Parochiekerk Sint-Martinus

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Ardooie
Deelgemeente Ardooie
Straat Marktplein
Locatie Marktplein 28, Ardooie (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Ardooie (geografische inventarisatie: 01-09-2008 - 01-01-2010).
  • Thematische inventarisatie 20ste-eeuwse kerken (geografische inventarisatie: 01-07-2008 - 31-12-2009).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Sint-Martinuskerk

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

omvat de bescherming als monument Parochiekerk Sint-Martinus: toren
gelegen te Marktplein 28 (Ardooie)

Deze bescherming is geldig sinds 20-02-1939.

Beschrijving

Modern-gotische parochiekerk uit 1947-1949, met behoud van de in 1923 heropgebouwde laatgotische toren, de grotendeels heropgebouwde laatgotische koormuurtjes uit 1559 en de sacristie uit 1922-1923.

Herbouwde gotische kerktoren beschermd als monument (K.B. 20/02/1939).

Historiek. In de vroege middeleeuwen maakt Ardooie deel uit van de bezittingen in de gouw ten noorden van de Leie, die de Benedictijnenabdij van Elnone of Saint-Amand-les-Eaux (Noord-Frankrijk) in 821 verwerft van Lodewijk de Vrome. Later gaan de rechten van de Sint-Amandsabdij over op haar stichting, de proosdij van Sint-Amands te Kortrijk. Een eerste kerkje wordt vermoedelijk opgetrokken door de monniken van deze Sint-Amandsabdij.

Volgens Allossery zijn in de jaren 1930 de onderste delen van de kerkmuren opgebouwd uit veldsteen, die wijzen op de oudere romaanse kerk. De oudst gekende pastoor wordt vermeld in 1218: "Henricus, presbyter de Hardoye". Vermoedelijk wordt de kerk in 1559 vernieuwd. In het heropgebouwde koorgedeelte van de kerk zitten twee gerecupereerde natuurstenen cartouches die wijzen op een datering. De steen in het zuidkoor vermeldt het jaartal 1559 in Arabische cijfers, de steen in het noordkoor hetzelfde jaartal in Romeinse cijfers.

In 1563 bestonden in de Ardooise kerk nog twee grote graftombes, vermeld in het werk van Corneille Gaillard (1561), onder meer van ridder Rogier van Lichtervelde (†1301) en jonkheer Romain van Claerhout, vermoedelijk beide verdwenen tijdens de Beeldenstorm of de daaropvolgende oorlogsperikelen. In de 17de eeuw vermeldt Marius Voet nog een grafmonument van Jan vander Burch (†1539), bewoner van het kasteel van Autvyver.

Het dorpscentrum wordt reeds afgebeeld op de Pourbuskaart van het Brugse Vrije (1571). Daarop wordt een kleine kerk weergegeven met grote vieringtoren en omringend ommuurd kerkhof.

Volgens de overlevering wordt de kerk van Ardooie zwaar beschadigd tijdens de godsdienstberoerten. In 1571 wordt het Onze-Lieve-Vrouwaltaar opnieuw geconsacreerd door de bisschop, na ontering van het altaar door opstandelingen. Op dat moment was er sprake van zes andere altaren: het hoogaltaar Heilige Drievuldigheid, onder het doksaal de altaren van Heilige Antonius en Heilige Vincentius, in het rechterkoor het altaar van Onze-Lieve-Vrouw der Zeven Weeën, in het linkerkoor ter ere van Heilige Martinus; tegen de noordmuur bevond zich nog een altaar van de Heilige Anna. Deze waren geen lang leven beschoren, in 1628 was nog slechts sprake van vier altaren. In 1572 valt een bende plunderaars de kerk binnen, maar deze kunnen worden verjaagd.

