erfgoedobject

Motte van Boutersem

archeologisch geheel
ID
140145
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140145

Beschrijving

Algemene Situering

De motte van Boutersem bevindt zich langs de Ooststatiestraat in Kontich-Kazerne binnen de noordelijke begrenzing van een zeer opvallende, waterrijke, landschappelijke depressie (op een hoogte van ca. 15 m TAW). De topografische kaart deelt dit broekgebied op in drie zones nl. Boutersem, het Broekbos en de Driehoek. Binnen Boutersem ligt het Hof van Spruyt. Dit toponiem verving in 1864 de benaming het Boutersemhof, die op zijn beurt ontstond omstreeks 1450 in navolging van het Hof Kontichbroek. De Boutersembeek (of Lauwerijksebeek) omsluit het zuidelijke gedeelte van het erf. De bodemkaart omschrijft het Boutersemhof als een ‘OT-bodemtype’; een sterk vergraven zone. Dit verwijst naar grondwerken die plaatsvonden ter oprichting van de mottestructuur en de ondergrondse muurresten van een thans afgebroken kasteel uit de Nieuwe Tijd met bijhorende nutsgebouwen. Op het gewestplan is de zone grotendeels aangeduid als parkgebied.

Archeologische nota

De archeologische beschrijving van de motte van Boutersem baseert zich op historische bronnen, cartografisch (Ferrariskaart, 1771-1777) en iconografisch materiaal (een gravure uit de 17de eeuw, een foto uit 1932) en kleinschalige archeologische onderzoeken tijdens de jaren ’60. R. Van Passen slaagde erin om via historische bronnen de complexe erfopvolging van het domein te achterhalen. Helaas biedt dit onderzoek nauwelijks informatie over de verschillende bouw- en uitbreidingsfasen die op het domein plaatsvonden. Nochtans blijkt uit een 17de eeuwse gravure en de Ferrariskaart de zeer interessante evolutie van de motte tot een volwaardige kasteelsite.

De introductie van het mottekasteel in Vlaanderen kan worden gesitueerd rond ongeveer 1050. De opkomst van dit type versterking hangt samen met het ontstaan en verspreiding van de feodaliteit en de behoefte om status te etaleren en macht ten toon te spreiden. Dit kasteeltype van de hoge adel werd al snel als voorbeeld genomen door de lagere edelen, die eveneens de strategische voordelen van het mottekasteel inzagen. In de loop van de 12de en de 13de eeuw werden bijna overal in Vlaanderen op grote schaal mottekastelen gebouwd die fungeerden als hoofdplaats van een lokale heerlijkheid. Ze verloren meer en meer hun militaire betekenis maar bleven lang populair wegens hun grote symbolische kracht. Ook de motte van Boutersem kan in de volle middeleeuwen gedateerd worden. De locatie van de castrale mottes werd grotendeels bepaald door zijn landschappelijke omgeving in combinatie met zijn militaire doel of zijn functie als statussymbool.

In Vlaanderen zijn mottes vaak gerelateerd aan natte contexten. De motte van Boutersem is gelegen in de vallei van de Lauwerijksebeek, tussen deze beek en een uitgestrekt zandleemplateau dat het gebied ten zuiden van Antwerpen typeert. Militair-strategisch gezien zijn zulke locaties ideaal voor de aanvoer van water voor zijn brede, natte grachten. Daarnaast vormden de waterwegen waarlangs ze liggen vaak ook een belangrijke transportweg en hadden soms ook een grenskarakter. Zeker bij de oudste voorbeelden werden plaatsen uitgekozen waar een belangrijke landweg de waterweg kruiste en waar een oversteekplaats voorzien was. Goede voorbeelden hiervan zijn te vinden in het Dendergebied, waarin na de annexatie van Rijksvlaanderen bij het Graafschap rond 1050, heel wat imposante castrale mottes zijn aangelegd langs de nieuwe rijksgrens.

In de structuur van een motte onderscheiden we traditioneel het opperhof en het neerhof. De oorspronkelijke motte van Boutersem bestond hoogstwaarschijnlijk uit een cirkelvormig, opgehoogd opperhof met daarnaast het neerhof die in het geheel omgeven werd door een verdedigingssyteem van 3 walgrachten. In een latere fase werd vervolgens de aarden heuvel binnen de eerste grachtomwalling afgetopt en langs de zijkanten versterkt met een bakstenen fundering. Langs de binnenzijde van de eerste omgrachting werden (twee?) bakstenen gebouwen opgetrokken. Een bakstenen brug aan de noord-noordwestelijke zijde diende als toegang tot de motteheuvel. Binnen de tweede omgrachting breidde de site uit met verscheidene bijgebouwtjes. In 1424 uiteindelijk bestond het fortacalium van het Kontichbroek volgens een Leuvense Schepenbrief uit: de residentiewoning, andere nutsgebouwen, akkerland, weides, beemden, bossen en een windmolen. Na een brand en de vernieling in 1587-1588 bleef de site een ruïne tot 1602.

