erfgoedobject

Kantoorgebouw De Noordstar en Boerhaave

bouwkundig element
ID: 18301   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/18301

Juridische gevolgen

Beschrijving

Kantoorgebouw van de verzekeringsmaatschappij "De Noordstar en Boerhaave" gebouwd in nieuwe zakelijkheid naar ontwerp van architect Marc Neerman (1932) met een uitbreiding naar ontwerp van Henk De Smet (1986). 

Historiek

In 1919 werd De Noordstar opgericht als een onafhankelijke Vlaamse verzekeringsmaatschappij, en twee jaar later het filiaal Boerhaave, dat zich vooral richtte op de Vlaamse geneeskundige wereld. Beide maatschappijen smolten in 1936 samen.

In november 1931 organiseerde de beheerraad van De Noordstar een beperkte architectuurwedstrijd voor een nieuw kantoorgebouw waarop vijf ontwerpen werden ingediend, met name door de architecten (André) Claessens, (Jan-Albert) De Bondt, (Oscar) Vandenhoeck, Lotigiers en Marc Neerman. 6 maart 1932 werd de opdracht toegekend aan die laatste. Neerman had ondanks zijn jonge leeftijd al heel wat ervaring opgedaan, voornamelijk in Sint-Niklaas en vanaf 1930 in Gent, en ook zijn Vlaamse overtuiging speelde ongetwijfeld mee in deze keuze. Door zijn vroegtijdig overlijden in 1944 blijft dit gebouw zijn grootste realisatie. Neermans architectuur onderging een sterke invloed vanuit Nederland, eerst van het expressionisme met zijn opvallende vormen en gevarieerde metselverbanden, later – en meer bepaald vanaf De Noordstar – van de meer zakelijke architectuur van Willem M. Dudok. Die wordt gekenmerkt door asymmetrische composities van eenvoudige horizontale en verticale volumes met een parement van gele baksteen en horizontaliserend voegwerk.

Het uitgevoerd ontwerp sluit grotendeels aan bij het wedstrijdontwerp van Neerman. In het linkerdeel werd wel een tweede inkompartij toegevoegd en de ronde vensters erboven werden vervangen door lange, verticale exemplaren wat het gebouw een iets statigere indruk gaf, passend bij de functie van het gebouw en het vertrouwen dat de firma wilde uitstralen. Een alternatief ontwerp van Neerman met een volledig beglaasde gordijngevel bleef onuitgevoerd, waarschijnlijk omwille van technische en financiële complicaties, en ook de grote verticale letters die het rechterdeel sierden als een reclamezuil werden nooit uitgevoerd. In mei 1932 – amper twee maand na de toekenning van de opdracht aan Neerman – werd gestart met de paalfundering en begin 1933 kon het gebouw al deels in gebruik genomen worden. Ook de erkenning volgde snel. In 1934 kreeg het project een eerste vermelding bij de architectuurwedstrijd Van de Ven en het gebouw werd ook lovend besproken in de tijdschriften La Cité en Bâtir.

Het gebouw bleef een viertal decennia onaangeroerd maar in 1971 werden twee verdiepingen toegevoegd naar ontwerp van de Kortrijkse architect J. Baert (Kortrijk). Hierbij werden zowel de linker- als de rechtertravee verhoogd waardoor het asymmetrische karakter van het gebouw grotendeels verloren ging.

In 1983 kreeg architect Henk De Smet de opdracht om op de hoek van de Abdisstraat (waar voordien enkele rijwoningen stonden) een uitbreiding van het kantoorgebouw te ontwerpen in samenwerking met Hans Baert en diens medewerker Jacques Pattyn. Ook de partner van Henk De Smet, architecte Lutgard Claus, was bij het ontwerp betrokken. De werken startten in 1985 en werden in november 1986 voltooid. In 1994 maakten Henk De Smet en Paul Vermeulen nog een ontwerp voor twee kabinetten in de kleine hal op de begane grond, bestaande uit twee meubels met spiegelwanden, maar dit ontwerp bleef onuitgevoerd.

