Godshuis

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Mechelen
Deelgemeente Mechelen
Straat Augustijnenstraat
Locatie Augustijnenstraat 13, Mechelen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
Links

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Godshuis

Deze bescherming is geldig sinds 05-12-2005.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Godshuis

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Tot in het jaar 1852 maakte het huidig pand Augustijnenstraat 13 deel uit van het zogenaamde gesticht De Cellekens. De stapsgewijze evolutie van het vermoedelijk 16de-eeuwse breedhuis, mogelijk ontstaan door de samenvoeging van twee diephuizen, tot een residentiële 19de-eeuwse advocatenwoning en -praktijk resulteerde in een verscheidenheid van bouwfasen en bouwelementen. Het hoofdvolume betreft een baksteen gebouw van drie bouwlagen onder een aangepast schilddak met mechanische rode pannen. De voorgevel in de Augustijnenstraat telt vier traveeën.

Historiek

Het huidige pand Augustijnenstraat 13 maakte tot in het jaar 1852 deel uit van de zogenaamde weldadigheidsinstelling Gesticht Cellekens. Dit gesticht vormde in feite een fusie van twee gelijkaardige instellingen respectievelijk gelegen in de Augustijnenstraat en in de Bergstraat. De gebouwen van beide stichtingen werden in 1852 te zeer bouwvallig bevonden, zodat het Bureel van Weldadigheid dat jaar besloot voor beide inrichtingen samen één groot nieuw onderkomen op te trekken, het huidige Gesticht Cellekens in de Minderbroedersgang 12-14.

De instelling van de Cellekens in de Augustijnenstraat omvatte een klein godshuis voor arme oude vrouwen dat afhing van de Sint-Pietersparochie. Hoewel de exacte stichtingsdatum onbekend is, wordt deze instelling voor het eerst vernoemd in het jaar 1466. De aanvankelijke fundatie was bestemd voor in totaal zeven vrouwen, die elk recht hadden op een kamer in het godshuis, alsook op een kleine bijdrage voor hun aankopen. Daarnaast steunde de Heilige Geesttafel van Sint-Pieters hen door het verstrekken van diverse benodigdheden als kleding en hout voor de verwarming.

De bewoonsters dienden zelf in te staan voor de inrichting van hun kamer, welke na hun dood aan het godshuis toekwam. De vrouwen leefden er volgens strenge regels vergelijkbaar met deze van de overige Mechelse godshuizen. Zo dienden de bewoonsters onder andere gehoorzaamheid te betuigen aan de overste die door de Heilige Geestmeesters was aangesteld, en moesten zij instaan voor het onderhoud van hun gebouwen.

Deze gebouwen bevonden zich in de huidige Augustijnenstraat, ter hoogte van het Kiekenbrugske of Spaans Brugske, waar het binnenwater het Vlietje, gelegen tussen de huidige Huidevettersstraat en de Augustijnenstraat, aansloot op de Verwersvliet.

Het godshuis omvatte naast de kamers van de oude vrouwtjes onder andere ook een watertrap naar de Verwersvliet, een tuin, een houthuis, een varkenskot en een heimelijkheid. Getuige de aanwezige structurele elementen als moer- en strijkbalken, consoles en restanten van de dakconstructie huisde het Gesticht Cellekens in een dwarshuis van twee bouwlagen onder zadeldak, dat mogelijkerwijze ontstond door de samenvoeging van twee bestaande diephuizen.

De kopie van het stadsplan van Jan Van Hanswijk uit 1576 geeft aan de linkerzijde van het Kiekenbrugske een dwarshuis weer, net zoals het stadsplan dat Braun en Hogenberg in 1581 opstelden. De stadsplannen van Blaeu en Basire, respectievelijk gedateerd in 1649 en 1745, geven op dezelfde locatie evenwel een diephuis weer.

Op het Primitief Kadasterplan van de Mechelse binnenstad dat omstreeks 1824 werd opgesteld zien we dat het terrein van de huidige Augustijnenstraat 13 op dat ogenblik onderverdeeld was in drie verschillende percelen. Op perceel 513 bevond zich een rechthoekige constructie met een kleine uitbouw achteraan.

