erfgoedobject

Domein Ronsevaal

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 166   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/166

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het domein Ronsevaal omvat het eclectisch landhuis met aanhorigheden uit circa 1892-1895, het omgevend landschappelijk aangelegd park met daarin de in 1930 opgerichte cottagevilla Les Trembles, die in 1960 L-vormig uitgebreid werd naar ontwerp van architect Jacquelin Taylor Robertson en voorzien werd van een eigen tuinaanleg door Russell Page.

Historiek

Op de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) is er aan beide zijden van de steenweg Brussel - Aalst bebouwing van voornamelijk kleine constructies met tuinen, vooral op het grondgebied Erembodegem, net voor de knik in het straattracé afgebeeld. De plaats van het latere kasteel Ronsevaal op de grens van beide gemeenten is onbebouwd.

Op de primitieve kadasterkaart van 1834 van Aalst wordt op de "Overhamkauter" en aan de steenweg Aalst - Brussel een gebouw, vermoedelijk een buitenhuis, opgetekend. Het 52 are grote, L-vormige perceel, waarop het huis ligt, is in de kadastrale legger genoteerd als een tuin. Op de kaart van Vandermaelen (1848) wordt het goed aangeduid als "camp(agne)" of landhuis.

Naar verluidt werd het buitenhuis in 1870 getroffen door een brand. Volgens het kadasterarchief werden in 1892 een nieuw huis, het huidige herenhuis, en het koetshuis gebouwd.

Op de percelen ernaast, op het grondgebied van Erembodegem, liggen enkele gebouwtjes die volgens het primitief kadaster van Erembodegem in 1834 het bezit zijn van een landbouwer. Dit hoevetje wordt meermaals verdeeld, verbouwd en in 1879 volledig vernieuwd tot het in 1892 samen met de aanpalende percelen wordt verkocht. In 1895 noteert het kadaster bij de opmetingschets van de nieuwe dienstgebouwen van Ronsevaal, "démolition entière, nouvelle construction". Erachter strekt zich één grote moestuin uit, ontstaan door de fusie van verschillende kleine percelen.

Bij het nieuwe landhuis is een park aangelegd met een grote achtvormige lus als wandelpad, opgetekend op de militaire stafkaart van 1895. Op de kadastrale plannen van Aalst wordt dat bevestigd door de samenvoeging van een aantal kleinere percelen in 1899. Op de militaire stafkaart van 1923 wordt de aanleg duidelijker weergegeven. Geaxeerd op het huis ligt er een open strook richting Dender, het rondpad heeft nu verschillende zijpaden die een gedifferentieerde wandeling mogelijk maken en een recht laantje loopt naar de straat achteraan (de Gerstenbaan). Later, circa 1934, wordt er nog een vijver aangelegd die nu het eindperspectief vormt van de lange zichtlijn vanuit het huis (Stafkaart met de herziening op het terrein in 1938, uitgave 1950).

De eigenaar van het eerste vermelde buitenhuis, rentenier Alexander De Clippele, die in de Nieuwstraat in Aalst een herenhuis met een lusttuin bewoont, verkoopt de site in Ronsevaal aan Jan Baptist Jelie (°1799 Ninove - + 1889), naar wie de Jan Jeliestraat in Aalst is genoemd. Hij is eigenaar van de kleine meestertwijnderij Jelie-Peeters en wordt een invloedrijk en welvarend industrieel in Aalst. In 1822 start hij er een fabriek van naaigarens. Dankzij de uitstekende kwaliteit van zijn producten kent het bedrijf een grote expansie, onder meer naar Duitsland, en kaapt het prijzen weg op internationale tentoonstellingen, bijvoorbeeld in 1863 in Londen en in 1867 in Parijs. Na de dood van Jan Jelie wordt de katoenspinnerij omgevormd tot de Filature du Canal, die pas in 1969 wordt stilgelegd. Jelie woont naast zijn bedrijf in de Nijverheidstraat in een herenhuis, waarbij een grote lusttuin is aangelegd. Jan Jelie is lid van de Liberale Associatie in Aalst, voorzitter van de fanfare Les Amis Constans en voorzitter van de Werknemers Raad.

De dochter van Jan Jelie, Thérèse (1824-1896), is de eigenares op het moment dat het nieuwe gebouw door het kadaster wordt opgemeten. Ronsevaal is gecreëerd na de dood van haar vader, waarvan ze volgens het kadasterarchief de enige erfgename is. De wortels van haar echtgenoot Louis Schellekens (1811-1887), voorzitter van de handelsrechtbank in Aalst, liggen in Dendermonde, waar zijn voorvader Jan Baptist (1604-1685) in de 17de eeuw uit Breda arriveerde. Deze stamvader van de familie wordt in 1667 ontvanger van de tol- en licentierechten van de keizer en behoort al gauw tot de betere burgerij van Dendermonde. Uit zijn drie huwelijken heeft hij tien kinderen. De nakomelingen van J.B. Schellekens over verschillende generaties worden jurist en/of schepenen van de stad. Ze sluiten huwelijken binnen de stedelijke burgerij en de dochters trouwen niet zelden ook met juristen. In de 19de eeuw wordt uitgezwermd naar Aalst en Gent en in de 20ste eeuw ook naar Brussel. Louis Schellekens en Thérèse Jelie betrekken sinds 1840 met hun kinderen Jean, Marie en Léon een classicistisch herenhuis aan het Keizersplein in Aalst, de imposantste woning uit het einde van de 18de eeuw in één van de mooiste straten van de stad. Thérèse Jelie verlaat dit ruime herenhuis definitief in 1895, het jaar waarin het huis en de aanhorigheden in Ronsevaal voltooid zijn. Zij is dan al sinds 1887 weduwe, van 1889 af is ze in het bezit van de niet onaanzienlijke erfenis van haar vader. Ze bezitten ook een huis in Brussel, waar zowel Thérèse Jelie in 1896 als haar beide zonen Jean en Léon Schellekens respectievelijk in 1906 en in 1918 overlijden.

