erfgoedobject

Bruggen expo 1930 en vijver Brialmontomwalling

bouwkundig / landschappelijk element
ID
200516
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200516

Juridische gevolgen

Beschrijving

Twee identieke bruggen naar ontwerp van Emiel Van Averbeke, gebouwd naar aanleiding van de wereldtentoonstelling van 1930 te Antwerpen, gelegen over een vijver, als restant van een ravelijngracht van de Brialmontvesting (1859-1863).

In het winkelhaakvormige tracé en het profiel van de bestaande vijver is zijn oorspronkelijke functie als onderdeel van een militaire vesting nog herkenbaar. Op basis van oude stadskaarten kan dit water worden geïdentificeerd als de gracht van ravelijn 10-11, deel uitmakend van de Brialmontomwalling. Van dit militaire bolwerk, waarvan de polygonale hoofdwal de stad tot in de prille 20ste eeuw in een strak keurslijf hield, bleef in de huidige grootstedelijke context nagenoeg niets bewaard.

De gracht met taluds vormen met andere woorden een vrij unieke restant van een fortificatie, typerend voor de laat-19de-eeuwse visie op vestingbouw en krijgskunde en tegelijk een bouwwerk dat een grote impact heeft gehad op de stedenbouwkundige ontwikkeling of van de stad Antwerpen.

Dat dit klein stukje militaire geschiedenis tot op vandaag is behouden, is in eerste instantie mede te danken aan een tweede urbanisatie, geconcipieerd in 1912, doch pas gerealiseerd na de wereldtentoonstelling van 1930. De organisatie van deze expo diende immers als basis voor de aanleg van een nieuwe wijk, op het Antwerpse Kiel (de zogenaamde "Tentoonstellingswijk"). Hierbij werd geopteerd om de vroegere ravelijnsgracht in het tentoonstellingspark op te nemen om ze later als groene zone te integreren in de nieuwe woonwijk.

De twee identieke boogbruggen, naar ontwerp van de stedelijke stadshoofdbouwmeester E. Van Averbeke van 1928 vormen één van de drie bewaarde materiële getuigen van de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1930.

In tegenstelling tot de overige tentoonstellings-architectuur waren de bruggen, net zoals het museum voor Oud-Vlaamse Kunst (huidige Christus Koningkerk) en het paviljoen voor Oud-Vlaamse Kunst (huidige Stedelijke Normaal- en Oefenschool) bedoeld en geconcipieerd als permanente constructies, die na de expo zouden worden geïntegreerd in het vooropgestelde stedenbouwkundige project op het Antwerpse Kiel.

De voor bruggenbouw toch bijzondere stilering, die van deze twee exemplaren architectuurhistorisch een vrij uniek gegeven maakt in onze contreien, kan verklaard worden vanuit de specifieke context waarin deze bruggen tot stand zijn gekomen. De vormentaal ontleend aan de art deco en het modernisme, die op een verfijnde manier werden toegepast in deze uitgesproken functionele architectuur, opgebouwd uit moderne materialen als gewapend beton en staal sloot aan bij de "huisstijl" van de expo.

Een ander element, typerend voor de tentoonstelling van 1930 was de (elektrische) verlichting in het park. Deze speelde een belangrijke rol in het gehele spektakel en moest de architectuur en de aanleg accentueren. Daarnaast werd op een attractieve manier elektrische verlichting voor particulier gebruik gepromoot. Dat de bruggen van Van Averbeke oorspronkelijk waren voorzien van monumentale verlichtingsarmaturen hoeft dan ook niet te verwonderen. Vrij hoog opgetrokken verleenden de lichtzuilen uitgesproken verticale accenten aan de bruggen, waarvan de constructieve onderdelen alsook de decoratieve elementen overwegend horizontaliserend zijn. Helaas werden deze lantaarns tijdens de tweede wereldoorlog vernietigd.