De aangrenzende percelen 514 en 515 gaven uit op een open plaats aan de Augustijnenstraat en werden van elkaar gescheiden door middel van een kleine binnenplaats. De langwerpige constructie op perceel 514 bevond zich loodrecht op de straatrichting. Het gebouw op perceel 515 daarentegen volgde het verloop van de Verwersvliet waarlangs het zich uitstrekte.

Op basis van de behouden 18de-eeuwse stucplafonds op de eerste verdieping, opgedeeld door middel van een bepleisterde moerbalk, kunnen we besluiten dat er in de 18de eeuw een interieurverfraaiing plaatsvond. In het jaar 1854 verliet de laatste bewoonster de gebouwen aan de Augustijnenstraat om haar intrek te nemen in de gebouwen van het Gesticht Cellekens in de Minderbroedersgang.

Op het kadastraal plan dat P.C. Popp omstreeks 1855 opstelde zien we dat de bebouwingen op de percelen 514 en 515 op dat ogenblik reeds ontmanteld waren.

Een kadastrale schets van 1867 geeft aan dat het gebouw aan de achterzijde enigszins aangepast werd. Centraal in de achtergevel werd een klein gedeelte van ongeveer 1,5 op 2 meter afgebroken. Achteraan werd een nieuwe uitbouw voorzien die zich uitstrekte tot tegen de tuinmuur. Het naastgelegen en onbebouwde perceel 515a werd opgenomen als tuin, net als het overwelfde gedeelte van de Verwersvliet dat voordien afhing van een perceel in de Bleekstraat.

Ten slotte werd de langwerpige achterbouw enigszins aangepast. Vermoedelijk dienen ook de plaatsing van de 19de-eeuwse wenteltrap, de vloerbekleding in zwarte en witte marmer in de vestibule, en de inrichting van het salon met marmeren schouw, lambriseringen en stucplafond op de gelijkvloerse verdieping in deze periode, na de aankoop door advocaat en schepen De Jode, gesitueerd te worden.

Op 27 november 1869 diende de heer De Jode een bouwaanvraag in voor zijn pand Augustijnenstraat 13. De aanvraag betrof het wijzigen van een deuropening in een vensteropening en het verplaatsen van een koetspoort. Gezien bouwaanvragen op dat ogenblik enkel betrekking hadden op de delen zichtbaar vanaf de openbare weg beperken de bijgevoegde plannen zich tot de bestaande en nieuwe toestand van de gevel partij aan de Augustijnenstraat. Deze omvatte een woonhuis, op dat ogenblik reeds voorzien van drie bouwlagen onder een schilddak, en een omvangrijke tuinmuur met koetspoort.

Op de tekening van de nieuwe situatie zien we dat de aanwezige koetspoort werd verplaatst tot tegen het woonhuis, waarvan de deuropening door een vensteropening vervangen werd. Deze laatste ingreep bracht mee dat de eigenlijke toegang tot het pand verlegd werd naar de koetspoort.

Een kadastrale mutatieschets van 1870 leert ons dat aansluitend op de verplaatste koetspoort de huidige doorrit met fraaie vloerbekleding in cementtegels gerealiseerd werd. Tevens werd tegen de achtergevel een nieuwe constructie geplaatst die vermoedelijk drie bouwlagen telde en, zoals blijkt uit een latere bouwaanvraag, op het gelijkvloers werd ingericht als eetkamer. Op 7 mei 1879 diende de eigenaar, schepen De Jode, een aanvraag in voor het bouwen van een bureau langsheen de straat.

Opvallend zijn de verschillen tussen de bestaande toestand van deze aanvraag en de nieuwe toestand uit de bouwaanvraag van 1869. Zo zien we dat de derde bouwlaag van het woonhuis op de bestaande toestand van 1879 aanzienlijk lager weergegeven wordt, terwijl ook de dakconstructie klaarblijkelijk was aangepast. In de tussenliggende periode waren voorts de vensteropeningen op de verdiepingen voorzien van een omlijsting, was de koetspoort gedecoreerd met een balustrade, en was de tuinmuur herbouwd.

