen en relieken van het kapittel van Aldeneyck werden overgebracht naar de Sint-Catharinakerk waar het kapittel bleef bestaan tot 1797. De deken van het kapittel was tevens pastoor van de kerk. De huidige Catharinakerk dateert van 1840 en werd opgetrokken op een plein waar zich vroeger de oude kerk, het vroegere kerkhof en het klooster van het kapittel bevonden. Het uitzicht van de oudere, éénbeukige gotische kerk is alleen gekend van een voorstelling in bas-reliëf op een gevelsteen die zich nu in de stadstuin van het museum bevindt. De kerk leed aanzienlijke schade op in 1802 en 1804 waardoor in 1806 het geheel als ruïne werd verkocht (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989). Tussen 1840 en 1845 bouwde men de huidige kerk. Tijdens de registratie van een toevalsvondst in januari 2014 werden funderingen aangetroffen aan de westelijke zijde voor de huidige toren (Vynckier, in voorbereiding). Eén van de funderingsmuren loopt in de as van de huidige kerk en was opgebouwd uit Maaskeien en blokken Maastrichtersteen. Voorlopig werden deze geïnterpreteerd ofwel als fundering van de vroegere toren ofwel als een buitenmuur van de oudere kerk ofwel werd een deel van de fundering van een oudere kerk aangesneden.

In de middeleeuwen was er een begijnhof. Na de stichting van de stad Maaseik spande graaf Arnold IV van Loon zich in voor de stichting van dit begijnhof dat in 1265 bisschoppelijke erkenning kreeg. Het begijnhof lag buiten de stadswallen, tussen de Eerste straat en de stadswal en was zelf geheel omwald. In het begin van de 15de eeuw verafschuwden twee begijnen de levenswijze van de andere ontaarde begijnen. Ze besloten om zich binnen de wallen van Maaseik te vestigen. Hun stichtelijk leven oefende aantrekkingskracht uit op nog twintig andere vrouwen die in dezelfde geest wensten te leven. Ze kregen uiteindelijk toestemming om langs het begijnhof een agnetenklooster te stichten. In 1482 worden het agnetenklooster en het begijnhof verwoest als gevolg van de strijd tussen de families van de Marck en Van Horn over de bisschoppelijke troon. De zusters vluchtten naar Susteren en pas in 1485 verhuisden ze naar een nieuw klooster binnen de stadswallen van Maaseik tussen de Grote Kerkstraat en de stadsomwallingom-walling: het Sint-Agnetenklooster of Groot Klooster (Mersch 2014). Het klooster werd in 1797 door de Fransen opgeheven en in 1799 verkocht. Opgravingen in 2003 en 2005 op de Kloosterbempden brachten sporen aan het licht van dit klooster, zoals de restanten van een rechthoekig gebouw met een fundering in Maastrichtersteen, een gracht, een greppel en enkele waterputten (Heymans & Neskens 2007). Voor de Franse revolutie waren er in totaal zes religieuze orden vertegenwoordigd in Maaseik: de agneten, de kruisheren (1467) in de Bosstraat, de sepulchrijnen van Kinrooi met het kleine klooster in de Pelserstraat (1495), de minderbroeders in de Boomgaardstraat (1626) waar zich later de ursulinen vestigden, de kapucijnen (1626) en de kapucinessen in de Capucienenstraat. Deze kloosters lagen binnen de wallen, maar niet in het centrum en benadrukten de stedelijke ontwikkeling. Ze lagen vooral aan de rand van de stad dicht bij de poorten. Elk klooster had een invloed op de directe omgeving waardoor ze hun buurt gingen bepalen. De kloosters lagen als een krans rond de vierkante markt. Enkele kloosterkerken bleven tot op heden bestaan (Boonen e.a. 1994; Gerits 1989). Op de terreinen van deze kloosters is nog maar weinig archeologisch onderzoek verricht. Alleen werd in het minderbroederklooster/ursulinenklooster in 2013-2014 naar aanleiding van de herinrichting en het verbouwen van de Muziekacademie restanten aangetroffen van het minderbroederklooster (Vynckier, in voorbereiding).

Maaseik had al vanaf 1400 een stadsschool binnen de muren die met toelating van prinsbisschop Jan van Beieren werd opgericht. Later zou er de Latijnse school bijkomen, eerst geleid door de kruisheren en later door de minderbroeders.

Hoewel Maaseik in de 14de eeuw een belangrijke positie innam in de lakennijverheid was ze vanaf de late middeleeuwen toch vooral een landelijke gemeente. De zes georganiseerde ambachten die de stad rijk was zijn pas gekend uit het begin van de 16de eeuw en zullen tijdens de Franse bezetting worden opgeheven. De stad had tevens een centrale marktfunctie die gereglementeerd werd door een streng stadsreglement uit 1651 waarin duidelijk vermeld werd waar wat men mocht verhandelen. Maaseik had eveneens een belangrijk bedrijfsleven zoals onder meer een archeologische vondst van meerdere leerlooiersputten, op de Kloosterbempden net ten zuiden van de wallen, bewijst (Heymans & Neskens 2007).

