Het Strop van de Broeders van Liefde

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Gent
Deelgemeente Gent
Straat Stropstraat
Locatie Stropstraat 119, Gent (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Gent (actualisaties: 01-01-2006 - 24-09-2007).
  • Adrescontrole Gent (adrescontroles: 25-09-2007 - 25-09-2007).
  • Inventarisatie Gent (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1983).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Het Strop van de Broeders van Liefde

Deze bescherming is geldig sinds 16-09-2010.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Sint-Vincentius à Paulo, provincialaat broeders van Liefde

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

Beschrijving

Het provincialaat, gebouwd in 1897, is een imposant gebouw in neoclassicistische stijl achter een hoge muur met geaccentueerde poort en overdekte doorgang. De kapel is een goed voorbeeld van een kloosterkerk in neostijl uit eind 19de en begin 20ste eeuw. De bijhorende binnentuin, aangelegd in landschapsstijl met onder meer een vijver, trompetboom, een beeldengroep en een Lourdesgrot, dateert vermoedelijk uit de aanlegfase van het Sint-Vincentiushuis of provincialaat.

Historiek

Tussen de Stropstraat, de Sint-Juliaanstraat, de Stropkaai en de Lentestraat te Gent ligt het zogenaamde ‘Strop’ van de Broeders van Liefde, een uitgestrekte campus met verschillende verzorgingsinstellingen en het bestuur van de Broeders van Liefde in België. De straatnaam en de naam van de instelling verwijst naar een oude afspanning of lusthof ‘Het Strop’, reeds vermeld op het einde van de 17de eeuw en gelegen aan de Schelde buiten de toenmalige stadsmuren. De herberg, gebouwd op de plaats van het kasteeltje van seigneur de Novaretz, werd genaamd naar de moeilijk bevaarbare bocht in de Schelde in de vorm van een lus, in 1794 rechtgetrokken. Vanuit de afspanning ‘Het Strop’ werden paarden ingespannen om de boten hier doorheen te trekken.

De Broeders van Liefde werden gesticht in 1807 door de priester, later kanunnik Petrus Jozef Triest (1750-1836), oorspronkelijk de congregatie van de Hospitaalbroeders van de Heilige Vincentius, belast met bejaardenzorg. De eerste Broeders van Liefde legden hun gelofte af in 1811, vanaf 1815 legden de broeders zich ook toe op de zorg van geesteszieken, toen nog opgesloten in het Geraard Duivelsteen in Gent. Door toedoen van kanunnik Triest werd Jozef Guislain aangesteld als hoofdgeneesheer van de twee Gentse krankzinnigengestichten voor mannen en vrouwen. Dokter Guislain verrichtte in samenwerking met de Zusters en Broeders van Liefde baanbrekend werk in de psychiatrische verpleging. De congregatie van de Broeders van Liefde groeide uit tot een internationale organisatie met huizen in een kleine 30 landen, opgedeeld in vier provincies -Afrika, Amerika, Azië en Europa - en verder ingedeeld in regio’s. De hoofdzetel van de Belgische provincie van de congregatie, met patroonheilige Heilige Vincentius a Paulo, is gelegen in Gent. De Belgische Sint-Vincentiusregio bevat naast België ook Roemenië en Oekraïne. In België zijn de Broeders van Liefde actief in de sector van de verzorgingsinstellingen (geestelijke gezondheidszorg en ouderenzorg), welzijn (orthopedagogische zorg, buitengewoon onderwijs, sociale economie en kinderopvang) en onderwijs (kleuter-, lager, secundair onderwijs). De Broeders van Liefde beheren in ons land meer dan 50 scholen voor gewoon en buitengewoon lager en secundair onderwijs, vijftien psychiatrische ziekenhuizen en twaalf orthopedagogische centra. Ook tal van kleinere initiatieven, zoals opvang van aidspatiënten, van mensen met zingevingsvragen, van kansarmen, behoren tot hun activiteiten. De hoofdzetel van de congregatie en de organisatie van de Broeders van Liefde in België bevindt zich aan de Stropstraat in Gent.

