Maalderij Van Dooren

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Maalderij Van Dooren
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Rotselaar
Deelgemeente Rotselaar
Straat Molenstraat
Locatie Molenstraat 2, Rotselaar (Vlaams-Brabant)
Status Bewaard

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Maalderij Van Dooren

Deze vaststelling is geldig sinds 20-09-2010.

is beschermd als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Maalderij Van Dooren met omgeving

Deze bescherming is geldig sinds 22-06-1983.

is beschermd als monument Maalderij Van Doren

Deze bescherming is geldig sinds 22-06-1983.

Beschrijving

Grote watermolen, te dateren tussen de 17de eeuw en ongeveer 1900, met woonhuis, stallen, schuur en bakhuis. De datering spreekt voor de waarde als een rariteit: vooral op het platteland heeft men niet zoveel 17de-eeuws erfgoed meer over. Uitwendige en constructieve elementen van de woning en het molengebouw verwijzen naar de 17de-eeuwse bouwtrant. Dit wordt door geschreven en iconografische bronnen bevestigd. Deze kenmerken zijn door de tijden heen gaaf bewaard.

Historiek en beschrijving van de evolutie

Akte 1218: Arnolf III, heer van Rotselaar, was meer dan 1 watermolen rijk.

Midden 13e eeuw: Rotselaar telt vier watermolens waaronder de 'Watermolen aan de Dijle'. (Reeds vermelding van nog bestaand eilandje). Hoogstwaarschijnlijk betreft het dezelfde site als van de hier besproken watermolen.

Document 1544: eerste formeel bewijs van het bestaan van deze watermolen.

Meerdere vermeldingen in teksten en afbeeldingen op plannen:

