erfgoedobject

Technische laboratoria en thermische centrale van de Universiteit Gent

bouwkundig element
ID: 209095   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/209095

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het Technicum, dat voornamelijk tussen 1934 en 1938 werd ontworpen als geheel van laboratoria ten behoeve van de Bijzondere Scholen, later de Faculteit van de Toegepaste Wetenschappen, van de Universiteit Gent is een omvangrijk complex met voorbeeldwaarde, tot stand gekomen volgens architecturale en structurele concepten die beantwoordden aan de toenmalige behoeften op esthetisch, pedagogisch en experimenteel vlak en dit volgens de ontwerpen van professor ingenieur architect Jean-Norbert Cloquet (1885-1961) in nauwe samenwerking met professor ingenieur Gustave Magnel (1889-1955), op zijn vakgebied een pionier met wereldfaam in onder meer het proefondervindelijk onderzoek van betonstructuren en mortels, en voorgespannen beton. Het is tevens een goed bewaard voorbeeld van laboratorium- en bedrijfsarchitectuur uit het interbellum. De gebouwen zijn ook representatief voor het oeuvre van architect Jean-Norbert Cloquet die als hoogleraar betrokken was bij de belangrijke bouwcampagne van de Gentse universiteit tijdens het interbellum en hierdoor zijn stempel drukte op het universitair patrimonium.

De gebouwen van het Technicum zijn ingeplant op een terrein van 1,5 ha aan de Schelde-oever, de vroegere wijngaarden van de Sint-Pietersabdij, met een niveauverschil van 17 meter tussen de Sint-Pietersnieuwstraat en de Scheldekaai, en strekt zich verder uit achter de tuinen van de woningen van de Sint-Pietersnieuwstraat tot aan de Hoveniersberg. Het gebouwencomplex bestaat uit verschillende blokken met elkaar verbonden door passerelles, een in 1958 gebouwd beglaasd trappenhuis met lift tussen blok 2 en de uitbreiding van het restaurant De Brug leidend naar het niveau van de Scheldekaai, binnenwegen en de Scheldekaai zelf.

Historisch overzicht

De Bijzondere Scholen van de Rijksuniversiteit Gent, sinds 1957 de Faculteit Toegepaste Wetenschappen, beschikten over laboratoria in het complex van de Jozef Plateaustraat / Rozier (architect Adolphe Pauli, 1883, beschermd als monument) en op de Heirnis (het laboratorium Boulvin, 1885). Vooral dit labo werd nog in de jaren 1930 en 1940 uitgebreid. Professor Gustave Magnel (1889-1955) richtte in 1926 zijn Laboratorium voor Gewapend Beton op in de kelders van het Flandria Palace aan het Koningin Maria Hendrikaplein, dat eerst door de Spoorwegen en in 1930 door de Universiteit werd erkend.

In 1932 nam de universitaire overheid de beslissing om nieuwe technische laboratoria te bouwen. Als bouwplaats werd de voormalige spinnerij Feyerick gekozen, gelegen aan het kruispunt van de Sint-Pietersnieuwstraat en de Joseph Plateaustraat, een terrein van 1,5 ha aan de Schelde-oever, met een niveauverschil van 17 meter en weinig draagkrachtig Scheldealluvium. Het terrein strekt zich verder uit achter de tuinen van de woningen van de Sint-Pietersnieuwstraat tot aan de Hoveniersberg. Deze terreinkeuze werd vooral ingegeven door de nabijheid van de Bijzondere Scholen en de te bouwen Centrale Bibliotheek op de Blandijnberg, zonder rekening te houden met de gevolgen van een grootschalige inplanting vlak bij het stadscentrum en midden een woonwijk.

Jean-Norbert Cloquet (1885-1961), hoogleraar in de Burgerlijke Bouwkunde, Architectonische Compositie en Geschiedenis van de Architectuur aan de RUG, werd als ontwerper aangeduid. Hij werkte nauw samen met professor ingenieur Gustave Magnel.

In 1971 werd beslist een nieuwe campus "Ardoyen" voor de toegepaste wetenschappen aan te leggen buiten het stadscentrum in Zwijnaarde. De gebouwen van het Technicum blijven echter in gebruik voor verschillende vakgroepen van de faculteit Ingenieurswetenschappen. De thermische centrale werd gerestaureerd en herbestemd als studentenhuis "De Therminal" onder leiding van professor ingenieur architect F. Mees en werd ingehuldigd in 2006.