In 1841 kocht kanunnik Benedictus De Decker het oude buitengoed en de vroegere herberg ‘Het Strop’ om er een ‘Maison de Santé’ op te richten voor een beperkt aantal betalende geesteszieke patiënten. Kanunnik De Decker volgde in 1836 kanunnik P.J. Triest, stichter van de Broeders van Liefde, op als algemeen overste van de congregatie. In overleg met dokter Jozef Guislain werd de voormalige herberg omgevormd tot het kwartier “Ste Marie” voor 25 mannelijke patiënten uit welgestelde families, die hier een luxueuze verzorging genoten. In de achterliggende tuinen werd het gebouw van de Sint-Alfonsiuscommunauteit opgetrokken. Dokter Jozef Guislain was de eerste hoofdgeneesheer, sinds 1828 was hij ook al geneesheer in de eerste twee krankzinnigengestichten voor armlastigen in Gent onder leiding van de Broeders van Liefde en de Zusters van Liefde. In 1852-1855 waren de gebouwen reeds te klein voor het toenemend aantal patiënten. Er werden nieuwe gebouwen opgetrokken, het paviljoen Sint-Vincentius, een nieuwe Sint-Alfonskapel en uitbreiding van Sint-Marie en Sint-Alfons. In 1858 werd Sint-Jozef gebouwd, later door een gang verbonden met Sint-Marie.

In de loop van de 19de eeuw werd het zogenaamde ‘gezondheidsgesticht’ een psychiatrische instelling en volgden verschillende uitbreidingen van de gebouwen. De psychiatrische instelling Sint-Alfons breidde sedert haar ontstaan uit op de rechter strook van het domein, aan de Sint-Juliaanstraat. In 1957 kwam een volledige nieuwe Sint-Alfonskliniek voor vrije patiënten met ingang aan de Sint-Juliaanstraat tot stand. Door de democratisering van de gezondheidszorg verdween overigens het onderscheid tussen ‘rijke’ en ‘arme’ patiënten vrijwel volledig. In 1960 volgde de afbraak van het oudste bouw, Sint-Marie. Later volgde nog nieuwbouw. In 1997 werd de kloostergemeenschap van Sint-Alfons opgeheven en fusioneerde de instelling met het Dr. Guislainziekenhuis. Nu is deze psychiatrische instelling dus een deel van het Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain.

De eerste en oorspronkelijke kloostergemeenschap Sint-Alfons bleef instaan voor de bewoners van het gesticht en vanaf 1901 ook voor de kinderen en jongeren van het Sint-Jozefinstituut, hier in 1901 opgericht aan de Stropkaai om kinderen met een mentale handicap van het Dr. Guislaininstituut te verzorgen en te onderwijzen. De best en meest opvoedbaren van deze groep kinderen met lichte mentale handicap en lichamelijke gebreken verlieten het Strop in 1930 en werden overgebracht naar het nieuwe medisch-pedagogisch instituut Sint-Jozef in Zwijnaarde, nu gelegen aan de Ringvaart. Het oude Sint-Jozefinstituut veranderde van naam in Sint-Juliaan en in 1999, toen deze instelling nog uitsluitend bedoeld was voor volwassen personen met een mentale handicap, werd de instelling het O.C. Broeder Ebergiste.

Belangrijk voor de congregatie van de Broeders van Liefde was de vestiging hier in 1870 van het noviciaat voor kandidaat-broeders die een opleiding volgden voorafgaand aan hun eerste professie, dat voorheen nog in het huis van de Broeders, in de Bijlokevest, was ondergebracht. Deze novicen woonden voortaan in de gebouwen van het gesticht Sint-Alfons tot ze in 1908 verhuisden naar het klooster Sint-Stanislas in de Appelstraat in de wijk Rooigem, dat in 1951 op zijn beurt verhuisde naar Sint-Maria-Aalter bij Aalter. De gelofteaflegging van de broeders bleef wel nog een kleine vijftig jaar in de Stropkapel doorgaan.