Marie Joséphine Antoinette Schellekens (1848-1927), de enige dochter van Louis en Thérèse, wordt de echtgenote van Léon De Bruyn (1838-1908), industrieel en politicus van de Katholieke Partij. Ze betrekken in de Kerkstraat van Dendermonde een ruim herenhuis dat tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt verwoest. De familie De Bruyn is afkomstig van Sint-Gillis-bij-Dendermonde, waar Jan Ezechiël De Bruyn in 1836 een oliemolen bezit, die uitgroeit tot een welvarende olieverwerkende fabriek, sinds 1857 gevestigd in Dendermonde en vanaf 1893 in een nieuwbouw aan de Schelde in Baasrode. Terwijl zijn broer Edmond zich met het bedrijf bezig houdt, bouwt Léon De Bruyn een politieke carrière uit in de Katholieke partij. Onder leiding van Léons zonen Félix en Julien De Bruyn kent het familiebedrijf een enorme expansie in binnen- en buitenland. Léon De Bruyn wordt burgemeester van Dendermonde, volksvertegenwoordiger, senator, minister van landbouw, nijverheid en openbare werken in verschillende regeringen. Hij is voorstander van de Congopolitiek van koning Leopold II, wat begrijpelijk is aangezien het familiebedrijf vooral draait dankzij de aanvoer van grondstoffen uit Belgisch Congo. Hij heeft nauwe relaties met de koning en de traditie wil dat het koninklijk rijtuig, op weg naar Oostende, regelmatig in Ronsevaal halt houdt. Léon De Bruyn sterft in 1908 in Ronsevaal. Marie Schellekens overlijdt in 1927 in de Hertogstraat in Brussel, maar ze wordt bijgezet in de kelder van de familie De Bruyn op het kerkhof van Dendermonde.

Jean Baptiste (1849-1906), de oudste zoon van Louis Schellekens en Thérèse Jelie, huwt Laurence Julie de Clercq (1861-1890), die jong sterft na de geboorte van vier kinderen kort na elkaar: Jeanne (1886-1975), Marie Thérèse (1888-1974), Laure (1889-1951) en Louis (1890-1972). Ook na de dood van hun grootmoeder in 1896 verblijven deze kinderen samen met hun ooms, tante en neven lang en veel op Ronsevaal. De drie meisjes stappen vanuit Ronsevaal in het huwelijksbootje. Jean Baptiste verkrijgt op 23 juli 1888 van koning Leopold II de adelsverheffing, overdraagbaar bij eerstgeborene. Zijn enige zoon Louis, gehuwd met Camille de Heusch, sterft kinderloos, wat het einde betekent van deze tak van de familie Schellekens.

Ronsevaal is het erfdeel van Léon Prosper (1854-1918), de jongste zoon van Louis Schellekens en Thérèse Jelie. Hij blijft ongehuwd, is een verwoed jager en bekend hondenliefhebber. Hij wordt één van de stichters van de Société Canine des Flandres die sinds 1901 jachthondenliefhebbers en vooraanstaande fokkers samenbrengt om het kweken van rashonden te bevorderen en te verbeteren. Bij hun eerste vergadering in Gent zit hij in het bestuur en wordt hij verkozen tot commissaris. In Ronsevaal zijn zijn twee kennels gebouwd. Léon wordt op dezelfde dag als zijn broer Jean Baptiste geadeld en op 20 december 1910 verleent koning Albert I hem de persoonlijke titel van ridder. Ook hun oom Jan Edward Schellekens krijgt in 1888 de adelsverheffing en op 30 december 1896 de titel ridder, overdraagbaar bij eerstgeborene. Het wapenschild Schellekens is: "Gevierendeeld in 1. en 4. in zilver drie klaverbladen van sinopel, 2. en 3. in zilver een dwarsbalk van keel vergezeld boven van drie mereltjes van sabel, en onder van een aanziende kop van keel". Het verschijnt op de drie geschilderde portretten van Frans Jan Emmanuel, Jan Edward en Oscar Schellekens (1843-1950), respectievelijk de vader van Louis, Louis' broer en diens oudste zoon. Het prijkt ook op de voorgevel van kasteel Ronsevaal en samen met de wapenspreuk van Léon Time Deum (Vrees God) ook op de schouwmantel in de vestibule.

Na de dood van ridder Léon Schellekens in 1918 wordt het landgoed verkocht aan Adrien De Bruyn, een Hollandse houthandelaar. Hij is geen verwant van de minister en de aankoop blijkt puur speculatief te zijn, want na verkoop van de bomen - hout was schaars na de oorlogsjaren - doet hij Ronsevaal in 1923 alweer van de hand. De koper is Léon Camu (1874 -1940), echtgenoot van Esther Declercq (1879-1957), en is eigenaar van de op de oude Dender gelegen mouterij J. Camu en Zoon in Aalst, die door zijn weduwe verder wordt uitgebaat en pas na haar dood wordt verkocht.

Het huis ontsnapt bij de intocht van de Duitse troepen in 1940 ternauwernood aan de vernieling. De militaire overheid eist immers als schietveld een brede strook met ongehinderd zicht van over de Dender tot de steenweg Brussel - Aalst en wil daarom Ronsevaal door dynamiet van de kaart vegen. Door de snelle opmars van de Duitse troepen tijdens de 1achttiendaagse veldtocht komt het gelukkig niet zover omdat Esther Declercq - in die meidagen van 1940 overlijdt Léon Camu - strijdlustig opkomt voor haar have en goed. Ze heeft tijdens de bezetting wel af te rekenen met het verblijf van een Duitse kolonel op Ronsevaal, die het grote salon beneden en de grootste slaapkamer boven in beslag neemt. De bombardementen op Aalst veroorzaken schade, onder meer aan de mozaïektableaus in de gevels. Pas kort voor de bescherming (2012) werd één enkel tafereel in de voorgevel gerestaureerd en teruggeplaatst. De hoge torenspits restaureren werd te kostelijk geacht en dus werd hij naar verluidt in de jaren 1950 ingekort. Ook het kleurrijke glas-in-loodraam in de zuidelijke gevel werd tijdens de oorlog vernield. Het werd na de oorlog door klaar glas vervangen.