De bouwaanvraag van 1879 is vergezeld van een grondplan van het gelijkvloers. In het historische dwarshuis waren op dat ogenblik een salon, bureau en spreekkamer ingericht. Deze werden door een vestibule met trappartij afgescheiden van de achteraan gelegen keuken en eetkamer.

Blijkens de plannen omvatte de verbouwing het optrekken van een bureau tegen de doorrit, dat via twee vensteropeningen uitkeek op de Augustijnenstraat. Het muurtje tussen het voormalige bureau en de spreekkamer werd gesloopt om plaats te bieden aan het salon, dat via een dubbele deur verbonden werd met het bestaande salon.

In 1911 volgde de bouw van een kleine constructie achteraan het perceel, gesitueerd boven de overwelfde Verwersvliet. In 1951 werd deze constructie uitgebreid met een volume van één enkele bouwlaag dat zich uitstrekt tot aan de Augustijnenstraat.

Op 24 mei 1951 diende de heer Emiel Van Doren, eigenaar en bewoner van Augustijnenstraat 13 een aanvraag in tot het bouwen van een garage aan zijn eigendom. De plannen hiertoe werden opgesteld door architect G. Van de Vijver, Leliestraat 7 te Mechelen. In de rechtse travee werd een garagepoort aangebracht die uitgaf op een langgerekte ruimte van één bouwlaag op een onregelmatig grondplan. De op het plan aangeduide bestaande magazijnen tegen de tuinmuur werden nooit kadastraal opgetekend, en zijn heden niet meer aanwezig.

Beschrijving

Het hoofdvolume betreft een baksteen gebouw van drie bouwlagen onder een aangepast schilddak met mechanische rode pannen, welke aan de noord- en westzijde voorzien is van een cementbepleistering met getrokken voegen. De voorgevel in de Augustijnenstraat telt vier traveeën met rechthoekige vensteropeningen voorzien van arduinen dorpels, die ter hoogte van de gelijkvloerse verdieping voorzien zijn van rolluikkasten. De zijgevel van het hoofdvolume telt zes traveeën met rechthoekige en steekboogvormige vensteropeningen waarvan er een aantal blind gehouden werd. Tegen deze zijgevel bevindt zich een grotendeels beglaasde doorrit. De achtergevel werd voorzien van een witte bepleistering. Tegen het noordelijk gedeelte bevindt zich een kleine bakstenen uitbouw van één bouwlaag onder een beglaasd lessenaarsdak.

Aansluitend op het hoofdvolume bevindt zich aan de Augustijnenstraat een tweeledige tuinmuur, bekleed met een identieke cementbepleistering met getrokken voegen, waarachter zich enkele ruimtes van één enkele bouwlaag uitstrekken. Het noordelijke gedeelte van de tuinmuur omvat drie traveeën met bekronende balustrade. In de meest noordelijke travee werd een poortopening uitgewerkt, terwijl de overige twee traveeën werden voorzien van een rechthoekige vensteropening met arduinen dorpel en rolluikkast die daglicht toelaten in de achterliggende constructie van één bouwlaag. Het zuidelijke, lagere gedeelte van de tuinmuur omvat twee traveeën, waarvan de meest zuidelijke voorzien werd van een poortopening die uitgeeft op een achterliggende constructie van één bouwlaag op een onregelmatig grondplan.

De bakstenen constructie achter de tuinmuur, aansluitend op de doorrit, werd voorzien van een witte bepleistering met imitatievoegen op een gecementeerde plint. Tegen de oostelijke zijde van de tuinmuur bevindt zich een gecementeerde bakstenen constructie, vermoedelijk een restant van een Mariagrotje. In de noordoostelijke hoek van de tuinmuur bevindt zich een kleine nis.

Interieur

Gelijkvloers

De toegangspoort in de Augustijnenstraat geeft uit op een lange doorrit van één bouwlaag, die via twee vleugeldeuren toegang verschaft tot de tuin. De vloerbekleding van deze doorrit is opgebouwd uit gekleurde cementtegels in een rapport van vier met boord motief. Boven de halfhoge lambrisering situeren zich eenvoudige rechthoekige stuclijsten.

