Het kasteel Kijckuit met bijgebouwen, omwatering, park en dreef naar het kanaal gaat terug op een 16de-eeuws 'hof van plaisantie', dat in 1769 werd aangekocht door de familie van Havre. In hun opdracht werd het verbouwd tot het huidige classicistische kasteeltje. Het park onderging een transformatie in het begin van de 19de eeuw.
De nabijheid van de grootstad Antwerpen heeft bijgedragen tot het bestendigen van het agrarisch karakter van Wijnegem in de late middeleeuwen. Rijke Antwerpse kooplieden of adellijke families kochten er gronden en bouwden naast een bestaande grote hoeve een stenen huis of kasteel en legden er bossen of parken aan. Het geheel werd vaak omwald met een watering afgeleid van een bestaande, zoals hier de Kleine Schijn.
De eerste vermelding van Kasteel Kijckuit dateert uit de 17de eeuw toen Petrus van Heck het goed op 30 december 1648 verkocht aan Aloysius du Bois, heer van Aissche en Walhain en zijn echtgenote Anna de Heuvel. Het goed werd toen aangeduid als 'speelhof' of 'huize van plaisantie'. Nadien werd het goed geërfd door hun dochter Suzanne du Bois, die gehuwd was met Ambrosius Aynscombe. Vanaf 1668 werden hun goederen juridisch onteigend en kwamen die in handen van François-Marie Maggioly en zijn vrouw Isabella Dorchie. De kinderen Maggioly verkochten op hun beurt het goed in 1700 aan Hubert Ternick, algemeen schatbewaarder en schepen van Antwerpen en aan Hubert Moortgat.
Vanaf 14 augustus 1722 hoorde het goed toe aan kanunnik Christiaan Ternich, de stichter van het Ternick-gesticht in Antwerpen. De bestuurders van deze stichting verkochten het goed aan Anne Maria du Bois in 1750. Op 24 november 1769 werd het uiteindelijk gekocht door Joannes Michael Josephus van Havre en zijn echtgenote Catherine-Anne-Marie Lunden. De uitgestrektheid van het goed bedroeg toen ongeveer acht hectare. Het goed bleef gedurende twee eeuwen onafgebroken in eigendom van de familie van Havre, een adellijke familie uit het Waasland, van wie de stamboom opklimt tot Jan van Havre in het jaar 1280.
Tijdens de Franse overheersing werden de goederen van de gevluchte familie door de Franse staat aangeslagen en openbaar verkocht. Men slaagde er toch in om alle verbeurd verklaarde goederen via tussenpersonen opnieuw te verwerven.
Ten gevolge van talrijke aankopen en voordelige ruilen, werd het domein enorm uitgebreid. Toen Joannes van Havre in 1804 overleed, bevatte het domein bijna 55 hectare, met inbegrip van de aanpalende landerijen, weiden en bossen. Carolus-Josephus-Antonius van Havre, die huwde met Helena-Theresa de Vinck, volgde hem op. De nieuwe eigenaar deed meerdere aankopen in de buurt van het kasteel. Hij liet het kasteel geheel herbouwen en vijvers van verschillende hectaren uitgraven achter het kasteel. Hij besteedde veel zorg aan de aanleg van het park en de hovingen. Bovendien liet hij een 'rotonde' optrekken en een Egyptisch gebouwtje, dat later als jachtpaviljoen dienst deed. Dit gebouwtje werd echter in de jaren 1960 afgebroken. Carolus van Havre overleed in 1814.
Ridder Constantinus van Havre, de zoon van Carolus, volgde hem op als eigenaar. In de periode 1851-1854 was hij senator voor het arrondissement Antwerpen. Hij stierf in 1855. Het kasteel met alle goederen onder Wijnegem en Schoten ging over op zijn zoon ridder Gustaaf van Havre. Hij was burgemeester van Wijnegem van 1848 tot 1892. Na zijn dood kwam het kasteel toe aan zijn zoon ridder Albert van Havre. In 1897 had het domein een oppervlakte van ongeveer 300 hectare, verdeeld over Wijnegem, Schoten, 's Gravenwezel en Wommelgem. Na zijn overlijden kwamen de goederen toe aan zijn zoon ridder Georges van Havre, die na de Eerste Wereldoorlog in 1919 burgemeester werd van Wijnegem tot in 1934. De zijvleugels van het kasteel, mogelijks 19de-eeuwse toevoegingen, werden verbouwd na 1910. Nadien bleef het kasteel bewoond door zijn weduwe.