Hun enige zoon Louis Camu (1905-1976), naar wie de Louis Camustraat is genoemd, is de volgende eigenaar van Ronsevaal. Als Koninklijk Commissaris Belast met de Hervorming van de Belgische Administratie ligt hij in 1937 aan de basis van het bekende 'statuut Camu' dat tot het einde van de eeuw voor ambtenaren van kracht zal blijven. Als leider van het Belgische Geheime Leger in de provincie Oost-Vlaanderen wordt hij op 18 juli 1944 door de Duitsers gevangen genomen en weggevoerd. Hij overleeft de folteringen bij zijn arrestatie, een verblijf in het concentratiekamp van Neuengamme, het Arbeitskommando, het kamp van Wöblin Ludwiglust en de bekende dagenlange 'dodenmars' die op 23 april 1945 eindigt met de bevrijding door het Amerikaanse leger. Zijn thuiskomst in mei 1945 is de aanleiding voor een feest in Ronsevaal. Pas na een driejarig verblijf in Zwitserland, nodig om zijn gezondheid te herstellen, hervat hij zijn professioneel leven. Van 1952 tot 1975 is hij voorzitter van de Bank van Brussel, hij was tevens hoogleraar te Luik en voorzitter van de Belgische Vereniging der Banken.

Louis Camu en zijn echtgenote Denise Fontaine (1907-2005) woonden in 'Les trembles', een villa in cottagestijl, die ze in 1930 in het park lieten bouwen en in de jaren 1960 lieten uitbreiden in een contrasterende moderne stijl ontworpen door de jonge New Yorkse architect Jacquelin Taylor Robertson. Voor de aanleg van de terrassen rondom het huis en de aanplanting werd een beroep gedaan op de vermaarde Britse landschapsontwerper Russell Page . In 1939 lieten ze op de hoek van de Abdijstraat en de Louizalaan in Brussel een stadswoning bouwen, ontworpen door architect Jean Jules Eggericx.

Hun zoon Alain Camu (°1934), de eigenaar van kasteel Ronsevaal op het moment van de bescherming (2012), erevoorzitter van de vzw Open Tuinen van België, neemt het onderhoud van Ronsevaal ter harte. Voor de vernieuwing van de structuur circa 1990 werd advies ingewonnen bij de Belgische landschapsontwerper Benoit Fondu. De zonen van Alains broer Bernard Camu zijn thans eigenaar van villa Les Trembles.

Beschrijving

Domein Ronsevaal bevindt zich op de grens van Erembodegem en Aalst, tussen de Brusselse Steenweg in het oosten en het natuurgebied de Gerstjens en de Dender in het westen.

Een ijzeren hek tussen twee wit geschilderde bakstenen hekpijlers met sokkel, druiplijst en deksteen van blauwe natuursteen geeft toegang tot zowel het kasteel als de villa. Het smeedijzeren poorthek staat tussen twee vaste, gebogen hekken en heeft onder meer met spiralen versierde poortstijlen. Aanvankelijk was de tuin van de straat gescheiden door smeedijzeren hekwerk. Nu vervangt een ongeveer 150 meter lange, strak gesnoeide ligusterhaag (Ligustrum) langs de hele eigendomsgrens het hek.

Een gebogen oprijlaan, afgeboord door rododendrons, leidt naar en draait rond het huis en het gekasseid erfje bij het koetshuis. Voor het kasteel onttrekt een hoge, halfronde haag van Leylandcipres (Cupressus leylandii) het zicht op het huis vanop de steenweg.

Ten zuiden van het kasteel bevinden zich het koetshuis en de bedrijfsvleugels, die onafhankelijk bereikbaar zijn via een inrijpoort aan de Brusselbaan (Erembodegem). Een muur met een nu verdwenen hek in het verlengde van het koetshuis sluit het diensterf aan de kant van het herenhuis af.

Achter en naast het landhuis strekt zich het park uit, met zijn hoge bomen, breed grasveld en ijskelder, oorspronkelijk met prieel. Met het kasteelhek als inrit vanaf de straat en achteraan het secundaire hek als rechtstreekse toegang tot het park vanuit Erembodegem-dorp, is de landgoed-typologie compleet. De dienstgebouwen, waartoe ook de oranjerie en zogenaamde jachtpaviljoen behoren, liggen rond een eigen erf, waarop de serres en de moestuin aansluiten. Daarachter ligt de boomgaard.

Landhuis Ronsevaal

Het kasteel staat een 20-tal meter van de rooilijn en is gebouwd in eclectische stijl met een complexe plattegrond en een geleed volume. Het telt twee à drie bouwlagen met een souterrain en zolderverdieping. De leien daken variëren van vorm: een mansardedak met zuidelijk schild boven het hoofdvolume, haaks daarop een zadeldak tussen trapgevels, een piramidedak op de toren, een zadeldak met topgeveltje of trapgeveltje voor de twee torenachtige uitsprongen in de zuidelijke en noordelijke gevel, platte daken voor het portiek in de voorgevel en voor de wintertuin in de parkgevel. Ook de dakkapellen vertonen trap- of topgeveltjes. In de centrale dakkapel boven de voorgevel is het wapen van de familie Schellekens in natuursteen aangebracht. Aan de zuidoostelijke hoek bevindt zich een vierkante traptoren, die tot vóór de Tweede Wereldoorlog voorzien was van een uitgewerkte, hoge torenspits, zoals nog te zien is op een oude prentbriefkaart.

De bakstenen gevels met hun breukstenen plint zijn verrijkt met speklagen en diamantpunten van natuursteen, die ook werd gebruikt voor de lateien, hoek- en sluitstenen boven sommige muuropeningen, de afwerking van de dakvensters en de trapgevels. De torengevels vertonen nog meer natuurstenen elementen en ook dieperliggende muurvlakken uitlopend op een rondboog met een oculus en een omlijsting van natuursteen. De meeste vensters en deurvensters zijn rechthoekig, al zijn sommige bekroond met een rondboog die oorspronkelijk gevuld was met een kleurrijk glasmozaïek, één daarvan in de rechter trapgevel is door de eigenaar gerestaureerd.