Rond 1580 wordt vermeld dat de Sint-Martinuskerk zwaar beschadigd is tijdens de godsdienstoorlogen. Rond 1600 wordt de kerk (deels) heropgebouwd. Zo is er in 1601-1602 sprake van herstel van de glasramen, witten van de koren en het kruis van de voorkerk, zwarten van de pilaren en de bogen (met Spaans zwartsel). In 1604-1605 wordt het uurwerk en delen van het dak hersteld, in 1609 de loden goten vernieuwd. In 1619 wordt door meester-timmerman Pieter Vandenbroele de balkenroostering en kapconstructie vervangen, onder meer ook de klokkenstoel in de toren. In 1638 brandt de kerk uit door blikseminslag. Kort daarop worden de herstellingswerken aangevat, bij een bezoek van de Brugse bisschop in 1642 zijn reeds twee delen van de beuk hersteld en wordt geld voor het herstellen van de voorkerk beloofd. Ook de toren wordt heropgebouwd. In 1669 maken de pastoor, baljuw, burgemeesters en schepenen hun beklag bij het vicariaat dat de koren van de kerk dringend moeten worden heropgebouwd omdat in de voorkerk te weinig plaats is. In 1670-1671 is het hoogkoor voltooid. In 1681 wordt een nieuwe doopvont geplaatst, in 1687 wordt een nieuw hoofdaltaar vervaardigd door beeldhouwer Jan Brandefeer uit Kortrijk. Op het einde van de 17de eeuw bestaat de kerk uit drie beuken, er worden voornamelijk nog herstellingen uitgevoerd aan de daken. Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) wordt even graan opgeslagen in het kerkgebouw.

In het begin van de 18de eeuw worden de bedaking en de glas-in-loodramen hersteld. In 1707 wordt een gracht gegraven rond het kerkhof, die bereikbaar wordt gemaakt met de "kerckebrugghe". In 1714 wordt de kerkvloer herlegd, waarbij vermoedelijk enkele graven verdwenen zijn. Op het kerkhof worden in 1715 olmen aangeplant. In 1717 moet het kerkportaal vernieuwd worden en herstellingswerken aan daken, kerkhofpoort en voetbrug ten westen. Circa 1720 wordt op het kerkhof een beenderhuisje gebouwd. In 1752 wordt een nieuw orgel geplaatst, vermoedelijk vervaardigd door de gebroeders De Rijckere uit Kortrijk. In 1762 wordt het "pordes oft portael boven ende voor de kerckdeure" gemaakt: twee stenen pijlers die een houten kap ondersteunen, gedekt met leien.

In de sacristie zou zich nog de grafsteen van Charles Laureins Reynacx (†1787) bevinden, in de 18de eeuw ontvanger van Ardooie en eigenaar van de hofstede van Autvyver (Autvijverstraat 2). De 19de-eeuwse gedenkstenen van de pastoors D'Hoedt en Goddyn en van de familie de la Rue zijn verdwenen bij de kerkverbouwing van de jaren 1940.

Als gevolg van het Concordaat met Napoleon van 1801 wordt het nieuwe bisdom Gent opgericht, waarin Ardooie als "primaire" (hoofdkerk van het kanton) ressorteert onder het decanaat Tielt, boven de succursalen van Koolskamp, Egem en Zwevezele.

In 1806 wordt in de Pittemsestraat een nieuw kerkhof aangelegd, waardoor stilaan de graven aan de kerk worden onttrokken. Een prent uit 1813 van Serafijn Vermote (1788-1837) beeldt de kerk af, gezien vanuit het noorden: koorgedeelte van drie traveeën, centrale achtzijdige vieringtoren zonder balustrade en met kleine spits. In het begin van de 19de eeuw is het kerkgebouw vervallen en te klein voor de groeiende bevolking. Op het primitief kadasterplan (1817) wordt de kerk afgebeeld met omringend kerkhof ten noorden van het dorpsplein, ten oosten en westen worden kerk en kerkhof van de straat door huizenrijen afgescheiden.