De evolutie van het kasteeldomein kan aan de hand van het kaartmateriaal gereconstrueerd worden. De vroegste afbeelding van het goed vinden we op de ‘Carte des chemins situés sous Weijneghem’ uit 1768. Op deze kaart wordt het landhuis binnen een formeel en geometrisch aangelegd kader weergegeven. Een rechthoekige walgracht eindigend op een boog aan noordzijde omsluit een domein met landhuis, bijgebouw, grote vijver en tuinen in het zuidelijk deel. Op het noordelijk gelegen deel, afgescheiden door een dwarsgracht, is een sterbos aangelegd. Op deze kaart wordt het Klein Schijn dat het domein in twee helften verdeeld foutief ten noorden van het domein gesitueerd. De toegangsdreef in het verlengde van het landhuis is op de kerk van Wijnegem georiënteerd. Kort nadien wordt toestemming verkregen om de loop van het Klein Schijn, dat de grens tussen de gemeenten Wijnegem en Schoten bepaalt, op het landgoed recht te trekken. Latere kaarten van 1781, de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) en een kaart uit 1804 beelden in grote lijnen dezelfde aanleg af, maar verschillen in details zoals het drevenpatroon van het sterbos en de vormgeving van de vijver.
Begin 19de eeuw vat de eigenaar het plan op om de bestaande parkstructuur aan de nieuwe heersende tuinstijl te laten aanpassen. Hij laat hiervoor verschillende ontwerpen uitwerken. Veel ontwerpschetsen zijn niet gesigneerd, maar voor het park is ook een ontwerp van de vermaarde Franse (landschaps)architect François Verly bewaard. Zijn ontwerp in vroeg landschappelijke stijl behoudt het landhuis en beide symmetrisch geplaatste dienstgebouwen, maar herwerkt de bestaande elementen zodat van enige symmetrie geen sprake meer is. De centraal gelegen toegang is oostwaarts uit de as van het landhuis verplaatst en geeft uit op een kronkelende oprijlaan met begeleidende gevarieerde bomengroepen en solitairen. De bestaande walgracht en dwarsgracht worden vergraven en krijgen het uitzicht van een meanderende rivier. Verschillende ornamentele tuinbruggen over de grachten sluiten aan op een kronkelend padenpatroon. Door uitbreiding oostwaarts verdubbelt het nieuwe park ongeveer in oppervlakte. De moestuinen ten westen van het landhuis worden samen met het westelijk gelegen dienstgebouw door een dichte bomengordel aan het zicht onttrokken. Het voormalig sterbos is ingericht als parkbos met kronkelend padenpatroon, de rest van het park heeft een meer open karakter met gazons beplant met bomengroepen en solitairen.
Het kadastraal plan opgemaakt in 1808 door landmeter Delaet situeert zich vermoedelijk in de periode waarin de werken aan het park reeds gestart zijn of althans vastliggen op plan. De bestaande vijver is verworden tot een brede rivier met uitstulping naar het zuiden en in het voormalige sterbos suggereren stippellijntjes bochtende wandelpaden. Dat de landmeter zich zeker voor een deel op ontwerpen en niet de bestaande toestand op het terrein baseerde, wordt duidelijk bij de weergave van de toegangsdreef. Deze wordt hier licht bochtend aangeduid, conform het ontwerp van Verly.
De landschapsarchitect van het uitgevoerde ontwerp is niet bekend. Binnen de nieuwe aanleg in vroeg landschappelijke stijl bleven ook elementen van de vroegere formele aanleg bewaard. De herwerking van de walgracht tot bochtende rivier en vijver, beperkt zich tot de oostelijke en dwarsgracht. De overige delen van de walgracht behouden hun rechtlijnig karakter, inclusief spiegelboog ten noorden. Ook het Klein Schijn werd verder noordwaarts in een opnieuw kronkelende bedding herlegd, waarbij de gemeentegrens verschoof. Op de topografische kaart van 1865 staat ook duidelijk de westelijke uitbreiding van het park afgebeeld. Een latere editie uit 1902 geeft ook de heuvel met ijskelder tussen vijver en oostelijke walgracht weer. Vanaf de jaren 1970 wordt de oostelijke parkuitbreiding verkaveld.