Een dubbele deur in de doorrit geeft uit op de verbindingsgang van het woonhuis. Deze hal is voorzien van een vloerbekleding in zwarte en witte marmer. Aan de noordelijke zijde bevindt zich de houten wenteltrap die alle niveaus van het pand verbindt, inclusief het zoldergedeelte.

De zuidelijke kamer aan de straatzijde vertoont een omkaste en bepleisterde moerbalk loodrecht op de straatrichting en ondersteund door twee beschilderde consoles. Tegen de westelijke wand bevindt zich een schouw met zwartmarmeren mantel. De vloerbekleding is opgebouwd uit gekleurde cementtegels.

De noordelijke kamer aan de straatzijde vertoont een zwaar uitgewerkt 19de-eeuws stucplafond met centraal rosas. Tegen de noordelijke wand bevindt zich een 19de-eeuwse schouw met marmeren mantel.

De zuidelijke kamer aan de tuinzijde vertoont een vlak bepleisterd plafond met centraal rosas gedecoreerd met fruit- en groentemotieven. Tegen de noordelijke wand bevindt zich een schouwlichaam met een mantel in grijze marmer.

De noordelijke kamer aan de tuinzijde vertoont een vermoedelijk 20ste-eeuws schouwlichaam en een lambrisering in faiencesteentjes met een gekleurde bies. Aan de tuinzijde sluit hier een kleine ruimte op aan waar zich een toilet bevond, eveneens voorzien van een lambrisering in faiencesteentjes met blauwe boord.

In deze ruimte bevindt zich eveneens de toegang tot de kelder. Het bouwvolume aan de tuinzijde is volledig onderkelderd door middel van troggewelven op ijzeren profielen.

Eerste verdieping

In de traphal bevindt zich ter hoogte van de overgang van het gelijkvloers naar de eerste verdieping een groot anker in de oorspronkelijke achtermuur van het historische breedhuis.

De noordelijke kamer aan de straatzijde is voorzien van een bepleisterde moerbalk loodrecht op de straatrichting. Aan de noordelijke zijde situeert zich een 18de-eeuws stucwerkveld met schouderbooglijst. Tegen de noordelijke wand bevindt zich een eenvoudige 19de-eeuwse schouw met marmeren mantel. De zuidelijke kamer aan de straatzijde is eveneens voorzien van een ingekapselde en bepleisterde moerbalk. Tegen de gemene muur bevindt zich een eenvoudige 19de-eeuwse schouw met marmeren mantel. De zuidelijke kamer aan de tuinzijde is eveneens voorzien van een eenvoudige 19de-eeuwse schouw met marmeren mantel.

Tweede verdieping

De verwerking van de onderste gebinten van de oorspronkelijke dakconstructie in de tussenwanden aan de straatzijde geven duidelijk weer dat het pand opgehoogd werd. De spantbenen werden overschilderd zodat geen telmerken konden weergevonden worden. Het betreft hier in totaal twee gebinten loodrecht op de straatrichting.

Zolder

De dakconstructie werd volledig aangepast. Beroete balken wijzen op een mogelijke brand die hier heeft plaatsgevonden. Het onderscheid tussen de oudere kern aan de straatzijde en het 19de-eeuwse tuingedeelte kan afgeleid worden aan de hand van het verschil in vloerniveau tussen beide delen.

  • STADSARCHIEF MECHELEN, Fonds F. Berlemont, Persoonlijk archief: Augustijnenstraat.
  • BERLEMONT F. s.d.: Water in de straten van Mechelen, historische tochten op de Dijle en de Vlietjes, II, 105-106.
  • INSTALLE, H. s.d.: Historische stedenatlas van België. Mechelen II, 120-124.

Bron: Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DA002394, geografisch pakket Mechelen.

Auteurs: Brenders, Francis

Datum tekst: 2005

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Augustijnenstraat

Augustijnenstraat (Mechelen)

is gerelateerd aan Gesticht Cellekens

Minderbroedersgang 12, Mechelen (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.