Mazenzeledries

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Opwijk
Deelgemeente Mazenzele
Straat Dries
Locatie Dries zonder nummer, Opwijk (Vlaams-Brabant)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Synchronisatie databank beschermde monumenten 2008 (synchronisaties: 05-06-2008 - 31-12-2008).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Mazenzeledries

Deze vaststelling is geldig sinds 20-09-2010.

is beschermd als monument Mazenzeledries

Deze bescherming is geldig sinds 04-02-1999.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Mazenzele is een fusiegemeente van Opwijk, gelegen aan de kruising van de verkeersverbindingen N 47 (Brussel (Asse) - Dendermonde en de N 211 (Vilvoorde - Grimbergen - Aalst).

Het dorp is oost-west georiënteerd. Het begint aan de steenweg (N 47) en eindigt op de Dries.

De Mazenzeledries heeft een oppervlakte van 1 hectare 31 centiare en bestaat uit twee driehoekige pleinen. De lengte van de gemeenschappelijke basis is 200 meter, de maximum breedte is 70 meter.

Het meest noordelijke gedeelte van de dries is over zijn volledige oppervlakte aangeplant met Canadapopulier (Populus x canadensis Moench). Het andere gedeelte van de dries - ook bovendries genoemd - is langsheen de Driesstraat beplant met een dubbele rij gemengd loofhout met onder meer grootbladige linde (Tilia platyphyllos Scop.), ruwe berk (Betula pendula Roth), zomereik (Quercus robur L.) en haagbeuk (Carpinus betulus cv. 'Fastigiata'). De percelen 356 L en 355 A werden beplant met Canadapopulier (Populus x canadensis Moench) en zachte berk (Betula pubescens EHRH.).

Rondom de dries loopt een verharde weg.

"Dries" komt voort van het germaanse Triwiski. Oorspronkelijk was het een driesprong van wegen in een dorp, ofwel een dorp of gehuchtplein dat eigendom was van de gemeenschap, vandaar 'gemene weide of plein'.

De voornaamste functies van de dries stonden in relatie met het boerenbedrijf. Het was dikwijls een verzamelplaats voor het vee met de bedoeling het te voeren, te melken, te drenken en af te zonderen ter beveiliging van de gewassen op de omgevende bouwlanden. Het kan driehoekig zijn ofwel een willekeurige vorm aannemen. De grootte van de dries hield verband met het belang dat de dorpsgemeenschap hechtte aan de veehouderij en als zodanig met geheel het agrarisch stelsel waarop zij steunde. Zeer dikwijls groeide de dries uit tot een ideale plaats voor het verhandelen van vee en landbouwgewassen. Op sommige driesen werden bomen geplant, waarvan de aanwonenden het hout gebruikten voor het oprichten van huizen en het vervaardigen van gereedschap. De dries speelde ook een rol in de alledaagse bedrijvigheid, in de onmiddellijk omgeving van de woning werd de dries gebruikt als bleekweide. Tijdens feesten en kermissen was de dries de ontmoetingsplaats bij uitstek en werd er bijvoorbeeld het boogschieten beoefend. Wanneer de nederzetting tot centrum van een parochie evolueerde kwam er doorgaans een kerk met kerkhof op de dries.

In historisch-landschappelijk opzicht is, naast de nog visuele herkenbaarheid van plantrecht en weiderecht, het feit dat de dries te Mazenzele in oppervlakte nagenoeg ongewijzigd is gebleven een belangrijk gegeven. Visueel-landschappelijk bestaat er nog steeds een relatie dries-omgevend bouwland, met name de open kouter (Mazenzelekouter) ter hoogte van de 'kouterbaan'.

Een groot aantal driesen bestaan niet meer, ze werden verkaveld ten gevolge van het privatiseringsproces dat dergelijke 'gemene gronden' hebben ondergaan in de 18de en 19de eeuw.

In verband met het ontstaan van de gemeente Mazenzele worden meerdere veronderstellingen naar voor gebracht.

