Hopast

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Poperinge
Deelgemeente Watou
Straat Douvieweg
Locatie Douvieweg 44, Poperinge (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Synchronisatie beschermingen 2009 (synchronisaties: 01-01-2009 - 31-12-2009).

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Hopast

Deze bescherming is geldig sinds 09-02-2010.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Hopast

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

De site ligt in de deelgemeente Watou, ten westen van het centrum van Poperinge. Douvieweg nr. 44 is een achterin gelegen hoeve, toegankelijk via een lange oprijlaag beginnend bij de Douvieweg. De Douvieweg begint bij in het centrum van Watou bij het Watouplein en eindigt bij de Watouseweg. Het gebied ten noorden en ten zuiden van de Douvieweg is erg landelijk en wordt thans getypeerd door akker- en weilanden.

De site bestaat uit een hoeve die grondige werd verbouwd en uitgebreid met landgebouwen. De hopast ligt op redelijke afstand van het boerenhuis en de andere gebouwen. Thans wordt de hopast niet meer gebruikt.

Historisch overzicht

De hoeve is gelegen langs de Douvieweg in Watou. Op het primitief kadasterplan van ca. 1835 staat de site weergegeven met een woonhuis voorzien van een geïntegreerde stalling en moestuin gelegen binnen een omwalling Ten noordoosten van de hoeve bevond zich een vierkante omwalling zonder bebouwing. Het boerenhuis gaat in kern terug tot vóór 1835, maar werd grondig verbouwd volgens het kadaster in 1956. De omwalling werd gedempt in 1965. De stal, ten zuiden van het woonhuis gelegen, wordt volgens het kadaster in 1894 gebouwd. De ast werd volgens het kadaster in 1956 gebouwd, maar is wellicht ouder, aangezien de gebruikte systemen ouder zijn. Het systeem Allaeys dateert van 1932. Vermoedelijk verwijst de mutatie naar een uitbreiding in 1956 van de ast in zuidelijke richting.

Beschrijving

De ast, zoals we hem momenteel vinden, bestaat eigenlijk uit twee asten met daartussen een open ruimte (zie bijlage). De asten zijn ondergebracht in een gebouw van twee bouwlagen hoog onder een asymmetrisch zadeldak bedekt met mechanische pannen. Oranjerode baksteenbouw. De lijstgevel is opengewerkt met rechthoekige muuropeningen, meestal aangepast. De ast is toegankelijk via een grote openschuivende poort.

In de ast zijn er in totaal drie systemen toegepast. In de rechter ast, werd gebruik gemaakt van een systeem met open cokesvuren, later vervangen door een aangebouwde cokesoven met ventilator. In de linkerast werden twee systemen toegepast, enerzijds "het systeem Allaeys" en anderzijds het systeem "Vandemoortele".

Deze systemen worden hieronder beschreven:

1. Ast met open cokesvuren, later cokesoven met ventilator.

De eerste ast - de rechter ast - is eigenlijk de oudste en werd niet meer gebruikt toen men de ‘moderne’ Allaeys ast ging gebruiken. Deze ‘oude’ ast dateert van vóór 1932 (cf. datering systeem Allaeys). In deze ast werd gebruik gemaakt van open cokesvuren.

De ast bestaat uit twee vlaken (zie bijlage). De bovenste vlaak, een houten vlaak, bevat een aantal losse panelen die omhoog kunnen worden gezet zodat de hop op de lagere metalen vlaak kan vallen om daar verder te drogen. Deze vlaak, die uit verschillende metalen panelen bestaat, kan via een ophang- en katrolsysteem omhoog gelicht worden zodat deze vlaak een trechter vormt en zodat de hop in een ijzeren rek valt waaraan men hopzakken kan hangen. Na het vullen van de zakken kon de gedroogde hop naar de opslagruimte gebracht worden.

In de jaren 1950 werd de oudste ast opnieuw in gebruik genomen, toen de hopteelt opnieuw een periode van hoogconjunctuur kende. De open cokesvuren werden niet meer gebruikt maar werden vervangen door een cokesoven met ventilator. Deze ast werd met deze constructie gebruikt tot het begin van de jaren 1950. Daarna werd er een cokesoven met ventilator gebouwd achter deze ast waar zich nu de hangar bevindt.

De warme lucht die uit deze cokesoven kwam, werd met een ventilator de ast ingeblazen in de ruimte die vroeger gebruikt werd om de hop te zwavelen. In deze achtermuur zijn de sporen van de luchtkanalen nog te zien.

Men kon met een metalen luik de luchtstroom ofwel naar de linkerast ofwel naar de rechterast sturen.

2. Het z.g. systeem "Allaeys"

Deze constructie is één van de eerste dergelijke ‘mechanieke’ asten die door de firma Allaeys van Poperinge gebouwd werden (zie bijlage). De firma Allaeys was vooral in de jaren 1960 gekend voor de mechanische plukmachines.

Deze ast is opgebouwd uit twee metalen vlaken waarvan de onderste afdraaibaar is. Met een zwengel kon men de bovenste metalen vlaak ‘open’ draaien, zodat de vlaakdelen rechtop gingen staan. Daardoor kon de hop op de onderste metalen vlaak vallen, die dan afdraaibaar was. Deze metalen vlaken met het afdraaisysteem dateren van 1932. In het begin viel de hop die afgedraaid werd op een lagere vlaak die in de tussenruimte tussen de twee asten geplaatst was en die 80 centimeter hoog was. Wanneer de gedroogde hop zo’n meter hoog lag, plaatste men in het midden hiervan een ‘sulferpot’ met zwavel in.

