Guislaingesticht

Psychiatrische inrichting Dr. Guislain, zogenaamd "Kliniek Lumen", voorheen zogenaamd "Krankzinnigen gesticht voor mannen", later zogenaamd Guislaingesticht, genoemd naar de oprichter prof. Dr. Jozef Guislain (1797-1860), een der voorlopers van de moderne psychiatrie. Prof. Guislain was namelijk een der eersten in ons land die de krankzinnigheid voorstelde als een ziekte die kon genezen worden. In 1824 tekende hij reeds een plan voor een krankzinnigenhospitaal waarmee hij een prijs behaalde in de "Société des Beaux Arts" te Brussel. Hij was eveneens medewerker voor het opstellen van de wet van 1850 die de behandeling van krankzinnigen aan nieuwe, meer wetenschappelijke en meer humane voorschriften onderwierp. Voor de oprichting van een nieuw "gesticht" stelde Guislain verschillende voorwaarden. Het moest vooreerst gebouwd worden op het platteland. Men koos de wijk ten noorden van de Brugse Poortwijk, toen nog volledig landelijk. Het terrein bedraagt circa elf hectare. De gebouwen moesten bovendien een indruk van rust, vrijheid en veiligheid oproepen, daarom mochten zij slechts twee bouwlagen hoog zijn, en een groot deel van het terrein moest worden ingenomen door tuinen, velden en binnenplaatsen. Na verscheidene voorontwerpen werd het uiteindelijk ontwerp van stadsarchitect A. Pauli in samenwerking met en volgens de richtlijnen van prof. Guislain zelf, uitgevoerd. De werken, aangevat in 1851, sleepten meer dan twintig jaar aan (tot 1876). Guislain wordt de eerste bestuurder van het gesticht dat in 1857 in gebruik wordt genomen. Na een brand in 1928 werden de rechter- en linkervleugel gerestaureerd en hier en daar voorzien van kleine aanbouwsels (onder meer voor trap, wc), tevens bouwde men voor de hoofdingang een huis voor de geneesheer en een voor de aalmoezenier, richtte men op de binnenplaats een nieuwe kapel op en ten noorden bouwde men een watertoren. Thans worden er ongeveer 600 patiënten verpleegd onder leiding van de broeders van Liefde. Het O.C.M.W. is eigenaar van de gebouwen.

Het oorspronkelijke grondplan getuigt van de harmonieuze wisselwerking tussen architect en arts. Twee langwerpige vleugels ten zuidwesten afgesloten door galerij met portiek en ten noordoosten halfcirkelvormig afgesloten. Naar de veldzijde toe verschillende aanbouwsels volgens een symmetrisch grondplan, met uitzondering van de recentste. Guislain voorzag een strikte indeling met een afdeling per ziekte en geneesbaarheid, op zijn beurt ingedeeld in betalende en niet betalende patiënten (laatst genoemde ten laste van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen of armenzorg). Iedere afdeling bevat een hospitaal voor de behandeling, een tehuis voor ongeneeslijken, een huis voor morele en fysieke opvoeding, lagere school, ateliers en isolatieplaats voor zieken. Het terrein is volledig omhaagd, een tweede afsluiting dichter bij de gebouwen omsluit de moestuinen. Het complex gebouwen is opgetrokken in eclectische stijl met vermenging van neoromaanse elementen (rondboogvensters en -friezen), neogotische stijl (pinakels, hogers) en neorenaissance (rondbooggalerij rondom binnenplaats). Gebouwd in baksteen van Veurne en Boom.

Voorzijde en ingang. De voorkant bestaat uit een lage rechthoekige verbindingsvleugel van één bouwlaag met centrale ingangspoort tussen twee lange rechthoekige vleugels loodrecht op de straat. Rondboogvormige poort in geprofileerde arduinen omlijsting gevat tussen hoger opgaande pilasters en bekroond met een door middel van driepassen opengewerkte attiek en centrale rondboognis op geprofileerde neogotische console (voorheen met beeld "De Psychiatrie"). Links en rechts ervan portiersloges geritmeerd door oorspronkelijk open rondboogarcades van drie traveeën met dito vensters (een latere aanpassing).

