Stedelijk Zwembad ontworpen door Daniël Joseph Algoet

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Veldstraat_AN
Locatie Veldstraat_AN 83, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Synchronisatie databank beschermde monumenten 2008 (synchronisaties: 05-06-2008 - 31-12-2008).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Stedelijk Zwembad

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Stedelijk Zwembad ontworpen door Jozef Algoet

Deze bescherming is geldig sinds 30-07-1998.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Het stedelijk zwembad aan de Veldstraat is het oudste bewaard gebleven openbaar zwembad van de stad Antwerpen. Het gebouw van 1932 omvatte een 33 meter lang zwembad, badkamers en een turnzaal. Het interbellumgebouw, een mooie mengvorm van modernisme en art deco, bleef architecturaal nagenoeg intact. Tussen 2006 en 2009 werd het monument omgevormd tot een stoombadencomplex met behoud van het zwembad en de badkamers en met toevoeging van de oosterse stoombaden en een badenhuis.

Historiek

Bouwgeschiedenis

Het zwembad met badhuis werd opgericht in 1932 naar ontwerp van ingenieur Daniël Joseph Algoet, met medewerking van ingenieur Alfred Roelandts en bouwmeester Emiel Van Averbeke.

De bouw van deze hygiënische instelling is een getuige van het toenmalige streven van de overheid om de volksgezondheid door openbare voorzieningen te bevorderen. Vanaf de 19de eeuw speelden baden en zwemmen immers een belangrijke rol in het sociale leven van de verstedelijkte arbeidersbevolking. In de 19de en vroeg 20ste-eeuwse badhuizen stond het zwemmen ten dienste van de lichaamsreiniging. Pas later profileerde het zich als de volwaardige sport- en ontspanningsactiviteit, zoals we die vandaag kennen.

De opdracht voor het zwembad aan de Veldstraat werd door de Commissie voor Openbare Werken en Geldwezen gegeven in haar zitting van 10 mei 1926 en goedgekeurd door het gemeentecollege in de zitting van 19 mei 1926. De bouwwerken werden uitgevoerd door de Compagnie Anversoise de travaux voor 3 943 137 frank. Op 9 juli 1933 werd het zwembad plechtig geopend.

Het eerste ontwerp voor het nieuwe zwembad werd getekend door ingenieur Daniël Joseph Algoet. Deze in Brussel in de burgerlijke bouwkunde afgestudeerde ingenieur was sinds 1920 in dienst bij de Antwerpse stedelijke diensten. Op 17 december 1923 werd hij benoemd tot ingenieur en op 1 januari 1925 tot ingenieur-afdelingshoofd van de afdeling verwarming en elektrische verlichting bij de dienst der wegeniswerken. Door zijn opleiding als ingenieur en als verwarmingsspecialist van de stedelijke diensten was Algoet zeker goed geplaatst om minstens de technische ruggengraat en de structuur van een dergelijk zwembad te ontwerpen. Dit werd nog aannemelijker uit de toelichting tot het initiële bouwprogramma, door zijn diensthoofd de ingenieur-directeur Alfred Roelandts op 4 maart 1926 uitgeschreven. De bedoeling was om in vergelijking met de generatie vorige zwembaden in België, waaronder het zwembad van Sint-Gillis in Brussel uit 1904, de stookkosten, die de belangrijkste exploitatiekost vormden, drastisch te verminderen.

Het is duidelijk dat Roelandts van meet af aan een belangrijke rol heeft gespeeld in het concept van het ambitieus en vernieuwend bouwprogramma. Hij was hiervoor niet slecht geplaatst, vermits hij in Gent in 1898 eerst het diploma van civiel ingenieur en in 1899 ook nog eens dat van elektrotechnisch ingenieur behaalde. Hij was al sinds 1901 in dienst van de stad en was er hoofdingenieur-directeur sinds 1923. Om de stookkosten te verminderen, vermeldde Roelandts onder andere het dubbele betonnen dak en het korte buizenstelsel om zoveel mogelijk warmteverlies bij het transport er van te vermijden. Anderzijds vermeldde hij de duurzaamheid van de hele betonconstructie, de 'bovengrondse' kuip (die permanent onderhoud zou toelaten en tevens het dichten van lekken zou vergemakkelijken), het goede zuiveringssysteem en vele andere technische hoogstandjes.