Tussen de in- en uitspringende gevellijnen is er ten oosten een breed ingangsterras gevormd en ten westen een terras dat om de hoek doorloopt en uitzicht biedt op het park. Het ingangsterras is drie traveeën breed en was aanvankelijk een gesloten portiek, maar toen in de jaren 1950 de deur van kleine, in lood gevatte ruitjes sneuvelde, werd ze niet meer vervangen. De gemetselde pilasters werden wel behouden, evenals de mozaïekvloer met de begroeting “SALVE” ingeschreven in contrasterende kleuren. Het balkon boven dit portiek heeft een sierlijke smeedijzeren leuning tussen pilasters met bolbekroning.

De brede, beglaasde deur van de uitbouw achteraan, vermoedelijk oorspronkelijk bedoeld als wintertuin, opent op het terras. De brede trappen daarvan zijn aangezet met twee pilasters van natuursteen en bovenaan zijn twee hoge gietijzeren zuilen ingewerkt als steunen voor jarenoude wisteria's. De voet van het terras wordt gevormd door een zwak hellend talud dat volgens een oude prentkaart naar de mode van de tijd beplant was met eenjarigen die nu vervangen zijn door vaste planten. Het talud is tegelijk ook een goede isolatie voor de kelders die in de zijgevels ongeveer gelijkvloers zijn gelegen. Via deuren in deze zijgevels zijn de keuken en de brede keldergang, die van noord naar zuid het huis doorkruist, rechtstreeks bereikbaar. Een overluifeld klokje hangt aan zuidelijke gevel.

Interieur

De vestibule heeft een neogotische aankleding. De neogotische schouw van witte natuursteen heeft op de schouwbalk het gekroonde wapen van de familie Schellekens met de spreuk "Time Deum" (Vrees God). De schouwwangen zijn neogotische zuiltjes met bladkapiteel, een getrapte en gedecoreerde console vormt de overgang naar de schouwbalk en de schoorsteenraveling vertoont gotisch traceerwerk en ingeschreven vierpassen. Zware gordijnen in de doorgangen naar het achter liggende salon, aan weerszijden van de schouw, zijn vervangen door de ruggen van de boekenkasten. De eiken lambrisering bestaat uit vier registers van rechthoekige briefpanelen boven elkaar en een zware, getande kroonlijst. Ze wordt onderbroken door twee aan twee tegenover elkaar geplaatste, hogere, dubbele deuren met gelijkaardige briefpanelen en dezelfde kroonlijst. Tussen deze deuren zijn zitbanken ingebouwd met een rij ingeschreven driepasmotieven op de overluifeling. Boven de lambrisering waren er aanvankelijk donkere landschappen geschilderd die vandaag niet meer zichtbaar zijn. De witte verflaag, die sedert enkele decennia de polychrome sjabloonschildering tussen de kinderbalken van de zoldering bedekte, is weer verwijderd. Zo is de oude decoratie weer zichtbaar met onder meer de omcirkelde "S" van Schellekens afgewisseld met een omcirkelde kroon. De balken zijn geprofileerd en de consoles onder de moerbalken zijn figuratief uitgewerkt. De vestibule zowel als de omringende salons hebben een eiken parketvloer, telkens met een verschillend patroon.

De huidige woonkamer met de voormalige wintertuin in de aanbouw bezit een schouwmantel van rode marmer met roze zuiltjes in neorenaissancestijl. Twee zuilen bepalen de overgang van woonkamer en aanbouwsel. Vanuit de aanbouw heeft men een prachtig zicht op het park tot de vijver in de Gerstjens. Het glas-in-lood in de zijgevel, dat de kamer een mooie lichtinval bezorgde, werd vernield tijdens de oorlog. De aanpalende salon heeft een neoclassicistische aankleding met een schouw in Belgische griotte-marmer, nu als open haard in gebruik. De ingebouwde boekenkasten aan weerszijde van de schouw vervangen de aanvankelijk open doorgangen naar de vestibule.

Het bureau in de noordwestelijke hoek bezit een schouwmantel van grijs geaderd wit marmer in classicistische stijl. Toen Léon Camu Ronsevaal verwierf (1923) kreeg deze ruimte een nieuwe aankleding met art deco-inslag van de toen bekende decorateurs Wéry & Gillot.

In het kleine salon in de noordoostelijke hoek, waar Esther Declercq zich tijdens het verblijf van de Duitse kolonel terugtrok, liet ze de bestaande schouw met het wapenschild Schellekens vervangen door een moderne schouwmantel in blauwe hardsteen, een ontwerp van architect Jean-Jules Eggericx, die kort voordien (1939) het Brusselse huis van haar zoon had ontworpen. De gesloopte schouw was van hetzelfde model als die in de vestibule en werd aan de familie Schellekens geschonken. Een porseleinen servies gedecoreerd met het wapenschild Schellekens keerde in ruil terug naar Ronsevaal.

Achter de tweede deur rechts van de vestibule ligt de traphal met de houten bordestrap die slechts de eerste, voor de familie bestemde bovenverdieping bedient. De hoge trappaal is druk geprofileerd en eindigt op een bol en de trapleuning heeft dunne spijltjes.

In de tegenovergestelde hoek bedient een veel kleinere diensttrap alle verdiepingen, van de kelder tot de zolder. Het souterrain, een volwaardige kelderverdieping met keukens, toegankelijk via de zijgevels, is voorzien van een cementen vloertegeltapijt en wit betegelde lambrisering met blauwe afboording. Op de bovenverdieping zijn er vier ruime kamers met hun respectievelijke dienstvertrekken, in de dakverdieping zijn er tien slaapkamers en een bijkomende kamer in de toren, bestemd voor de kinderen en het personeel.

