Ursulinenklooster

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Diepenbeek
Deelgemeente Diepenbeek
Straat Wijkstraat
Locatie Wijkstraat 16, Diepenbeek (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Synchronisatie databank beschermde monumenten 2008 (synchronisaties: 05-06-2008 - 31-12-2008).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Ursulinenklooster

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

omvat de bescherming als monument Ursulinenklooster: hoofdgebouw met kapel
gelegen te Wijkstraat 16 (Diepenbeek)

Deze bescherming is geldig sinds 25-03-2009.

Beschrijving

Het hoofdgebouw van het ursulinenklooster van Diepenbeek werd in 1888 opgetrokken in neogotische stijl naar ontwerp van architect Mathieu Christiaens. Op de verdieping is een neogotische kloosterkapel ingericht. Enkel het hoofdgebouw is beschermd als monument.

Historiek

Na een verzoek van pastoor P.J. Claes aan pastoor Lambertz van Tildonk nam deze laatste contact op met Mère Odile Lambertz, overste van het ursulinenklooster van Maaseik, om enkele zusters naar Diepenbeek te sturen. Op 2 februari 1853 werd het ursulinenklooster, toegewijd aan Sint-Jozef, opgericht in Diepenbeek. Het nog bestaande zogenaamde 'witte huis' ("la maison blanche de la rue de l’Eglise", zoals de kloosterannalen vermelden) of 'huis Schoofs', gelegen langs de Varkensmarkt en daterend uit de eerste helft van de 19de eeuw, werd hun voorlopig verblijf. Op 4 februari 1853 werd de dagschool in een achterbouw geopend en het aantal schoolkinderen steeg weldra tot boven de honderd, een noodzakelijke ontlasting voor de gemeenteschool. De zusters bleven aan de Varkensmarkt wonen tot augustus 1856.

In 1855 kochten de ursulinen een bouwterrein langs de huidige Wijkstraat. Volgens de primitieve kadastrale legger van 1844 was het perceel waar het klooster werd opgetrokken een boomgaard die toebehoorde aan Anna Paolina Croels, weduwe van Hendrik Goyens en herbergierster in Diepenbeek. Op 29 augustus 1856 deden de zusters hun intrede in het nieuwe klooster. In dit oudste gedeelte was er eertijds een inkom, met twee ontvangstkamers, een klaslokaal, eetzalen voor de zusters en de internen en een keuken. Op de verdieping bevonden zich een kapel en de slaapzalen voor de zusters en de internen. Het internaat bestond van 1855 tot 1988. Op 19 april 1860 werd het klooster wettelijk gesticht door akte van notaris Schoofs tussen E.H. Claes en vijf leden van de gemeenschap.

In 1859 en 1869 werden ten westen en ten oosten van het oudste gedeelte andere kloostergebouwen opgetrokken met klaslokalen, traphallen, studiezaaltjes, vestiaires en een recreatiezaal op het gelijkvloers en slaapzalen op de verdieping. Voor de oostelijke aanbouw tekende provinciaal architect Herman Jaminé (Hasselt), (1826-1885). Een volgende bouwfase gebeurde in 1871. Vermoedelijk werd toen de bakkerij opgetrokken met ten westen het poortgebouw. In 1874 volgden aan de Mathijsesteeg, de huidige Kloosterstraat, de thans verdwenen klaslokalen voor de externen. In 1879 volgde de schoolstrijd en werd een jongensklas opgericht. In de zomer van 1883 werd hierop een verdieping voor de meisjes bijgebouwd.

Het nieuwe hoofdgebouw, beschermd als monument bij ministerieel besluit van 25 maart 2009, dateert van 1888 en werd opgericht tussen de eerste kloostergebouwen en het poortgebouw meer ten westen. Op het gelijkvloers bevindt zich de toenmalige en huidige inkomhal met brede gang annex spreekkamers, het bureau van zuster overste en een ruimere kamer als eetzaaltje voor de bezoekers. Op de verdieping kwam de nieuwe grote kapel. Met de financiële steun van advocaat de Corswarem, konden de werken starten. De eerstesteenlegging gebeurde op 10 augustus 1887 door pastoor Claes en de zuster overste, in aanwezigheid van architect en aannemer Mathieu Christiaens, de andere zusters en de pensionaires. De vroegere kapel was door het steeds groeiende aantal pensionaires te klein geworden. Onder een steen in de fundering plaatste men een perkament met volgende tekst: "Hac Die Decima Augusti positus fuit hic primus lapis hujus capellae per reverendum Dominum Pastorem Claes hujus communitatis, et per reverendam Matrem M. Josepham, Superiorem hujus communitatis in praesentia Domine Christiaens susceptorem Tangrorum et toutias communitatis et pensionarum hujus domus sub invocatione et protectione Santi Josephi et aliorum Sanctorum". Toen de funderingen klaar waren, plaatste men in september daarop volgend gebed onder de dorpel van de nieuwe ingangsdeur: "Très doux Jésus, détournez à jamais tout malheur de cette maison (érigée à votre plus grande gloire); répandez-y abondamment vos bénédictions célestes; conduisez-y de bonnes et ferventes religieuses et un très grand nombre d’élèves studieuses. Faites qu’on ne vous offense jamais volontairement et que jamais aucune personne n’y entre qui pourrait devenir un sujet de regret pour la communauté. Déposé à Diepenbeek, Septembre, 1887 par la Révérende Mère Mie Joseph, Supérieure, en présence de toute la communauté". Op 10 oktober 1888 werd de nieuwe (derde) kapel ingewijd. In het register nr. 8 dat de inventaris van de inhoud van de kapel bevat, werden in 1892 en 1899 verschillende giften genoteerd.