Een vergelijking van de belangrijkste kenmerken van dit concept met het type zwembad dat in die jaren gepromoot werd door de Fédération Royale Belge de Natation, leert dat de meeste elementen inderdaad hiermee in overeenstemming zijn. Toch zijn er ook heel wat verschillen waar te nemen, de meeste gelukkig in positieve zin. Wat de afmetingen betreft, verkoos de federatie, net zoals haar Franse tegenhanger, eerder het 25 maal 13 meter model om de exploitatiekosten toch beter onder controle te houden. Misschien koos men in Antwerpen, mogelijks onder impuls van de Koninklijke Antwerpse zwemclub, voor een 33,33 meter bad omdat men hiermee beter kon scoren bij het competitiezwemmen. De oriëntatie was volgens de federatie het best noordzuid gericht, om maximaal te profiteren van de opwarming door de zon. In Antwerpen was dit om stedenbouwkundige redenen wellicht niet mogelijk zodat het hier uiteindelijk een oostwest opstelling werd. Duurzaamheid was een belangrijke bekommernis, die terugging op negatieve ervaringen met zwembaden van de vorige generatie (rond 1900-1910), hetgeen duidelijk tot uiting kwam in de aanwijzingen voor het materiaalgebruik. Bij de constructie van de hal mocht in geen geval gebruik worden gemaakt van zichtbare houten of ijzeren elementen. Wegens de hoge vochtigheidsgraad en het contact met water waren deze immers gedoemd om vroegtijdig te roesten of te rotten. De twee hoofdmaterialen waren beton en ceramiek. In de zwembadhal zelf moest zo weinig mogelijk geschilderde afwerking aanwezig zijn. Deze principes werden in de Veldstraat zeer streng toegepast. De structuur van de zwembadhal bestond uit een betonsicelet van tweemaal zeven dragende kolommen en zeven spanten in gewapend beton als dakstructuur. De wanden van het gebouw zijn uitgevoerd in vol metselwerk, de vloeren in gewapend beton, ze dragen last en gewicht af op betonbalken die dwars op de gevel de ruimte van gevel naar binnenmuur overspannen. Vrijwel alle vochtige zones waar een hoge hygiëne vereist was, werden op de vloeren en tegen de wanden voorzien van afwerkingen in grès cérame. De zwembadhal zelf werd voorzien van een zogenaamde similibepleistering die zorgde voor een soort waterresistente Franse steen-afwerking. De ramen in de zwembadhal werden uitgevoerd in gewapend beton. Voor het bassin zelf pleitte de federatie voor een kuip zonder balustrade er rond. Voor de binnenbekleding verkoos men blauwgroen voor het tegelwerk omdat dit een aangename kleur gaf aan het water. Alhoewel in de Veldstraat eerst ivoorwitte tegels voorzien waren, koos men later toch voor de blauwe variant. De kade diende volgens de voorschriften 50 à 60 centimeter boven het wateroppervlak uit te steken en moest worden voorzien van een antislipbetegeling (carrelage sarreguemines bouchardé). Het waterpeil kon best in stand gehouden werden door middel van een als uitstekende rand geprofileerde overloopgoot. De kuip had bij voorkeur een diepte van 70 centimeter tot drie meter. In grote lijnen werden al deze elementen in het project van de Antwerpse ingenieurs toegepast. Wat de individuele cabines betreft, werd hun aantal door de federatie bepaald op ongeveer 150 stuks die over twee verdiepingen in gangen werden verspreid. Algoet en Roelandts weken op dit punt ernstig af van de doorsneebenadering van de federatie. Zij verdeelden de ongeveer 120 individuele cabines op één niveau in twee parallel met de zwemhal opgestelde zijbeuken, aan beide zijden voorafgegaan door wachtlokalen. Beide zijbeuken mondden aan het eind uit in een voetbad en doucheas, die de doorgang naar de zwemkom vormden. Dit vernuftig circulatieconcept verplichtte tot het gebruik van de douches en voetbaden. De tweede laterale toegang aan de Alfons Engelsstraat werd door groepen gebruikt die op de gelijkvloerse en op de eerste verdieping een gemeenschappelijke kleedruimte hadden en die zich op eigen initiatief dienden te spoelen vooraleer in het zwembad te duiken.