Binnen het oeuvre van E. Van Averbeke zijn de bruggen van de Wereldtentoonstelling van 1930 één van de meest geslaagde architecturale verwezenlijkingen in gewapend beton en kunnen ze gesitueerd worden in zijn late periode, waarin de stadshoofdbouwmeester aansluit bij het modernisme. Constructie, decoratieve detaillering en materiaalgebruik appelleren aan eigentijdse en innoverende architectuur. Zo verwijzen de sculpturaal opgevatte betondelen en de uitwerking van ijzeren leuningen naar de art deco en verraden het verzorgde baksteenmetselwerk, initieel geconcipieerd in gele bakstenen, alsook de afgewogen compositie van horizontale en verticale elementen in het oorspronkelijke ontwerp de invloed van W.M. Dudok. De vroegere lichtarmaturen op hun hoge basementen refereren tevens aan de "De Stijlarchitectuur" en het expressionisme.

In het laatste kwart van de 19de eeuw, met name in de jaren 1885 en 1894, ging in Antwerpen tweemaal een internationale wereldtentoonstelling door. Op initiatief van het gemeentebestuur onder het burgemeesterschap van F. Van Cauwelaert werd in 1930 een derde wereldtentoonstelling georganiseerd.

De eerste plannen werden reeds in 1910 opgesteld door F. Loquet (1876-1942). Toch duurde het nog tot 1924 vooraleer stadsingenieur A. Roelandts de idee voor een wereldtentoonstelling nieuw leven inblies. Als locatie stelde hij enkele terreinen aan het Kiel voor, met een totale oppervlakte van 100 ha. Later dat jaar gaf het Initiatiefcomité van de Wereldtentoonstelling Antwerpen 1930 aan provinciaal ingenieur August Mennes officieel de opdracht om een studie te maken van de verschillende sites die voor het project in aanmerking kwamen. Vier sites kwamen in aanmerking: de omgeving van de Jan Van Rijswijcklaan met inbegrip van het militair oefenveld, het Nachtegalenpark, de Linkeroever en een zone van 150 ha op het grondgebied van Merksem nabij het noordelijk havengebied. De persoonlijke voorkeur van Mennes ging daarbij uit naar de site van het Nachtegalenpark omwille van zijn zeer mooie groene omgeving. Dit plan moest echter wijken voor het voorstel van stadsarchitect Emiel Van Averbeke, die opteerde voor de terreinen gelegen tussen de bestaande spoorweg Antwerpen Zuid - Mechelen en de Jan Van Rijswijcklaan.

In 1926 viel de definitieve beslissing om de tentoonstelling op de gronden ten westen van de Jan Van Rijswijcklaan te houden. Zowel het voorstel van A. Roelandts als de plannen van Mennes en Van Averbeke kunnen geplaatst worden in het licht van de Antwerpse stadsuitbreiding, nadat de Brialmontvesting was gesupprimeerd. Het project van H.-A. Brialmont vormde de verwezenlijking van het Belgische besluit van 1859 om van Antwerpen een nationaal reduit te maken en bestond oorspronkelijk uit een hoofdwal volgens een polygonaal tracé, versterkt met een kring van forten. De vesting had reeds in 1906 haar militaire functie verloren, waardoor de stad in het begin van de 20ste eeuw kon uitbreiden.

De expo van 1930 kaderde in deze politiek en werd opgevat als een stimulator voor het ontwikkelen van een nieuwe wijk en voor het uitvoeren van grote infrastructuurwerken. Het grondplan van het tentoonstellingspark vormde uiteindelijk de basis voor de stedenbouwkundige aanleg van de "Tentoonstellingswijk" op het Kiel.

Midden 1926 tekende Emiel Van Averbeke de aanlegplannen voor de tentoonstellingssite, samen met twee varianten. In zijn ontwerp hield hij zowel rekening met de in 1927 nog aan te leggen hoofdwegen van de verkaveling als met de bestaande beplantingen, de spoorweg Antwerpen Zuid - Mechelen, de Brialmontomwalling en met de reeds verkochte en bebouwde percelen langs de Jan Van Rijswijcklaan.

De voorkeur van Van Averbeke ging uit naar een zeer streng gestructureerd grondplan met een evenwichtige en symmetrische verdeling van paviljoenen en tentoonstellingshallen langs rechtlijnige brede wegen. Mogelijk werd hij voor deze bijna stedelijke aanleg geïnspireerd door de urbanisatieprojecten van H.P. Berlage. Het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoonstelling Antwerpen 1930 bracht eind 1926 nog een aantal wijzigingen aan in het project van Van Averbeke. Jos Smolderen (1889-1973), de officieel aangestelde hoofdarchitect van de wereldtentoonstelling, werkte het plan verder uit tussen juli 1927 en augustus 1930. In vergelijking met het initiële plan van Van Averbeke koos Smolderen eerder voor een versnippering van de percelen, plantsoenen en paviljoenen.

