erfgoedobject

Klompenmakerij De Kimpe

bouwkundig element
ID
17604
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/17604

Juridische gevolgen

Beschrijving

De voormalige klompenmakerij De Kimpe uit het eerste kwart van de 20ste eeuw, is een uitzonderlijk bewaarde site die tot op heden alle wezenlijke onderdelen van een kleinschalige familiale klompenmakerij bewaart: een klompenmakerswoning, een blokstal met werkhuis, een zone voor stockage van de boomstammen, en een rookoven met gensterboom. Het betreft een zeldzame getuige van de klompenmakersnijverheid in het Land van Waas, dat reeds in de 17de eeuw op ruime schaal klompen produceerde. Vanaf de tweede helft van 19de eeuw groeide de regio zelfs uit tot het grootste productiecentrum in België met bijna zevenhonderd klompenmakerijen.

Inplanting

De voormalige klompenmakerij De Kimpe bevindt zich in Bazel, deelgemeente van de gemeente Kruibeke. De site situeert zich ten westen van het dorpscentrum van Bazel en de hoofdbaan, de Nieuwe Baan en de Rupelmondsestraat, die de dorpskern doorkruist. De Daalstraat is een lange kronkelende straat, die reeds bestond op het einde van de 18de eeuw, confer de Ferrariskaart van 1771-1778 en waarvan de straatnaam 'Daelstraat' reeds voorkomt op het Primitief Plan van 1830-1833 en de Poppkaart van circa 1860. Het straatdeel waar de vroegere klompenmakerij ligt, wordt op dezelfde kaarten gesitueerd tussen 'Wijnackershoek' (noorden) en 'Molenkouter' (zuiden).

Historiek

De huidige gebouwen van de voormalige klompenmakerij De Kimpe dateren uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. De locatie was echter al bebouwd in de loop van de 18de eeuw (confer de Ferrariskaart van 1771-1778). Omstreeks 1912 kocht weduwe Joseph Clementine De Kimpe – Sannen, winkelierster uit Sint-Niklaas, de 18de-eeuwse gebouwen, liet deze afbreken en richtte het huidige woonhuis aan de straat en een achterin gelegen ruraal gebouw op. De bijhorende tuin vormde ze om tot boomgaard. Een aantal jaar later, in 1917, liet dezelfde dame het ruraal gebouw van 1912 afbreken en volledig heropbouwen tot de huidige klompenmakerij. De omliggende grond bleef in gebruik als boomgaard.

De oprichting van klompenmakerij De Kimpe in 1917 paste volledig binnen de historische ontwikkeling in het Waasland en specifiek in Bazel, waar het klompenmakersambacht tijdens de Eerste Wereldoorlog tot en met 1921 een sterke remonte kende.

Over de geschiedenis en de werking van de klompenmakerij De Kimpe vertelde de heer De Kimpe in 2012 dat het een familiaal ambachtelijk bedrijf was dat, ondanks het feit het geen grote machines had, aanzienlijke hoeveelheden klompen leverde voor de Belgische koolmijnen, voor de gemeente Sint-Gillis-Waas en voor diverse slachthuizen.

Het klompenbedrijf De Kimpe bleef actief tot en met de jaren 1945-1946. Door de opkomst van en de concurrentie met de goedkopere rubberlaarzen en modern schoeisel in synthetisch materiaal, nam de vraag naar klompen af en waren de kleinschalige familiale en arbeidsintensieve klompenmakerijen niet meer rendabel. Ook andere kleine klompenmakerijen die in de Daalstraat gevestigd waren verdwenen volledig.