Beschrijving

Blok 1: oorspronkelijk laboratorium De Meulemeester voor textieltechnologie, metallurgie, metallografie en theoretische elektriciteit, sterkstroom en telecommunicatie. Het is een haaks op de straat en op de Schelde ingeplant gebouw met zes bouwlagen op niveau van de Scheldekaai en plat dak, met een gevelparement van gele baksteen.

Volgens een gevelsteen aan de Scheldegevel "Omgebouwd / 1936 / Filature / N. Feyerick / 1894" omvat dit eerste blok dus restanten en funderingen van de spinnerij Feyerick, zoals ook op een bewaarde plattegrond van 1934 vermeldt staat: "bestaande gebouw met drie verdiepingen, dient met twee verdiepingen te worden vervolledigd". Dit gebouw werd volgens het kadasterarchief gebouwd in 1894 door de weduwe van Nikolaas Feyerick als stoom vlaswerk spinnerij. In de zichtbare rechter zijgevel is ook duidelijk een verschil te zien tussen de onderste, gecementeerde verdiepingen en de toegevoegde bouwlagen. In vaktijdschriften en door Cloquet en Magnel zelf is weinig aandacht besteed aan dit blok.

De gevel, uitziende op de Schelde, kreeg een nieuw geel bakstenen parement, begrensd door hoekpilasters en is sterk horizontaal gemarkeerd door vensterregisters van telkens drie gekoppelde drielichten. De zijgevels van veertien traveeën zijn geritmeerd door eenvoudige rechthoekige vensters met witgeschilderde metalen ramen, in de linker zijgevel horizontaal gemarkeerd door doorgetrokken vensterlateien. Inwendig is het gebouw grotendeels gerenoveerd. De vleugel aan de straatzijde met drie bouwlagen, links van de toegang tot Blok 2, wordt gemarkeerd door volledig beglaasde verticale vensternissen, bakstenen pilasters en omlopende kroonlijst met bekronende blinde bakstenen attiek. Hierin bevindt zich vooraan, op niveau –1 (lokaal 01.02. Blok 1) een hydraulische drukmachine voor vermoeiingsproeven op materialen (gewapend beton, staal) bestaande uit een pomp, de vermoeiingsmachine en een pers. Ze zijn gesigneerd: "Alfred J. Amsler & Co, / Schaffhouse-Suisse / 2/7525 / représentants en Belgique : / Em. & P. Bodson / Quai St-Leonard / Liège". Jakob Amsler-Laffon (1823-1912) en zijn zoon Alfred Amsler (1857-1940) waren Zwitserse wiskundigen, ingenieurs en uitvinders. Jacob Amsler was tevens de stichter (1854) van een eigen fabriek van materiaalproefmachines te Schaffhausen.

Blok 2: met labo voor gewapend beton, weerstand van materialen, grondmechanica en nijverheidselektriciteit. Dit blok, ingeplant in het midden van het terrein, parallel aan de Sint-Pietersnieuwstraat en de Schelde, dateert van 1938 en kreeg alle aandacht vanwege de nieuwe constructietechniek en het feit dat het labo van Magnel erin gevestigd werd.