Bij de aanleg van de site van de wereldtentoonstelling werd geopteerd om de ravelijngracht 10-11, één van de onderdelen van de Brialmontomwalling rond Antwerpen, in het tentoonstellingsterrein te integreren. Aan de overzijde van deze grachten bevond zich het geisoleerde paviljoen van Groot-Brittannië. Om het paviljoen met de rest van de tentoonstellingssite te verbinden ontwierpEmiel Van Averbeke in samenwerking met A. De Mol de twee identieke bruggen.

Stilistisch sloten de bruggen naadloos aan bij de tentoonstellingsarchitectuur. Op de wereldtentoonstelling van 1930 waren de nieuwe architectuurstijlen, art deco en modernisme, op een unieke en nadrukkelijke manier aanwezig. De art deco-stijl werd onder meer toegepast in enkele ontwerpen van J. Smolderen als het eeuwfeestrestaurant, maar ook in de talrijk ontworpen fonteinen en verlichtingspalen.

Het modernisme werd vertegenwoordigd door de bijdragen van architecten als L. Steynen, L.H. De Koninck, J. Eggericx, en E. Van Steenbergen.

Zowel de plannen van het tentoonstelligspaviljoen voor Vlaamse Kunst (later omgevormd tot de Stedelijke Normaal- en Oefenschool aan de Pestalozzistraat) als dat van het paviljoen van de stad Antwerpen, werden mede opgesteld door Emiel Van Averbeke, op dat ogenblik reeds een 20-tal jaar stadshoofdbouwmeester van de stad Antwerpen.

Van Averbeke had zich op het einde van de 19de eeuw geprofileerd als een van de boegbeelden van de Antwerpse Art Nouveau, met het liberale volkshuis “Help U Zelve” in de Volksstraat als één van de bekendste realisaties. In 1907 werkte hij samen met stadsarchitect Jan Van Asperen aan het ontwerp van de nog bestaande brandweerkazerne Paleisstraat 122-126 en Bestormingsstraat 11. De voor- en achtergevel van dit gebouw, te situeren in de overgang van Art Nouveau naar art deco, tonen duidelijk de evolutie aan die de ontwerpstijl van Van Averbeke in die periode doormaakte.

Na de eerste wereldoorlog legde Van Averbeke zich onder invloed van onder andere Dudok en Berlage verder toe op een meer rationele en sobere vormgeving.

Wanneer de wereldtentoonstelling op 4 november 1930 haar deuren sloot betekende dat onvermijdelijk de afbraak van de meeste paviljoenen die zich op het terrein bevonden. Gezien hun van bij de opzet tijdelijk karakter waren ze immers hoofdzakelijk opgebouwd uit hout, gips, zeildoek, imitatiesteen, en zo meer. Uitzondering hierop vormden het museum voor Oud-Vlaamse Kunst (de huidige Christus Koningkerk), het paviljoen voor Oud-Vlaamse Kunst (de huidige Stedelijke Normaal- en Oefenschool aan de Pestalozzistraat 5-7) en de beide bruggen die naar het paviljoen van Groot-Brittannië leidden. Initieel geconcipieerd als kernelementen voor de nieuw te bouwen stadswijk, de later zogenaamde “Tentoonstellingswijk” waren deze constructies in meer duurzame materialen opgetrokken.

Aan het einde van Tweede Wereldoorlog werden de beide bruggen in sterke mate beschadigd door een bombardement. Ten gevolge hiervan zijn de kenmerkende en monumentale verlichtingstorens verdwenen. Later werd geopteerd om het gedeelte van de brughoofden met de verlichtingsarmaturen niet in hun oorspronkelijke staat te herstellen.

Vaste boogbruggen met brughoofden voorzien van een poortdoorgang voor het wandelpad langs de waterkant. Het brugdek wordt gedragen door betonnen staanders en bogen, onderling verbonden door liggers. Centraal op de brug en ter hoogte van de pijlers, boven de doorgangen zijn balkonvormige uitsprongen voorzien (oorspronkelijk met houten zitbanken met latten van Jarahhout).