In 1894 begon men met de bouw van de nieuwe centrale kapel van het Strop voor de twee communauteiten, alsook van de centrale keuken en refter. In die periode werden ook het Sint-Jan-Berchmansgesticht (1894) en het Sint-Vincentiushuis of het huis van het hoofdbestuur (1897) op ‘de akker van het Strop’ gebouwd. De oude kapel werd omgevormd tot refter en kapittelzaal en boven tot slaapzaal, in 1955 werd de oude kapel gesloopt.

In 1907 werd in de vernieuwde kapel het 100-jarig bestaan van de Congregatie van de Broeders van Liefde, gesticht in 1807 door de priester Petrus Jozef Triest, plechtig gevierd in aanwezigheid van de bisschoppen van Gent en van Brugge, de Pauselijke Nuntius, Monseigneur Keesen en talrijke ministers en kamerleden.

In 1893 werden op de terreinen van ‘Het Strop’ gebouwen opgetrokken voor een tweede kloostergemeenschap van de Broeders van Liefde, gesitueerd links vooraan in de Stropstraat. Aan deze Sint-Jan-Berchmanscommuniteit was de eigen normaalschool van de congregatie verbonden (in 1926 naar Zwijnaarde verhuisd), een juvenaat, en een lagere oefenschool, de voorloper van de Sint-Paulusschool in de Ottergemsesteenweg. In 1968 hield deze kloostergemeenschap op te bestaan en de broeders gingen toen in het klooster van het hoofdbestuur, het Sint-Vincentiushuis, wonen, gezien het hoofdbestuur eind 1967 naar Rome verhuisd was. De gebouwen van Sint-Jan-Berchmans werden gebruikt voor het buitengewoon lager en buitengewoon secundair onderwijs van het vroegere Sint-Juliaan, sinds 1999 behorend tot het Orthopedagogisch Centrum Sint-Jozef aan de Ringvaart. In 2003 werden de gebouwen afgebroken en vervangen door nieuwe schoolgebouwen (2006).

In 1897 kwam er nog een derde kloostergemeenschap bij op de Stropsite. Dit was de Sint-Vincentiuscommuniteit in het ‘groothuis’, het huis van het hoofdbestuur van de Broeders van Liefde over de hele wereld, aan de Stropstraat. De broeders van het hoofdbestuur woonden sinds de stichting van de Broeders van Liefde (1807) in de Bijloke en later in de Bijlokevest. Op 28 oktober 1897 werd de nieuwe residentie, dichtbij het noviciaat en de normaalschool, in gebruik genomen. In 1967 verhuisde het hoofdbestuur van de Broeders van Liefde naar Rome en kwam het gebouw vrij voor het Provincialaat, of het bestuur van de Broeders van Liefde in België. Vanuit het Provincialaat worden kloosters en apostolaatwerken in ons land begeleid. De ‘nieuwbouw’ links van het hoofdgebouw van 1897 dateert van 1984 en is een uitbreiding van het Provincialaat.

Beschrijving

Het uitgestrekte terrein van de campus en de gebouwen van de Broeders van Liefde nemen een beeldbepalende plaats in de voornoemde straatbeelden, het provincialaat is markant gelegen aan de Stropstraat.

Stropkapel

De Stropkapel of Sint-Alfonskapel staat centraal op het terrein, tussen de campus Sint-Alfons (rechts op het terrein), het hoofdbestuur van de Broeders van Liefde in België (aan de Stropstraat), de nieuwe schoolgebouwen van het buitengewoon onderwijs (links), en de gebouwen van het O.C. Broeder Ebergiste (aan de Stropkaai).

In 1894 bouwde men achter de aangelegde binnentuin van het Sint-Vincentiushuis de nieuwe centrale kapel van het Strop voor de twee communauteiten. In 1896 werd het zaalkerkje aan beide zijden van het koor uitgebreid met een zijkapel en in 1906 werd het koor 6 à 7 meter achteruit gebracht en de zijkapellen, links voor het provincialaat en rechts voor het generalaat en het provincialaat, en de sacristie verplaatst en vergroot. In 1907-1908 werden de rechthoekige vensters vervangen door de huidige neoromaanse drielichten, volgens de bewaarde rekeningen geleverd door glazenmaker V.H. Waegenaere uit Gent.