Volgens G. Desmarez behoorde Mazenzele ten tijde van de Frankische kolonisatie tot de groep zeledorpen, die bezet werden door de Salische Franken, die in de 4e-5e eeuw van af de Rupel te Puurs (Puderzele) langs Liezele tot Mazenzele de waterlopen volgden en er nederzettingen vestigden.

Etymologisch zou 'Mazenzele' verwijzen naar het Middelnederlandse woord 'mase' - vettige slijkachtige aarde - en 'zele' - zaal of woning.

Lindemans J. heeft aangetoond dat deze stelling slechts gedeeltelijk juist is. Ingaheim- en zelenamen behoren tot een massale inbezitneming van onze gewesten tijdens de Frankische kolonisatie (Salische Franken). Zele-namen worden bij voorkeur langs waterlopen en in vochtige plaatsen gevonden. In dit verband zet hij de verklaring voorop dat we 'Masingasele' eerder betrekken tot de oudste Frankische landnamen rond 370 dat de latere uit de 5e-6e eeuw.

Volgens J. Verbesselt dagtekent Mazenzele als dorpsnaam uit de Frankische periode en mag verklaard worden als nederzetting, de villa of het hof van een Frankische stamvader. Van dit hof zijn duidelijke sporen te ontdekken op de kaarten van Ferraris (1776) - bebouwd perceel - en Vander Maelen Ph. (1859) - ovaal blok (weide te midden van een vijver), in de volksmond 'het Berrewater' of 'Beddewater' (afkomstig van bronwater) genoemd.

Ten noorden van de dries ligt de Mazenzeelkouter, later beheerst door de windmolen, die er midden in stond. Volgens Verbesselt 'is dit voorzeker een primitieve dorpskouter, duidelijk onderverdeeld in drie delen, van mekaar gescheiden door kouterwegen.

In 'Het parochiewezen in Brabant - deel V, 1966' beschrijft J. Verbesselt het dorp als volgt : "Een centrale kern met een omwaterd perceel (355) met middenin een bebouwd gedeelte en een daarbij rechtstreeks aansluitend tweede perceel (256-257-258). Dit complex is zonder enige twijfel de plaats van het oorspronkelijk hof of Masingasele, traditioneel verdeeld in het eigenlijke hof en het voorhof. Het is bovendien gelegen in een bocht van de beek en te midden van het grote hofcomplex van 10 mansi of 120 bunder. Het sluit rechtstreeks aan met de verbindingsweg of de Dorpsstraat, die loopt tussen de Oude Dendermondse banen en de baan naar Merchtem. Voor het hof lag de grote open dorpsdries, die nog heden ten dage bestaat en als een litteken van de oorsprong van het dorp mag aangezien worden. Hoe zonderling ook, nog heden is hij in het bezit van de gemeenschap, dit is meer bepaald de dorpsgilde ... (…) De oude baan Asse-Dendermonde loopt links van de nieuwe steenweg. Wij vestigen de aandacht op de twee afzonderlijke kernen : de oude Dries en de Kerk. De oudste veldenindeling kan duidelijk gevolgd worden door de veldwegen, vooral in de Hamerse berg en de Mazenzelekouter. Opvallend is de ligging van het weiland langsheen de Dries. Daartegenover sluit de omgeving van de kerk rechtstreeks aan bij het koutercomplex, De tegenstelling van het landschapsbeeld is merkwaardig en verwijst duidelijk naar een verschil van ontstaan. "

De bomen hebben steeds het aanzien van de dries bepaald en een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de Sint-Pietersgilde.

In de oudste gedateerde vermelding van de Gilde lezen we 'Item opt jaer anno 1541 was ghesloten datmen vercocht drij abbeelen staende op den driesch tot behoeff ende profijt onser Guldewimpel, welcke verkocht sijn het stuck 29 st. valet 4 rinsgulden 7 st.'

Zowel in de heden tot een boek samengebundelde 'Rekeninge en bewijs van uytgeef en ontfanck (1665 tot 1819) als in het meer recente 'Gildenboek', waarin van 1901 tot 1971 de ontvangsten en uitgaven staan genoteerd, nemen de verkoop van bomen en van de 'snoei' en anderzijds de aankoop van 'jonge poten' een aanzienlijke plaats in.