Koetshuis en paardenstal

Het koetshuis is samen met het landhuis gebouwd in de periode 1890-1892. Het L-vormig bakstenen gebouw wordt afgedekt met verspringende leien zadeldaken met versierde nokpannen. De hogere puntgevel van de koetshal heeft houten windborden en een sierlijke loden(?) piron ter bekroning. De iets lagere paardenstalling heeft een zijtrapgevel. De klimop tegen de voorgevel verbergt grotendeels het met speklagen van natuursteen verrijkte baksteenmetselwerk.

Twee laadvensters boven de inrijpoorten geven uit op de hooi- en strozolder die door twee kleine topvensters wordt verlicht. In de hoek tussen de koetshal en de stalling en aanleunend tegen de gevel is een waterpomp geïnstalleerd, nodig voor de verzorging van de paarden en het onderhoud van de koetsen. In de stal zijn de uitrusting voor vijf paarden (de twee brede boxen links en rechts zijn bestemd voor de merries met eventueel hun veulen), de bakstenen vloer en de bakstenen troggewelfjes op ijzeren liggers intact bewaard. De stalzolder heeft zowel voor- als achteraan een laadvenster in een trapgeveltje. Vooraan staat het centraal, maar achteraan, waar de gevel onversierd en volledig blind is, is het volledig excentrisch geplaatst. Zo kon de nu gesloopte halfronde druivenserre tegen de gevel aanleunen. Ze werd ongetwijfeld al gerealiseerd bij de bouw van het kasteel en het koetshuis in 1890, maar werd pas kadastraal geregistreerd in 1939. Tegen de rechter zijgevel van het koetshuis bevindt zich een hondenkennel.

Dienstgebouwen en moestuin

De bedrijfsgebouwen en de moestuin worden van het park gescheiden door een hoge muur in het verlengde van het koetshuis en een hek. Het hek naar het diensterf is verdwenen, maar niet de natuurstenen hekpijlers met arduinen siervazen.

Het gekasseide erf is aangelegd als bloementuin en kruidentuin met perkjes omzoomd door buxusheggen. Tegen de muur en de gevel van het koetshuis bevat de siertuin ook twee mooie voorbeelden van vormsnoei. Rond het erf, waaraan ook de blinde gevel van het koetshuis grenst, liggen de eenlaagse dienstgebouwen met een volwaardige zolderverdieping, gebouwd in 1892-1896. Ze bestaan uit de woning met een vierkante toren (ten noorden), de dienstvleugel (ten zuiden) en tussen beide de inrijpoort. De inrijpoort staat in een met blauwe hardsteen afgewerkte halsgevel, onder een luifeldak op lange daklijstbalkjes en met een versierde nok. De sluitsteen is verfraaid met het familiewapen.In de houten poort, waarvan de hengsels met lange, versierde bladen verlengd zijn, is een voetgangersdeurtje ingewerkt.

Het geheel vormt een architecturaal verzorgd ensemble met een mooi volumespel en een pittoreske uitstraling. Aan de straatzijde (Brusselbaan, Erembodegem) zijn de gevels witgeschilderd en aan de tuinzijde is het baksteenmetselwerk verlevendigd met cordons van gekleurde cementtegels. Alle deuren en vensters zijn licht steekboogvormig. De zadeldaken van de dienstgebouwen hebben wolfseinden, uitgesneden houten gootlijsten, muizentand onder de versierde dakranden, houten windborden, nog een kruisschoor aan de dakkapellen en de laadvensters, en mooie pirons van smeedijzer of van lood. De toren eindigt op een ingesnoerde naaldspits en onder zijn dakrand loopt een fries van overhoekse muizentand boven een reeks blindboogjes.

Van de twee bewaarde kennels op Ronsevaal ligt de eerste naast de inrijpoort, in de hoek met het karhuis. Die was vermoedelijk bedoeld voor de waakhond. De tweede is ingericht tegen de korte westelijke zijgevel van het koetshuis en zal voor de jachthonden zijn gereserveerd. Beide kennels zijn afgezet met spijlenhekken van smeedijzer voorzien van een poortje.

Het huis zelf beschrijft een T door het sterk vooruitspringende middendeel dat eindigt op een architecturaal verzorgde topgevel. De behandeling van deze gevel is verwant met die in de toren van het kasteel: baksteenmetselwerk op verschillende diepten en het centrale deel uitlopend op een rondboog met oculus, hier nog geflankeerd door lagere, gespiegelde halve rondbogen.

De ruime kamer op de gelijkvloerse verdieping maakt niet echt deel uit van de hovenierswoning en was vermoedelijk de jachtkamer van Léon Schellekens. Ze is rechtstreeks van buiten af toegankelijk via een dubbele, beglaasde deur en omwille van haar aankleding wordt ze de 'Vlaamse kamer' genoemd. Dat is te danken aan de opschriften op de schouw en aan weerszijden ervan: “(E)ER WY WAT WETEN ZIJN WIJ VERGETEN / EIGEN HEERT IS GOUD WEERT / IN GODES WEGHE IS GODES SEGE”. Het vertrek heeft een houten zoldering met geprofileerde kinderbalkjes en twee beschilderde moerbalken met de datering “ANNO 1896”, gedragen door uitgesneden balkconsoles met gekleurde wapenschilden. De open haard heeft een bakstenen boezem, een houten bordenlijst en een geprofileerde schouwbalk op getrapte wangen van afwisselend rode en gesinterde baksteentjes. De vloer is gelegd in polychrome cementtegels met geometrische motieven.

