Teksten van Standbeeld Hendrik van Veldeke

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200357

Standbeeld Hendrik van Veldeke ()

Het standbeeld van Hendrik van Veldeke is ingehuldigd op 30 september 1928 en werd opgericht door het Hendrik van Veldekecomité en vooral op initiatief van Eugène Leën, penningmeester van het comité en voorzichter van het Hasseltse Leesgezelschap. Leën stond naar verluidt ook model voor het beeld dat gerealiseerd werd door de Brusselse beeldhouwer Henri Holemans. De oprichting van het gedenkteken getuigt van een Limburgs regionaal besef en van de wens een Vlaamse culturele identiteit te ontwikkelen.

Historiek en context

Hendrik van Veldeke: eerste bij naam gekende schrijver in het Middelnederlands

Hendrik werd rond 1140 geboren te Veldeke – vandaar zijn naam –, nabij Spalbeek in de buurt van Hasselt. Hij behoorde tot een geslacht van ridders in dienst van de graaf van Loon. De graven van Loon bestuurden vanuit hun kasteel in Borgloon een graafschap dat grotendeels de huidige provincie van Belgisch Limburg omvatte. Van Veldeke werd opgeleid tot geestelijke en werkte als klerk. Naast zijn Limburgse moedertaal, was hij vertrouwd met Duits, Frans en Latijn. Als dichter was hij werkzaam onder gravin Agnes van Loon en in de kringen van de Duitse keizer Frederik Barbarossa en zijn zoon Hendrik VI. Hij overleed na 1186 in het Duitse Thüringen.

Hendrik van Veldeke werd lange tijd beschouwd als een Duitse dichter, aangezien zijn geschriften in eerste instantie werden overgeleverd in het middelhoogduits. Rond het midden van de 19de eeuw herontdekte en publiceerde J.H. Bormans de 12de-eeuwse Servaaslegende, geschreven door van Veldeke in het Diets, een mengeling van Limburgs, Nederlands en Duits. Deze ontdekking situeert zich in een context van nationale identiteitsvorming, interesse voor het roemrijke verleden en de opkomst van taalkundig onderzoek. Sindsdien wordt van Veldeke beschouwd als de eerste grote dichter van de Nederlandse taal. Het ontdekte werk maakt hem immers de eerste bij naam gekende schrijver van een literair werk in het Middelnederlands. In tegenstelling tot het toen gangbare Latijn, koos hij voor de streektaal en zette deze dialecten in schrift om. Zijn geschriften getuigen van de Renaissance van de 12de eeuw: een periode van intellectuele en literaire bloei in West-Europa rond 1070-1320. Men haalde toen inspiratie uit de Klassieke Oudheid en had veel aandacht voor menselijke ervaringen en gevoelens. Van Veldeke slaagde erin de mentaliteitswijziging op een vernieuwende manier te verwoorden.

Van Veldeke maakte naam in de minnepoëzie, waarbij hij de Franse hoofse literatuur op persoonlijke wijze verwerkte in gedichten in de volkstaal. De invloedrijke Servaaslegende schreef hij in een Limburgs dialect omstreeks 1170-1180 in opdracht van de gravin Agnes van Loon, die hem als hofdichter in dienst had genomen, en van de schatbewaarder van de Sint-Servaaskerk in Maastricht. Hij schreef eveneens een Eneasroman, gebaseerd op de Franse Roman d’Eneas, die een bewerking was het werk van Vergilius. Hij startte dit werk in opdracht van de landgraaf van Thüringen, maar de onvoltooide versie werd ontvreemd. Pas negen jaar later kreeg hij het manuscript terug in handen en kon hij het werk in Freyburg rond 1186 voltooien. Het was een 13.000 verzen tellende roman die erg gesmaakt werd in hoofse kringen en ruim verspreid werd. Rond 1220-30 werd in Beieren een rijk verlucht handschrift hiervan gemaakt, dat beschouwd kan worden als de vroegst gekende geïllustreerde wereldse roman. Het werk handelde vooral over thema’s als liefde en strijd, waarbij van Veldeke het thema van de liefde uitgebreid uitwerkte. Hij schreef en componeerde ook een dertigtal minneliederen, oorspronkelijk in Limburgs dialect.