Breed gebouw van tien traveeën met vier bouwlagen zijde straat en zeven aan de Schelde onder plat dak, afgewerkt met een attiek. De lager gelegen verdieping aan de voorzijde wordt verlicht door een binnenplaats (sinds de jaren 1950 met laaghellend glazen dak) met keermuur uit de helling uit te sparen. De achtergevel, oorspronkelijk uitziend op de Schelde, was ruim verlicht door verticale venstertraveeën, maar gaat nu gedeeltelijk schuil achter het drie bouwlagen hoge gebouw uit de jaren 1950 aan de Scheldekant. Voor de labo’s werden twee verdiepingen of 8 meter hoogte benut. De constructie diende rekening te houden met belastingen op de vloer van 3000 kg per m², ook in labo’s op de bovenverdiepingen en moest ook een flexibele structuur hebben die naar gelang van de bezetting kon gewijzigd worden. Men opteerde voor een skeletbouw met een beperkt aantal kolommen (drie rijen, elk op 5 meter van elkaar) en die enorme paalfunderingen noodzaakten. Voor de skeletstructuur werd gekozen voor een stalen skelet in plaats van beton zoals men zou verwachten van Magnel en bijvoorbeeld in de boekentoren toegepast wordt, omdat, door de enorme belasting, de betonnen kolommen te grote "onesthetische" dimensies zouden aannemen. De metalen liggers werden op maat gemaakt in de ateliers van "La société métallurgique d’ Enghien-Saint-Elooi" en naar de werf verscheept via de Schelde. Enkel het lassen werd door Magnel gecontroleerd. Het is het eerste gelaste gebouw ter wereld. Lassen was toen een nieuwe techniek. Het betreft hier bijgevolg een vroeg voorbeeld van de toepassing van een nieuwe constructietechniek. De knooppunten tussen horizontale en verticale stalen liggers werden daarenboven berekend volgens de toen nieuwe methode van Cross. Enkel de vloerplaten werden uitgevoerd in gewapend beton. Binnenin bleef de structuur zichtbaar. Aan de buitenzijde werd de structuur verstopt achter zware bakstenen gevels. De gevel is niet zelfdragend maar wordt opgehangen aan het stalen skelet door middel van betonlateien die verankerd zijn ter hoogte van de vloerplaten. Het parement is van gele Kempische platte baksteen met diepliggende horizontale voegen op een hoge plint of onderbouw van bruine baksteen met kenmerkende pilasters (ter hoogte van de kolommen), doorbroken door brede vensters met gemarkeerde vensterlateien ter hoogte van de vloerplaten en nog voorzien van het origineel ijzeren, witgeschilderd schrijnwerk door twee horizontale en twee verticale roeden verdeeld in negen vlakken, veelal met gestructureerd glas in de bovenlichten en onderaan.

Daarenboven werd het skeletsysteem geconcipieerd met het oog op een flexibele invulling in de tijd. De afmetingen van leslokalen, kantoren en labo’s moesten op eenvoudige wijze kunnen worden aangepast naargelang de evolutie van de bezetting Interieur van het Labo Magnel, later laboratorium Soete, thans professor Denys: grote zaal over twee verdiepingen met zichtbare metalen structuur, thans grijs- of blauwgeschilsderd met grote deur en ramen naar de Scheldekant (oostkant), omlopende passerelle en leslokalen en burelen aan de westkant, met bewaarde betegelde hoge plinten, tegelvloeren met geometrisch patroon in gele, zwarte, witte en bruine of rode vierkante tegels en originele binnendeuren met beglaasde panelen in structuurglas.

Het oorspronkelijker labo Magnel omvatte een aantal machines om wetenschappelijke proeven op mortel en beton uit te voeren (beschreven door Magnel zelf in een begeleidende nota); onder andere machines om gewapende betonbalken op hun breukspanning te testen. Eén van de belangrijkste machines om gewapend-betonbalken te testen, in het concept van Magnel, is echter het gebouw zelf, met andere woorden het stalen skelet.

In de vloer zijn nu nog een achttal verankeringspunten aanwezig waarin stalen liggers konden gemonteerd worden om de proefbalken te verankeren, vervolgens werd met een vijzel tussen gebouw en proefbalk de balk op zijn mogelijkheden getest. De vloer heeft op die plaatsen een dikte van 1,30 meter in spanbeton om momenten tot 400 ton/meter te kunnen opnemen. Een zware rolbrug loopt over de grote zaal

In de zaal bevindt zich van bij de oprichting een merkwaardige valmachine gemonteerd op een betonnen blok, geplaatst op de originele kurk, met merkplaatje van de fabriek "J. Amsler-Laffon &Sohn / Maschinen-Fabrik / Schaffhausen / no 693". Een ander belangrijk toestel is de elektrisch aangedreven persmachine tot 50 ton met alle toebehoren eveneens gemaakt in de fabriek "Alfred J. Amsler & Co / Schaffhouse-Suisse / 8013 / représentants en Belgique : / Em. & P. Bodson . Quai St-Léonard / Liège".

De nieuwe zakelijkheid van het complex komt het meest tot uiting in het inkomgebouw, links van blok 2 en dat de verbinding vormt met blok 1, door een méér uitgewerkte architectuur. De dieper liggende traveeën worden gemarkeerd door vier overhoekse gemetselde pilasters met een uitgewerkte geometrische hardstenen bekroning. Een fries met opschrift: "Technische Laboratoria" in art-decoletters doorbreekt de pilasters boven de derde verdieping. De centrale toegang wordt geaccentueerd door een hardstenen omlijsting met bekronende zware kroonlijst. In het interieur bleven de tegelvloeren met typisch geometrisch patroon en de hoge plinten in faiencetegels in de gangen bewaard. Het gebouw omvat onder meer de lift en het trappenhuis met kenmerkende hoge plinten van faiencetegels en de kleurrijke tegelvloeren met geometrisch motief.