Beschrijving

Klompenmakerswoning

Het bescheiden woonhuis met dubbelhuisopstand is parallel aan de straat gebouwd. Het in 1912 opgetrokken breedhuis telt één bouwlaag en drie traveeën onder een zadeldak bedekt met Vlaamse pannen. Qua typologie is dit woonhuis als een boerenarbeidershuis te classificeren. Niettegenstaande het bescheiden volume is deze baksteenbouw voorzien van decoratief uitgevoerd metselwerk. De straatgevel is verrijkt met kleurrijke baksteenbanden in gele, lichtgrijze en beige toonaarden ter hoogte van de getoogde muuropeningen en het hoofdgestel die de horizontaliteit en de vormgeving benadrukken. Deze licht getinte bakstenen, samen met het gebruik van de lichtgekleurde metselspecie, vormen een mooi contrast met de donkerrode en mogelijk handgevormde bakstenen.

De getoogde voordeur met eenvoudige houten deur (met getralied deurluikje of deurspionnetje) en met structuurglas beglaasd bovenlicht, wordt aan weerskanten geflankeerd door een beluikt getoogd venster voorzien van een rolluik en sober houten guillotineraam. Boven de centraal geplaatste deur is er een merkwaardig met plankwerk opgevuld paneel waar zich vroeger wellicht een opschrift of huisnaam bevond.

Een bruin geschilderde geprofileerde houten dakgootbak lijnt het geveleinde af.

De vrijstaande zuidelijke zijgevel grenst aan de gekasseide oprit. De begane grond heeft een klein rond venstertje op manshoogte nabij de straathoek, dat de mogelijkheid bood om van binnenuit de straat, oprit en zone voor houtopslag in het oog te houden. Dit was een typisch element dat ook bij andere klompenmakerijen aanwezig was. Daarnaast zijn er nog twee rechthoekige vensters.

De puntgeveltop heeft twee beluikte vensters, waarvan het linker met rondboogvorm het meest authentieke is. Een venster met dezelfde vormgeving is ook aangebracht in de noordelijke zijpuntgeveltop. De begane grond van de noordelijke zijgevel is door een aanbouw van het aanpalende huis aan het gezichtsveld onttrokken.

Ter hoogte van de oostelijk georiënteerde achtergevel lengt het pannen zadeldak uit en wordt het hoofgestel van de achtergevel deels verstopt door een dakoverstek op houten schoren. Via een lage aanbouw met jongere veranda staat het woonhuis in verbinding met de vroegere klompenmakerij.

Blokstal
Exterieur

De losstaande blokstal van 1917 is op het achtererf achter de woning, haaks op de straat ingeplant, met de voorgevel naar het zuiden gericht vanwege de maximale lichtinval. Het betreft een zeer herkenbaar bakstenen ruraal gebouw van vijf traveeën onder een ver overkragend zadeldak bedekt met zwarte en rode Vlaamse pannen, op houten schoren. Het gebouw is functioneel ingericht met vroegere werkruimte op de begane grond en de tot in de daknok doorlopende droogzolder op de eerste verdieping. Voortgaande op de vormgeving lijken de bakstenen handgevormd. De blokstal is toegankelijk via een centraal geplaatste houten opgeklampte deur in dito kader en met dito bovenlicht. De gelijkvloerse verdieping wordt gemarkeerd door rechthoekige vensters met houten latei, waarvan de drie rechter vensters de herkenbare typologie van blokvensters hebben. De schuiframen boden de mogelijkheid om de ruimte snel te verluchten. De zolderverdieping is boven de werkruimte deels opengewerkt en met houtwerk ingevuld. Deze droogzolder met kenmerkende verticale en horizontale schoepenbebording bedoeld om de klompen in te laten drogen, is beschut voor zon en regen door het ver overkragend dak. Het gemetste linkerdeel van de bovenbouw is voorzien van een vierkant houten raam. De noordelijk georiënteerde achtergevel is zoals gebruikelijk blind. Ook de westelijke zijgevel die via een jongere veranda verbonden is met het woonhuis en de oostelijke zijgevel met lage uitbouw hebben geen vensteropeningen.

Interieur

De vroegere blokstal is inwendig opgedeeld in twee zones: een woonruimte links en werkruimte rechts. Het linkergedeelte van de begane grond is naar verluidt na de stopzetting van de klompenmakerij omgevormd tot een deel van het woonhuis. De oorspronkelijke afmetingen, de dragende structuur met balklagen en de brede schouw tegen de westelijke zijgevel bleven daarbij wel behouden.