In 1831 wordt de sacristie verbouwd. Tijdens de jaren 1830 laat pastoor Welvaert de kerk van een nieuw plafond voorzien en verruimen met een nieuw westportaal. Aan de noordkant wordt een nieuwe doopkapel aangebouwd. In 1856 en 1860 worden opnieuw herstellingen uitgevoerd, voornamelijk dakwerken. Rond de periode 1864-1867 wordt het midden 18de-eeuwse orgel vervangen door een nieuw exemplaar vervaardigd door Maximilien Van Peteghem uit Gent, in een orgelkast naar ontwerp van priester-architect Jan-August Clarysse. Het oude orgel verhuist naar Rumbeke-Beitem (vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog). In 1877 wordt een nieuwe kerkvloer gelegd door gebroeders Place uit Basècles. In 1879 geeft pastoor Neut opdracht aan Pieter Boncquet een houten kruisbeeld in notelaar te vervaardigen. Hij sneed ook het beeld van de Heilige Barbara voor de kerk van Ardooie (thans bewaard in de brandweerkazerne). In 1879 al dacht pastoor Neut eraan een nieuwe parochie op te richten in de wijk De Tassche (zie Roeselaarsestraat). In zijn opdracht wordt door de Ardooise beeldhouwer Pieter Boncquet een hoofdaltaar voor deze nieuwe kerk vervaardigd. Doordat de plannen worden uitgesteld, wordt het altaar, met scènes uit het leven van Onze-Lieve-Vrouw, in de Sint-Martinuskerk geplaatst en grondig omgebouwd na de kerkvernieuwing van 1947-1949. In 1885 wordt door bevolkingstoename aangedrongen op de verbouwing en vergroting van de kerk. Aanvankelijk wordt door de Brugse architect Antonius Verbeke (1828-1907) voorgesteld de vieringtoren af te breken en te vervangen door een nieuwe toren aan de noordbeuk. De werken zouden begeleid worden door bouwmeester Dominicus Naert. Het plan voor de afbraak van de toren wordt door de Koninklijke Commissie voor Monumenten geweigerd. Aangepaste plannen van Verbeke, daterend uit 1887, gaan uit van behoud en integratie van het vroegere koor en schip. In 1889 wordt de kerk aan de westzijde verlengd en met twee beuken uitgebreid, aangebouwd aan de noordzijde; de eertijds centrale vieringtoren komt zo in asymmetrische positie en wordt hersteld. Door toevoeging van de natuurstenen balustrade krijgt de toren zijn huidige uitzicht. Het interieur krijgt een neogotische aankleding: drie nieuwe altaren, twee communiebanken, vier nieuwe biechtstoelen en vier zitbanken. Het bestaande orgel wordt verplaatst. De toren was sedert 1889-1892 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten beschermd of 'geklasseerd' als kunstgebouw van derde klasse (troisième classe des édifices du culte). In 1939 wordt deze omgezet in een wettelijke bescherming als monument.

In 1918 wordt de kerktoren door Duitse troepen gedynamiteerd. In zijn val richtte deze grote schade aan, onder meer aan het koorgedeelte. Het orgel wordt vernield. De Sint-Martinuskerk wordt gedeeltelijk in 1919 en verder in 1922-1923 hersteld, onder leiding van architect Jos. Viérin uit Brugge. Vermoedelijk omdat het hoofdkoor volledig was verwoest en de zijkoren zwaar beschadigd, werd er geopteerd om het oude noordkoor als hoofdkoor te herstellen (zie de plaats van het metselaarsteken in de foto's voor 1918 en na 1923), geflankeerd door twee nieuw opgebouwde zijkoren. Het oude zuidkoor wordt afgebroken om plaats te maken voor de sacristie. Ook de toren wordt in 1923 iets zuidelijker volledig heropgebouwd naar identiek model. Volgens Allossery heeft men bij de herstellingswerken delen van de romaanse pilaren van de oude kerk teruggevonden. Een nieuw orgel wordt vervaardigd in 1934 door J. Anneessens uit Menen.

In mei 1940 wordt de kerk door Duitse vliegtuigen gebombardeerd. De kerk brandde uit maar de (heropgebouwde) toren bleef intact. Nog hetzelfde jaar wordt het plan opgevat om de vijf beuken te vervangen door één grote ruimte en in 1941 worden de doorbrande muren, de pijlers, etc., met uitzondering van de toren en de koormuren, afgebroken. Al in 1942 worden bouwwerken uitgevoerd, die door de bezetter worden stilgelegd.

In de jaren 1947-1949 wordt een nieuw schip gebouwd, bestaande uit één grote ruimte, naar ontwerp van de Tieltse architect Albert Impe en uitgevoerd door aannemer N.V. Vandekerckhove uit Ingelmunster. In het ontwerp zijn de beschermde toren, de sacristie en de buitenmuren van het koorgedeelte nog gedeeltelijk gerecupereerd, in de koormuren zitten (gerecupereerde) jaartalsteentjes met het jaartal 1559. Voor de koorvensters worden nieuwe glas-in-loodramen ontworpen in gebrandschilderd glas, onder meer met voorstelling van de "Boom van Jesse". Enkele glas-in-loodramen van na de Eerste Wereldoorlog zijn nog bewaard. In 1953 wordt door P. Anneessens uit Menen een nieuw orgel geplaatst, hersteld in 1975.