Volgens Van De Velde Jules is het uitzicht van de Dries in de loop der tijden sterk onderhevig geweest aan veranderingen.

Bij het bekijken van de 'primitieve-kadasterkaart' (1823 - kaartblad 1215) en Poppkaart (1858/1861) zien we meerdere waterplassen ingetekend staan.

De 'Oorspronkelijke aanwijzende Tafel der grond-eigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het Kadaster' (1823) geeft deze waterpartijen niet weer.

In de rekeningboeken van de gilde komen meerdere putten ter sprake onder meer groot en klein beddewater (1679), 'Franschen put' (1695), 'bovenste beddewater' (1720), 'cleijn beddewaeters' (1782), 'rootputten' (1794), 'den bassin' (1922). Na 1947 werd er geen melding meer gemaakt van de 'putten'.

De 'Kadastrale legger of lijst der grond-eigenaren met omschrijving van derzelver ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen; en voorts aanduidende de bezitters van zakelijke regten van vruchtgebruik, van erfpacht en van opstal, alsmede het zuiver belastbaar inkomen, aan de grondbelasting onderhevig' geeft tussen 1854 en 1891 de eigendomsoverdracht weer, van de gemeente van Mazenseel naar de 'Maxenzele de Societeit St.-Petrus', voor de percelen 350, 351, 352, 353, 354 (in 1869 opgesplitst in 354 A, B, C en D) en 356.

De percelen 357 en 358 worden in 1861 eigendom van Bewaers Ferdinandus.

Uit archief onderzoek bij het Kadaster en uit een verklaring (1871) van Petrus De Cock, toenmalig voorzitter van de maatschappij van den heiligen Petrus, kan nagegaan worden dat het huis staande op het perceel 354 F (samenvoeging van de percelen 353 en 354 A) aan de gilde toebehoort. De huizen op de percelen 352 , 356d, 356c, 351b, 354c (40 centiare) en 354 d (25 centiare) behoorden toe aan respectievelijk volgende pachters (jaarschaal) Denil Joannes (1836), De Rop Ludovicus (1865), Maxenzeele de Maatschappij van St.-Petrus (1880), De Rop - De Smedt J. (1913), De Cock Petrus, Maxenzeele de Maatschappij van St.-Petrus (1867).

Uit de 'Kadastrale mutatieschetsen' blijkt eveneens dat de 'bovendries' tussen 1833-1926, sterk bebouwd is geweest. De huizen zijn nu verdwenen, het laatste in 1990.

Eeuwenlang zijn de Dries, de Schuttersgilde en het Gildenhuis één geweest. Volgens De Nil L., oud-burgemeester en griffier der gilde, werd het gildenhuis 'gebouwd in 1640 en betrokken door Peter Van Damme, toenmalig griffier der gilde. In 1751 werd het omwille van financiële moeilijkheden door de gilde verkocht'. Het werd in 1972 gesloopt.

De Nil L. maakt ook melding van de aanwezigheid van een kapel op de dries, die tot 1973 midden op de dries stond. Deze kapel is op geen enkele kaart terug te vinden. Het archief van het Kadaster maakt er ook geen melding ervan.

In het 'Gildenboek' wordt er eerst in 1904 melding gemaakt over het betalen van belastingen voor de kapel. Anderzijds dateert het houten Rochusbeeld, dat volgens Van De Velde J. in de kapel vereerd werd en bewaard wordt bij Sacré - Jacobs J., vermoedelijk uit de zestiende of zeventiende eeuw.

Na 1904 worden de uitgaven aan de kapel regelmatig omschreven onder meer 'het witten der kapel'. In 1914 en 1925 werden vermoedelijk grotere herstellingswerken uitgevoerd (respectievelijk 74,92 en 84 frank). In 1961 werden de laatste kosten vermeld.

De 'Atlas der Buurtwegen' opgemaakt in 1844, geeft aangaande het wegenpatroon op de dries, een aanzienlijk verschil met de huidige toestand.