De vroegere werkruimte (rechts) beslaat één kamer die via een binnenwand van de ingang gescheiden is. De aankleding van het atelier is sober en functioneel en herbergt eveneens de oorspronkelijke balkenroostering, heden verstevigd door metalen liggers. De open zolderverdieping, bereikbaar via een steile begin 20ste-eeuwse houten steektrap, werd vroeger gebruikt als droogloods en als opslagruimte. De zolder is opgedeeld in twee ruimtes en voorzien van een sobere begin 20ste-eeuwse spantenstructuur in olmenhout. Een deel van de zuidzijde (erfzijde) is opengewerkt met het voor een klompenmakerij typische houten stijl- en regelwerk.

Tegen de oostelijke zijgevel van de blokstal van 1917 werd op een later tijdstip een lager volume aangebouwd bedoeld als uitbreiding van de werkruimte in de blokstal. Deze eenvoudige lagere aanbouw, deels in houtbouw en deels in metselwerk onder een overkragend mank zadeldak op schoren, fungeerde als werkhuis. De openingen in de zuidgevel waren aanvankelijk bestemd om de klompen te stapelen en te laten drogen. Tegen de oostelijke zijgevel van de blokstal is een handpomp bewaard.

Rookoven
Exterieur

Ten zuidoosten van het woonhuis en ten zuiden van de blokstal bleef op het achtererf een rookoven bewaard. Traditioneel werd deze constructie vanwege veiligheidsredenen op afstand van het woonhuis en/of het atelier gebouwd. De rookoven diende om de bij voorkeur natte klompen te roken, ze zo vochtbestendiger te maken en ze donkere kleuren te geven, die vervolgens verlucht konden worden met tekeningen en figuren. Het gebruik van rookovens kende een bloei vanaf de jaren 1912 en bood klompenmakers de mogelijkheid om een eigen decoratief ontwerp en type te ontwikkelen waarmee ze zich konden onderscheiden van andere bedrijven. De roet- en teerafzetting door de rook op de klompen beschermde het hout ook beter tegen het vocht. Het gebruik van rookovens was vooral een Waaslands fenomeen. In de andere Vlaamse en Waalse productiecentra kwam het nagenoeg niet voor.

De rookoven is een kleine baksteenbouw, met vierkant grondplan, onder een zadeldakje bedekt met Vlaamse pannen. Voortgaande op de vormgeving lijken de bakstenen van klein formaat handgevormd. Een smalle houten opgeklampte deur met oorspronkelijk hang- en sluitwerk, is aangebracht in de westelijk georiënteerde voorgevel. De achter- en zijgevels zijn blind. Schietankers in de zijgevels.

Interieur

De smalle binnenruimte van de rookoven is opgetrokken in een tweede laag van gesinterde baksteen en wordt overwelfd door een gedrukt bakstenen tongewelf. Het metselwerk is door het vroegere gebruik nog steeds zwart geblakerd. In de nok hangen ijzeren staven, destijds bestemd om klompen aan vast te hangen om te kunnen roken. Het gebouwtje wordt thans gebruikt als tuinberging.

Erf, zone voor houtopslag en lindeboom

De oprit van het erf ten zuiden van en langsheen het woonhuis en de blokstal is verhard en gekasseid. De oprit wordt ten zuiden begrensd door een groene tuin. Deze zone deed vroeger dienst als stockageplaats voor de gekapte Canadapopulieren. Deze zone voor houtopslag was een essentieel onderdeel van een klompenmakerssite. Het was namelijk gebruikelijk dat aangekocht gekapt wilgen- en/of populierenhout bij de klompenmaker gedurende een zestal maanden in openlucht 'te rusten' werd gelegd vooraleer het hout tot klompen te verwerken. Door afdekking met graszoden werd uitdroging van het hout voorkomen.