De bedrijfsruimten aan de andere kant van de poort vormen samen een L met het werkhuis in de hoek, het karhuis en de stal langs de straat en haaks daarop de oranjerie. Deze neemt de hele haakse vleugel in en heeft twee stookplaatsen. Het glas met kleine roedeverdeling in de drie vensters en de deur van de voorgevel laat volop licht binnen, maar dat gebeurt ook dankzij de hoog geplaatste vensters van de achtergevel en het beglaasde deel van het zuidelijke dakschild. Hier overwinteren de vorstgevoelige planten die in de zomer rond het huis staan opgesteld. Eén kweekserre leunt aan tegen de zijgevel van de oranjerie, twee andere staan er loodrecht op. Ze scheiden het erf, dat nu als bloementuin is aangelegd, van de moestuin en de boomgaard er achter. Er tegenover bevond zich de vierde, kwartronde druivenserre die gesloopt is. Aan de voet daarvan liggen de kweekkassen voor het zaaien, opkweken en telen van planten.

De lange rechthoekige moestuin heeft op de zuidelijke grens een meterslange haag van oude meidoorn (Crataegus) die samenvalt met de eigendomsgrens van het landgoed. Op de noordelijke zijde is er bij wijze van bescherming een gemengde singel van struiken. Het middenpad doorheen de tuin eindigt bij twee hoge in kegel gesnoeide buxussen (Buxus). Daar achter ligt de boomgaard met uitgelezen variëteiten van appels en peren, maar ook 'ouderwetse' soorten, zoals kweeperen en een moerbeiboom.

Villa Les Trembles

De pittoreske villa Les Trembles van 1930 is volledig geïnspireerd op de Engelse gerietdekte cottage van eind 19de en begin 20ste eeuw. De integratie in de aanwezige natuur werd zo goed mogelijk nagestreefd, en voorzien van een passende tuinaanleg. In navolging van de Engelse cottage werd in de plattegrond veel aandacht besteed aan comfort en een praktische indeling. Typerend in de cottage-architectuur is het onregelmatige volume met vele in- en uitsprongen, portalen, terrassen en een levendige gevelindeling voor de verschillende gevels. Het mooie dakenspel en de dakbedekking van riet sluit eveneens aan bij het romantische karakter van de Engelse cottage. Ook het decoratieve imitatievakwerk en de houten kozijnramen met hun kleine roedeverdeling is daarop geïnspireerd.

De uitbreiding van de villa met een L-vormig volume uit de beginjaren 1960 werd gebouwd onder leiding van de Amerikaanse architect Jacquelin Taylor Robertson, een vriend des huizes. De architectuur breekt naar verluidt volgens de wens van de bouwheer volledig met de bouwstijlen uit het verleden. De witgeschilderde bakstenen constructie bestaat uit twee eenlaagse langgerekte volumes met in de oksel een hoger dominant volume van twee bouwlagen, de daken zijn gedekt met leien. Het onconventionele geheel is een kwalitatief voorbeeld van vooruitstrevend modern bouwen, eenvoudig en helder van opzet, en met een duidelijke oriëntatie op de omliggende tuin en het aansluitende landschap. Het opmerkelijke gebouw wordt in feite gekarakteriseerd door het hoger balkachtig volume onder tentdak, de plaatsing van de overhoekse ramen op de bovenverdieping zorgt niet alleen voor een optimale lichtinval maar illustreert ook het belang dat de opdrachtgever hechtte aan de vista’s vanuit de woning op de groene omgeving. De tuinaanleg rond het huis, een ontwerp van de Britse tuinarchitect Russell Page, versterkt nog de kwaliteiten van het architectonisch concept.

Park met ijskelder

Achter het huis strekt zich het naar de Dender afdalend park uit, aangelegd kort na de constructie van het huis in landschappelijke stijl. Het eigendom werd met de jaren vergroot door de verwerving van percelen, die bebost werden aan de noordkant en weide bleven ten westen om het vergezicht naar de rivier vrij te houden.

De zuidelijke en veel bredere noordelijke parkranden zijn beboomd en bebost, maar het brede gazon vormt een vrije middenstrook die vanuit het huis een vergezicht toelaat op het landschap en de vijver in de verte, waar enkele waardevolle parkbomen voorkomen, zoals een stel watercipressen (Metasequoia glyptostoboides), treurwilgen (Salix alba ‘Tristis), moerascipres (Taxodium distichum) en Kaukasische vleugelnoot (Pterocaria fraxinifolia) die dit parkbeeld versterken. Dit zicht wordt van op het terras prachtig omlijst door een oude witte en blauwe regen (Wisteria sinensis) die zich rondom de gietijzeren steunen winden. De lichte uitschulping van het gazon maakt dat de randen iets hoger liggen en maken deel uit van een geplande aanleg. De beide randen vormen een golvende lijn met bomen verschillend van vorm en kleur. In de beboomde noordelijke rand is een ijskelder gebouwd, bestaande uit een gemetselde, gewelfde kamer voorafgegaan door een smalle gang. Zoals gebruikelijk is de constructie ter isolatie opgehoogd met aarde en onder meer met taxus beplant. Er boven werd een open paviljoen opgetrokken, gebouwd van boomstammen en baksteen, naar verluidt ter vervanging van een verdwenen paviljoentje in imitatieboomstammen. In de rand er tegenover valt, naast enkele mooi uitgegroeide bomen, een veelarmige reuzenlevensboom (Thuja plicata) te signaleren, waarvan de in elkaar geknoopte stammen een mooi kluwen vormen waaruit nieuwe takken zijn ontstaan.

Dankzij Alain Camu, die voor de revitalisatie samenwerkte met de tuinontwerpers Benoit Fondu en Brigitte de Villenfagne, is in het park meer vorm en kleur toegevoegd dankzij boomsoorten met verschillende hoogten, vormen en kleuren. Tegen de gevels van het kasteel bloeien verschillende klimrozen, het talud wordt gevormd door een rozenborder en aan de voet van het huis bloeien verschillende magnolia's en cornussen. Ook is er een rij rododendrons die van de oprijlaan doorloopt tot aan de noordoostelijke hoek hiervan. Bij het huis is een blauw/witte border ingericht en er staan 's zomers kuipplanten opgesteld met laurier, buxus, oranjebomen en fuchsia. Een jeneverbes werd door Brigitte de Villenfagne als bonzaï gesnoeid. In de beboste zones van het park zijn schaduwminnende planten toegevoegd, een collectie varens en er groeien hosta's, longkruid, diopteris, cimicifuga en een prachtige gunnera bij het vijvertje.