De voormalige thermische centrale, thans studentenhuis "De Therminal". De thermische centrale, naar bewaarde plannen van architect J.-N. Cloquet, werd in 1938 aanbesteed. Ze kwam er op initiatief van professor Van Engelen en bood de gelegenheid voor praktisch onderricht over stoomketels, stoomturbines en elektrische apparatuur van thermische kleine centrales. Het was een groot stookcomplex op basis van kolen en stoom dat tot begin 1991 ook de omliggende universitaire gebouwen van verwarming voorzag.

Het gebouw bestaat uit twee blokken en een hoge geringde bakstenen schouw ingeplant aan de Schelde aan het zuidelijke uiteinde van het Technicum. Thans gerestaureerde gevels, aan de Schelde van vier traveeën, met zichtbaar kelderniveau bezet met hardsteenblokken; verdwenen gevelbreed balkon met buisleuning. Bovenverdieping van het ketelhuis verlicht door hoge vensters (nieuw ijzeren schrijnwerk) horizontaal doorbroken door witte kordonlijsten en verticaal geleed door geel bakstenen pilasters; aflijnende overstekende kroonlijst en bekronende betonnen, thans witgeschilderde blinde bovenbouw met kolensilo’s en centraal hoger oplopend gedeelte met ruimte met transportband voor de kolen, verlicht door vijf oculi en bekronende halfronde koepel. Lagere achtergevel onder plat dak, verlicht door hoge vensters. Nieuwe toegang met loopbrug in de linkerzijgevel naast de deels ingekorte doch nog steeds metershoge geringde bakstenen schouw. Erachter, tweede blok met turbinezaal met twee bouwlagen onder verspringende platte daken en laaghellend zadeldak, verbonden met de voorbouw door het trappenhuis. Gerenoveerd interieur met in het ontmantelde ketelhuis een foyer en auditorium met behouden zichtbaren ijzeren structuur. De ketels (verdwenen verticale stoomketel Jacques Piedboeuf, 1937, 40 bar) werden uitgebroken met het oog op de verwijdering van asbest en de herbestemming als culturele ruimte ten behoeve van de studenten.

Bewaarde technische infrastructuur:

Deels behouden machinekamer op de verdieping (turbinezaal) verlicht door bovenlichten; verdwenen betegeling: stoom Turbo-alternator S.E.M. (Société d’électricité et de mécanique / Gent). Dit is het vroegere constructiewerkhuis Carels, opgericht in 1839, sinds 1921 verenigd met SEM, nadien ACEC. Nog bewaarde toebehoren zijn onder andere de kwikmanometer/barometer met externe sensor, het bedieningspaneel, de schakel- en meterkasten, de pomp, de rolbrug en ander toebehoren.

Kenmerken alternator nr 175A/RV 122-44: 1550 KVA, 400V., 32 A. (max), 1500 omw./min.

Turbine SEM nr/type T2502.

Op de bovenverdieping bleven drie betonnen kolenbunkers, oorspronkelijk voor de kolenvoeding van de stoommachine behouden.

Blok 4. Het Laboratorium voor Machines en Machinebouw: in 1937 werd de ruwbouw van blok 4 aangevat. Dit blok werd volgens dezelfde constructieprincipes, een skeletbouw in staal, gebouwd als blok 2. Dit is het meest beeldbepalende gebouw aan de Schelde-oever met een gevelbreedte van tweeëntwintig traveeën en vijf bouwlagen waarvan de drie bovenste verdiepingen erkervormig oversteken. Sterk horizontaal gemarkeerde gevel door de donkere bruine bakstenen onderbouw, hardstenen kordonlijsten, brede vensterregisters en overstekende kroonlijst. Begane grond op niveau van de Schelde met dieperliggende deuren en vensters. Vensters met houten schrijnwerk op de begane grond, en negendelige ijzeren ramen met gestructureerd glas in de beneden- en bovenlichten. Opvallend in het interieur zijn de zichtbare stalen structuur en de sheddaken die door de noordelijke oriëntatie van de enige beglaasde dagvlakzijde zorgen voor een egale daglichtintensiteit. Thans is de ruimte gesplitst in drie verschillende delen met in de middenruimte een vals plafond.