In de 17de eeuw groeide de site terug verder uit met een huiskapel (die hoogstwaarschijnlijk al sinds de late 16de eeuw werd opgetrokken) en twee (herplantte) eikendreven. In de loop van de 18de en de 19de eeuw werd het domein heringericht met Franse tuinen, het hoofdgebouw werd uitgebreid en er werden enkele bijgebouwen geplaatst zoals de oranjerie. Vanaf 1864 kreeg het complex de naam Hof Van Spruyt naar de gelijknamige nieuwe landeigenaar. Uiteindelijk kwam de site door Duitse bezetting tijdens WO I - WO II in verval.

Vandaag de dag is tal van deze elementen nog steeds in het landschap zichtbaar zoals: het opperhof met aarden vluchtheuvel, de bakstenen funderingen van de residentiegebouwen binnenin de eerste omgrachting de bedding van de inmiddels drooggelegde secundaire grachtsystemen en de derde nog bestaande omgrachting. De ligging van het neerhof bevond zich hoogstwaarschijnlijk ten noord-noordwesten van de aarden heuvel, daar waar de brug nu nog steeds de verbinding maakt tussen de motte en het omliggende terrein. In de omgeving ten noorden van de mottestructuur worden nog steeds bakstenen muurresten van (bij-)gebouwen teruggevonden. In de nabijheid hiervan bevindt zich eveneens een (oud) rioolsysteem dat traceerbaar is door een arduinen afdeksteen. Het laatste zichtbare relict betreft het tracé van de lange eiken toegangsdreef waarvan het noordelijke gedeelte in het hedendaags stratenplan werd opgenomen. Het Boutersemhof omvat dus een zeer rijk archeologisch verleden. Vanaf 1959 tot 1964 voerde de Kring Voor Heemkunde jaarlijks kleinschalige opgravingen uit op het Boutersemhof. Dit gebeurde naar aanleiding van een lezing door Dr. Van Passen over de geschiedenis van de mottesite. Bovendien kon het overlijden van Juffrouw Spruyt een mogelijke verkaveling van het domein in de hand werken. Tijdens deze campagnes probeerde men vooral een grondplan samen te stellen van de verschillende archeologische structuren maar hierover konden geen duidelijke resultaten naar voren worden gebracht. Uit de beschikbare informatie blijft het tevens onmogelijk om een gedetailleerd beeld te verkrijgen van de verschillende opgravingsresultaten.

Het Boutersemhof is gevrijwaard gebleven van recente, grootschalige verstoringen. Momenteel bestaat de zone uit weidegronden die vooral betreden worden door wandelaars, natuurliefhebbers en scoutsgroepen. Dit zorgt voor een goede bewaring van het ondergrondse archeologische materiaal. De belangrijkste elementen van de versterkte mottesite zoals de opgeworpen aarden heuvel en de grachten (al dan niet drooggelegd) zijn dan ook nog steeds duidelijk in het landschap zichtbaar. Het kasteelgebouw dat zich in de nieuwe tijd ontwikkelde, werd door de Duitse bezetting tot een ruïne herleid. Hierdoor bleef er van dit relict en andere bovengrondse archeologische overblijfselen haast niets meer over waardoor het zeer opvallende residentiële karakter, zoals nog zichtbaar is op een foto uit 1932, verdween.

De geografische afbakening volgt in hoofdzaak de lijnen die grotendeels overeenkomen met de afbakening van het kasteel zoals zichtbaar op de kaart van Ferraris. In het zuidelijke en westelijke gedeelte volgt dit de derde omgrachting van de site en de Boutersembeek. De noordelijke en oostelijke aflijning wordt bepaald door de perceelsbegrenzing.

  • BERKERS M. 2010: Chronologie onder druk? Enkele beschouwingen omtrent vroege mottekastelen in het graafschap Vlaanderen. In: Dewilde M. , Ervynck A. & Becuwe F. (red.): Cenulae recens factae. Een huldeboek voor John De Meulemeester, Novi Monasterii 10, Koksijde-Gent, 43-56.
  • BERKERS M., CLAES B., DE DECKER S. & DE MEULEMEESTER J. 2008 : Châteaux à motte des anciens Pays-Bas méridionaux: un état de la question après quinze ans de silence. In : Ettel P., Flambard Héricher A.-M. & McNeill. T.E.(eds.) : Bilan des re-cherches en castellologie, Château Gaillard Etudes de Castellologie médiévale 23,Caen, 21-32.
  • S.N. 1978: De motte van Boutersem. Geschiedenis en Keramiek. Catalogus, tentoonstelling 9 en 10 september 1978, Kring voor heemkunde uitgave XIII.
  • VAN PASSEN R. 1988: Geschiedenis van Kontich, Gemeentebestuur van Kontich. DE MEULEMEESTER J. 1983: Castrale motten in België. In: Miscellanea Archaeologi-ca in honorem H. Roosens, Archaeologia Belgica 255, Brussel, 199-225.

Bron     : AZ dossier
Auteurs :  Cryns, Jasmine
Datum  : 2012


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Motte van Boutersem [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140145 (Geraadpleegd op 18-06-2021)