Twee identieke rechthoekige hoofdvleugels van twee bouwlagen sluiten aan op deze verbindingsvleugel. Westgevels met topgevels van drie traveeën afgelijnd door pilasters met bakstenen bekroning. Evenals de andere gevels voorzien van rondboogvormige vensters met tweeledig (Italiaans) tracé met kleine, metalen roedeverdeling. Op borstwering bakstenen cordons met verwerking van vierpas onder de doorlopende lekdrempels. Puntgevel afgewerkt met beeldnis op bakstenen voet en twee consoles en muizentandfries, hogers boven de kroonlijst (terracotta?). Gevels uitziend op de binnenplaats. Op begane grond galerijen met reminiscenties aan de Italiaanse renaissance: rondboogarcade met rechthoekige geprofileerde, bakstenen pijlers. Borstwering versierd met medaillons en fries met vierpassen als scheiding tussen de verdiepingen. Zelfde rondboogvensters met bekronende waterlijst en ijzeren leuning. Gelijkaardige gevelafwerking, als de voorzijde, en hier en daar risaliet met zelfde topgevel, doch met gekoppelde vensters zoals Venetiaans drielicht. De begraasde en beplante binnenplaats is onderverdeeld door verbindingsgalerijen. Op de plaats van de eerste verbindingsvleugel staat nu de kapel.

Gele bakstenen kapel in aangepaste stijl naar ontwerp van Alfons Van de Vijver van 1928. Soort T-vormige plattegrond met in de oksels van de twee vleugels sacristieën. Naast de ingang respectievelijk ten zuiden vestiaire en ten noorden trap naar doksaal. In het schip zitplaats der broeders en in de transeptarmen links en rechts van het onderkelderde koor de zitplaatsen der zieken.

De tweede verbindingsgalerij wordt geritmeerd door rondbogen met centrale doorgang. Voormalige sectie voor heftige patiënten: half cirkelvormig aangelegde vleugel van twee kleinere bouwlaag als afsluiting en verbinding van de twee rechthoekige vleugels. Gekoppelde rondboogvormige benedenvensters met waterlijst. Op bovenverdieping kleine rechthoekige openingen en oculi.

Dienstgebouwen. De voormalige stallen zijn ondergebracht in een apart rechthoekig gebouw van twee bouwlagen onder schilddak, vermoedelijk van circa 1854. Hoger uitgebouwde pilasters accentueren de hoeken en de centrale poorttravee. Voorts gevels met rondboogvormige beneden- en rechthoekige bovenvensters geritmeerd door lisenen en horizontaal per verdieping afgelijnd door overhoekse muizentand. Grote rondboogvormige poortomlijstingen over twee verdiepingen in midden van elke gevel. De werkplaatsen ten noorden (1865) vertonen een gelijkaardige ordonnantie, als bij de sectie voor de heftigen en de vroegere stallingen. De huidige klaslokalen (ten zuiden), aansluitend bij ateliers en magazijnen (met huidige wasserij), van 1865: langwerpig gebouw van één bouwlaag onder plat dak geritmeerd door pilasters met bekroning, aangepast in de loop van de 20ste eeuw. Per travee ofwel brede, gebogen vensters of gekoppelde rondboogvenstertjes.

Ten oosten, op het terrein watertoren van 1928 door A. Van de Vijver. Betonnen skeletbouw opgevuld met baksteen; voorts klassiek uitzicht van toren met sterk overkragende bovenbouw.