Beschrijving. Georiënteerde kerk, gelegen aan de noordzijde van het dorpsplein, omgeven door straatinfrastructuur ten noorden en westen en door parkeerruimte ten zuiden en oosten. Beperkte groenaanplantingen rondom de kerkmuren, met enkele bomen ten oosten van het koor. Westelijk voorpleintje met 'levensboom', aangelegd in kasseien en natuursteen als herneming van de sluitsteen boven de deur. Aan de zuidzijde van de parking staat een vrijheidsboom.

Grondplan: midden 20ste-eeuwse zaalkerk op rechthoekig grondplan met middenbeuk van zeven traveeën geflankeerd door smalle lagere processiegangen (één travee korter) en overgaand in de driezijdig gesloten hoofd- en zijkoren van de oudere kerk, kleine doopkapel op de noordwestelijke hoek, vierkante toren met achthoekige bovenbouw (wederopbouw) op de zuidoostelijke hoek met daarnaast de sacristie.

Materiaalgebruik: Ouder koorgedeelte in gele baksteenbouw, Ledische zandsteen voor de negblokken en hoekkettingen, kalkzandsteen voor waterlijsten en nieuwere negblokken. Schip in gele baksteenbouw met gebruik van breuksteen voor de plint en blauwe hardsteen voor de hoekkettingen. Achtzijdige torenopstand in Doornikse kalkzandsteen, balustrade in Euville. Zadeldaken, torenspitsen en afzaten van de steunberen in natuurleien.

Exterieur. Imposante westgevel met centrale brede gedrukt-spitsboogvormige toegangspoort met houten vleugeldeur, met witstenen sluitsteen met opschrift: "PAX/ VOBIS", dito negblokken aan weerszijden boven de plint, links met "A", rechts met "Ω". Aan weerszijden geflankeerd door spitsbogige drielichten. Daarboven de hoge en brede gevelpunt gedomineerd door een geheel van zeven gekoppelde lancetvensters, waarboven een verticale luchtspleet, puntgevel afgedekt met muurplaten/ dekstenen, bekroond met kruis. Versneden steunberen op de hoeken.

Op de westelijke hoek van de noordelijke processiegang een doopkapel onder achtzijdig torenspitsje. Zijgevels van middenbeuk en processiegangen opengewerkt door spitsbogige twee- en drielichten en geleed door steunberen. Oostelijke puntgevel van hoger uitlopend schip boven het oudere koorgedeelte, vlak afgesloten en met gemetseld opschrift in rode baksteen: Christusmonogram in de gevelpunt, waaronder "A D / 19 47". Driezijdig afgesloten koren met spitsboogvensters met natuurstenen maaswerk, onder meer met drielobben. Breder en dieper hoogkoor, als voormalige noordkoor het enige restant van het 16de-eeuwse laatgotische koor, met bewaard metselaarsteken in rode baksteen. Onder de vensters van de zijkoren bevinden zich eveneens metselaarstekens, alsook ingewerkte datumstenen, cartouches met bekronende mascarons (renaissance-invloed): "1559" in het zuidkoor, "MDLIX" in het noordkoor. Deze metselaarstekens en jaartalstenen zijn bij de heropbouw in 1921-1923 hermetseld en herplaatst, vermoedelijk op een andere plaats dan oorspronkelijk, zie iconografie vóór 1918.

In 1923 heropgebouwde toren, gesitueerd ter hoogte van de zesde travee aan de zuidzijde van het schip, met vierkante basis in gele baksteen, gesteund door versneden steunberen en geflankeerd door rond traptorentje, muuropeningen en parement aangepast in 1947-1949. Door middel van met leien gedekte trompen overgaand in de natuurstenen achtzijdige bovenbouw met aan elke zijde een tweeledig spitsboogvormig galmgat met gotisch maaswerk. Omlopende waterlijst, boven de galmgaten telkens bekroond met pumeel. Acht vooruitspringende hoekstijlen steunend op natuurstenen consoles, oplopend als vierkante zuiltjes in de met maaswerk opengewerkte balustrade en bekroond met pinakels. Achtzijdige leien spits aan de vier windstreken voorzien van een uurwerk onder zadeldakje met wimberg en bekroond met smeedijzeren kruis met windhaan.