In 1908-1909 werd de kapel verfraaid met polychromie door Remy Goethals van het ‘Atelier de Peinture & Décoration’, met werkhuizen in de Koolsteeg in Gent. Hij leverde eveneens de geschilderde kruiswegtaferelen. In de rechter zijkapel van het generalaat werd een muurschildering aangebracht met de Congregatieboom ter herdenking van het 100-jarige bestaan van de congregatie in 1907.

In 1939 werd de kapel herschilderd, in het koor met decoratieve en symbolische motieven, door kunstschilder Léon Bressers van Kunstatelier Bressers uit Gent. Een nieuw marmeren altaar werd geplaatst en het bankengestoelte werd vervangen door stoelen.

In 1944 werd bij de beschieting van de stad Gent door de Duitsers in het Strop vooral de kapel getroffen.

In 1959 werd de kapel opnieuw geschilderd door Marcel Versigghel van Aalst waarbij de polychromie van 1939 verdween, de sierlijke verlichting werd vervangen door neonverlichting. De Congregatieboom in de zuidelijke zijbeuk, ter herdenking van het 100-jarige bestaan van de congregatie, werd nagezien en bijgewerkt. De staties van de kruisweg werden opgefrist en het koorgestoelte aangepast: de overbodige onderste rij werd verwijderd. Meer recent werd het volledige interieur witgeschilderd.

In 1966, op het Heilig Hartfeest, werd het nieuwe, naar het volk gekeerde altaar in gebruik genomen. Hiervoor werd het hout van de oude communiebanken gebruikt. De zijkapellen werden afgesloten van de grote kapel, met vensters tussen de scheibogen. Op 19 juli 1969 werd de rechter zijkapel in gebruik genomen als nieuwe huiskapel, de linker zijbeuk als bergplaats en werkruimte, in 2000 in gebruik genomen als keuken en refter van de Effata gemeenschap.

De op het noordoosten georiënteerde, bakstenen, neoromaanse kapel van 1894 en 1906 heeft een volledig symmetrische opzet met drie beuken van vijf traveeën op rechthoekige plattegrond met recht gesloten kooreinde, onder een zadeldak (leien), geflankeerd door twee lage, rechthoekige zijkapellen van twee en een halve traveeën, ieder onder een leien zadeldak. De benedenbouw van de voorpuntgevel (westkant) is verscholen achter de aanbouwsels van 1968. De geveltop in neoromaanse stijl wordt verticaal geleed door lisenen en afgelijnd door rondboogfriezen op arduinen kraagstukken en is voorzien van een centraal roosvenster met natuurstenen traceerwerk, erboven is een witgeschilderd Heilig Hartbeeld aangebracht. Boven het doksaal prijkt een sierlijke dakruiter met achtkantige houten lantaarn, voorzien van galmgaten en vier horlogeplaten, onder een leien koepeldakje leien met ijzeren torenkruis. De zijgevels zijn enkel voorzien van bovenlichten: rondboogvormige drielichten ingeschreven in brede steekboogvormige spaarvelden, omlijstingen in contrasterende rode baksteen. De oostgevel (koor) op natuurstenen sokkel met afschuining, heeft een centrale puntgevel, de puntgevel en de uitspringende middentravee worden begrensd door lisenen. Tegen de koorgevel staat een wit geschilderde calvariegroep in een ondiepe bepleisterde rondboognis met rondboogvormige booglijst op consoles in de vorm van een hoofd en driehoekig arduinen pseudofronton ter afdekking, oorspronkelijk met een doodshoofd aan de voet van het kruis. Een groot roosvenster met arduinen traceerwerk in de bovenbouw staat centraal en wordt geflankeerd door kleinere ronde roosvensters met vierpasmotief. De roosvensters worden gevat in een rode bakstenen omlijsting, de waterlijst van het centrale roosvenster rust op consolehoofdjes. De gevel wordt afgelijnd door een klimmende rondboogfriezen langs de arduinen deklijsten en wordt bekroond door een arduinen kruis. De zijkapellen of zijbeuken worden geritmeerd door versneden steunberen waartussen rondboogvormige drielichten, de west- en oostgevels bevatten een drielicht onder een dito waterlijst op consoles met hoofdjes en een oculus in de geveltop, de blinde benedenbouw wordt afgelijnd door een geprofileerde arduinen kordonlijst.