Woonhuizen van geneesheer en aalmoezenier, respectievelijk links en rechts voor de hoofdingang, naar ontwerp van A. Van de Vijver van 1928. Gele bakstenen gebouwen van twee bouwlagen onder mansardedak (leien) met dakvensters. Gevels verdeeld in rechthoekige nissen door lisenen waarin vensters of blinde muurvlakken. Verscheidene aanbouwsels.

  • Stadsarchief Gent, Bouwaanvragen particuliere woningen, G12, 1928/G/22, 1928/G/25 en 1928/G/29.
  • GUISLAIN J. 1861: Notice sur le nouvel hospice des hommes aliénés à Gand, Sixième rapport de la commission permanente d'inspection des établissements d'aliénés 1859, Brussel.
  • WYLLEMAN L. 1973: Architekt Adolphe-Edouard-Theodore Pauli, 1820-1895, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Rijksuniversiteit Gent, 49-92.

Bron: Bogaert C., Lanclus K. & Verbeeck M. 1983: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, 19de- en 20ste-eeuwe stadsuitbreiding, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4NC, Brussel - Gent.
Auteurs:  Lanclus, Kathleen
Datum: 1983

Je kan deze pagina citeren als: Lanclus, Kathleen: Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain [online], https://id.erfgoed.net/teksten/18316 (geraadpleegd op 25-10-2020)


Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain

Het imposante complex met het huidige Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain, het Museum Dr. Guislain en het Vormingscentrum Guislain, vormde voorheen het zogenaamde Guislaingesticht, daarvoor genaamd Krankzinnigengesticht voor mannen.

Historiek

De oprichter van het krankzinnigengesticht, professor Joseph Guislain (1797-1860), één der voorlopers van de moderne psychiatrie, was één der eersten in ons land die de krankzinnigheid voorstelde als een ziekte die kon behandeld worden. In 1824 tekende hij reeds een plan voor een krankzinnigenhospitaal waarmee hij een prijs behaalde in de Société des Beaux Arts te Brussel. In 1828 werd hij door de stad Gent benoemd tot hoofdgeneesheer voor de krankzinnigen en werd aldus de eerste officieel erkende psychiater in de Zuidelijke Nederlanden. Hij werkte eveneens mee aan het opstellen van de Wet op de behandeling van de krankzinnigen van 1850 die de behandeling van geesteszieken aan nieuwe, meer wetenschappelijke en meer humane voorschriften onderwierp.

In het ancien régime werden de geesteszieken opgesloten in de stadspoorten of in het godshuis van Sint-Jan-ten-dullen. In 1773 werden de mannelijke geesteszieken overgebracht naar het Geraard Duivelsteen en in 1828 verhuisden ze naar het Alexianenklooster. In 1851 besliste de Gentse gemeenteraad en de Commissie van Burgerlijke Godshuizen onder impuls van dr. Guislain, een nieuw en wetenschappelijk verantwoord krankzinnigengesticht te bouwen. Voor de oprichting van een nieuw "gesticht" stelde J. Guislain verschillende voorwaarden. Het nieuwe gebouw moest gebouwd worden op het platteland in een rustige omgeving. Men koos de wijk ten noorden van de Brugse poortwijk, toen nog volledig landelijk, en eigendom van de Commissie van de Godshuizen. Het terrein bedraagt ongeveer 9 hectare. Ook de gebouwen moesten een indruk van rust, vrijheid en veiligheid oproepen, daarom mochten zij slechts twee bouwlagen hoog zijn, en een groot deel van het terrein moest worden ingenomen door tuinen, velden en binnenplaatsen.

Na verscheidene voorontwerpen werd het uiteindelijke ontwerp van 1852 van architect Adolphe Pauli in samenwerking met en volgens de richtlijnen van professor dr. Guislain zelf, uitgevoerd. De werken, aangevat in 1853, duurden meer dan twintig jaar, tot 1876. Het hospitaal was het eerste echte krankzinnigengesticht in ons land en gold als een modelinrichting. J. Guislain werd de eerste bestuurder van het gesticht dat in 1857 gebruik werd genomen. De ateliers, waaronder een schrijnwerkerij, een smidse, een kleermakersatelier, een weverij, een schoenmakerij, een kledingsmagazijn, een matrassenmakerij en een magazijn werden bijgebouwd rondom de verschillende afdelingen in 1866, volgens een ontwerp van 1863. Een afdeling voor onzindelijken en een hoeve werden respectievelijk links en rechts van de gesloten afdeling der heftigen bijgebouwd in 1875.