Op een afstand van ongeveer 150 meter eindigt dit deel van de parkaanleg en ligt er een grote weide tot aan de Louis Camustraat. Op de grens van het park staat een hek dat eertijds de rechtstreekse toegang was tot het park. Het hek is van het eenvoudige type met ronde spijlen van smeedijzer en de pijlers zijn monolithische vierkante pilasters. Het wordt voorafgegaan door twee kaarsrechte platanen, die het vertrekpunt zijn van het rechte laantje dat op de kaarten voorkomt sinds 1923. Nu is het met jonge koningslinden als dreef beplant, ter vervanging van de oude, door de oorlog beschadigde geënte paardenkastanjes. Deze laan was voor de bewoners de kortste weg naar de dorpskerk en naar het station van Erembodegem.

Ronsevaal is op het moment van de bescherming (2012) nagenoeg 20 hectare groot en in twee private eigendommen verdeeld en een openbaar deel waartoe de vijver, die in het natuurgebied de gerstjens gelegen is, behoort. De enige zichtbare begrenzing tussen de twee private eigendommen is de gemeenschappelijke oprit. Tussen het private en openbare deel vormt de Louis Camustraat en de omringende bebossing de zichtbare begrenzing. Het oude landhuis met zijn bijgebouwen en moestuin vormt een eerste eigendom van circa 8 hectare. Het tweede deel heeft als kern de villa in pseudo-vakwerk uit 1930, waarvan de terrassen en de tuin aangelegd zijn op advies van Russell Page. Deze tuin kenmerkt zich door een sterk uitgebouwde planten en bomencollectie, waar men onder meer Gentse harde azalea’s aantreft, rododendrons, magnolia’s, platanen, kerria, Perzisch ijzerhout, cornussen,… Deze aanleg sluit evenwel zonder begrenzing aan op het oudere parkdeel. Denise Fontaine koos de naam van het huis niet omdat er trilpopulieren (Populus tremula) groeien, maar na lectuur van de roman Dominique van de Franse schrijver en schilder Eugène Fromentin (1820-1876), waarin het hoofdpersonage in het kasteel Les Trembles woont in Saint Maurice bij La Rochelle.

Het landgoed telde op zijn hoogtepunt 30 hectare, maar rond 1970-1971 werd 10 hectare bos en boomgaard tussen ‘De Gerstjens’ en de Dender aan de stad Aalst verkocht onder de voorwaarde dat de latere eigenaars van Ronsevaal medezeggenschap zouden behouden over het beheer. ‘De Gerstjens’ is een nagenoeg 50 hectare groot erkend natuurgebied dat deels in privéhanden is en deels gemeentelijk bezit (op Erembodegem en op Aalst). Het bomenrijk park van Ronsevaal loopt daar nu in over. Een zestal hectare weiden worden sinds 2003 in verschillende stappen bebost zodat de aansluiting nog hechter zal zijn.

Parkbomen

In de open strook van het park valt het hoge en brede volume op van de levensboom (Thuja), die meerdere in elkaar verstrengelde takken bezit. Eveneens vermeldenswaardig is de moerbeiboom (Morus) in de moestuin.

Ronsevaal werd tweemaal bezocht voor de dendrologische inventaris van de Vereniging Belgische Dendrologie Belge. Bij een eerste bezoek in 1987-1992 werden er zeven bomen gemeten, bij een tweede bezoek in 2003 waren dat er twintig.

Deze lijst met opgave van de stamomtrek in centimeter omvat een cederesdoorn (Acer negundo, 220 centimeter), Weymouthden (PinusdStrobus, 202 centimeter), honingboom (Sophora japonica, 198 centimeter), Chinese vernisboom (Koelreuteria paniculata, 93 centimeter), Himalayaberk (Betula utilis var. jacquemontii, 164 centimeter), zwarte berk (Betula nigra, 158 centimeter), treurberk (Betula pendula'Youngii', 119 centimeter), Canadapopulier (Populus x Canadensis 'Serotina', 501 centimeter), witte esdoorn (Acer saccharinum ‘Laciniatum’, 404 centimeter), veldesdoorn (Acer campestre, 210 centimeter), zomereik (Quercus robur ‘Fasitigiata’, 273 centimeter), Japanse esdoorn (Acer palmatumOsakazuki, 115 centimeter), metasequoia (Metasequoia gluptostroboides, 286 centimeter en 275 centimeter), katsuraboom/hartjesboom (Cercidiphyllum japonicum, 122 centimeter), tamme kastanje (Castanea sativa 'Asplenifolia', 27 centimeter), magnolia (Magnolia grandiflora, 30 centimeter, 6 meter hoog), witte esdoorn (Acer saccharinum ‘Laciniatum’, 444 centimeter), Japanse cipres (Cryptommeria japonica, 91 centimeter) en mammoetboom (Sequoiadendron giganteum, 320 centimeter).

Bij het plaatsbezoek van 16 maart 2011 in het kader van de opmaak van het beschermingsdossier werd volgend houtig erfgoed geïnventariseerd door J.-Y. De Clippel en G. Van der Linden (omtrek gemeten op 150 centimeter hoogte).