Weg nummer 25 van de Vossestraat naar de kerk bestaat nog. Weg 35 en pad 30 zijn samengebracht tot de huidige Driesstraat - verbinding tussen Vossestraat/Sultveldstraat.

De huidige kadasterkaarten geven de vroegere toestand weer.

Volgens Van De Velde J. waren de wegen op de dries onverharde aardewegen, hier en daar bezaaid met wat ongelijke kasseien en wat stenen. Meerdere inwoners aan de oostkant de dries hadden, bij wijze van spreken, hun eigen wegeltje gebaand naar de dorpskom. Aan diezelfde zijde van de dries liep oorspronkelijk ook een gracht. In de jaren 30 werd de gracht dichtgelegd met rioleringsbuizen.

De wegen op de dries werden in 1956 geasfalteerd.

Op 11 augustus 1972 besliste de gemeenteraad om op de dries 'verbeterings- en verbredingswerken' uit te voeren aan de wegen nrs. 25, 30 en 32. Ingevolge deze beslissing werd een overeenkomst van grondafstand met de Gilde (31 are 82 centiare) en enkele aanpalende eigenaars gesloten (zo werd één van de vroegste woningen gesloopt). Als tegenprestatie zou de gemeente het onderhoud van de dries op zich nemen en aan de gilde een jaarlijkse toelage betalen.

Het planten, vellen en onderhoud van de bomen op de dries bleef ten laste van de gilde, het onderhoud van de kapel - die toen in het midden van de dries stond - werd toevertrouwd aan de gemeente.

Door de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Waterbedeling (T.M.V.W.) werden tussen 1962 en 1963 de eigendommen op de dries aangesloten. In 1948 werd door de Provinciale Brabantse Energiemaatschappij de eerste openbare verlichting aangelegd. Vernieuwingen en aanpassingen van het elektriciteitsnet gebeurden er in 1965 en 1986. Vermoedelijk werd tijdens de eerste vernieuwing de elektriciteitscabine geplaatst op de bovendries.

In de samengebundelde 'Rekeninge en bewijs van uytgeef en ontfanck (1665 tot 1819)' staat bij de uitgaven van 1687 volgende tekst 'Item gegeven den 5n meij aen den heer Bosschemeester van het goidtshuijs van Afflighem de somme van 32 gulden 10 st. voor twee heijken boomen, om een nue wip te maecken'. In het 'Gildeboek' worden de kosten aan de wip en de pran - gedeelte waarop de vogels worden gestoken - regelmatig genoteerd. In 1980 werd een tweede wip - ook schietboom genoemd - geplaatst op de dries ter hoogte van het vroegere borrewater. In 1990 werd de oorspronkelijke oude wip vervangen.

  • DE NIL L., De St.-Pietersgilde van Mazenzele, in: De Autotoerist - september 1977.
  • DE NIL L., Historiek der straten van Mazenzele, Artikelenreeks verzameld en verspreid door Heemkring Opwijk-Mazenzele, juni 1987.
  • DESMAREZ G., La Colonisation fraque et le régime agraire en Belgique.
  • DUSSAERT F., Claude J., Les villages de 'dries' en Basse et Moyenne-Belgique,in: Bulletin de la Société Belge d'Etudes Géographiques, Tome XL, 1975.
  • LINDEMANS J., Toponymische verschijnselen op kaart gebracht. De Heem- en Kouternamen, Handel. K.C. Topon. en Dialectologie, jg. XIV, 1940.
  • LINDEMANS J., Toponymische verschijnselen geografisch bewerkt. Zele, Handelingen K.C. Topon. Dialectologie XXII, 1948.
  • VAN DE VELDE J., De mazelse gilde en haar dries..., HOM 1991-2.
  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, Geschied- en oudheidkundig genootschap in Vlaams-Brabant, Deel V, 1966.

Bron: Beschermignsdossier DB002085

Auteurs: De Schepper, Jo & Wijnant, Jo

Datum tekst: 1999

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Mazenzele

Mazenzele (Opwijk)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.