Een ander belangrijk punt was de dakisolatie, dat volgens de richtlijnen een dubbel dak moest zijn. In zijn argumentatie over het bouwprogramma en de stookkosten pleitte Roelandts voor een dubbele betonnen dakstructuur en dit werd uiteindelijk ook zo uitgevoerd. Deze bestaat uit een in cassetten verdeeld plafond in gewapend beton, in lengterichting verdeeld in drie stroken die van elkaar gescheiden zijn door de verdiepte opengewerkte plafondornamenten, deze laatste fungeren als ventilatieroosters. De plafondvlakken in de stroken zijn opgevat als caissons met dubbele structuur als spouwfunctie. Boven dit plafond bevindt zich op betonnen spanten het eigenlijke betonnen zadeldak. De gesloten plafondcaissons vervullen een isolatiefunctie zoals in de richtlijnen van de federatie is toegelicht: “Le matelas d’air immobilisé atténue la difference entre la température du hall et celle de l’air extérieur, ce qui diminue considérablement la condensation". Volgens de federatie was het aangewezen ook de bovenlichten in de zwemhal te voorzien van een dubbele isolerende structuur. Bij het Antwerpse zwembad zijn alleen de ramen in de van glasramen voorziene kopse zijden bewaard. Deze bestaan uit ontdubbelde betonnen ramen die in twee lagen voor elkaar zijn opgesteld en waarvan de binnenste in dit geval het glasraam bevat en de buitenste een helder glas. Op basis van oorspronkelijke detailplannen en archieffoto’s werd vastgesteld dat de ramen boven de gaanderij van de langse gevels eveneens ontdubbeld waren: aan de binnenzijde een betonraam en aan de buitenzijde houten schrijnwerk volgens de detaillering van de andere ramen. Voor de verwarming was de federatie voorstander van een stoominstallatie op lage druk. De federatie wenste een temperatuur in de zwemhal van 21 graden Celsius voor de lucht en 20 graden Celsius voor het water. Algoet en Roelandts werkten inderdaad met een dergelijk systeem, maar hun streefdoel was zowel de lucht als het water nog een graad hoger op te warmen. Om de exploitatiekosten te drukken en bijgevolg het warmteverlies te beperken, stelde de federatie voor om de buitenmuren te voorzien van luchtspouwen, maar daar werd voor de Veldstraat jammer genoeg niet op ingegaan.

De verlichting ‘s avonds moest gewaarborgd worden door een goede elektrische installatie met voldoende zichtbaarheid voor de ‘zwemfeesten’. Op oude foto’s zien we dat de drie stroken van het plafond per vak telkens voorzien waren van een pendelarmatuur met grote witte lichtbol in melkglas.