17de eeuw
  • Afbeelding met twee waterwielen (aquarel Archief Arenberg). Latere afbeelding met drie waterwielen (kadastraal plan in map '1601' (anno): bepaalde details van het afgebeelde gebouw doen denken aan gelijkaardige kenmerken van het nog bestaande 17de-eeuwse gebouw (woonhuis).
  • 1662: Sluiswerken, stenen uitvoering van wanden en landhoofd (bestaat nog).
  • 1664: Waarschijnlijk oprichten van nu nog bestaand molengebouw (brieven controleur Brabantse waterwegen aan Hertog van Arenberg).
18de eeuw
  • Aanplakbiljetten waarin melding van 'drij paer stenen'.
  • Inventaris 1735: idem: korenmolen + moutmolen + tarwemolen.
  • 1787: melding van vier paar stenen
  • 1777: bouw van nieuwe, heden nog bestaande, stal. Huidig bakhuis bestaat reeds.
19de eeuw
  • 1840: rapporten aangaande de slechte bouwfysische toestand. De molen heeft het statuut van loonmolen. Dit betekent dat er enkel graan werd gemalen va en op aanvraag van de boeren. Er werd dan ook enkel inlands graan verwerkt. Later werd het molenbedrijf een specifieke handel. De molenaar kocht zelf graan op en verkocht de bloem aan de bakkers.
  • Rond 1880 werd de molenmachinerie, die tot dan toe bestond uit vier maalstenen, uitgebreid met enkele cilindermolens. Deze machines bevatten metalen cilinders die tegengesteld, en met verschillende snelheid, roteren. Hiertussen wordt het graan geplet en uiteengewrongen. Bij dit maalprocedé warmt het graan op, waardoor het aan kwaliteit inboet tegenover het koud malen met maalstenen. Men noemt deze methode dan ook het "warm malen" – (°)
  • Het malen van de cilinders was toen nog een zeldzaamheid en de molen werd in de streek vlug bekend om zijn fijne bloem. Begin deze eeuw kwamen de boeren van tegen de Nederlandse grens om hun graan te laten malen. De geïnstalleerde machines waren tweedehands en werkten oorspronkelijk (maar niet te lang) in de industriële molen 'Remy' te Wijgmaal.
20e eeuw
  • 1902: de twee waterraderen, intussen in een 'waterhuis' ingebouwd worden door een turbine 'Schneider' het betrekt hier één van de eerste turbines in België. Constructie van nieuwe sluizen en turbinehuis met plat dak.
  • 1902: optrekken van silo met capaciteit van 60 ton. Deze silo, is in feite een grote kuip, over de hele hoogte van het gebouw, gevormd door vier goed verankerde muren, en opgedeeld in zes delen, met metershoge schotten. De silo is onderaan trechtervormig. Het te stockeren graan werd in zakken aangevoerd. Deze werden leeggemaakt in een houten bak, die aansloot op een elevator. Deze 'bakjeslift' aangedreven door de turbine, bracht het graan naar gelang de soort in het gepaste silocompartiment. Voor het silogebouw opgericht werd, was het dak van de oude molen aan drie zijden hellen: naar de Dijle toe, aan de kant van de binnenkoer en naar de silo toe. Het torentje was de bekroning aan het einde van de nok. Dit torentje in geconstrueerd rond een verticale keper, die origineel in de constructie voorzien werd. Bij de bouw van de silo, die hoger was dan de molen, moest de noklijn van deze laatste doorgetrokken worden tot tegen de silogevel, die opgebouwd werd op de molengevel aan de noordkant. Zo werd het afwateringsprobleem van het dak van de molen vermeden en er werd meteen ook meer werkruimte ter beschikking gesteld. Deze verandering van het dak is binnenin merkbaar aan de nieuwere dakstructuur in het veranderde deel en buiten merkt men de aanpassing aan de textuur van de natuurleien.
  • Het woonhuis aan de molen onderging in de 20ste eeuw enkele wijzigingen. Rond 1900 zag de woning er als volgt uit: via de gang tussen het molenhuis en de molen kwam men eerst in de keuken, die ook als eetkamer gebruikt werd. Het salon was achter de keuken gelegen. Dit salon was ook het bureau van de molenaar. De klanten moesten dus steeds door de keuken naar het bureau. Via de trap in het traptorentje werd een tussenverdieping bereikt. Deze tussenverdieping was ingebouwd als logies voor de twee meiden. De kamer was gebouwd boven de gang en kraagde voor een deel uit in de keukenruimte. De traphal op deze tussenverdieping gaf via een deur verbinding met de reeds vroeger vernoemde opkamer van het washuis in de molen. De traptoren leidde verder tot de eerste verdieping. Deze verdieping bestond vroeger uit twee grote kamers. Om de tweede slaapkamer te bereiken, moest men door de eerste gaan. Er was dus oorspronkelijk geen gang die de kamers bediende. Op de zolder van het woonhuis werd haver gestapeld. De dakstructuur is in eik en bevat geen nokbalk. Dit zou en originele 17de-eeuwse constructie zijn. Aan de zuidgevel van het woonhuis was een berging met een zadeldak. Aan de kant van de Dijle was de gevelhoek versterkt met ijzerzandstenen. Dit wijst erop dat het bijgebouwtje vrij oud was.
  • In 1921 werd het woonhuis uitgebreid met een kamerbrede strook, op de plaats van deze berging. De gevel aan de Dijlekant werd verder opgetrokken en aan de zijde van de koer kwam een nieuwe gevel. Zoals reeds werd gezegd, had het turbinehuis uit 1902 een plat dak. De trillingen, veroorzaakt door de turbine, deden echter het dak scheuren. Een hellend dak (waterdichting!) werd geconstrueerd en meteen werd op het turbinehuis een tweede verdieping gebouwd. Door deze opbouw was men genoodzaakt het dak van de oude molen te verhogen. Het torentje op het dak bleef bewaard.
  • 1930: verdere uitbreiding met loods: kort daarop oprichten van drie verdiepingen op bestaande bureelgebouwtje; nog later bouwen van de passerelle.
  • 1950: vernieuwen van de gietijzeren schoepen van de turbine.
  • 1960 er jaren: gracht langs de Molenstraat gedempt
  • 1968: gebouwen komen leeg te staan

Beschrijving exterieur

Het woonhuis bestaat uit een 17de-eeuws en een 20ste-eeuws gedeelte.

Het 17de-eeuwse gedeelte is een baksteenbouw van drie traveeën (met inbegrip van trappenhuis) en twee bouwlagen onder een zadeldak met daktegels en natuurleien (oorspronkelijk dakspant met makelaar, zonder schoren). Gebruik van natuurstenen elementen die hun 17de-eeuwse profiel hebben bewaard. De voorgevel is van baksteen, maar bezet met een cementlaag met imitatievoegen. Op de verdieping zitten vensters met kruiskozijnen (gekaleid) en smeedijzeren “diefijzers”. Het trappenhuis heeft een korfbogig afgedekte toegang die van natuurstenen omlijsting op geprofileerd basement is voorzien. Muuropeningen op gelijkvloers met 20ste-eeuwse aanpassingen.

Het 20ste-eeuws gedeelte is een baksteenbouw van één travee en twee bouwlagen onder zadeldak met asbestschaliën. De achtergevel werd in de 20ste eeuw grondig gewijzigd; toch bleef grosso modo het oorspronkelijke metselwerk van enkele natuurstenen elementen behouden.