Metaal werd veelvuldig aangewend onder meer voor de passerelles met buisleuningen die de toegang naar de verschillende burelen, gegroepeerd in een afzonderlijke vleugel, verzekeren. Overal bewaarde meterhoge betegelde plinten van bruine faiencetegels afgewerkt met zwarte en gele banden in de laboratoria, van gele faiencetegels afgewerkt met witte en zwarte banden in de gangen, originele tegelvloeren gelegd in geel, rood en zwarte geometrische motieven en binnenschrijnwerk met houten, geschilderde deuren met beglaasde panelen van gestructureerd glas.

Het Labo voor Aërodynamica, nu Technicumtoren genoemd, was oorspronkelijk voorzien voor het bestuderen van stromingen van lucht en andere gassen in functie van de vliegtuigbouw. De hoge betonnen toren op vierkante plattegrond is ingeplant aan de vroegere kerkwegel achter het Hydraulicagebouw en blok 4. De oorspronkelijke plannen met tamelijk grote verticale windtunnel bij blok 4, van 1937 werden niet uitgevoerd. De kredieten werden mogelijk vanwege de oprichting van een Nationaal Laboratorium te Sint-Genesius-Rode, nooit toegestaan. De huidige hogere toren werd vermoedelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd. Recent gerestaureerde betonconstructie voor herbestemming als archief. Het interieur is thans volledig leeg met enkel een beglaasde trapkast en het behouden betonnen plafond met cirkelmotief.

Blok 5. Het Laboratorium voor Hydraulica: in 1934 werd een bouwaanvraag ingediend voor het Laboratorium voor Hydraulica naar bewaarde eerste schetsen van professor Cloquet van 1933. In dit gebouw, het eerste Blok van het Technicum, in 1937 in gebruik genomen onder leiding van professor Tison, worden opzoekingen gedaan op het gebied van de waterloopkunde, over de beweging van vaste materialen in rivieren en aan de zee, de stromingen, weerstand, bewegingen van het grondwater, de hydraulische energie. Dit gebouw verschilt uiterlijk van de andere delen van het complex. Het sluit nog eerder aan bij de esthetiek van de jaren 1920 door onder meer de getrapte deur- en vensteromlijstingen, metalen vensters met kleine roedeverdelingen en het eclectisch spiegelboogvormig venster in het middenrisaliet.

Het gebouw werd parallel aan de Schelde opgetrokken, juist onder de vroegere kerkwegel en de terrasmuur, op balkfunderingen, die trapsgewijs de sterke helling volgen. Het telt twee niveaus, een kelder met zwaar betonnen plafond en een grote, aan twee zijden verlichte zaal, overspannen met een metalen spantenconstructie met zenitale verlichting door het van glastegels voorziene plafond. Een fraai gietijzeren spiltrapje geeft toegang tot de kelderverdieping. Het gebouw telt vijftien traveeën onder een laaghellend beglaasd dak en is toegankelijk via een hardstenen trap aan de linker zijgevel uitziend op een binnenruimte. Voorgevel van drie traveeën met gemarkeerd middenrisaliet met toegangsdeur en naam "Hydraulica" in art-decoletters als bovendorpel. Venstertraveeën in getrapte natuurstenen omlijsting met panelen op de borstwering. Opvallend was oorspronkelijk de galerij, nu nog zogenaamde "tunnel" die een uitzicht op de Schelde toeliet. Bij de aanbouw van blok 4 in 1937 is dit effect verloren gegaan. De structuur van de spiegelboogvormige openingen, opgevuld met glas, is nog in de huidige gang en in blok 4 aanwezig. De zenitale verlichting van de grote zaal liet de aanbouw zonder problemen toe.

Het interieur bleef behouden en vertoont hier ook dezelfde kenmerken als de overige gebouwen van architect Cloquet met kleurrijke tegelvloeren, rood- en geelgevlamde tegels in de gang, zwart-wit dambordmotief in de toiletten en refter, gele met rode en zwarte tegels in geometrisch motief in de grote zaal en betegelde hoge plinten; metalen ramen met gestructureerd glas. In het labo zijn nog de pompen en compressoren, met motoren gesigneerd "Constructions électriques de Belgique / Herstal / moteur asynchrone" van verschillende types, aanwezig en de verschillende opstellingen voor het testen van waterkracht.