Een lindeboom (Tilia) ten einde van de oprit op het achtererf en nabij de rookoven, markeert de vroegere zone voor houtopslag. Voortgaande op de omvang en de mooi gevormde kruin werd deze boom wellicht bij de opstart van de klompenmakerij in het begin van de 20ste eeuw geplant en maakt ze deel uit van de oorspronkelijke erfbeplanting. Dergelijke lindebomen werden traditioneel gebruikt als schermbeplanting of schaduwlinde. Het was gebruikelijk de bomen zuidwaarts van huizen aan te planten als zonwering. Bij de voormalige klompenmakerij De Kimpe zorgde de lindeboom voor beschutting ter hoogte van de blokstal, waardoor de onder de dakoverstek te drogen gestockeerde klompen niet aan overmatig zonlicht werden blootgesteld en tevens tegen regen en wind werden beschermd. Wellicht kon gelijktijdig de voorliggende houtstapelplaats deels tegen regen en zonlicht beschut worden. In Oost-Vlaanderen zijn ook een aantal voorbeelden bekend van bomen die specifiek als gensterboom bij een bakoven werden aangeplant. Een gensterboom diende om de oven tegen neerslag te beschutten maar vooral om met zijn dik bladerdek opvliegende gensters tegen te houden en te voorkomen dat een nabijgelegen huis of houtopslagplaats zou branden. Bij de voormalige klompenmakerij De Kimpe werd teruggegrepen naar dit oud gebruik dat voornamelijk bij landbouwbedrijven voorkwam. Voor zover bekend is de lindeboom fungerend als gensterboom bij de klompenmakerij De Kimpe de enige in situ bewaarde. Naast de zon- of brandwerende functie werd een lindeboom traditioneel ook voor andere zaken gebruikt: het snoeihout diende om te stoken of als gerief- of constructiehout, jonge blaadjes fungeerden als loofvoedering en de bloesems trokken bijen aan. Veel vroeger werd een lindeboom daarbij ook magische krachten toegedicht, waarbij men geloofde dat door de zuiverende werking van de bomen de bewoners op het erf beschermd werden van kwade invloeden.

  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Primitief Plan, circa 1830-1833, door landmeter Vandernaillen.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Register 223 Bazel, 1912; 1918.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Mutatieschetsen Bazel, 1865-1866/14; 1877/3, 1912/1; 1918/4 .
  • Onroerend Erfgoed, inventarisarchief.
  • COUTUER G. 1996: Een uitgestorven beroep: klompenmaker, Triverius XXVI/1, 39-45.
  • DE KEYZER E. 2015: Een geschiedenis van de Wase klompenmakerij, Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas 118, 27-75.
  • DE SMET E. 1978: Gezien in het Heemkundig Museum te Eeklo. De Klompenmaker, Ons Meetjesland 11.1, 4-12.
  • MARIS A. 1976: Bazel in Waas, Land, volk en kerk, Bazel.
  • NOUWEN R. & FRENKEN L. 2006: Een klompenrookkot uit Vrasene (laatste kwart van de negentiende eeuw), Van mensen en dingen IV 2, 121-132.
  • VERACHTERT L. 2010: Klompen en klonen, blokken en holen. Klompenambacht in de Kempen, Antwerpen.
  • Mondelinge gegevens verstrekt door de heer De Kimpe, zoon van de oprichter van de klompenmakerij De Kimpe, bij plaatsbezoek op 5 september 2012 door het agentschap Onroerend Erfgoed.
  • Mondelinge gegevens verstrekt door Geert Van der Linden en Koen Smets, erfgoedonderzoekers bij het agentschap Onroerend Erfgoed, op 6 juni 2018.

Bron     : Duchêne H. 2018: digitaal beschermingsdossier 4.001/46013/112.1, voormalige klompenmakerij De Kimpe
Auteurs :  Duchêne, Helena
Datum  : 2018


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Klompenmakerij De Kimpe [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/17604 (Geraadpleegd op 08-05-2021)