Sinds 2002 wordt het gebouw gebruikt voor onderwijs, aanvankelijk door de Hogeschool Gent en vanaf 2013 door de Universiteit Gent. Hiervoor werd aan de zijde van de Abdisstraat de bestaande bakstenen scheidingsmuur doorbroken en de ronde gordijngevel op de begane grond vervangen door een vlakke gevel met een centrale inkom.

Beschrijving

Het hoofdgebouw van 1932 getuigt van een kubistische zakelijke baksteenarchitectuur, oorspronkelijk met asymmetrische opbouw: een brede horizontale vleugel met werkruimtes en een verticaal hoger oplopend rechtergedeelte voor de circulatie. Het gebouw wordt gemarkeerd door twee hoog oplopende zijtraveeën met telkens een deur onder een luifel en verticale vensterbanden (glas in lood) in de bovenverdieping. Het iets vooruitspringend hoofdgedeelte, oorspronkelijk met drie bouwlagen en een plat dak, wordt op de begane grond gemarkeerd door een breed vensterregister (met glas in lood in het bovenste gedeelte), geleed door lisenen in faiencetegels, een rechthoekig, gevelbreed balkon en smalle hoge vensterbanden op de bovenverdieping. Deze twee per twee gegroepeerde vensterbanden zijn ontleend aan de architectuur van Dudok (meer bepaald het raadhuis van Hilversum), net zoals de keramische tegels tussen de ramen op de begane grond. Ook de gele paramentsteen is typisch Nederlands (Belvédère of baksteen van Dieren), net zoals het horizontaliserende metselverband (smalle stootvoegen en schuin afgewerkte horizontale voegen, ook wel Dudokvoeg genoemd). Het metalen schrijnwerk van de vensters en de deuren bleef bewaard. In tegenstelling tot de asymmetrische en plastische voorgevel is de achtergevel symmetrisch en functioneel met grote vensters (metalen roedeverdeling) die de bureaus verlichten, en uitspringende hoektraveeën met kleine, verticale vensters.

De planindeling is gelijkaardig op elke verdieping met een centrale grote zaal aan de tuinzijde en daarrond in U-vorm oorspronkelijk kleinere lokalen waaronder de bureaus van de leidinggevenden aan de straatzijde (heden ruime hal). Rechts bevindt zich een kleine maar impressionante hal, die een doorkijk biedt doorheen de gehele hoogte van het gebouw. De hal valt op door het gebruik van verschillende marmersoorten voor de vloerbekleding (wit met zwarte marmering, rood en zwart met witte marmering), voor de lambriseringen en voor de opvallende trap met een dynamische aanzet en een decoratieve combinatie van witte marmeren trappen en zwarte marmeren stootborden. De trappenhal links is meer sober uitgewerkt (met granito en eenvoudige, smeedijzeren leuningen) maar bleef ook bewaard. 

De in 1971 uitgevoerde verhoging telt twee bouwlagen onder een plat dak tussen de verhoogde linker- en rechtertravee , en is aan de voor- en achterzijde afgewerkt met een metalen gordijngevel.

De uitbreiding van 1986 is een halfopen volume van drie bouwlagen, waarvan de drie gevels vrij gelijkaardig zijn opgevat, met twee trapsgewijs verkleinende volumes erboven van respectievelijk twee en één bouwlaag, alle onder een plat dak. De drie gevels van het hoofdvolume hebben centraal een gebogen gordijngevel waarvan de bovenste lijn gelijk is maar de onderzijde oorspronkelijk verschilde in hoogte.