Het molengebouw is een geschilderde baksteenbouw van drie traveeën en één bouwlaag met plint en linkerhoek in cementbezetwerk. Het gebouw is gevat onder een asymmetrisch zadeldak (oorspronkelijk symmetrisch) van 1902. Het oorspronkelijke dakspant is bewaard met enkele aanpassingen. Overkragend vóórdakschild; uitkraging op houten, gesprofileerde konsoles.

De dakbedekking bestaat uit natuurleien vóór en machine-gevormde platte pannen achter. Drie kleine houten dakkapellen, kleine peervormige dakruiter- met windwijzer. In het vlak van de voorgevel zit een grote bakstenen dakkapel met trapgeveltop en een korfbogig afgedekte, later verlaagde deuropening (laaddeur) met natuurstenen omlijsting onder regenlijst en lijstkapiteel. Boven deze opening: uitwendig luiwerk. Onder deze opening: tweede laaddeur van recentere datum

In de voorgevel zitten vlak afgedekte, hoge vensters met krijskozijnen (tussendorpel op halve hoogte) en ijzeren roedeverdeling (± 1900). De toegang is met een houten balk vlak afgedekt en heeft een natuurstenen omlijsting. Op gelijkvloers niveau zitten ringen voor het vastmaken van paarden.

De achtergevel van het molengebouw werd na 1902 over vijf bouwlagen opgetrokken en gedeeltelijk verborgen achter het turbinehuis, dat vijf traveeën breed en is bouwlagen hoog is. In de zijgevel zijn muurvlechtingen te zien. Segmentbogig afgedekte vensters met ijzeren ramen van het fabriekstype.

Het turbinehuis van vijf traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak met platte pannen; vensteropeningen: zie silo.

Het silogebouw van 1902, een baksteenbouw baksteen van vijf bouwlagen en vier traveeën onder een zadeldak met platte machinegevormde pannen. Segmentbogig afgedekte vensters met vulling van het reeds besproken type, laaddeuren links vlak afgedekt. Gietijzeren muurankers.

De paardenstal is 18de-eeuws en dateert waarschijnlijk uit de eerste helft van die eeuw. Opmerkelijk zijn hier de korfbogig afgedekte toegangsdeuropening met natuurstenen omlijsting, de twee kleinere dakkapellen en een grote dakkapel voor lossen en laden, de zijgevel met vlechtingen, het zadeldak met S-pannen en ook de oude inrichtingen met houten scheiwanden voorzien van sierlijke stijlen en ijzerwerk. 19de eeuw uitbreiding met atelier en kamer met houten wanden voor paardenknecht.

Het bakhuis kan 18de-eeuws zijn, maar werd waarschijnlijk in de 19de eeuw aangepast.

De houten schuur uit het einde van de 19de eeuw is een beeldbepalend element.

Inwendige inrichting van molen- en silogebouw

Beschrijving technische kenmerken turbine, maart 1902 'Phenix' nr. 40 (Schneider-Jacquet). Het rendement is gegarandeerd op 80%. Het contract vermeldt dat de werken één maand (1/7/1902 tot 31/7/1902), in beslag mogen nemen. Met een debiet van 3500 liter per seconde en een verval van 2,100 m waarborgen de constructeurs een productie van 245 zakken van 100 kilogram afgewerkt graan per 24 uren. Daarvoor bedroeg de productie slechts 120 zakken van 100 kilogram.

Turbine "Phenix" nr. 40. 1,900 5000 100 1,900 3500 71 maximaal rendement - gegarandeerd rendement van 80% - 1,700 4750 80 1,500 4500 67,5

De waterkracht werd ook gebruikt voor de opwekking van elektriciteit door middel van een alternator. Bij normale belasting garandeerde de turbine een spanning van 230 tot 240 Volt. En leverde gemiddeld 50 tot 60 KW.

De maalcyclus: de bedoeling is het maalproces toe te lichten, zoals er gemalen werd voor het bedrijf in de jaren 1960 dichtging. Het graan werd door de boeren of door het personeel van de molen aangevoerd. Regelmatig kocht de molenaar ook een grotere lading graan, die dan door een transportfirma werd aangevoerd. De molen was niet uitgerust om graan in bulk te lossen, zodat het aangevoerde graan in jutezakken stak met een inhoud van 100 kilogram. Deze zakken werden leeggemaakt in een bak, opgesteld aan de voorkant van het silogebouw. Deze bak is trechtervorming en ter plaatse van het laagste punt brengt een elevator het graan naar boven. Een elevator (of bakjeslift) is een transportband waarop metalen bakjes zijn bevestigd. Bij dit systeem zijn twee verticale kanalen nodig: één voor de stijgende, geladen bakjes, en één voor de dalende, lege. Onderaan scheppen de bakjes het graan op en bovenaan wordt de inhoud van het bakje door de middelpuntvliedende kracht uitgezwierd. Alle transportmechanismen in de molen werden aangedreven met de turbinekracht.