Doordat Maaseik aan de drukke verkeersader van de Maas lag, verzamelde het op het einde van de 16de en in het begin van de 17de eeuw grote kapitalen. Dit weerspiegelde zich in de talrijke huizen die binnen de stad werden gebouwd. Restanten van deze bewoning vindt men verspreid over de stad. Tijdens opgravingen, naar aanleiding van nieuwbouw, werden op meerdere plaatsen restanten van beer- en afvalputten, funderings- en bewoningsresten, en archeologische voorwerpen aangetroffen (Heymans 1988; Heymans 1997; Heymans & Neskens 2007; Van de Velde e.a. 2010; van de Konijnenburg & Janssen 2011; van de Konijnenburg 2013). Eind 17de eeuw geraakte Maaseik echter in verval door talrijke oorlogen en door de brand van 1684.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdend met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimten tussen de bebouwde kern en strategische elementen, zoals de rivieroever, worden opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BAUWENS-LESENNE, M. 1968: Bibliografisch repertorium der oudheidkundige vondsten in Limburg (vanaf de vroegste tijden tot aan de Noormannen), Oudheidkundige repertoria. Reeks A. Bibliografische repertoria VIII, Brussel, 205-211.

BOONEN M., HEYMANS H., HANSON M., JANSSEN R., MERSCH G., MINTEN G. & VENNER J. 1994: Maaseik, Ontstaan en groei van een grensstad, Antwerpen.

CLAASEN A. 1970: Van motoren tot kasteel, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 14, 48-49, 68.

CLAASEN A. & HEYMANS H. 1974: Merovingische graven op Romeinse begraafplaats te Ophoven, Het Oude land van Loon 24, 173-216.

COENEN J. 1925: Het Prinsenhof van Maeseyck, Limburg 7, 58-63; 82-90; 132-139.

D. 09/05/2001: Middeleeuwse mergelput blootgelegd op de markt, in Het Belang van Limburg, Hasselt.

MERSCH B. 2014: Stichting van het Agnetenklooster en zijn voorgeschiedenis. In: BERT M., HOUBY K., NULENS R. & NESKENS A.: Livina van Eyck, een verborgen leven. Devote Agneten in de 15de eeuw, Maaseik.

FRANCOT H. & VANCLEEF J. 1987: Stijlvol Maaseik, monumenten binnen de Wallen, Stadsbestuur Maaseik, Maaseik - Brussel.

GEERKENS J. 1948: Voorhistorische en Gallo-Romeinse vondsten in de Maasvallei en de omgeving van Maaseik, Het Oude land van Loon 3, 75-78.

GEERKENS J. 1951: De Romeinse heerbaan tussen Maaseik en Ophoven-Geistingen opgegraven, Limburg 30-1, 13-17.

Gerits J. 1989: Historische steden in Limburg, Brussel, 151-170.

HEYMANS H. 1988: Stadsarcheologie te Maaseik (Limb.), Archaeologia Medievalis 11, 69-70.

HEYMANS H. 1997: Belangrijke 16de-17de eeuwse vondst, Archeologie in Limburg 73.

HEYMANS H. & NESKENS A. 2007: Stadsarcheologie in Maaseik, Monumenten, Landschappen en Archeologie 26.2, 58-66.

HEYMANS H. & VERMEERSCH P.M. 1983: Siedlungsspuren aus Mittel- und Spätneolithikum, Bronzezeit und Eisenzeit in Geistingen, Huizerhof (Provinz Limburg), Archaeologia Belgica 255, 15-64.

JANSSENS D. 1977: Een gallo-romeins grafveld te Maaseik, Archaeologia Belgica 198/1.

ROOSENS H. 1976: Merovingisch grafveld te Ophoven, Archaeologia Belgica 186, 80-84.

ROOSENS H. 1978: Merovingisch grafveld te Ophoven, Archaeologia Belgica 206, 98-100.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VAN DE KONIJNENBURG R. & JANSSEN J. 2011: Archeologisch vooronderzoek: prospectie met ingreep in de bodem en onderzoek met metaaldetector Site Maaseik Loerstraat (Limburg), Haast Rapport 2011-016, Bree.

VAN DE KONIJNENBURG R. 2013: Archeologische prospectie Maaseik, Weertersteenweg, Haast-rapport 2013-08, Bree.

VAN DE VELDE E., DEVILLE T. & HOUBRECHTS S. 2010: Schoorstraat 14 te Maaseik. Archeologisch vooronderzoek door middel van proefsleuven, Condor Rapporten 21, Bilzen.

VAN IMPE, L. 1994: Een depot met kokerbijlen uit de Plainseau-cultuur (late bronstijd) te Heppeneert-Wayerveld (Maaseik, prov. Limburg), Archeologie in Vlaanderen IV, 7-38.

VISSERS P., KNEVELS A. & FRANCOT H. 1987: Maaseik. Langs Vlaamse wegen, Maaseik.

VYNCKIER G. (in voorbereiding): Registratie van toevalsvondsten in het voormalige Minderbroederklooster in de Boomgaardstraat 12, te Maaseik (Prov. Limburg), Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.

VYNCKIER G. (in voorbereiding): Registratie van toevalsvondsten aan de grote Kerkstraat voor de Sint-Catharina kerk te Maaseik (Prov. Limburg), Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.

VYNCKIER P. 1979: Gepolijste bijlen uit noordoost België. Een typologische en technologische studie, onuitgegeven verhandeling Katholieke Universiteit Leuven, 85.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Maaseik#Geschiedenis; (geraadpleegd op 3 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Minderbroederklooster en kerk [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86118; (geraadpleegd op 3 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Kloosterkerk van de Kruisheren [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86121; (geraadpleegd op 3 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Parochiekerk Catherina [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/73343; (geraadpleegd op 5 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Kapucijnenklooster en –kerk [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86164; (geraadpleegd op 5 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Heilig-Kruiscollege [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/73445; (geraadpleegd op 5 september 2014).

PAUWELS D. 2005: Agnetenklooster [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/73451; (geraadpleegd op 5 september 2014).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Longobarden; (geraadpleegd op 22 september 2014).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Vynckier, Geert
Datum  :


Relaties


Waarnemingen


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Historische stadskern van Maaseik [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140051 (Geraadpleegd op )