In de loop van de 20ste eeuw werd het complex uitgebreid met nieuwe gebouwen, aangepast aan de verschillende functies die hier gevestigd waren. In 2003 werd de huishoudschool verbouwd tot nieuwe kleuterklassen.

Beschrijving

Het hoofdgebouw van 1888 is een met een voor de tijd typische knipvoeg gevoegde neogotische baksteenbouw van acht traveeën en twee bouwlagen onder een leien zadeldak met oostelijke vierkante dakruiter met ingesnoerde naaldspits en bekronend ijzeren kruis met windhaan. De baksteen is grijs geschilderd bij de afgeschuinde tudorboogomlijstingen en de ontlastingsboogjes. Grijze natuursteen (hardsteen of Naamse kalksteen) werd gebruikt voor de afzaat van de sokkel, de afwerking van de ritmerende versneden steunberen, de lateien van de rechthoekige kelder- en benedenvensters en de veelal afgeschuinde lekdrempels. Mergel werd aangewend voor het maaswerk met drie- en vierlobben van de tweelichten van de kapel op de tweede bouwlaag. Verder zijn de gevels afgewerkt met sierankers en een afgeschuinde baksteenfries met vier geprofileerde consoles per travee. Het hout- en traliewerk van de keldervensters en de houten kroonlijst bleven behouden, de vensters op de begane grond werden vervangen door pvc-ramen.

De inkom, bereikbaar via vijf hardstenen treden, bevindt zich in de zesde travee en bestaat uit een eiken vleugeldeur, versierd met briefpanelen en twee geelkoperen trekkers in art nouveau. Boven het bovenlicht is een hardstenen latei op geprofileerde consoles aan gebracht. De tussendorpel tussen deur en bovenlicht vertoont volgende inscriptie: "PENSIONNAAT DER RELIG. URSULINEN". Een bekronende spitsboognis omvat een Heilig Hart-beeld. De ijzeren voetenschrapers links en rechts van de inkomdeur zijn verdwenen, de hardstenen omlijstingen bleven bewaard. De blinde linker- en rechterzijpuntgevel vertonen krulankers. De achtergevel is analoog aan de voorgevel uitgewerkt, maar eenvoudiger, onder meer met gewone muurankers. In de derde travee bevindt zich een houten vleugeldeur met hardstenen steektrap, ijzeren luifel en voetenschraper rechts.

Interieur hoofdgebouw

De inkomdeur geeft toegang tot het interieur van het hoofdgebouw. De haakse inkomhal heeft vier hardstenen treden, een vloer van zwarte en witte marmer met geometrisch patroon, een bepleisterde en gemarmerde lambrisering en een bepleisterd en beschilderd plafond. Via drie hardstenen treden bereikt men de dwarse centrale gang met gelijkaardige vloer met een plint van zwarte marmer en een bepleisterd en beschilderd plafond met zichtbare moerbalken op consoles. Aan weerzijden van inkomhal en dwarse gang bevinden zich de spreek- en eetkamers, waarvan de meeste met visgraatparket, bepleisterde en beschilderde plafonds met zichtbare moerbalken op consoles. Op het einde van de dwarse gang geeft in de eerste linkertravee een eikenhouten bordestrap met achtzijdige pijlers en spijlen toegang tot de kapel op de tweede bouwlaag. Naast de trap en op het einde van de dwarse centrale gang is een beschilderd beeld van de Heilige Ursula met een geknielde zuster opgesteld op een aan de muur bevestigd houten basement.