Een heel belangrijk element was uiteraard de ventilatie, om het hele gebouw constant van verse en gezonde lucht te voorzien. Hier vond de federatie dat een traditionele, door warme lucht aangedreven ‘natuurlijke’ ventilatie het meest aangewezen was. Om tocht te vermijden, hetgeen altijd als een gevaar werd beschouwd, dienden er in de luchttoevoeren dubbele schuifluiken (vasistas) te worden toegepast. Bij het typezwembad werden er vier verluchtingsschouwen voorzien in de hoeken van de zwemhal. In de Veldstraat koos men inderdaad voor een natuurlijke ventilatie, maar het systeem werd op een veel fijnmaziger wijze toegepast. Zo werd er lucht toegevoerd onder de radiatoren die achter de banken van de kade stonden opgesteld en werd er eveneens aanvoer van verse lucht voorzien achter de radiatoren op de tribune. Deze laatste werden inderdaad voorzien van binnenuit met via een hendel te bedienen schuifluiken. De afvoer van vochtige lucht via het plafond en daarboven op de zolder via drie grote ventilatiepaviljoens in het midden van het zadeldak, ging terug op het oude systeem dat de Franse specialist d’Arcet rond 1830 al toepaste in grote theaterzalen.

Een laatste belangrijk technisch aspect is de opvatting van het watergebruik. De federatie was hier uitgesproken voorstander van een hergebruik door middel van continue filtering van het zwembadwater. Bovendien werkte dit gunstig op het kolenverbruik aangezien men op deze wijze ook een deel van de warmte van dit water kon recycleren. Dit aspect werd van in het begin door Algoet en Roelandts ter harte genomen, die hier een vooruitstrevend systeem van filtering met zand filters toepasten.

Samenvattend kunnen we stellen dat het zwembad van de Veldstraat de structuur en uitrusting van het typezwembad zeer dicht benaderde. In een aantal gevallen ging men, afgezien van de 33 meter grootte, zelfs een stap verder. Zo was de circulatie voor de gebruikers, met een verplichte doorgang door de voetbaden en de douches, zeker een vooruitgang ten opzichte van het typemodel. Ook de nog meer doorgedreven toepassing van beton, onder andere voor de dubbele ramen van de zwemhal, ging verder dan de aanbevelingen. De aangeraden heteluchtventilatie werd op zeer hoog niveau doorgevoerd. Het hier ontwikkelde ventilatie- en verwarmingsconcept was zo kwaliteitsvol dat het zwembad zonder noemenswaardige verbouwing of ingreep tot 2004 zijn functie kon blijven vervullen.

De invloed van Emiel Van Averbeke op de vormgeving

In zijn toelichting aan de gemeenteraad van 13 december 1927 bracht Roelandts nog een belangrijke factor aan het licht voor het tot stand komen van de definitieve plannen: “Bij het bepaald afwerken van het ontwerp, heeft mijn dienst, voor wat de architectuur betreft, rekening gehouden met het advies van den heer Hoofdbouwmeester Van Averbeke”. Het zijn deze plannen die door de gemeenteraad werden goedgekeurd op 9 januari 1928.

Emiel Van Averbeke had vóór en ook nog tijdens zijn eerste jaren in stadsdienst, van 1892 tot 1907, meegewerkt of als ontwerper vorm gegeven aan enkele belangrijke Antwerpse gebouwen in art nouveaustijl. Vanaf zijn indiensttreding als tijdelijk conducteur bij de stedelijke diensten was hij langzamerhand opgeklommen in de stedelijke rangen: tekenaar in 1908, conducteur in 1909 en bouwmeester 2de klas in 1910. Hij werkte onder andere onder leiding van hoofdbouwmeester Alexis van Mechelen aan de Koninklijke Vlaamse Opera en zou in 1912-1913, overigens vlakbij de Veldstraat, de belangrijke brandweerkazerne ontwerpen op de hoek van de Viséstraat. In 1920 ten slotte werd hij zelf benoemd tot hoofdbouwmeester en zou hij in deze nieuwe functie overigens als eerste opdracht de openbare was- en stortbadinrichtingen aan de Wilgenstraat (nu Oud Badhuis, middengedeelte, aan de Stuivenbergstraat) en dus palende aan het zwembad, ontwerpen waarbij hij toch al een zekere ervaring in het genre van het badhuis opdeed. We kunnen hierbij opmerken dat de middengevels van het badhuis, waarin ontluikende art deco motieven voorkomen, een zeer monumentaal karakter hebben. Ook het ruim gebruik van natuursteen geeft aan deze gevels een rijkelijk uitzicht.