Nadat in 1928 twee branden ernstige schade veroorzaakten, werden de hoofdvleugels gerestaureerd en hier en daar voorzien van kleine aanbouwsels, onder meer voor trap, wc en dergelijke. Tevens bouwde men voor de hoofdingang een huis voor de geneesheer en een huis voor de aalmoezenier, richtte men op de eerste binnenplaats een nieuwe kapel op en bouwde men ten oosten van het complex een watertoren. In de laatste decennia werd de inrichting nog voorzien van diverse nieuwe paviljoenen. Ten noorden van het oude hospitaal tenslotte werd in 1997 een volledig nieuw ziekenhuis gebouwd. In de oude instelling is het Museum Dr. Guislain voor de Geschiedenis van de Psychiatrie (sedert 1986), een vormingscentrum en een school voor psychiatrische verpleegkunde ondergebracht. In 1999 zou het oude psychiatrische centrum volledig patiëntenvrij moeten zijn.

De patiënten werden van bij het begin verpleegd onder leiding van de Broeders van Liefde. De congregatie, gesticht door kanunnik Triest in 1810, verzorgde reeds de mannelijke krankzinnigen in het Gentse Geraard Duivelsteen, waar dr. J. Guislain in 1828 door kanunnik Triest benoemd werd tot hoofdgeneesheer. Bij de ingebruikname van het nieuwe gesticht stond dr. Guislain er op, de verpleging toe te vertrouwen aan deze congregatie. In 1985 werd de congregatie eigenaar van het gebouwencomplex.

Beschrijving

Het oorspronkelijke grondplan getuigt van de harmonieuze wisselwerking tussen architect en arts. De ruimtelijke indeling van de symmetrische plattegrond is volgens de wetenschappelijk gefundeerde ideeën van J. Guislain in kern terug te brengen tot een kruisvorm. Twee langwerpige vleugels omsluiten een ruime binnenplaats en worden ten zuidwesten afgesloten door een galerij met portiek en ten noordoosten door een halfcirkelvormige vleugel. Naar de buitenzijden toe bevinden zich verschillende haakse aanbouwsels, zogenaamde paviljoenen, volgens een symmetrisch grondplan, de werkplaatsen kwamen ernaast en in de jaren 1960 en 1970 werd de inrichting nog verder aangevuld met enkele nieuwe gebouwen. Het terrein was vroeger volledig ommuurd, een tweede levende afsluiting, dichter bij de gebouwen, omsloot de moestuinen.

De belangrijke rol van de architectuur van het hospitaal, meer specifiek het hospitaal met paviljoenenbouw, als elementair onderdeel van de ziekenverzorging was het onderwerp van vele studies in Frankrijk na de brand in 1772 van het Hôtel-Dieu in Parijs. De geometrische indeling van de plattegrond met paviljoenen aan weerszij van een rechthoekige binnenplaats en met aan de uiteinden ervan open arcades vinden we ook terug in het rationele ontwerpsysteem uitgewerkt in de publicatie Précis des leçons van J.N.L. Durand, die een belangrijke invloed uitoefende op de grote architecten uit de eerste helft van de 19de eeuw. Het grondplan van het Guislaininstituut vertoont bijvoorbeeld ook een treffende gelijkenis met het Hôpital Lariboisière te Parijs, ontworpen in 1839 door M.-P. Gauthier en gebouwd in 1846-1854.

