erfgoedobject

Centrale Werkplaats NMBS

bouwkundig element
ID: 200270   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200270

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het betreft een grootschalig industrieel complex uit de tweede helft van de 19de eeuw, uniek voorbeeld van een belangrijke werkplaats in oorsprong opgericht door verschillende samenwerkende spoorwegmaatschappijen, bestaande uit een monumentaal geheel van werkhallen te dateren van 1863 tot circa 1882, opgetrokken volgens de zich toen ontwikkelende constructiemethodes en rond 1920 aangevuld met een grote hal.

De werkplaatsen dienden voor de bouw en de herstelling van locomotieven, rijtuigen, wagens en ander materieel. Ook de bevoorrading van de stations gebeurde van hieruit. De plannen voor de Centrale Werkplaats werden opgemaakt door Maurice Urban.

De daken van alle gebouwen worden gedragen door ijzeren polonceau-spanten, met uitzondering van atelier 5 dat een houten dakconstructie heeft, rustend op gietijzeren zuilen. Gietijzeren zuilen vinden we ook in de hallen 4, 6 en 8 ter ondersteuning van de polonceau-spanten.

Circa 1882 werden er nieuwe halruimten bijgebouwd of werden de bestaande hallen uitgebreid. Voortdurend werden kleine ateliers bijgebouwd, alsook een economaat met bakkerij en een magazijn met voedingswaren (1886, te situeren in de sociale context van die tijd).

Even na de Eerste Wereldoorlog werd in de zuidwestelijke hoek een nieuw complex, namelijk een ketelmakerij (vanaf 1931 tendermakerij), opgetrokken. Hierbij werd gebruik gemaakt van dakgebinten en steunelementen afkomstig van het 'Arsenaal der Staatsijzerenwegen' te Hoboken die in 1920 afgebroken werd. Na de Tweede Wereldoorlog werd spoedig gestart met de wederopbouw. Nadien onderging het complex nog enkele wijzigingen maar van de gebouwen uit 1863 werden enkel de hallen 1 en 2 door nieuwbouw vervangen. De overige behielden de oude muren, dakstructuur en gietijzeren steunen.

In 1993 werden de centrale werkplaatsen definitief gesloten, de installaties werden ontmanteld, een groot deel van de machines werd naar andere werkplaatsen overgebracht.

Hal 4 (1863) was oorspronkelijk de grote montagehal voor locomotieven, waarvan een deel ingenomen werd door de ketelmakerij. De hal was oorspronkelijk voorzien van 24 lateraal gerichte werkputten. Langwerpig bakstenen gebouw, afgedekt met drie evenwijdig verlopende zadeldaken (dakpannen); de kopgevels van het middenschip zijn voorzien van grote, met gedrukte rondbogen afgedekte poortopeningen; de zuidelijke kopgevel is voorzien van een aanbouw in ijzeren vakwerkbouw met bakstenen metselwerkvulling; geveltoppen met dubbele spaarvelden en 3 verticale geledingen.

De tussenhal (tussen hal 4 en 5) werd gebouwd in 1882 en deed dienst als paswerkerij. Het gaat om een langwerpig bakstenen gebouw. De kopgevels hebben drie segmentbogig afgedekte raamopeningen op het gelijkvloers; op de verdieping grote segmentbogig afgedekte opening door verticaal metselwerk in drie gedeeld. Het dak (golfplaten) heeft houten spanten en twee laterale delen met recentere polonceau-achtige structuren.

Hal 5 (1863), in baksteenarchitectuur, heeft de esthetische kenmerken van hal 4. Het dak heeft een houten spant met mediaan geplaatste gietijzeren zuilen met consoles (eveneens gietijzer) voor transmissieassen (verdwenen). Per kopgevel (puntgevel) zijn er 2 rondbogig afgedekte poorten.

Hal 6 (1863, baksteenarchitectuur) heeft een dubbele puntgevel, 3 traveeën per gevel, segmentbogig afgedekte raamopeningen, gevels met dubbele spaarvelden en 3 geledingen. De dakconstructie van deze dubbele hal met gietijzeren zuilen bestaat uit houten kapbenen met polonceau-systeem; houten horizontale verbindingspoutrel. De geveltoppen hebben dubbele spaarvelden, 3 geledingen.

Hallen 7 en 8 zijn gedeeltelijk van 1863/1882. Centrale rij gietijzeren zuilen op polygonale voet en verbonden door horizontale houten poutrel; 7 kappen met polonceau-spanten en houten kapbenen. Raamopeningen segmentbogig afgedekt.

De grote hal, zijnde de 'ketelmakerij/tendermakerij' later 'hal motoren en snelheidskasten' dateert van circa 1920 met materiaal uit 1907. Grote hal met kopgevels (puntgevels) van 3 bouwlagen en 6 traveeën; onderverdeling geaccentueerd door verlopende steunberen; raamopeningen segmentbogig afgedekt met uitzondering van de blinde boogramen in de geveltop. Zijgevels met zelfde venstertypen en ingedeeld door zware betonnen zuilen waarop sporen voor laadbrug (heden verdwenen). Boven de zijgevels lichtstroken met ijzeren draagstructuur. IJzeren kapspant met driehoeksstructuur (verticale en diagonale profielen vormen driehoeken). Lichtstroken aan weerszijden van de noklijn.


Bron     : Beschermingsdossier DB002026
Auteurs :  De Schepper, Jo


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Centrale Werkplaats NMBS [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200270 (Geraadpleegd op 15-07-2020)