Het lijkt aannemelijk dat Van Averbeke het project van Algoet stilistisch begeleidde volgens de sobere, ingehouden normen die zijn productie van de jaren 1920 kenmerkt. De gevels van het zwembad met zijn twee hoofdingangen met een risalietstructuur met luifel zouden zeer goed passen in het oeuvre van Van Averbeke. De appartementengevels aan de Engelsstraat met hun kleine trappenhuisrisaliet liggen in het verlengde van de vormentaal die de stadsbouwmeester toen voor dergelijke met strikt budget te realiseren complexen toepaste. Andere details zoals het sierlijke smeedwerk van de poort aan de doorgang naar de stookplaats aan de Veldstraat zijn wellicht door Van Averbeke ontworpen.

De uitvoering van het project in de jaren 1930

In het najaar van 1927, bij de definitieve opmaak van de plannen en het eerste lastenboek ging men uit van een raming van 3 199 000 Belgische frank voor de bouwwerken en een bedrag van 1 110 400 frank voor de technische toerusting. Men besliste op basis van deze ramingen een krediet van 4 750 000 frank in te schrijven in de begroting van 1928. Roelandts ging op dat moment uit van een uitvoering in eigen beheer van de elektrische inrichtingen, de verwarming, het buizennet en de filter. Het dossier sleepte daarna enige tijd aan, maar in december 1929 meldde Joseph Algoet dat hij bijna klaar was met de vertaling en de herziening van het lastenboek. Het dossier werd in het voorjaar 1930 voorgelegd aan de diensten van de Provinciale Bestendige Deputatie en deze merkten op, wellicht onder impuls van de provinciale architect J. Sel, dat de ramen die het zwembad moesten verlichten te klein waren en dat de afdruip van de gevellijst evenmin voldeed. Roelandts reageerde in april 1930 instemmend en gaf een detail van de aangepaste geveldoorsnedes en tevens een akkoord om de ramen zowel boven- als onderaan met zeventien centimeter te vergroten. Ten slotte werd het definitieve lastenboek in twee talen gepubliceerd en kort daarna werd de aanbesteding georganiseerd. Uiteindelijk werd de opdracht toegewezen aan de Compagnie Anversoise de Travaux, Meir 107 in Antwerpen.

De werken startten op 4 maart 1931. Tijdens de uitvoering diende de Koninklijke Antwerpse Zwemclub op 24 mei 1932 een verzoek in om de voorziene ivoorwitte tegels voor de kuipbekleding te vervangen door blauwgroene tegels. Hierop werd ingegaan, al riep de aannemer hiervoor termijnverlenging in. Het zwembad werd voorlopig opgeleverd op 8 april 1933 en de plechtige opening vond plaats op 9 juli van datzelfde jaar. Bij de definitieve oplevering op 16 januari 1935 bleven er nog steeds geschillen bestaan omdat de kuip volgens Algoet nog steeds niet waterdicht was bevonden.

Ondertussen drongen ook reeds de eerste aanpassingen zich op. Zo organiseerde men al in jul11 1933 een bijkomende aanbesteding voor het optrekken van een aantal muurtjes in dunwandig Lugino beton onder de zwemkuip. Met deze compartimentering van de kelderruimte werd in de kelder onder de zwembadkuip een aantal groepskleedkamers extra voorzien. Ook ontwierp men wegens aanhoudende klachten, op het einde van 1933 het nu nog bestaande tochtportaal voor de hoofdingang evenals een borstwering voor het loket. Deze werken werden vrijwel onmiddellijk uitgevoerd.