Viering van zijn 800ste verjaardag met een standbeeld
Voorbereiding en oprichting van een comité

In 1924 broedde Eugeen Leën (1862-1932) op een plan om Hendrik van Veldeke te herdenken naar aanleiding van de 800ste verjaardag van zijn geboorte. 1126 werd toen als geboortejaar aangenomen. In maart 1924 stelde Leën op de vergadering van het Koninklijk Leesgezelschap van Hasselt voor om een prijsvraag uit te schrijven. Deze wedstrijd had als doel een vulgariserend boek over Hendrik van Veldeke te publiceren. De prijsvraag leverde uiteindelijk geen goed resultaat, waarna Jozef Droogmans, lid van de beoordelingscommissie en het Leesgezelschap, zelf een publicatie over Hendrik van Veldeke zou schrijven. In augustus 1924 gaf Leën ook een voordracht binnen het Leesgezelschap over van Veldeke. Daarin wees hij op zijn belang als “eerste Nederlandse dichter, de eerste die in onze taal schreef toen zij nog geen eigenlijke schriftvormen bezat; als baanbreker in Middel-Europa van de Zuid-Europese beschaving; als schepper van de Middeleeuwse Duitse poëzie.” Het Leesgezelschap was onder andere door Leën opgericht in 1893 als een vereniging van katholieke Vlaamsgezinde intellectuelen, die het culturele leven in Hasselt en Limburg wilden bevorderen. Van Veldeke werd beschouwd als een Limburgs, maar ook Vlaams symbool. De oprichting van een standbeeld sloot aan bij de toenmalige Vlaamse beweging, waarbij gedenktekens werden opgericht in de publieke ruimte voor figuren die onder andere een belangrijke bijdrage hadden geleverd op taalkundig vlak. Parallel met het Hasseltse initiatief waren er ook in Maastricht ook al langer plannen om een gedenkteken voor hem op te richten. Sinds 1910 was er daar meer aandacht voor de figuur van Veldeke. Een opgericht comité legde er in 1919 het verzoek voor een standbeeld voor aan de stad, dat ook de intentie had om zijn 800ste verjaardag te herdenken. Het standbeeld in Maastricht zou er pas in 1934 komen en was van de hand van Charles Vos.

In de eerste helft van 1925 werd in de schoot van het Hasseltse Leesgezelschap een voorlopig comité opgericht, dat een blijvende herinnering aan van Veldeke wilde realiseren. Het bestond uit X. Byvoet, L. Engelen, J. Indekeu, E. Leën, J. Robyns en P. Smolders. Dit comité bereidde de viering voor en deed een oproep om een vaste comiteit op te richten “dat over de heele provincie en ook in de andere Vlaamsche gouwen een beweging op touw zette, om in 1926 [gecorrigeerd tot 1927] iets blijvends tot stand te brengen ter eere van den eersten Vlaamschen dichter.” Volgens het archief van het Hendrik van Veldekecomité werd dit definitief comité gevormd op 24 maart 1927. Dit comité wordt later ook het uitvoerend comité of Limburgs comité genoemd. Voorzitter van dit comité was Polydoor Daniëls, een oudheidkundige die al in 1885 publiceerde over van Veldeke en archivaris-bibliothecaris was van de stad Hasselt. Ondervoorzitters waren rechter Xavier Byvoet, dokter Emiel Blavier, rechter Jules Frère en bouwkundige Karel Gessler. Archivaris Jozef Lyna, P. Smolders en Jozef Droogmans waren de ‘schrijvers’ van het comité. Eugeen Leën kreeg de rol als penningmeester en was feitelijk de fondsenwerver, die de financiële middelen verzamelde, zowel bij overheden als private personen. Tussen 1924 en 1927 zou hij, en andere leden van het Leesgezelschap, in dat kader ook tal van voordrachten geven over Hendrik van Veldeke om aandacht te vragen voor de herdenking. In het uitvoerend comité zetelde ook dokter J. Endepols als afgevaardigde van het comité in Maastricht. Verder waren er een veertiental leden. Naast het uitvoerend comité werden er nog twee comités opgericht: een algemeen Hendrik van Veldekecomité, dat ruimer in Vlaanderen actief was, onder voorzitter L. Scharpé en een uitgebreid erecomité onder bescherming van prins Leopold.