Later toen de hopboer zelf niet meer zwavelde werd deze lage zwavelvlaak verwijderd en plaatste men een rij houten bakken waaraan men grote hopzakken hing en waarin de gedroogde hop afgedraaid kon worden.

Deze ast uit de jaren 1930 was een ast met een ‘gesloten vuur’ en werd verwarmd met een cokesoven. De cokesoven bevond zich in de grond voor de ast. De cokesoven werd gebruikt tot ca. 1952, toen werd de opening van de oven dichtgemaakt en met een sluitsteen afgesloten. De structuur van de ast zag er als volgt uit (beschrijving van boven naar onder) (zie bijlage): m.n. de bovenste "kipbare" vlaak, de onderste afrolbare vlaak, de hellekamer met buizenstelsel, de cokesoven in de grond, de schouw en de zwavelvlaak met daaronder een zwavelpot.

De put waar de cokesoven zich in bevond, is ongeveer één meter diep en anderhalve meter breed. Er resteren nog enkele roosterijzers in de oven in het midden en aan de zijkanten zien we de trekgaten die de koude lucht moesten meetrekken de ‘hellekamer’ van de ast in.

Boven op het dak stond er een windvang met daaronder een elektrisch aangedreven ‘aspirateur’ die de vochtige en natte lucht naar buiten liet.

3. Het systeem Vandemoortele

In deze ast treffen we ook nog een derde systeem aan namelijk het systeem "Vandemoortele". Het systeem van een cokesoven en aspirateur werd vervangen door een brander en ventilator In Poperinge werd dit systeem ook genoemd naar de heer Vandemoortele die deze branders fabriceerde. Door dit systeem werd er een warme luchtstroom, door de brander en de daarop geplaatste ventilator door de ast geblazen waardoor de hop z.g. omhoog werd geduwd. Dit betekende dat de ventilatoren onder het dak overbodig geworden waren en zelfs bijna het systeem belemmerden. Bij de familie Brutsaert werd van deze verbouwing gebruik gemaakt om het astgebouw deels te renoveren. Een deel van de buitenmuren werden vernieuwd, net als het dak waar nu in plaats van de windvangen, open ‘brouwersdakjes’ geplaatst werden, zodat de vochtige lucht gemakkelijk naar buiten kon gestuwd worden.

Begin de jaren 1960 toen de plukmachine opkwam en de hoeveelheden hop die te plukken was nog aangroeide, schakelde men ook over op de brander-ventilatoraggregaat (zie bijlage).

Op de hoeve Brutsaert werd deze brander gezet op de plaats waar de gemetselde cokesoven stond. Aangezien men nu ook een plukmachine moest plaatsen werd er een ‘hangar’ tegen de achterkant van de ast bijgebouwd. In de achtergevel werd er bovenaan - boven de dieseltank - een opening in de muur gemaakt zodat men langs daar de geplukte hop met een lopende band naar boven kon brengen.

Er zijn twee luchtkanalen die geopend of gesloten kunnen worden en die naar de rechter of linker ast leiden. Via de lopende band kwam de hop van de hopmachine naar deze ast. De draaischijf moest er dan voor zorgen dat deze hop gelijkmatig in de ruimte werd rondgezwierd. In deze vlaak zitten er twee rijen losse vlaakpanelen dit men open kon zetten en waarlangs de hop naar een tweede onderliggende ast kon vallen.

  • KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN, Primitief kadasterplan; Mutatieschetsen Watou, 1884/38, 1894/28, 1956/39, 1959/29, 1965/13, 1977/32.
  • BECUWE F., Aanbeveling tot bescherming van hopgebonden industrieel erfgoed in Poperinge en Asse/Dilbeek, onuitgegeven nota, juni 2008.
  • DELEPIERE, A.-M. & M. HUYS, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 11n 2. Provincie West-Vlaanderen. Arrondissement Ieper. Kanton Poperinge, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Turnhout, Brepols, 1989, 556 p.
  • VANDERMARLIERE, G., De kroniek van de Poperingse hoppeteelt, 1800-1850, Ieper, Uitgave van De Keteniers i.s.m. de stad Poperinge, 2005, 220 p.
  • VANDERMARLIERE, G., De kroniek van de Poperingse hoppeteelt, 1850-1868, Ieper, Uitgave van De Keteniers i.s.m. de stad Poperinge, 2006, 234 p.
  • VANDERMARLIERE, G., De kroniek van de Poperingse hoppeteelt, 1869-1885, Ieper, Uitgave van De Keteniers i.s.m. de stad Poperinge, 2007, 254 p.
  • VANDERMARLIERE, G., Een representatieve inventaris van het bouwkundige hoperfgoed in de streek van Poperinge, Uitgave De Keteniers, 2007, 298 p. + 99 p.
  • VANDERMARLIERE, G., Een historische schets van de ontwikkeling van de hopasten in de streek van Poperinge, Uitgave De Keteniers, [s.d.]: 67 p.

Bron: Beschermingsdossier DW002441 (2009)

Auteurs: Gilté, Stefanie

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Douvieweg

Douvieweg (Poperinge)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.