Beschrijving

Het zwembad anno 2000

Algemeen kan men stellen dat het zwembad anno 2000 vrij gaaf bewaard bleef, zowel ruimtelijk als wat betreft de toegepaste materialen. Uiteraard zijn er in de loop van de jaren aanpassingen gebeurd, maar de gevels en de belangrijkste ruimtes, vooral de zwembadhal, zijn goed bewaard.

Karakteristiek is de symmetrische opbouw met galerijen, tribunes en het frontaal uitzicht. De zwembadhal is ten opzichte van buitenruimte en aangrenzende lokalen besloten opgesteld. De hal is van dubbele hoogte, er is discreet bovenlicht via de ramen boven de gaanderij. Het geritmeerde betonnen plafond met decoratieve verluchtingsvakken, het waterpeil lager dan de kades, de boordstenen en trappen in blauwe hardsteen en de faience van de kuip bepalen de kwaliteit van de ruimte. Helaas werd de zwembadhal deels verminkt door de dichtgebouwde tribune op de gelijkvloerse verdieping, het afgebroken jurybalkon, een extra toegang vanuit de kleedzalen, deels vernieuwde vloeren en wandtegels, akoestische isolatie in sponspanelen tegen plafond en wanden, en de nieuwe in het plafond ingewerkte lichtarmaturen.

Secundaire lokalen zoals inkomhal Veldstraat, loket en trappenhallen in de voorbouw, inkomhal Engelsstraat, traphal en doorgangen en wachtzalen op de verdieping zijn eveneens goed bewaard. Eigen aan de jaren 1930 zijn de geometrische tekeningen in de vloertegels, de zogenaamde tegeltapijten. De vroegere wasserij is verdwenen, maar laat zich nog vermoeden in de aard van de ruimtes aan de binnenstraat. De oorspronkelijke badkamers zijn gedeeltelijk bewaard, met name wat ruimte-indeling en wandtegels betreft. In de jaren 1970-1980 werden ze wel heringericht. Naast ruimtes en circulaties zijn inrichting, schrijnwerk, ijzerwerk en afwerking voor een zeer groot deel nog aanwezig. De oorspronkelijke technische installatie is daarentegen door de vele aanpassingen slechts fragmentair bewaard. Interessant is de oorspronkelijke zandfiterinstallatie. De oorspronkelijke verwarmingswijze met gietijzeren radiatoren en ribbenbuizen gevoed met stoom, is nog in gebruik, evenwel nu gevoed met warm water. Het natuurlijke ventilatiesysteem van het gebouw is intact.

Het exterieur aan de Veldstraat en Engelsstraat is, op enkele details na, intact. Aangepast zijn de raamverdeling van de ramen in de zwembadhal (bij renovatie niet meer onderverdeeld), de kleur van het schrijnwerk (wit in plaats van de donkerdere groene tint) en de daklichten met kunststofkoepels. Er werd voorzien in een bijkomende toegangsdeur vaar de badkamers aan de Engelsstraat en een garagepoort naar het belendend pand Oude Badhuis in de woning. Er is betonschade en vervuiling aan de gevels.

De binnenstraat is steeds als louter functionele ontsluiting beschouwd (toegangen, lichtbron), maar het formele ritme van de gevelarchitectuur strekt zich ook uit over de lengte van de binnenkoer. De oorspronkelijke schoorsteen is hier een essentieel element in de valumetrische compositie. De verbouwingen, vooral ter hoogte van de technische ruimtes (bijkomende schouw, verluchtingsmonden, daklichten, elektriciteitscabine, gemene muur en andere), werden als storend ervaren. De hoge scheimuur is essentieel als markering van het eigen gebied van het complex.