De figuur Hendrik van Veldeke werd door meerdere steden en landen toegeëigend, wat leidde tot een zekere rivaliteit en tot discussies rond de keuze voor en interpretatie van deze figuur. Deze moeilijke context bleek uit interne briefwisseling tussen de initiatiefnemers van de herdenking, maar kwam ook naar voor in de toenmalige pers. Er was onenigheid over de keuze voor een ‘Duitse dichter’ en een relatief onbekende figuur, wat tot aan de inhuldiging en zelfs ook later bleef duren. Ook de locatie van het standbeeld riep vragen op. In een artikel in Nieuw Limburg in september 1927 werd de vraag gesteld waarom men in het centrum van Hasselt een standbeeld zou oprichten voor van Veldeke, terwijl dit eigenlijk thuishoorde bij de Veldekemolen in Spalbeek of in Maastricht: “’n standbeeld, ’t kan zoo mooi zijn als ’t wil, zal te Hasselt niets zeggen.” De lokale pers speelde natuurlijk ook wel een belangrijke rol in de fondsenwerving voor het gedenkteken. Tussen november 1927 en eind september 1928 publiceerden Vlaamse bladen regelmatig de erelijsten van de intekenaars en deelden ze artikels over het belang en leven van Hendrik van Veldeke. Zo riep Nieuw Limburg in 1927 op tot de vrijgevige steun van “alle Limburgers, van alle Vlamingen, dus ook van uwe vereeniging en van u persoonlijk.”

Realisatie en inhuldiging op 30 september 1928

In april 1928 kondigde Nieuw Limburg aan dat de cantate voor de feestelijke herdenking was afgewerkt, dit zowel op het vlak van tekst als muziek. Het erelied was geschreven door Piet Buckinx en Jan Melis, op muziek van Arthur Meulemans. In het artikel werd ook vermeld dat de beeldhouwer de opdracht had gekregen zijn ontwerp te voltooien met het oog op het gieten van het bronzen beeld en dat spoedig de aanlegwerken van het parkje zouden gebeuren waar het beeld geplaatst zou worden. Om ook de betekenis van de Veldekemolen in Spalbeek te benadrukken werd ook daar een herdenking gepland, meer bepaald door middel van een gedenkplaat. Het standbeeld in Hasselt zou onthuld worden op 30 september 1928, waarna op 1 oktober de inhuldiging van de gedenksteen in Spalbeek zou volgen. In totaal werd via openbare inschrijving zo’n 65.000 frank ingezameld voor de herdenking.

De uitvoering van het beeld gebeurde door de Brusselse beeldhouwer Henri Holemans. De keuze voor beeldhouwer Holemans is mogelijk ingegeven door het feit dat hij in 1926 het grafbeeld van Pater Valentinus had vervaardigd. Voor de uitbeelding van Hendrik van Veldeke waren geen realistische bronnen voorhanden. Er was enkel een afbeelding van hem in het Groβe Heidelberger Liederhandschrift uit het begin van de 14de eeuw. Het hoofd van het standbeeld werd naar verluidt geïnspireerd op initiatiefnemer Eugeen Leën. Andere bronnen stellen dat de beeldhouwer zijn eigen gezicht als voorbeeld nam. Begin mei 1928 gebeurde er briefwisseling tussen Holemans en Jozef Lyna over de maquette van het beeld. Holemans verkoos grès boven blauwe steen en paste de maquette aan op basis van de mening van abbé Daniëls. De levering van de steen en het kappen van de inscriptie werd toegewezen aan de Hasseltse steenkapperij Harzimont-Corsouls. Het plaasteren model was in augustus 1928 in de gieterij. De bronsgieter is niet gekend, maar mogelijk gaat het om de Brusselse bronsgieterij Ed. Lesetre et cie. Holemans werkte immers ook met deze bronsgieter samen voor de realisatie van het oorlogsgedenkteken in Genk. Uit de archiefstukken blijkt dat er ongerustheid was rond de tijdige afwerking van het gedenkteken en dat er ook discussie was over de inscriptie en de uitvoering van de natuurstenen onderbouw. Het comité verzette zich tegen een inscriptie op een uitspringende steen aan het vijvertje en duidde hun voorkeursplaats aan. In een brief van 2 oktober 1928 uitte Holemans enige kritiek over het gedenkteken: het gat onder de grote steen was te groot, de tekst van de inscriptie was te “petieterig” en had beter op een grote steen in de borduur gestaan.

