erfgoedobject

Brouckmolen

bouwkundig element
ID
15902
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/15902

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Brouckmolen is een bakstenen bovenkruier van het type grondzeiler. Aanvankelijk fungeerde de molen als olie- en als korenmolen, maar na enkele decennia werd de olieslagerij afgestoten en bleef enkel de graanmolen operationeel.

De molen werd in 1862 door eigenaar-molenaar Seraphin George gebouwd ter vervanging van een omgewaaide standaardmolen, zoals in een kadasterdocument van 1862 vermeld: “reconstruction totale ‘d’un moulin à vent à la place d’un moulin détruit par un ouragan”. Aan deze standaardmolen, die dateerde van omstreeks 1759, gingen diverse standaardmolens vooraf, waarvan de oudste minstens tot 1350 terugging. Om periodes van windstilte te ondervangen werd omstreeks 1784 bij de windmolen een rosmolen opgericht.

In 1908 werd de stenen bovenkruier door Henri Dufloo, die in 1899 samen met zijn broer Alfons eigenaar was geworden, ontdaan van zijn kap en gevlucht. Voor de aandrijving van drie koppels maalstenen, een graanbreker en een builmolen werd evenwel niet geopteerd voor een mechanische krachtbron maar voor een door de Zonnebeekse werktuigkundige Henri Hoflack ontworpen windmotor. Dit zelfkruiend windradsysteem werd daarna nog meermaals toegepast, onder andere op de molen Werquin in Langemark en op de stoommaalderij Debacker in Boezinge. Om het windrad te plaatsen werd de molen met twintig baksteenlagen opgemetseld en werd de kuip dichtgemaakt. Op een aan het metselwerk verankerde zware metalen hoepel werd een 8 m hoge metalen constructie gebouwd die het windrad en de staart droeg. Op een horizontale as van 4,50 m werd het grote windrad met zijn 48 beweegbare schoepen bevestigd. Aan het andere uiteinde van de as bevonden zich twee windrozen van ongeveer 2 m diameter, die om een kleinere as draaiden. De windrozen zorgden ervoor dat het grote windrad steeds opnieuw in de juiste windrichting stond. Een verticale as, de koning, bracht de windkracht over op de maalstenen en toestellen. Zwaar beschadigd door een storm in 1924 werd de 7 ton wegende windmotor, die niet volledig aan de verwachtingen beantwoordde, verwijderd. De stenen molen werd door de molenbouwers Florent Blondé (1880-1956) en Achiel Lejeune (1892-1965) opnieuw voorzien van een molenkap en een gevlucht.

De molen bleef als windmolen beroepsmatig in bedrijf tot 1959. Enkel bij windstilte werd voor de aandrijving van de molenuitrusting, die intussen was uitgebreid met een vierde koppel maalstenen en een haverpletter, gebruik gemaakt van een in een bijgebouw opgestelde tractor. Bij herstellingen in 1946 werd de oude molenas, die ‘1876’ was gedateerd, verwijderd. Na 1959 werd de molen door Firmin Dufloo gedurende enkele jaren voornamelijk gebruikt als mechanische maalderij, in het bijzonder voor het malen van dierenvoeder. Dit belette hem niet om in 1962 het Engels kruiwerk te laten herstellen. Bij een grootschalige restauratie in 1965-1967 door de gebroeders Peel naar ontwerp van Marcel Braet werd de bovenkap (met eternietschaliën), de staart, de spruiten en binnenroede vernieuwd en de molenromp witgeschilderd. Het gevlucht werd half verdekkerd. Een vlug bedwongen brand in 1973 zorgde voor schade aan de vang (type blokvang) en het vangwiel. Vochtproblemen leidden tot herstellingswerken aan de romp in 1981-1982 en 1985. Een grondige, maalvaardige restauratie volgde tussen 1989 en 1994 in opdracht van de nieuwe eigenaar Alexander Gustin. Voor deze werken werd beroep gedaan op de molenbouwers Guido Peel (1937-2007) en Herman Peel (1933), die onder meer een nieuwe gelaste roede (gemerkt ‘fabr. Peel – Gistel’) voorzagen, alsook op de molenbouwers Roland Wieme (1941) en Eric Vanleene. De restauratiewerken in 2005 in opdracht van Daniël Bulckaert en onder leiding van architect Luc Deleu bestonden behalve uit metsel-, schrijn-, schilder- en elektriciteitswerken ook uit specifieke molenwerken Deze molentechnische werken, uitgevoerd door molenbouwer ’t Gebint, betroffen in het bijzonder het vangwiel, de molenkap, de spruiten, de twee korte schoren en de voorbalk. In 2014 werd door molenbouwer Wieme omwille van het verzakken van de molenas een nieuw windpeluw geplaatst. Bij deze gelegenheid werden ook nieuwe dakkepers geplaatst, de keer- en weerstijl, het onderdak en de leien vernieuwd en koperen windvensters en een koperen kraag (maneberd) voorzien.

Momenteel bestaat de molenuitrusting in het bijzonder uit drie koppels maalstenen, een buil (van H. Hoflack), haverpletter en een mechanisch aangedreven maalstoel. Aan de olieslagerij herinnert nog een pletsteen in de vloer van de gelijkvloerse verdieping.

  • AMEEUW 2004: Molens van Veurne-Ambacht, Brugge, 39-43.
  • BECUWE 2009: In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (ca. 1850 – ca. 1950), Brussel, Relicta Monografieën 3, 46-47.
  • DELEPIERE A.-M. & LION M. met medewerking van Huys M. 1982: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Veurne, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 8N, Brussel - Gent.
  • DEVLIEGHER 1984: De molens in West-Vlaanderen, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen. Deel 9, Tielt-Weesp, 102-105.
  • DEVYT C. 1966: Westvlaamse Windmolens. Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965, Brugge, 65.
  • DEVYT C. 1975: De Belgische windmolens. Toestand op 1 januari 1975, Tielt.

Auteurs :  Becuwe, Frank
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Brouckmolen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/15902 (Geraadpleegd op )