Het omwald classicistisch landhuis heeft een grosso modo rechthoekig grondplan, bestaande uit een hoofdvleugel van zeven traveeën en drie bouwlagen en twee zijvleugels van elk twee traveeën en twee bouwlagen onder leien schilddaken. De ontpleisterde bakstenen lijstgevels op een arduinen sokkel worden gemarkeerd door pilasters en een gekorniste kroonlijst. De rechthoekige en beluikte muuropeningen worden kleiner naar boven toe.
De zuidelijke voorgevel heeft een benadrukte middentravee in Lodewijk XVI-stijl. Een geprofileerde rondboogdeur wordt geflankeerd door gegroefde pilasters en is bekroond met een klassiek hoofdgestel waarop een smeedijzeren balkonleuning tussen postamenten staat. Het hierbij horend rechthoekig deurvenster heeft een hardstenen omlijsting met vleugelstukken en guirlandes onder een gestrekte waterlijst. Hogerop bevindt zich een rechthoekig venster in een sobere omlijsting met in de fries de datering "MDCCLXX" (1770). Boven de kroonlijst staan een rondboogvenster in een hardstenen omlijsting met vleugelstukken onder een gebogen waterlijst. Voor de middentravee is er een bordes met trap van vier treden en postamenten met siervazen.
De achtergevel telt vijf traveeën en wordt gemarkeerd door een halfronde uitbouw in de middentravee en een brede omlopende puilijst die de Ionische zuilen van het risaliet opvangt. Voorts is er een bekronend hoofdgestel met attiek. De uitbouw heeft op de begane grond rondboogpoorten in een sobere hardstenen omlijsting die onderling verbonden zijn door een kordon.
Het interieur van het kasteel toont kamers in neo-empire, neobarok en neorenaissance.
Ten oosten en ten westen van de toegangspoort, binnen de omwalling, bevinden zich de aanhorigheden van het kasteel die in kern wellicht opklimmen tot de 18de eeuw. Het zijn rechthoekige gebouwen onder leiden schilddaken met geprofileerde, bepleisterde daklijsten. De bakstenen lijst- en puntgevels worden gemarkeerd door aangepaste rechthoekige en schouderboogvormige muuropeningen in hardstenen omlijstingen. Het bijgebouw ten oosten werd verbouwd tot woonhuis en draagt nog sporen van gedichte muuropeningen. De huidige orangerie werd heropgebouwd conform de vroegere vormgeving.
In het park bleven zowel sporen van de formele aanleg (toegangsdreef, walgracht) als elementen uit de vroeg landschappelijke aanleg (vijver) bewaard. Centraal gazon en zichtas noordoostwaarts naar het verder gelegen gazon aan de overzijde van de vijver, parkbos van overwegend beuk ten noorden en noordwesten. De deels gekasseide en op de kerk van Wijnegem georiënteerde toegangsdreef wordt heden door de Houtlaan doorkruist. De dreef is overwegend beplant met witte paardenkastanje aangevuld met enkele esdoorns, zomereiken en lindes. Het kasteeldomein is toegankelijk via een korfboogbrug met balustrade en een ijzeren hek tussen geblokte arduinen pijlers met siervazen. In de zone voor het landhuis bevindt zich een centraal gazon met omlopende inrit en verschillende kegelvormig gesnoeide taxussen. De walgracht en onregelmatig gevormde vijver met beboomd eiland zijn niet meer aangetakt op het Klein Schijn, maar er is wel nog een overloop naar de waterloop aanwezig. De schuif van deze overloop aan de zuidelijke vijverpartij is verwerkt in de tegelvloer van een open tuinpaviljoen met neogotische elementen. Over de walgracht liggen verschillende tuinbruggen met smeedijzeren balustrades. Ter hoogte van de vijver bevindt zich ook de bakstenen ijskelder heden afgesloten met een poortje, maar oorspronkelijk voorzien van dubbele toegangsdeuren. Verspreid doorheen het park staan verschillende strategisch gepositioneerde standbeelden en arduinen siervazen, vermoedelijk daterend uit de late 18de tot vroege 19de eeuw.
In het park staan zowel solitair als in groep aangeplante omvangrijke en beeldbepalend zomereiken en gewone beuken evenals twee opvallende atlasceders aangeplant. Als contrast werden voornamelijk rondom het landhuis en in de zuidoostelijke hoek van het domein in groep aangeplante bruine beuken ingebracht. Met een stamomtrek van meer dan 580 cm (standaard gemeten op 150 cm hoogte) is de bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) bij het landhuis de omvangrijkste boom van het park. Ten noorden van het landhuis en ter hoogte van de ijskelder groeien eveneens beuken met een stamomtrek van 325, 375 en 425 cm. Van de monumentale zomereiken langs de moestuinmuur en aan het einde van de dreef bevindt de zwaarste zomereik zich ter hoogte van de noordelijke moestuinpoort (ca. 490 cm stamomtrek). In de onderbegroeiing van het park komt veel rododendron voor.