  • Acer saccharinum 'Laciniatum' (zilveresdoorn met ingesneden blad, 480 centimeter omtrek);
  • Betula nigra (zwarte berk, 140 centimeter omtrek);
  • Paulownia tomentosa (Anna Paulownaboom, 79 centimeter omtrek op 50 centimeter hoogte);
  • Tilia tomentosa (zilverlinde, 275 centimeter omtrek);
  • Quercus robur ‘Fastigiata' (zuileik, 283 centimeter omtrek);
  • Acer negundo (vederesdoorn, 255 centimeter omtrek);
  • Robinia (acacia, 111 centimeter omtrek);
  • Sophora japonica (Japanse honingboom, 219 centimeter omtrek);
  • Koelreuteria paniculata (Chinese vernisboom, 109 centimeter omtrek op 50 centimeter hoogte);
  • Populus lasiocarpa(ruwvruchtige populier, 96 centimeter omtrek);
  • Sequoiadendron giganteum (mammoetboom);
  • Populus x canadensis 'Serotina' (Canadapopulier, 431centimeter);
  • Parrotia persica (Perzisch ijzerhard);
  • Liriodendron tulipifera (tulpenboom, 340 centimeter omtrek);
  • Betula pendula 'Youngii' (prieelberk, 120 centimeter omtrek);
  • Pinus strobus (Weymouthden, 206 centimeter omtrek);
  • Taxodium distichum(moerascipres, 164 centimeter omtrek);
  • Platanus x hispanica (gewone plataan, 343 centimeter omtrek);
  • Platanus x hispanica (gewone plataan);
  • Metasequoia glyptostoboides (watercipres, 331 centimeter);
  • Metasequoia glyptostoboides (watercipres);
  • Pterocarya fraxinifolia (Kaukasische vleugelnoot, kruindoormeter van 43 meter; circa 20 stammen);
  • Populus nigra'Italica' (Italiaanse populier);
  • Taxodium distichum (moerscipres, 245 centimeter omtrek);
  • Taxodium distichum (moerascipres);
  • Salix alba'Tristis' (treurwilg);
  • Salix alba'Tristis' (treurwilg);
  • Salix alba'Tristis' (treurwilg);
  • Salix alba'Tristis' (treurwilg);
  • Salix alba'Tristis' (treurwilg);
  • Populus x canadensis 'Serotina' (Canadapopulier, 515 centimeter omtrek);
  • Corylus avellana (boomhazelaar);
  • Thuja plicata (reuzenlevensboom, 212 centimeter omtrek, kruindoormeter van 23 meter; circa 10 stammen);
  • Cryptomeria japonica (Japanse ceder);
  • Fagus sylvatica (gewone beuk, 445 centimeter omtrek);
  • Pinus sylvestris (grove den);
  • Acer campestre (veldesdoorn, 209 centimeter omtrek);
  • Pinus strobes (Weymouthden, 186 centimeter omtrek);
  • Aesculus hippocastanum (witte paardenkastanje, 357 centimeter omtrek);
  • Ginkgo biloba (Japanse notenboom, 139 centimeter omtrek);
  • Sophora japonica (Japanse honingboom).
  • DE MAEGD C. 2010: Ronsevaal, een landgoed in Aalst, als bekroning van maatschappelijk succes (1), Historische Woonsteden & tuinen IV.168, 2-9.
  • GHYSENS J. s.d., Geschiedenis der straten van Aalst, Aalst.
  • GHYSENS J 1997: Industrie en merknamen. Aalst 1840-1940, Aalst.
  • JOHNSON H. 1981: De kunst van het tuinieren, Oorsprong, ontwikkeling en praktijk van de tuinkunst, Ede.
  • MAINZ K. 2001: Over bouwen en verbouwen. De textielnijverheid in het arrondissement Aalst (1914-1944). Een industriële archeologie (onuitgegeven scriptie), 171.
  • ROCHET B. 2005: De Belgische administratie tijdens de bezetting; de wieg en moederschoot van de naoorlogse modernisering?, SOMA XXIV Berichtenblad 39.
  • VAN DER BRUGGEN J. 1976 : La résistance, in Louis Camu (1905-1976), Brussel, 32.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal Beschermingsdossier 4.001/41002/102.1, Aalst: Het domein Ronsevaal.
Auteurs :  De Clippel, Jean-Yves, De Maegd, Christiane, Lanclus, Kathleen, Van der Linden, Geert
Datum  : 2012

Aanvullende informatie

De moerbei in de moestuin blijkt volgens een buurtbewoner een groep van vier afzonderlijke bomen te zijn in plaats van één exemplaar.

  • Mondelinge informatie verkregen van een buurtbewoner (7 januari 2016).
Auteurs : Cox, Lise
Datum: 20-01-2016

Relaties

  • Omvat
    Acacia domein Ronsevaal

  • Omvat
    Amerikaanse tulpenboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Anna Paulownaboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gele treurwilg bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gele treurwilg bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gele treurwilg bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gele treurwilg bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gele treurwilg domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone beuk domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone hazelaar domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone moerascipres domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone moerascipres domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone moerascipres domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone plataan domein Ronsevaal

  • Omvat
    Gewone plataan domein Ronsevaal

  • Omvat
    Grove den domein Ronsevaal

  • Omvat
    Italiaanse populier domein Ronsevaal

  • Omvat
    Japanse honingboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Japanse honingboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Japanse notenboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Kaukasische vleugelnoot bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Koelreuteria paniculata domein Ronsevaal

  • Omvat
    Mammoetboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Parrotia persica domein Ronsevaal

  • Omvat
    Populus lasiocarpa domein Ronsevaal

  • Omvat
    Prieelberk domein Ronsevaal

  • Omvat
    Reuzenlevensboom domein Ronsevaal

  • Omvat
    Serotina Canadapopulier domein Ronsevaal

  • Omvat
    Serotina Canadapopulier domein Ronsevaal

  • Omvat
    Sikkelcipres domein Ronsevaal

  • Omvat
    Vederesdoorn domein Ronsevaal

  • Omvat
    Veldesdoorn domein Ronsevaal

  • Omvat
    Watercipres bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Watercipres bij vijver domein Ronsevaal

  • Omvat
    Weymouthden domein Ronsevaal

  • Omvat
    Weymouthden domein Ronsevaal

  • Omvat
    Witte esdoorn met ingesneden blad domein Ronsevaal

  • Omvat
    Witte paardenkastanje domein Ronsevaal

  • Omvat
    Zilverlinde domein Ronsevaal

  • Omvat
    Zuileik domein Ronsevaal

  • Omvat
    Zwarte berk domein Ronsevaal

  • Is deel van
    Aalst

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Domein Ronsevaal [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/166 (Geraadpleegd op 07-12-2019)