De gehele constructie is uitgevoerd in gewapend beton en is ter hoogte van het land voorzien van een roodbruin bakstenen parement (volgens het oorspronkelijke lastenboek uit het jaar 1929 diende al het zichtbare metselwerk uitgevoerd te worden in gele baksteen).

De zichtbare betonnen delen van boog en brugdek tonen een matig ruw oppervlak en zijn sculpturaal uitgewerkt met platbandlijsten. Het baksteenmetselwerk in kettingverband wordt geaccentueerd door de betonnen, balkvormige ontlastingssystemen, die tevens een krachtig esthetiserend effect bewerkstelligen. De aangewende bakstenen tonen een smalle en lange strekzijde.

De pijler aan de waterkant zet zich voort boven het brugdek en vormde oorspronkelijk het veelhoekige en meerledige basement voor de oorspronkelijk hoge lantaarns. Basement en lantaarns werden gesupprimeerd nadat ze sterk waren beschadigd ten gevolge van een bombardement tijdens de tweede wereldoorlog. De bakstenen basementen werden horizontaal geleed door hardstenen platen. De lantaarns bestonden uit een koperen raamwerk, waarin glazen panelen waren gevat.

De afdekstenen en boordstenen ter hoogte van het brugdek zijn uitgevoerd in blauwe hardsteen met een gebouchardeerd oppervlak, rondomrond gefrijnd. Over de gehele lengte van de brug is de borstwering voorzien van een ijzeren balustrade, gekenmerkt door buisprofielen en een verfijnde decoratieve detaillering ter hoogte van de aansluitingen en de uiteinden.

  • CALLENS, T. en VAN DEN MOOTER, M. 2001: Onuitgegeven studie in het kader van een beschermingsaanvraag.
  • Stadsarchief Antwerpen, Modern Archief, Aanbestedingen, 7801/2.
  • Stadsarchief Antwerpen, Modern Archief, Aanbestedingen, 7804/1.
  • AERTS, W. 1978: Emiel Van Averbeke, 1876-1946, Stadsbouwmeester, zijn bijdrage tot de moderne bouwkunst in Antwerpen, onuitgegeven licentiaatsverhandeling R.U.Gent.
  • VAN AERSCHOT S. (red) 1989: Bouwen door de eeuwen heen, inventaris van het cultureelbezit, architectuur, deel 3nc, stad Antwerpen, Turnhout, 139.
  • S.N. 1993: De Panoramische Droom. Antwerpen en de wereldtentoonstellingen 1885-1894-1930, tentoonstelling Antwerpen Bouwcentrum 12 juni – 31 augustus 1993, Antwerpen.
  • LOMBAERDE, P. s.d.: Tentoonstellingsarchitectuur en stedebouwkundige evolutie te Antwerpen, 83-100.
  • DE SOMER, P. en DE HERDT R. s.d.: Industrie, techniek en toegepaste wetenschappen op de wereldtentoonstellingen in Antwerpen, 155-172.
  • S.N. 1930: Herdenking van België’s eeuwfeest, 1830-1930: gedenk-album der wereldtentoonstelling, Antwerpen 1930, Antwerpen.
  • S.N. 1930: Het gulden boek der wereldtentoonstelling voor koloniën, zeevaart en Vlaamsche kunst, Antwerpen.
  • LOMBAERDE, P. 1997: Vesting Antwerpen. De Brialmontforten, Gent.
  • SIMON STEVINSTICHTING s.d.: Historisch overzicht vesting Antwerpen (1830-1945), s.l.
  • VAN AVERBEKE, E. 1935: Traveaux d’architecture, Straatsburg.
  • VERCAMMEN, C. 1997: Nota aan het College van Burgemeester en Schepenen betreffende de bruggen over de Mastvest, Antwerpen.
  • VERMOESEN, L. e.a. 1990: Wereldtentoonstelling, 1930-1990, 60 jaar, Antwerpen.
  • S.N. 1930: Wereldtentoonstelling voor koloniën, zeevaart en Vlaamsche kunst, Antwerpen 1930, (catalogus), Brussel.

Bron: Beschermingsdossier DA002353
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    Opgaande Canadapopulier bij brug

  • Is deel van
    Eric Sasselaan


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Bruggen expo 1930 en vijver Brialmontomwalling [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200516 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.