Sacristie van twee traveeën onder zadeldakje (noord-zuid georiënteerd) aangebouwd in de zuidoostelijke hoek. Tudorboogvormige kruisvensters met neogotisch maaswerk en traliewerk.

Calvarie (17de-eeuws?) eertijds geplaatst tegen de eerste travee van de zuidgevel, thans verplaatst naar het interieur, waarbij restanten van polychrome afwerkingslagen werden verwijderd.

Interieur. Uniforme interieurafwerking in ruwe akoestische pleister. Opmerkelijke ruimtewerking door grote overspanning met spitstongewelf, verticaal geritmeerd door ribben (gewapend beton) die doorlopen tot op de grond, waartussen segmentbogige scheibogen van de gewelfde processiegangen. 'Lichtbeuk' van het schip met spitsbogige vensternissen met tweelichten en zijwanden van processiegangen opengewerkt met dito drielichten, alle met geometrische glas-in-loodramen. Overgang tot koorgedeelte via drie spitsboogvormige openingen. Koren met figuratieve glas-in-loodramen. Westdoksaal met orgel boven de ingangspartij. Zwartmarmeren vloer, in koorgedeelte afgewisseld met witte marmertegels.

Mobilair. Hoofdaltaar, zwarte marmer, vervaardigd door Huis De Visscher uit Gent, onder meer met recuperatie uit het vroegere neogotische hoogaltaar, vervaardigd door Mathias Zens (1892), van drie witmarmeren medaillons met taferelen uit leven van Heilige Martinus. Zijaltaar Onze-Lieve-Vrouw, neogotiek, hout, 1879, vervaardigd door Pieter Boncquet uit Ardooie; gepolychromeerd door Bressers uit Gent in 1908; licht aangepast in 1949. Zijaltaar Heilig Hart/ Heilig Sacrament, zwart marmer en koper, circa 1950, vervaardigd door huis Pierrette uit Roeselare. Altaar Sint-Antonius, hout, 1892, vervaardigd door Victor Vandevelde uit Ardooie. Biechtstoel, neogotiek, eik, 1892, vervaardigd door Desiré Declercq uit Ardooie. Overige vier biechtstoelen uit 1949. Communiebank, marmer en koper, 1949, vervaardigd door Huis de Visscher uit Gent. Ambo, zwart marmer, 1949, met daarop: kruisbeeld, kerselaar, Pieter Boncquet, 1879. Doopvont, zwarte marmer en koperen deksel, circa 1950. Sacristiefontein, roodkoper, 18de eeuw. Orgel uit 1953 door P. Anneessens uit Menen. Grafsteen familie Van Renterghem, marmer, 18de eeuw (tot voor 1940 vervat in de kerkmuur). Witmarmeren herdenkingsplaat van overleden pastoors, circa 1900.

Beeldhouwwerk: Heilige Martinus van Tours, neogotiek, gepolychromeerd hout, tweede helft 19de eeuw; Heilig Hart van Jezus in mandorla, gepolychromeerd hout, eerste kwart 20ste eeuw; Onze-Lieve-Vrouw met Kind, gepolychromeerd plaaster; Piëta, gepolychromeerd plaaster; voorts enkele 20ste-eeuwse gipsen beelden, onder meer Heilige Theresia van Lisieux; Heilige Jozef met kind; Calvarie, hout, verdwenen polychromie, afkomstig van de buitenzijde van de kerk. De Maria- en Johannesfiguren worden 17de-eeuws geacht, Christusfiguur van latere datum. Kruisweg van 14 staties, plaasteren bas-reliëf, door J. De Visscher uit Gent.

Schilderijen, onder meer "Onze-Lieve-Vrouw schenkt mantel aan Dominicus Guzman" en "Calvarie", beide uit de 17de eeuw, Brugse schilderschool van Jacob van Oost (?); "Sint-Maarten te paard", kopie naar Antoon Van Dyck, eind 17de eeuw. Geschilderde kruisweg van 14 staties, Callebert, Roeselare.

Glas-in-loodramen koor, onder meer door huis Hubrecht uit Sint-Kruis-Brugge (hoogkoor), door Coppejans uit Gent uit 1924 (Onze-Lieve-Vrouwkoor), door huis Pierrotte uit Roeselare uit 1950 (Heilig Hartkoor). Klokken. Grote klok Heilige Martinus en middenklok Maria Lucia, 1958. Kleine klok Heilige Barbara, gegoten door G. Slegers-Causard uit Tellin, 1922.