Het oorspronkelijk gepolychromeerde kapelinterieur werd in 1939 herschilderd met imitatiemarmeren lambrisering en fries en sobere decoratieve motieven aan de koorwand, later geschilderd in verschillende kleuren zonder motieven en op het moment van de bescherming (2010) egaal geschilderd.

De middenbeuk is overwelfd met een tongewelf, de zijbeuken zijn vlak afgedekt met een gepleisterd cassettenplafond met tandlijsten; de scheiding wordt gevormd door geajoureerde ijzeren schoren met spiraal- en acanthusbladmotief op slanke, witgeschilderde zuilen met bladkapiteel op sokkel in imitatiemarmer. Gelijkaardige versierde schoren bevinden zich onder de doksaalleuning. De aan het koor aangebouwde zijkapellen zijn van het schip gescheiden door gedrukte scheibogen op gemetste lage zuilen met knopkapiteel, later gedicht met vensters, voorzien van gedrukte gepleisterde gewelven.

De zijwanden zijn in twee registers gedeeld, elk geritmeerd door ondiepe getoogde traveenissen, beneden met de kruiswegtaferelen, boven met drielichten, met zwart geschilderde deelzuiltjes en gevuld met wit glas-in-lood met een boord in rood en blauw glas. De roosvensters aan de koorzijde werden in 1949 geleverd door Cesar Vanhevele (1898-1956) uit Gent, leraar aan het Sint-Lucasinstituut en glazenier. Het grote centrale roosvenster stelt volgens de bewaarde rekening Christus Koning voor, omringd door negen engelenkoren en een cherubijn, de vier kleine stellen voor het manna of de scheppende hand van God, de pelikaan, het Lam Gods en de korf met vis en broden. Het roosvenster in de westgevel bevat centraal het wapenschild en de leuze “Deus caritas est” van de Broeders van Liefde en kanunnik Triest.

In de zijkapel van het generalaat is op de westmuur een rondboogvormig drieluik aangebracht met de Congregatieboom ter herdenking van het 100-jarige bestaan van de congregatie der Broeders van Liefde in 1907. Het drieluik is geschilderd op doek door het atelier van Pierre Remy Goethals samen met de polychromie van de kapel, en gekleefd tegen een blind drielicht. In het takkenstelsel van de ‘uitgerukte’ boom zijn schildjes aangebracht met de locaties van de verschillende instellingen met jaartal; het middenpaneel bevat het portretmedaillon van de stichter kanunnik Triest, gehouden door twee engelen, en de patroonheilige van de congregatie Heilige Vincentius met kinderen op een wolk, erboven staat het wapen, de spreuk en de naam van de Broeders van Liefde. Op de zijvlakken staan ook nog wapens en leuzen: links de wapens van Monseigneur De Broglie, bisschop van Gent in 1807 en van kardinaal Ferrato, de beschermer van de congregatie in Rome, in het rechter vak het wapen van Monseigneur Stillemans, bisschop van Gent in 1909 en van paus Pius X, onder andere van paus Pius X, paus in 1907.

De kapel omvat volgend meubilair: grote witgeschilderde (plaasteren?) beelden van Maria met Kind en Heilige Jozef met Kind op sokkel in nissen boven de zijaltaren en Heilig Hartbeeld boven het hoofdaltaar; een zwart marmeren hoofd- en zijaltaar met sobere koperen versiering, geplaatst in 1939; achter het hoofdaltaar een koperen standaard met doek; twee biechtstoelen ingewerkt in de houten lambrisering aan weerszijden van het portaal.