Uit de gebouwanalyse bleek dat het zwembad een uitzonderlijk goed bewaarde getuige is van gemeentelijke zwembaden en publieke baden uit het begin van de 20ste eeuw. Bovendien vervullen zwembad en badhuis vandaag nog steeds de dubbele functie van lichaamshygiëne en zwemrecreatie. Het gebouw heeft zijn ruimtelijke kwaliteit grotendeels behouden. Vroeger aangebrachte veranderingen zijn veelal omkeerbaar en herstelbaar of reconstrueerbaar. Door het intens gebruik gedurende vele jaren is er echter zware slijtage in het gebouw. Tegelijkertijd zijn er bouwfysische problemen.

Restauratie

De stad Antwerpen heeft als eigenaar van dit unieke gebouw het initiatief genomen voor een herwaardering van het hele complex. De architectenassociatie Rudi Mertens, Piet Stevens, Johan De Walsche werd aangesteld voor de opmaak van een masterplan dat in februari 2000 werd voorgesteld. Het masterplan beoogt de restauratie van het zwembad met uitbreiding tot stoombadencomplex met hamam en badenhuis. Het programma omvat het behoud van het zwembad, het behouden doch deels inkrimpen van de badkamers, aangevuld met een nieuw badenhuis in de kelders van het zwembad en een nieuwe hamam in het voormalige ketelhuis. De architecturaal waardevolle ruimtes werden gerestaureerd en geherwaardeerd.

Het bestaande zwembad werd integraal behouden. De authenticiteit van exterieur en interieur van het zwembad, met ontsluiting via de Veldstraat, werd hersteld. Het gebouw werd functioneel opgewaardeerd met ingebruikname voor recreatieve doeleinden van de restruimtes van het gebouw, kelders en stookplaats. Reeds bij de start van de ontwerpopdracht werd immers vastgesteld dat het zwembad aantrekkingskracht miste. Het werd druk gebruikt voor school- en clubzwemmen, maar tijdens de uren voor publiek zwemmen was het zwembad met één tot vijf zwemmers per uur sterk onderbenut. Dit was enerzijds te verklaren door de verouderde infrastructuur, die met uitzondering van badkamers en douches in 70 jaar nooit werd vernieuwd, en anderzijds door de ligging in een kansarme buurt in Antwerpen.

Op basis van het onderzoek over badcultuur door de eeuwen en culturen been, werden nieuwe recreatieve functies geselecteerd. Er werd geoordeeld dat wellness- en badfuncties, zoals hamam en badenhuis, goed aansloten bij de hedendaagse vrijetijdscultuur. Op basis van historische voorbeelden in België, maar ook in West-Europa, werd aangetoond dat deze functies nauw aansluiten met een historisch zwembad. Zoals Griet Meyfroots in haar publicatie over de Brusselse zwembaden reeds aantoonde, had een zwembad in West-Europa einde 19de-begin 20ste eeuw een meervoudige functie. Naast het zwembad waren er ook badkamers en vaak ook Turkse stoombaden.

Een aantal functionele tekorten van het zwembad vroegen om een oplossing. Al bij de opening van het zwembad bleek dat de groepskleedkamers niet optimaal functioneerden. De oplossing van 1933, het voorzien van extra groepskleedkamers in de kelder van het gebouw, werd waarschijnlijk omwille van de lekkende zwembadkuip reeds vroeg verlaten. In de jaren 1970 werd de turnzaal dan maar voorlopig ingericht als groepskleedkamers. Er was evenwel een duidelijk nood aan een betere oplossing met meer capaciteit voor deze groepskleedkamers.

De badkamers in de vleugel aan de Alfons Engels straat werden in 1999 nog vrij druk bezocht. Volgens tellingen kwamen 50 tot 60 mensen wekelijks een bad nemen. Ze hadden twee avonden per week de beschikking over zestien badkamers. De ligging in de kansarme wijk Antwerpen Noord verklaart dat, in tegenstelling tot andere steden en andere wijken van de stad Antwerpen, er anno 1999 nog steeds nood was aan deze collectieve voorziening. De prognose naar de toekomst voor deze badkamers tijdens het ontwerp was dat het gebruik ervan zou verminderen, maar dat, minstens de eerste tien jaren na heropening, er een belangrijke nood aan deze sociale collectieve voorziening zou blijven bestaan.