Guislain voorzag een strikte indeling met één afdeling per ziekte en geneesbaarheid, op zijn beurt ingedeeld in betalende en niet-betalende patiënten, laatstgenoemde ten laste van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen of armenzorg. Iedere afdeling bevatte een hospitaal voor de behandeling, een tehuis voor ongeneeslijken, een huis voor morele en fysieke opvoeding, lagere school, ateliers voor handenarbeid en een isolatieplaats voor zieken. De vergaderplaatsen, de werkplaatsen en de klassen waren ondergebracht op de begane grond. De slaapzalen waren ondergebracht op de bovenverdiepingen. Een arduinen trap verbond beide verdiepingen.

Het complex gebouwen is opgetrokken in eclectische stijl met vermenging van neoromaanse elementen (rondboogvensters en baksteenfriezen), neogotische stijl (pinakels, hogels) en neorenaissance (rondbooggalerij rondom binnenplaatsen). Het zeer verzorgde bakstenen metselwerk met gele bakstenen van Veurne en rode Boomse steen is afgewerkt met knipvoegen. In de vensters werd gebruik gemaakt van ijzeren ramen en borstweringen, die zowel een decoratief als functioneel effect beoogden .

Het complex is bereikbaar via een ijzeren hek aan bakstenen pijlers en een rechte oprit naar de vroegere toegang.

De woonhuizen van de geneesheer en de aalmoezenier, respectievelijk links en rechts voor de hoofdingang, zijn opgericht naar ontwerp van architect Alphonse Van de Vijver van 1928. Het betreft alleenstaande gele bakstenen gebouwen van twee bouwlagen onder een mansardedak (leien) met dakvensters. De gevels zijn verdeeld in rechthoekige nissen waarin vensters of blinde muurvlakken.

De voorkant van het gebouwencomplex bestaat uit een lage rechthoekige verbindingsvleugel van één bouwlaag met een centrale ingangspoort tussen twee lange rechthoekige vleugels haaks op de straat. De rondboogvormige poort in een geprofileerde arduinen omlijsting is gevat tussen hoger opgaande pilasters en bekroond door middel van een met driepassen opengewerkte attiek; in de centrale rondboognis op geprofileerde neogotische console stond voorheen het beeld "De Psychiatrie". Aan weerszij van de ingang bevinden zich de portiersloges, geritmeerd door oorspronkelijk open rondboogarcades van drie traveeën met dito vensters, een latere aanpassing.

Twee identieke rechthoekige hoofdvleugels van twee bouwlagen onder zadeldaken sluiten haaks aan op deze voorgevel. De begraasde en beplante binnenplaats is onderverdeeld door verbindingsgalerijen. De twee verbindingsgalerijen worden geritmeerd door een open arcade met rondbogen.

Op de eerste binnenplaats bevinden zich de administratieve gebouwen en de lokalen voor de herstellenden met op de bovenverdiepingen de slaapzalen voor de broeders. Deze afdeling stond links in verbinding met de ziekenzalen en de wasserij en rechts met de keukens. De tweede binnenplaats was de tuin voor volgzame en intelligente patiënten; links bevond zich de lagere school en rechts de eetzaal, de muziekklas en de baden. Op deze afdeling sluiten twee vleugels met binnentuinen aan: links de vleugel voor niet intelligente patiënten (dementen en zwakzinnigen) en rechts de vleugel voor de onrustigen.

De westgevels (aan de toegangszijde) met topgevels van drie traveeën zijn afgelijnd door pilasters met een bakstenen bekroning en hogels boven de kroonlijst. Evenals de andere gevels zijn zij voorzien van rondboogvormige vensters met tweeledig (Italiaans) traceerwerk met kleine metalen roedeverdeling. De borstwering is versierd met bakstenen kordons met verwerking van vierpassen onder de doorlopende lekdrempels. De puntgevel is afgewerkt met een beeldnis op een bakstenen voet en twee consoles en muizentand.