Ten westen bevindt zich de voormalige moestuin met duiventil en enkele fruitbomen waarin vermoedelijk in de tweede helft van de 20ste eeuw een tennisveld werd ingebracht, dat recent door een nieuwe aanleg vervangen werd. Moestuin met bewaarde bakstenen muur voorzien van een noordelijke en zuidelijke toegang via een smeedijzeren hek tussen arduinen pilasters met rocaillemotieven. De nog aanwezige fruithaken, geleidingsdraden en -latten tegen de binnenzijde van de muur getuigen nog van het gebruik als fruitmuur. In de zuidoostelijke hoek staat een oude duiventil.
Auteurs: Steyaert, Rita; Mortier, Sophie; Michiels, Marijke
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: STEYAERT R., MORTIER S. & MICHIELS M. 2026: Kasteeldomein Kijckuit [online], https://id.erfgoed.net/teksten/455729 (geraadpleegd op ).
Classicistisch kasteel in omwald park met ijskelder; in voorgevel gedateerd 1770. Vanaf de 17de eeuw vermeld als hof van plaisantie, sinds 1769 in het bezit van de familie van Havre. Verbouwingen (zijvleugels?) begin 19de eeuw, tegelijkertijd aanleg van het park met vijvers, zijvleugels verbouwd na 1910 (zie foto van 1910). Lindendreef kasteel, toegang via korfboogbrug met balustrade; ijzeren hek tussen pijlers met siervazen.
Nummer 13: Kasteel met grosso modo rechthoekig grondplan bestaande uit hoofdgebouw van zeven traveeën en drie verdiepingen en twee zijvleugels van twee traveeën en twee bouwlagen, leien schilddaken. Heden ontpleisterde bakstenen lijstgevels op een arduinen sokkel gemarkeerd door pilasters en gekorniste kroonlijst, verkleinende ordonnantie, rechthoekige beluikte muuropeningen. Zuidelijke voorgevel met benadrukte middentravee in Lodewijk XVI-stijl: geprofileerde rondboogdeur tussen gegroefde pilasters met klassiek hoofdgestel waarop smeedijzeren balkonleuning tussen postamenten; rechthoekig deurvenster in hardstenen omlijsting met vleugelstukken en guirlandes onder gestrekte waterlijst; hogerop rechthoekig venster in een sobere omlijsting met in de fries datering MDCCLXX (1770); boven de kroonlijst rondboogvenster in hardstenen omlijsting met vleugelstukken onder gebogen waterlijst. Voor de middentravee bordes met trap van vier trappen en postamenten met siervazen. Achtergevel van vijf traveeën gemarkeerd door halfronde uitbouw (middentravee) en brede omlopende puilijst die de Ionische zuilen van het risaliet opvangt; bekronend hoofdgestel en balustrade. Middentravee (uitbouw) met op begane grond rondboogpoorten in een sobere hardstenen omlijsting onderling verbonden door een kordon. Interieur met kamers in neo-empire-, neobarok-, en neorenaissancestijl.
Ten westen van het kasteel: omhaagde moestuin en boomgaard, heden met tennisveld, afgesloten met ijzeren hek tussen pijlers met siervazen.
Nummers 11, 15 en 15A: 18de-eeuwse aanhorigheden van het kasteel Kijckuit, gelegen binnen de omwalling, ten westen en ten oosten van de toegang. Rechthoekige gebouwen onder leien schilddaken met geprofileerde bepleisterde daklijsten; bakstenen lijst- en puntgevels met aangepaste rechthoekige en schouderboogvormige (deur en poorten) muuropeningen in hardstenen omlijstingen. Nummer 15A, ten zuidoosten van het kasteel, verbouwd tot woonhuis; sporen van gedichte muuropeningen.
Bron: PLOMTEUX G., STEYAERT R. & WYLLEMAN L. 1985: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10n3 (Ru-Z), Brussel - Gent.
Auteurs: Steyaert, Rita
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: STEYAERT R. 1985: Kasteel Kijckuit [online], https://id.erfgoed.net/teksten/14261 (geraadpleegd op ).