Het zwembad bleef ontsloten via de Veldstraat. Badkamers, badenhuis en hamam werden ontsloten via de Alfons Engelsstraat. Hierdoor werd deze ingang met trappenzaal functioneel opgewaardeerd. Het aantal badkamers werd beperkt, de vrijgekomen ruimte ingenomen door groepskleedkamers van het wisseltype, toegankelijk via de Veldstraat. Het badenhuis omvatte kleedruimtes met lockers, een douchezone, een groot dompelbad van 30 graden Celsius, een gelede stoomruimte en verschillende heilzame baden, met name een beet bad op 45 graden Celsius (vuurbad), een koud dompelbad op 14 graden Celsius (ijsbad), twee kruidenbaden op 37 graden Celsius en een bubbelbad op 37 graden Celsius. Het groot dompelbad sluit aan bij de rustruimte en de buitenruimte in de binnenstraat.

De hamam, eveneens toegankelijk via de Alfons Engelsstraat, werd naar traditioneel model geconcipieerd: op het gelijkvloerse niveau een rustruimte met daglicht en een discrete relatie naar buiten (geen inkijk), op kelderniveau kleedruimte, wasplaatsen, stoomruimte en koepelruimte met buiksteen.

Het project werd in twee fasen uitgevoerd. In een eerste fase werd waardevolle ceramiek van zwembad,kuip, vloeren en wanden schadevrij gedemonteerd door een gespecialiseerd bedrijf. Deze tegels werden vervolgens gereinigd, gesorteerd op schade en voor hergebruik gestockeerd in het zwembad. Deze werken werden uitgevoerd in de tweede jaarhelft van 2005. De tweede fase startte in april 2006 en omvatte de eigenlijke restauratie- en renovatiewerken. Door de verregaande slijtage van constructie en afwerkingen, de hoge hygiënische eisen van 'Vlarem' en de noodzakelijk inbreng van hedendaagse technieken waren, de werken zeer ingrijpend. Zwembad en perrons in de centrale ruimte van de zwembadhal, werden na schadevrij demonteren van te hergebruiken onderdelen en het beschermen van te behouden wandbekledingen gesloopt. De buitenschil van het gebouw met tribunes, bleef overeind staan. Een nieuwe constructie in gewapend beton werd vervolgens aangekleed met hergebruik- en replicamateriaal. Het zwembad werd gereconstrueerd. Voor de kleedzalen aan binnenstraat en Alfons Engelsstraat waren de ingrepen gelijkaardig. Deze eerder atypische restauratie was alleen te verantwoorden omdat het zwembad sinds de opening nagenoeg geen wijziging had ondergaan en bijgevolg een reconstructie op basis van het onder zoek van het bestaande gebouw en het archief materiaal mogelijk was. In ontwerpfase was reeds vastgesteld dat de bestaande betonconstructie van het zwembad niet onmiddellijk een industrieel-archeologische waarde had. Problemen van door buiging en scheurvorming van zwembadvloer en brandveiligheid waren ook alleen met een nieuwe betonconstructie op te lossen. In maart 2009 werd het zwembadcomplex opgeleverd. Het project werd bekroond met de Vlaamse Monumentenprijs 2009 en de Open Monumentenprijs provincie Antwerpen 2009.

  • DE CLERCQ L., MERTENS R. en DENISSEN E. 2012: Het zwembad aan de Veldstraat in Antwerpen. Monumenten & Landschappen 31.2, 6-33.

Bron: -

Datum tekst: 2015

Alle teksten

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Antwerpen - 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreiding

Antwerpen (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.