De gevels uitziend op de binnenplaats worden op de begane grond gemarkeerd door galerijen met reminiscenties aan de Italiaanse renaissance: namelijk een rondboogarcade met rechthoekige geprofileerde bakstenen pijlers. De borstwering is versierd met medaillons en een fries met vierpassen als scheiding tussen de verdiepingen. Ook hier vertonen de muuropeningen dezelfde rondboogvormige bovenvensters met bekronende waterlijsten en ijzeren leuningen. Gelijkaardige gevelafwerking als de voorzijde, en hier en daar risaliet met zelfde topgevel, doch met gekoppelde vensters zoals Venetiaans drielicht.

Palend aan de eerste verbindingsvleugel staat nu de kapel eveneens opgetrokken uit gele en rode baksteen in aangepaste stijl naar ontwerp van Alfons Van de Vijver van 1928. De kapel vertoont een soort T-vormige plattegrond met in de oksels van de twee vleugels sacristieën. Naast de ingang bevinden zich respectievelijk ten zuiden een vestiaire en ten noorden een trap naar het doksaal. In het schip waren de zitplaatsen der broeders voorzien, en in de transeptarmen, links en rechts van het onderkelderde koor, de zitplaatsen der zieken. Een plaasteren kruisweg is gesigneerd J.E. De Vriendt Borgerhout 1906.

De voormalige sectie voor heftige patiënten, thans nog een gesloten afdeling, vormt een halfcirkelvormig aangelegde vleugel van twee kleinere bouwlagen als afsluiting ten oosten van het complex en als verbinding van de twee rechthoekige vleugels. De gevels worden geritmeerd door gekoppelde rondboogvormige benedenvensters met een aflijnend waterlijstje, en op de bovenverdieping door kleine rechthoekige openingen en oculi.

De gebouwen met binnentuinen links en rechts ervan, respectievelijk de vleugel voor de onzindelijken en de hoeve werden slechts gerealiseerd in 1875.

De voormalige stallen zijn ondergebracht in een apart rechthoekig gebouw van twee bouwlagen onder schilddak. Hoger uitgebouwde pilasters accentueren de hoeken en de centrale poorttravee. Voorts gevels met rondboogvormige beneden- en rechthoekige bovenvensters, geritmeerd door lisenen en horizontaal per verdieping afgelijnd door een overhoekse muizentand. In het midden van elke gevel zijn grote rondboogvormige poortomlijstingen over twee verdiepingen aangebracht.

De werkplaatsen ten noorden vertonen een gelijkaardige ordonnantie als bij de sectie voor de heftigen en de vroegere stallen. De huidige klaslokalen, aansluitend bij de ateliers en magazijnen (met huidige wasserij), dateren van 1865 en zijn ondergebracht in een langwerpig gebouw van één bouwlaag onder een plat dak. De gevels worden geritmeerd door pilasters met bekroning, aangepast in de 20ste eeuw. Per travee ofwel brede gebogen vensters of gekoppelde rondboogvenstertjes.

Ten oosten op het terrein bevindt zich een hoge watertoren gebouwd na de branden van 1928, eveneens een ontwerp van A. Van de Vijver. De zeshoekige toren is een betonnen skeletbouw opgevuld met baksteen met voorts het klassieke uitzicht van een toren met een sterk overkragende bovenbouw.

  • Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DO002114, Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain (S.N. 1999).
  • BOGAERT C., LANCLUS K. & VERBEECK M. 1983: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, 19de- en 20ste-eeuwe stadsuitbreiding, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4NC, Brussel - Gent.

Bron: -
Auteurs:  Agentschap Onroerend Erfgoed, Bogaert, Chris, Lanclus, Kathleen, Verbeeck, Mieke
Datum: 2015

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed; Bogaert, Chris; Lanclus, Kathleen; Verbeeck, Mieke: Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain [online], https://id.erfgoed.net/teksten/181455 (geraadpleegd op 25-10-2020)