In 1908-1909 leverde Remy Goethals van het ‘Atelier de Peinture & Décoration’, met werkhuizen in de Koolsteeg in Gent, de geschilderde kruiswegtaferelen, opgevat per drie staties als een drieluik in een koperen omlijsting met bloemenmotief.

Sint-Vincentiushuis

In het Sint-Vincentiushuis, omgevormd tot provincialaat, was van 1897 tot 1967 het Generaal Bestuur van de Broeders van Liefde gevestigd. In 1967 vestigde het generaal bestuur (de generale overste en zijn raad) zich in Rome en werd, na de nodige aanpassingswerken, het Sint-Vincentiushuis in gebruik genomen door het provincialaat, het bestuursorgaan (de provinciale overste en zijn raadsleden) van de Sint-Vincentiusregio (België en Roemenië), belast met de zorg voor de religieuze gemeenschappen en de begeleiding van alle initiatieven van de congregatie. Alle scholen, psychiatrische ziekenhuizen, orthopedagogische centra en andere initiatieven maken deel uit van de vzw Provincialaat der Broeders van Liefde. De Raad van Bestuur van deze vzw draagt de eindverantwoordelijkheid. Ook de zorg voor de kloostergemeenschappen behoort tot de opdracht van het Provincialaat.

De residentie onder het patronaatschap van de Heilige Vincentius a Paulo werd opgericht onder algemeen overste vader Amedeus Stockmans in 1897. Het betrof oorspronkelijk een vierkant bouwblok gelegen achterin de straatmuur en met de toegangspoort verbonden via een beglaasde doorgang. Aan de achterzijde was over de volledige gevelbreedte een open veranda met sierlijk houtsnijwerk aangebracht. In de loop van de tijd werd heel wat verbouwd en uitgebreid. Het gebouw werd ingrijpend aangepast in 1949 naar de plannen van architect René Verbruggen (Antwerpen): de verbindingsgalerij van de poort naar de inkom werd wederopgebouwd in baksteen, de eiken trap met beeldengalerij werd vervangen door een betonnen trap en lift, kamers werden vernieuwd, de salon op de begane grond werd verkleind en deels ingericht als kapel, die met twee traveeën en een koor doorloopt in een nieuw aanbouwsel. Voorts werden aan weerszijden nog nieuwe aanbouwsels opgetrokken. De werken werden uitgevoerd door de firma van Pottelberghe. Na het vertrek van het Generaal Bestuur in 1967 werden opnieuw aanpassingen uitgevoerd. Ook in 1983-1984 werden werken uitgevoerd. In de jaren 1990 tenslotte werden alle ramen vernieuwd.

Het achterin gelegen neoclassicistisch gebouw, oorspronkelijk met een rechthoekige plattegrond onder mansardedak (leien) met oeil-de-boeufs aan de straatkant, wordt omringd door nieuwe aanbouwsels. De oorspronkelijke voortuin is afgesloten door een blinde bakstenen muur met een centraal poortgebouw voorzien van een rondboogvormige, thans koperen deur gevat in een omlijsting met arduinen posten onder gebogen houten kroonlijst met klossen. Achter de afsluitingsmuur zijn nu lokalen gebouwd, met onder meer het onthaal, kantoortjes en garage. Een overkoepelde (oorspronkelijk glazen) gang verbindt het poortgebouw met de ingang van het hoofdgebouw, wederopgebouwd in 1949.

De bakstenen lijstgevel met dubbelhuisopstand telt zeven traveeën en twee en een halve bouwlagen met een uitspringende middentravee begrensd door pilasters met Korinthisch kapiteel op bovenverdieping. De begane grond wordt verlicht door rondboogvensters met booglijsten op verbonden imposten. De bovenverdieping wordt op de hoeken begrensd door kolossale Korinthische pilasters. De brede rechthoekige bovenvensters staan tussen pilasters met Toscaans kapiteel. De middentravee heeft een groot rondboogvormig drielicht afgesloten door een balustrade en met ingeschreven nis met groot gepolychromeerd beeld van Sint-Vincentius a Paulo. Het hoofdgestel met kroonlijst is voorzien van een tandlijst en klossen. Het centrale fronton is gebogen.