In de uitgave naar aanleiding van de onthulling van het gedenkteken werd de motivatie van de oprichting als volgt verwoord: “Alle volkeren vieren hun denkers, hun dichters, hun representative men, hun kunstenaars, de voortrekkers van hun stam. En welke gouw heeft er niet haar “groot man” liefst uit de allereerste tijden der beschavingsgeschiedenis, op wien zij fier terugblikt. Wij, Limburgers, gaan er bovenal fier op, dat onze provincie, waar de beschaving eerst in België gebloeid heeft, de bakermat was van onzen “Eersten Dietschen Dichter” wellicht ook onzen eersten toondichter; Hendrik van Veldeke, die, een eeuw vóór Jacob van Maerlant, de Sint-Servatius-legende en de Eneïde schreef in de taal van het volk, en een reeks fijne minneliederen zong in een Limburgsch dialect...” Het ‘Vlaams’ gekleurde verhaal werd hierin dus niet uitgespeeld, maar de link met Limburg wel: “Limburg is er fier op, de bakermat der Nederlandsche Letterkunde geweest te zijn. Daarom werd te Hasselt een waardig gedenkteken opgericht.”

De inhuldiging van het standbeeld werd bijgewoond door prins Leopold en prinses Astrid, die op dat moment de Limburgse hoofdstad aandeden in het kader van hun blijde intrede. Dit zorgde ervoor dat de meer lokale insteek van het initiatief werd afgezwakt bij dit feestelijke moment. Er was op voorhand schrik dat de manifestatie ontsierd zou worden door Vlaamse leeuwenvlaggen. Er zouden daarom “geen vaandels noch gezangen van onvaderlandschen aard zijn”. Er werd opgeroepen tot het volgende: “De gansche dag zal zuiver Belgisch, nationaal en vaderlandsch zijn en enkel zal men er verheerlijken hetgeen door alle rechtschapene karakters geëerbiedigd wordt: HET EENE EN ONDEELBARE BELGIE.” Prins Leopold verwees in zijn toespraak op het Hasseltse stadhuis naar het belang van Hendrik van Veldeke voor zowel Vlaanderen als “ons vaderlandsch gemeengoed”. De inhuldiging ging gepaard met een folklorestoet door schoolkinderen en tal van letterkundige maatschappijen en Lilburgse verenigingen, evenals een bloemenhulde. Polydoor Daniëls, voorzitter van het comité, hield een toespraak waarin hij de betekenis van Hendrik van Veldeke “voor het gansche Vlaamsche land” benadrukte en het gedenkteken overdroeg aan de stad Hasselt. Burgemeester Portmans aanvaardde dit en bracht ook hulde aan de inzet van het comité. Nadien klonk een muzikale hulde met de speciaal geschreven en gecomponeerde H. van Veldeke-cantate die werd uitgevoerd door een groot gemengd koor, kinderkoor, declamator en groot orkest, waaronder ook vertegenwoordiging vanuit Maastricht.

Omgevingsaanleg en evolutie tot vandaag

Historische foto’s van op het moment van inhuldiging of kort erna tonen de plaatsing van het standbeeld in een groen kader. Het pleintje was aangelegd als een groen plantsoen met graspartijen, een cirkelvormig wandelpad en heesters, aan de straatzijde afgeboord met een laag muurtje in onregelmatige natuursteenblokken. Achter het beeld waren vier lindebomen symmetrisch aangeplant. Vooral opvallend is de hoge plaatsing van het beeld ten opzichte van het maaiveld. Het natuurstenen hunebed was immers op een bijkomende natuurstenen sokkel geplaatst en aan de voorzijde was er een waterbassin aangelegd, eveneens met natuursteenblokken afgeboord. Een artikel in De Standaard vermeldde in 1928 bij de inhuldiging: “Op het van Veldeke-plein tusschen loover, de voeten zwevend boven idyllisch water zwiert nu de lenige en toch stoere gestalte, met den nobelen baard, zooals de beeldhouwer Holemans den grijzen vader der Dietsche letteren heeft uitgehouwen.” Leën vroeg op 24 mei 1930 aan het schepencollege van de stad Hasselt om de naam van het plein te herdopen naar van Veldekeplein. Dit gebeurde niet officieel, maar het plein werd in de volksmond wel zo genoemd.