Waar sommige voorontwerpen nog eerder postmodern waren met historiserende verwijzingen, werd bij de realisatie gekozen voor een uitgepuurde, geometrische vormgeving met eerder subtiele verwijzingen naar het hoofdgebouw en de omgeving. Op die manier werd een evenwicht bekomen tussen contextuele integratie en architecturale autonomie. De integratie wordt bekomen door zichtbare referenties aan het gebouw van Neerman:

  • de hoogte van het architecturale hoofdvolume;
  • de keuze voor metselwerk en het coloriet ervan;
  • de horizontale lijnen aan de Groot-Britanniëlaan;
  • de vensters in de bovenste bouwlaag van het hoofdvolume die het ritme verderzetten van de vensters in de hoektraveeën van de achtergevel.

Meer impliciete, conceptuele verwijzingen naar het gebouw van Neerman zijn:

  • de gebogen glazen gordijngevel die refereert aan het onuitgevoerd voorontwerp van Neerman;
  • het metselwerk dat, net zoals dat van Neerman’s gebouw destijds, geïnspireerd is door een befaamd Nederlands architect (in het geval van de uitbreiding de Nederlandse straatklinkers van Aldo Van Eycks Burgersweeshuis in Amsterdam uit 1960). Dit metselwerk werd ook gekozen omwille van de egale kleur, de thermische kwaliteiten en de nagestreefde massawerking als tegenpool voor glazen gordijngevels.

Ten slotte bevat het gebouw ook enkele andere verwijzingen:

  • de bovenbouw die qua volume refereert aan de uitbreiding van 1971 en deze hierdoor opwaardeert;
  • de bandramen in de bovenbouw (zijde Groot-Brittanniëlaan en Nonnemeersstraat) die verwijzen naar het modernistische huis De Waele (1933) van Gaston Eysselinck aan de overzijde van de Abdisstraat, met de aan Le Corbusier ontleende fenêtres en longeur.

De architecturale autonomie berust in de combinatie van eenvoudige geometrische volumes (een stapeling van vergelijkbare kubussen en een glazen cilinder in een massieve kubus), de benadrukte symmetrie (door gebogen glazen wanden en door de halfcirkelvormige roestvrij stalen zuilen die de bandramen in de bovenbouw verbinden) en de postmodernistische dialoog van verschillende soorten vensters (traditionele verticale vensters en modernistische bandvensters en gordijngevels). Een sprekend detail in het interieur zijn de kolommen die versmallen naar boven toe in overeenstemming met hun beperktere draagkracht, van rond, over kruisvormig en T-vormig tot I-vormig.

  • Stadsarchief Gent, Bouwaanvragen particuliere woningen, G12, 1932/B/24.
  • ALLAERT D. 1983: Architect Marc Neerman (1900-1944) Leven en werk: een overzicht, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Kunstgeschiedenis RUG.
  • BEKAERT G. 1995: Hedendaagse architectuur in België, Tielt, 221.
  • BOGAERT C., LANCLUS K. & VERBEECK M. 1983: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, 19de- en 20ste-eeuwe stadsuitbreiding, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4NC, Brussel - Gent.
  • DE SMET H., VERMEULEN P., VANDERMARLIERE K. e.a. 1996: Henk De Smet & Paul Vermeulen. Hernemingen, verdichtingen, economie, Antwerpen.
  • DUBOIS M. e.a. 1986 : De Noordstar en Boerhaave NV, een kantoorgebouw, Gent.
  • DUBOIS M. 1987 : De Noordstar en Boerhaave Gent, A+ 94-95, 30-37.
  • DUBOIS M. & STALS S. 1991 : 1980 – 1990 Fragmenten van architectuur in België, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen3, 102.
  • FRANCOIS L. 1934 : Le Concours Van de Ven, La Cité3, 37-40.
  • GILLIS P. 1935: L'immeuble de la "Noordstar" à Gand, Bâtir 26, 20.
  • VAN DEN DRIESSCHE L., DROSCHKE A.J., BURNIAT P. 1986: Architectura Belgica 1986, Brussel, 100-107.

Auteurs :  Bogaert, Chris, Lanclus, Kathleen, Vandeweghe, Evert, Verbeeck, Mieke
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kantoorgebouw De Noordstar en Boerhaave [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/18301 (Geraadpleegd op 16-10-2019)