Interieur

In het in 1949 herbouwde inkomportaal en overdekte doorgang werden in de muurbetegeling twee tegeltablaeaus verwerkt met als onderwerp kanunnik Triest en de Heilige Vincentius.

Rondom het centrale trappenhuis waren de kamers ingericht. Op de begane grond bevinden zich rechts de spreekplaats of raadzaal en het grote salon, links de refter met keuken en het economaat. Op de eerste bovenverdieping bevonden zich burelen en een recreatieruimte, op de tweede bovenverdieping slaapkamers en een kleine huiskapel. De uitbreiding en verbouwingswerken van 1949 wijzigden grondig het voorkomen van het interieur. De eiken trap met beeldengalerij werd vervangen door een betonnen trap en lift. De aankleding van het trappenhuis met rondboogarcades bleef behouden. In de ramen op de eerste verdieping, uitziend op de vroegere ontspanningszaal, zijn drie ramen met geëtst glas aangebracht, het middelste met het wapen van de Broeders van Liefde.

p benedenverdieping is ook de raadzaal met aankleding in neostijl bewaard. Eén wand van de kamer is volledig aangekleed in neorenaissancestijl: een schouw met houten schouwboezem wordt geflankeerd door vaste vierdeurenkasten. De schouwbalk is gedateerd 1897. De schoorsteenmantel is versierd met een schilderstuk met piëta. Zowel de haardplaat als de kachel dragen de wapens van de Broeders van Liefde en van algemeen overste vader Amedeus Stockmans, onder wiens bestuur het gebouw opgetrokken werd. Het bovenste deel van de flankerende kasten hebben rondboogvormige glas-in-loodramen.

De bewaarde huiskapel werd gebouwd in 1949 naar ontwerp van architect René Vertbruggen, deels in het vroegere salon aan de tuinzijde en deels in de nieuwe aanbouw rechts van het oude hoofdbestuur. De kapel telt vier traveeën en een smaller rechthoekig koor. De muren en kruisgewelven zijn opgetrokken van onbeschilderde gele handvormsteen. De kapel werd voorzien van glas-in-lood door Cesar Vanhevele. Zij bevatten voorstellingen van de stichter van de congregatie Kanunnik Triest, van de Heilige Vincentius en van de verspreiding van de congregatie met vermelding van de provincies en van de werken van de Broeders van Liefde. In het koor stellen de glasramen de Verrijzenis en de Calvarie voor.

Tuin

De binnentuin van het Sint-Vincentiushuis, later provincialaat, is aangelegd in landschapsstijl met een kenmerkende kronkelende vijver en gevarieerde beplanting. De tuinaanleg dateert uit de bouwperiode van het Sint-Vincentiushuis. Opmerkelijk is een trompetboom (Catalpa bignonioides) halfweg tussen de kapel en het provincialaat (ongeveer 27 meter van beide gebouwen).

In de tuin liet algemeen overste Vader Amedeus ter gelegenheid van het gouden jubileum (1864-1914) van zijn professsie de zogenaamde ‘Triestgroep’ oprichten, een witgeschilderd cementen beeldhouwwerk van beeldhouwer Frits Van Biesbroeck, met de voorstelling van kanunnik Triest omringd door twee kinderen, blind en doof, een knielende broeder en een bejaarde, op de sokkel prijkt het profiel van Vader Amedeus. Het beeld staat voor een scherm van geschoren coniferen.

In de rechter hoek van de tuin is ook een Lourdesgrot gemaakt.

  • Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DO002340, Het Strop van de Broeders van Liefde (S.N., 2010).

Bron: -

Auteurs: Bogaert, Chris; Lanclus, Kathleen & Verbeeck, Mieke

Datum tekst: 2015

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Stropstraat

Stropstraat (Gent)

omvat Trompetboom in de tuin van 't Strop

Stropstraat 119 (Gent)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.