Het beeld werd een vertrouwd herkenningspunt in het Hasseltse straatbeeld en werd bij latere vieringen rond van Veldeke gehuldigd. Een artikel uit 1963 vermeldde: “Het van Veldeke-monument is een stuk uit het Hasseltse leven geworden en niemand zou het graag zien verdwijnen, al durven grappenmakers soms nog al eens een loopje nemen met de eerbiedwaardige grijsaard, die is gezeten op een steen.” Dat grappenmakers of vandalen het beeld soms viseerden, bleek ook later het geval. Foto’s uit de jaren 1980 tonen dat de schouderriem van de reistas niet langer aanwezig was, wat tot vandaag het geval is. De pers meldde in 1991 het verdwijnen van de bronzen reistas door vandalen. De tas werd gelukkig teruggevonden in het parkje bij het beeld en werd vervolgens teruggeplaatst.

Er zijn weinig bronnen voorhanden die de omgevingswerken, maar ook eventuele werken aan het beeld documenteren. Volgens artikels in de pers wijzigde de omgevingsaanleg van het plein omstreeks het voorjaar van 2000. Het plein werd toen meer verhard en kreeg een getrapte opbouw, waardoor het bassin en de natuurstenen sokkel onder het hunebed verdwenen. Het groenscherm met de lindebomen bleef wel bewaard.

Beschrijving

Het standbeeld werd in 1928 opgericht op een plantsoen aan de kleine ring van Hasselt, namelijk op de hoek van de Thonissenlaan met Het Dorp. Die plaats stond toen bekend als de Reddelberg,

Het standbeeld heeft een originele compositie, die een frontaal zittend, bronzen beeld van Hendrik van Veldeke, uitgevoerd door Henri Holemans, combineert met een hunebed opgebouwd uit megalietstenen. De stenen zijn naar verluidt afkomstig van het Kapelveld te Diepenbeek. Onderaan in de sokkel staat op een steen de inscriptie “AAN/ HENDRIK VAN/ VELDEKE” en op de steen daaronder “VADER DER DIETSCHE/ DICHTERS ALGAEDER/ XII EEUW”. Het bronzen beeld toont van Veldeke in een pij, met de voeten gekruist en met zijn armen gestrekt langs zijn lichaam. Het gelaat is gebaseerd op initiatiefnemer Eugeen Leën. Van Veldeke wordt geflankeerd door bronzen attributen, namelijk perkamentrollen met vermelding van zijn bekendste werken “St SERVATIUS/ LEGENDE” en “ENEIDE” en aan de andere zijde een reistas en een staf. Deze attributen verwijzen naar het belang van zijn geschriften en naar zijn buitenlandse reizen onder de graven van Loon. Oorspronkelijk was de reistas voorzien van een bronzen schouderband, die sierlijk over de staf gedrapeerd.

De opvallende en originele sokkel van het standbeeld was oorspronkelijk voorzien van een opening centraal, onder de dwarse steen. Historische foto’s tonen dat er in deze ruimte losse natuursteenblokken waren opgestapeld. Vandaag is deze opening gedicht met verschillende soorten natuursteenblokken.

Achter het standbeeld is het oorspronkelijke groenscherm bewaard, bestaande uit vier lindebomen die symmetrisch achter het beeld opgesteld staan. De noordelijke boom werd vermoedelijk omstreeks het laatste kwart van de 20ste eeuw vervangen. De overige omgevingsaanleg van het plein en een deel van het oorspronkelijke concept van het beeld verdwenen, namelijk een bijkomende natuurstenen sokkel onder het hunebed en een aansluitend waterbassin aan de voorzijde van het beeld, afgeboord met natuursteenblokken.