Interieur kloosterkapel

Via een neoclassicistische beschilderde houten vleugeldeur bereikt men het bepleisterde en beschilderde interieur van de kapel. Deze eiken deur is aan kapelzijde neogotisch uitgewerkt. Het betreft een gaaf bewaard neogotisch interieur met grenen plankenvloer. Twaalf gemarmerde gietijzeren zuilen met achtzijdig basement dragen halve achtzijdige colonnetten met bladwerkkapiteel die uitlopen in gordelbogen met van verguld bladwerk voorziene gewelfsleutels die het van trekankers voorziene spitstongewelf van de middenbeuk dragen. De gietijzeren zuilen vormen de scheiding met de smalle zijbeuken, die mijterboogvormig zijn afgedekt en voorzien zijn van driehoekig opengewerkt schrijnwerk met ranken, drielobbige spitsboogjes onderaan en hoofden van de apostelen met eronder gouden inscripties in gotisch schrift. Eertijds was het spitstongewelf van decoratieve schilderingen voorzien die nu zijn overschilderd, zoals te zien is op oude foto’s, die ook een analoge schildering op de gietijzeren zuilen tonen en een voorstelling van een Maria-Boodschap boven het altaar.

Het neogotisch meubilair omvat volgende elementen: monumentaal en rijzig eiken hoofdaltaar van een onbekende kunstenaar (gift van 1892), met vier treden en een centrale rechthoekige voorstelling in reliëf van het Laatste Avondmaal onder de altaartafel, geflankeerd door twee losstaande beelden van bebaarde mannelijke heiligen in drielobbige spitsboognissen, de linkse met pij en kruis, de rechtse met toog, stola en staaf in de hand. Boven deze reliëfvoorstelling bevindt zich het geelkoperen tabernakel met Christusmonogram op het deurtje en bekronende eiken calvariegroep (van de firma Lips uit Dordrecht). Een gepolychromeerd houten beeld van het Heilig Hart, gevat in een hoog oprijzende pinakel met kruisbloemen, bekroont het geheel. Links en rechts van het tabernakel komen reliëfvoorstellingen voor van de Aanbidding van de Drie Koningen en de Heilige Familie. Hierboven zijn lelietakken met banderollen uitgewerkt in rechthoekige panelen, waarboven nissen met van links naar rechts beelden van de Heiligen Antonius van Padua met Kind, Ursula met kroon en wimpel, Augustinus met hart (verwijzend naar de orderegel), Carolus Borromeus met ciborie (die de kloosterregel van de ursulinen schreef), Elisabeth van Hongarije met rozen en een bebaarde man met toog en opengevouwen boek. Links en rechts van het altaar omvatten minder hoge pinakels de beelden van de Heiligen Anna en Angela. Links en rechts van het monumentale altaar komen gepolychromeerde houten beelden voor van de Heilige Maagd met Kind en de Heilige Jozef met Jezus op een eikenhouten console en onder een eikenhouten baldakijn. Verdere neogotische eiken elementen zijn de opengewerkte balustrade van de orgeltribune met orgelkast, twee biechtstoelen (gift van 1892), de communiebank (nu elders in het klooster opgesteld), twee vierkante pijlers die het recente dienstaltaar stutten, een stoel met knielbankje, een staander voor twee geelkoperen lantaarns, een zeszijdig basement met een geschilderd gipsen beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, een tafeltje met achtzijdig blad, de lambriseringen met banken aan de zijwanden, twintig kniel- en zitbanken voor de leerlingen en 32 knielbankjes voor de kloosterzusters (die in 1899 geschonken werden en die de oorspronkelijke stoelen vervangen) op een grenenplanken estrade, een geschilderde kruisweg op doek van een niet gekende schilder en gevat in een sierlijke eiken omlijsting (gift van 1892), een geschilderde gipsen piëta, getekend "DEL[?]IN[?]-Fres PARIS", op een eikenhouten sokkel en veelkleurige decoratieve glasramen met wingerdranken en rozetten. Een eclectische eiken dagobertstoel voor de priester, met de inscriptie "IHS", rankwerk, rozetten en klauwenpoten, is opgesteld achter het dienstaltaar. Links van het altaar komt nog een eclectische staander voor met neogotische en neorococo elementen. Verder zijn er nog twaalf eclectische, deels gestoffeerde eiken kerkstoelen met een kruis in de rug. Tussen de zuilen hangen de acht originele lampen van glas en geelkoper. Zes gietijzeren radiators zorgen voor de nodige verwarming. Een geelkoperen klokje hangt naast de sacristiedeur.

  • Beschermingsdossier DL002536, Hoofdgebouw van het ursulinenklooster met kapel (D. Pauwels, 2009, digitaal dossier).

Bron: -

Auteurs: Pauwels, Dirk

Datum tekst: 2009

Relaties

maakt deel uit van Diepenbeek

Diepenbeek (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.