Blok van de jaren 1950 aan de Schelde: administratief gebouw ingeplant aan de Scheldekaai, voor blok 2, en thans blok 3 genoemd, in een gelijkaardige stijl als de vroegere blokken, met drie bouwlagen en plat dak, opgetrokken in beton met parement van verschillend getinte bruine en gele baksteen, met verwerking van hardsteen voor dorpels, borstweringen bij de brede benedenvensters aan de Scheldekant en hoekconsoles. Dit gebouw heeft weinig erfgoedwaarde en wordt niet voorgedragen als monument.

Portiersloge: in 1938 werd de bouwaanvraag voor de portiersloge ingediend. Het is een laag volume, haaks palend aan Sint-Pietersnieuwstraat nr. 43, opgetrokken uit dezelfde gele baksteen onder plat dak afgewerkt met een overstekende kroonlijst, met typische rond uitgebouwde erker en de fietsenstalling achteraan, horizontale vensterregisters en trap met buisleuningen bij de toegangsdeur. Dit gebouwtje refereert duidelijk aan de ‘bootstijl’ van de jaren dertig. In het interieur bleven ook de typische tegelvloeren en wandbetegeling bewaard.

Tegen de straatwand aan de Sint-Pietersnieuwstraat werd een hardstenen tweetalige oorlogsgedenkplaat voor de helden van 1914-1918 geplaatst, geschonken door de inwoners van de 5 de wijk met onderaan een fraai gesmeed ijzeren art-decohek. Op 28.09.2004 werd echter een vergunning (2004/122) voor het slopen van de portiersloge toegestaan samen met de al gesloopte woningen aan de Sint-Pietersnieuwstraat en de overdekte parking.

Deze overdekte parking was een merkwaardig element van gewapend beton, aan de rand van het terrein aan de Sint-Pietersnieuwstraat. Het was de enige opzienbare en waarneembare toepassing van de kennis over het gewapend beton van professor Magnel. Op deze plaats verrijst nu het "Monovolume" naar ontwerp van professor architect Stephane Beel.

  • Vlaams ministerie van RWO, Agentschap R-O Vlaanderen, afdeling RO Oost-Vlaanderen, Onroerend erfgoed, archief.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, mutatieschetsen Gent.
  • s.n. 1957:Gedenkboek van de Rijksuniversiteit Gent na een kwarteeuw vervlaamsing, Gent.
  • DEKONINCK C. (prof. Ir.), Geschiedenis van de ingenieursopleiding aan de RUG, (voordracht, Gent, 2000).
  • DE MEYER R. 1991: De Technische Laboratoria of het Technicum, in: POULAIN N. en ZABEAU-VAN DER VERREN L. (red.), De Universiteit bouwt 1918-1940, Gent, 101-119.
  • LANGENDRIES E. en SIMON-VANDER MEERSCH A.M. 1992: 175 jaar Universiteit Gent, Ghent University, 1817-1992, Gent.
  • POULAIN N. 1999: Technicum-labo voor machines en machinebouw, brochure Open Monumentendag.

Bron     : Beschermingsdossier DO002331 (2009)
Auteurs :  Bogaert, Chris

Aanvullende informatie

Tegen de voorgevel van de elektriciteitscabine nabij de rectoraatsgebouwen van de Rijksuniversiteit Gent bevindt zich de gedenkplaat ter ere van de gesneuvelden uit de 5e wijk. Het gedenkteken werd opgericht door de dekenij en de lokale afdeling van de Nationale Strijdersbond. Onderaan bevinden zich de signaturen "JAN MAHU HOEK GEMEENTE KERKHOF" en "OSCAR STEENBRUGGE ONTWERPER".
  • DEPESTEL, SARAH, Monumenten ter ere van gesneuvelden uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Gent: een (kunst)historisch overzicht met voorstellen ter bevordering van de instandhouding en eventuele restauratie, Masterproef Monumenten- en Landschapszorg, Artesis Hogeschool Antwerpen, 2009.
Auteurs : Depestel, Sarah
Datum: 01-01-2009

Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Technische laboratoria en thermische centrale van de Universiteit Gent [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/209095 (Geraadpleegd op 12-12-2019)