  • Bibliotheek Hasselt Limburg, documentatiemap Hendrik van Veldeke.
  • Stadsarchief Hasselt, archief Hendrik Van Veldekecomité, PABV_028, inhoudlijst.
  • Stadsarchief Hasselt, beeldenbank, postkaarten en foto’s standbeeld Hendrik van Veldeke.
  • Stadsarchief Hasselt, krantenartikels over de oprichting van het standbeeld, voornamelijk Nieuw Limburg 1925-1928.
  • Verslag monumentenwacht 31402/2026/F, standbeeld Hendrik van Veldeke.
  • ARIJS K. 2014: ‘Die aan ‘t verleden raakt kan altijd tooveren’. Twee standbeelden voor Hendrik van Veldeke: lokaal initiatief en Limburgse identiteit, Studies over de sociaaleconomische geschiedenis van Limburg. Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg LIX, 81-104.
  • B.J. 1928: De Hendrik van Veldeke-feesten te Hasselt, De Standaard 11.269, 1 oktober, 1-2 [online], https://uurl.kbr.be/1454340 (geraadpleegd op 20 augustus 2026).
  • DROOGMANS J. 1928: Hendrik van Veldeke: de eerste Dietsche dichter: zijn leven en zijn werk, Tongeren/Hasselt.
  • DROOGMANS J. 1928 e.a.: Plechtige onthulling van het gedenkteeken Hendrik van Veldeke ter eere, op Zondag 30 September 1928, Hasselt.
  • DROOGMANS J. 1959: Door het Leesgezelschap werd het initiatief genomen van de Hendrik van Veldekeherdenking in 1928, Limburgse Bijdragen 28, 59-64.
  • HOUTMAN-JANSSEN R. (ed.) 2023: De Canon van Vlaanderen in 60 vensters, Gent.
  • K.R. 1990: De schrijver en zijn standbeeld, Het Belang van Limburg 10 juli.
  • LYNA J. 1939: De schrijver van het Veldeke-comité, Limburgsche Bijdragen 24, 64-67.
  • STERK J e.a. 2001: 100 invloedrijke Limburgers: van Ambiorix tot Roppe, Deurne
  • VENNER J. 2009: Canon van Limburg: een historisch overzicht, Sittard, 72-75.
  • S.N. 2007: Hendrik van Veldeke herontdekt, folder bij tentoonstelling, Hasselt.
  • Informatie verkregen van Jo Rombouts (16 augustus 2026).

Auteurs:  Verhelst, Julie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: VERHELST J. 2026: Standbeeld Hendrik van Veldeke [online], https://id.erfgoed.net/teksten/455968 (geraadpleegd op ).


Standbeeld van Hendrik van Veldeke ()

Bronzen beeld. Beeldt de dichter zittend af. Naar ontwerp van Halemans. De uitvoering gebeurde door E. Helde. Op initiatief van het Van Veldeke Comité Hasselt en onthuld in 1928. Opgericht op de plaats van de voormalige "Schoenmakerstoren" . Het Hendrik van Veldekensmonument is aangelegd met megalietstenen van het Kapelveld te Diepenbeek.

Veldekes geboorte- noch zijn sterfjaar zijn met zekerheid bekend (12de eeuw). Hij is de eerste volkstalige schrijver van de Nederlanden die bij naam gekend is. Hij werd geboren te Veldeke. De Vel(de)kermolen, een watermolen aan de Demer is het enige dat aan deze plaats herinnert. Veldeke schreef het Leven van Sint-Servaas, waarschijnlijk zijn eerste werk, in opdracht van heer Hessel, de koster van het Maastrichtse Servaaskapittel, en van Agnes van Metz, de gravin van Loon. Veldekes omvangrijkste werk is de Eneasroman, dat hij baseerde op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op zijn beurt teruggaat op Vergilius’ Aeneis. Het grootste deel schreef Veldeke rond 1175.

Bron: Beschermingsdossier DL000260
Auteurs:  Schlusmans, Frieda
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: SCHLUSMANS F. 1983: Standbeeld van Hendrik van Veldeke [online], https://id.erfgoed.net/teksten/125015 (geraadpleegd op ).