  • ALGEMEEN RIJKSARCHIEF BRUSSEL, Dienst Verwoeste Gewesten, nummer 587: Plannen voor heropbouw/ herstelling van de kerk (J. Viérin), 1919-1923.
  • ARCHIEF RUIMTE EN ERFGOED - AFDELING WEST-VLAANDEREN, archiefnummer W/000036.
  • ARCHIEF RUIMTE EN ERFGOED - AFDELING WEST-VLAANDEREN, Fotoarchief.
  • KONINKLIJK INSTITUUT VOOR HET KUNSTPATRIMONIUM, Fototheek, opnames A 15675-A15682; A15761; A16862-A16868; A16877-A16881; A16874-A16875; A35338; A66639; B27169-B27174; B27178- B27181; E3232; M45170- M45175; M45178- M45183; M45186.
  • VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ONROEREND ERFGOED, onuitgegeven orgelinventaris.
  • VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ONROEREND ERFGOED, Documentatiecentrum, Kaarten en plattegronden K.C.M.L., W0033: Plan voor de herstelling en vergroting van de Sint-Martinuskerk (architect. A. Verbeke), 1887.
  • VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ONROEREND ERFGOED, Documentatiecentrum, Kaarten en plattegronden K.C.M.L., W0034/S-W0038S: Plannen voor de herstelling van de Sint-Martinuskerk (architect J. Viérin), 1920.
  • ALLOSSERY P., Ardooie, meest onder kerkelijk oogpunt, in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, jaargang 81, 1938, p. 48-59; p. 135-165.
  • ALLOSSERY P., Ardooie, meest onder kerkelijk oogpunt, in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, jaargang 82, 1939, p.84-124; p. 205-239.
  • ANNEESENS P., VAN ACKER L., Plechtige wijding en inhuldiging van het orgel der S. Martinuskerk te Ardooie, op Pinksteren 24 mei 1953, Ardooie, 1953.
  • CORNILLY J., Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel I: Arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt. Brugge, 2001, p. 33.
  • DENDOOVEN L., Dit is West-Vlaanderen. Steden, gemeenten, bevolking, 1960, p. 74-81.
  • GOETHALS L. & VAN ACKER L., Hitler in Ardooie, en... Hitler en Ardooie, in Jaarboek van de heemkundige kring Ardooie-Koolskamp, jaargang 2, 2006, p. 56-84.
  • Parochie Sint-Martinus Ardooie (onthaalbrochure), s.l., s.d.
  • PYNNAERT M., Het kerkelijk en godsdienstig leven in Ardooie. 1830-1914, Onuitgegeven Verhandeling KU Leuven, Ardooie, 1990.
  • TANGHE G., Parochieboek van Ardooie, Kachtem, Moorslede, Oostnieuwkerke, Winkel-St.-Elooi-, Oekene, Rumbeke, Rollegem-Kapelle, Handzame, 1975.
  • VAN ACKER L., De gebroeders Boncquet, beeldhouwers, in Jaarboek van de heemkundige kring Ardooie-Koolskamp, jaargang 4, 2008, p. 59-63.
  • VAN ACKER L., Oude grafstenen in de kerken van Koolskamp en Ardooie, in Jaarboek van de heemkundige kring Ardooie-Koolskamp, jaargang 2, 2006, p. 37-47.
  • VANDEPUTTE O. (redactie), De erfgoedbibliotheek van de Belgische gemeenten, Tielt, 2007, p. 38-39.
  • VANNIEUWENHUYSE G., Sint-Martinuskerk-Ardooie, onuitgegeven brochure, s.l., s.d.
  • VERSCHRAEGEN H., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen. Provincie West-Vlaanderen, Kanton Tielt, Brussel, 1974, p. 13-15.

Bron: Santy P. & Boone B., met medewerking van Callaert G. 2010: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Ardooie met deelgemeente Koolskamp, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL44, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Boone, Benjamin & Santy, Pieter

Datum tekst: 2010

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Marktplein

Marktplein (Ardooie)

omvat Orgel kerk Sint-Martinus

Ardooie (Ardooie)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.