Molengebouw

Niveau O:

  • Overbrenging van de turbinekracht op de horizontale hoofdaandrijfassen via zware gietijzeren conische kamraderen en riemen. Deze 'centrale' aandrijfassen verdelen de beweging via andere riemen op alle machines van de silo en van de molen. (warme maalcyclus).
  • De traditionele molenstenen an de koude maalcyclus worden enkel aangedreven via conische raderen (ijzer of ijzer + hout). Inschakeling van deze stenen door middel van het in de naaf heffen van de rondsels. Lichten door middel van wieltje. De maalstoel bestaat uit een grote kubusvormige stenen blok en verschillende, onderling verbonden, gietijzeren zuilen.
  • Van de elektro-installatie is de generator verdwenen; schakelbord bestat nog. Vroeger zouden hier zelfs 2 generatoren gestaan hebben.

Niveau 1:

  • Koude maalcyclus: 3 koppels stenen diameter 1,5 m, kunststeen. Alle (houten) toebehoren zoals steenkist, graantrechters, tremelschoen, enz… is bewaard doch gedeeltelijk weggenomen; vierkante steenring.
  • Warme maalcyclus: brekers 1 tot en met 6 (2e en 3e breking verdwenen); Merken: "phlippot, Jacquet-Schneider", "Luther" ( rond 1880), allen met gegroefde rollen
  • 1e maling ("aggrégeur"): onontbeerlijk tussenstadium voor maling (gladde rollen; 7 de maling weggenomen).

Niveau 2:

  • Planziften (4) (kuisen graan), rond 1870
  • Borstelmachine waaronder met loodjes verzegelde weegschaal (belastingen en accijnzen) met individuele verlichting van de teller. Van hieruit vertrekt het graan naar de 1e breking.
  • Verdeelhuis meel (vullen van zakken).
  • Horizontale houten ontsnappingskoker ontvochtiging brekers en maaltoestellen.

Niveau 3:

  • Planziften (5) waaronder: veiligheidsplanzift

Niveau 4:

  • 9 détacheurs (ontbinders) meestal van het merk "lafon", rond 1890
  • Recuperatie meel uit ontvochtiger door middel van linnen buizen.
  • Ontdamper (ventilator), -meel- en stofsilo (hout). Sint-Jacobsladders met metalen bakjes, 2 komen tot op niveau 4 en bevinden zich buiten het 17e dakprofiel.

Silogebouw

Niveau 0:

  • Graanstortkelder; onderste gedeelte Sint-Jacobsladders; wasinstallatie: pomp met peervormige drukkamers; menger (water + graan); centrifuge; voor 1910: rond 1880-90.

Niveau 2:

  • Pelmachine et afvoer naar wachtsilo, silo, stofsilo (30er jaren)

Niveau 3:

  • Sorteermachine "Kalker Trieur Fabrik gelochter Bleche- "Mayer" & Cie A G. Heumar" (30er jaren), werd praktisch nooit gebruikt

Niveau 4:

  • 2 wanmolens (eerste bewerking voor het graan in de silo gestort wordt, ook bewerking voor het storten in de wachtsilo. Deze wanmolens werken met ventilatie.) Voor 1910: ongeveer 1880-90.
  • Silo’s over verdiepingen 0 tot en met 3, onderaan de hoofdsilo’s: cilindertrommels met bakjes (verschillende formaten zijn monteerbaar) en horizontale schroef van archiniedes; wachtsilo + stofsilo over verdiepingen 2 tot en met 4.
  • Verschillende elevatoren

De omgeving van de maalderij bestaat uit de site van de maalderij, de oevers langs beide kanten van de Dijle over een afstand van 375 meter (de zogenaamde molinotoop) en arbeiderswoningen in het oosten van de site. De arbeiderswoningen en de oevers hebben een beeldbepalende waarde. De verloop van de Dijle en de bijpas is belangrijk met betrekking tot de geschiedenis van het bedrijf en voor de werking van de molen.

Bron: Beschermingsdossier DB000703

Auteurs: De Schepper, Jo

Datum tekst: 1983

Relaties

maakt deel uit van Rotselaar

Rotselaar (Rotselaar)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.