erfgoedobject

Consulaat Generaal van de Verenigde Staten van Amerika

bouwkundig element
ID: 214911   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/214911

Juridische gevolgen

Beschrijving

Consulaat in naoorlogs modernisme, naar een ontwerp door de architecten Léon Stynen, Paul De Meyer en James Spruyt uit 1950-1951. Opdrachtgever was het Foreign Buildings Office of the Department of State van de Verenigde Staten van Amerika.

Historiek en context

De Verenigde Staten van Amerika waren sinds 1803 in Antwerpen vertegenwoordigd met een handelsagentschap. Dit promoveerde in 1820 tot Amerikaans Consulaat, en in 1898 tot Consulaat Generaal van de Verenigde Staten van Amerika. Tot de ingebruikname van het nieuwe gebouw was het Consulaat Generaal gevestigd in het voormalige hotel Elsen op Frankrijklei 109. Vóór hij opdracht kreeg het Consulaat Generaal in Antwerpen te ontwerpen, had Léon Stynen in 1949 al een niet weerhouden project uitgewerkt voor de nieuwbouw van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika te Brussel. Dit complex op de hoek van de Regentlaan en de Zinnerstraat, werd uiteindelijk opgetrokken naar een ontwerp door de Amerikaanse architect A.B. Jacobs uit 1950-1951. Voor de bouw van het Consulaat Generaal, die in juli 1951 van start ging, werden twee bestaande herenhuizen gesloopt. Aannemer was het Brusselse bouwbedrijf Auxeltra. De officiële inhuldiging met toenmalig Consul Generaal Edward Anderson als gastheer, vond plaats op 17 oktober 1952. Het gebouw werd later betrokken door de nv Belgische Petroleum Raffinaderij, die in 1968-1970 door Léon Stynen en Paul De Meyer de nodige aanpassingen liet uitvoeren. De belangrijkste ingreep betrof de inrichting van het voordien ongebruikte souterrain van de tuinvleugel tot kantoren; van een geplande uitbreiding van deze vleugel was eerder al afgezien. In 1984 vestigde de sv Centraal Laboratorium een medisch centrum met consultatieruimten en laboratoria in het complex, dat daarvoor opnieuw inwendige verbouwingen onderging.

Het Consulaat Generaal van de Verenigde Staten van Amerika in Antwerpen, behoort tot het vroege naoorlogse oeuvre van Léon Stynen en Paul De Meyer. Ontstaan gelijktijdig met het Casino-Kursaal in Oostende, behoort het gebouw tot de belangrijkste werken uit deze periode, die door Albert Bontridder wordt gekarakteriseerd onder de noemer "modern klassisisme". Deze kwalificatie ontleent hij aan de bundeling van drie basisprincipes die de doctrine van Léon Stynen uitmaken: "uiterste rationalizatie van de bruikbaarheid van het gebouw, (…) maatvoering onderworpen aan een wiskundig schema waarvan de minste afwijking als een fout aangerekend wordt, en (…) krampachtige zorg voor de bouwfysisch volmaakte uitvoering." Mede ingegeven door veiligheidsoverwegingen, koos Stynen ervoor het gebouw 'entre cour et jardin' in te planten, 6 m achter de rooilijn. Deze oplossing creëerde een ongewoon brede cesuur in het straatfront, met de bedoeling extra aandacht op het Consulaat Generaal te vestigen. In tegenstelling tot de huidige situatie, werd het nieuwbouwcomplex destijds geflankeerd door een homogeen ensemble van rijk versierde herenhuizen uit de latere 19de eeuw. Door het doortrekken van het arduinen gevelparement over de volledige hoogte van de vrijgekomen gemene muren, ontstond een nadrukkelijk afgebakende 'plaza' of voortuin, opnieuw uit veiligheidsoverwegingen afgesloten door een manshoog ijzeren hek. Een hoge vlaggenmast met de Stars and Stripes gaf hier oorspronkelijke de diplomatieke functie van het gebouw aan. Binnen de drukke eclectische gevelwand van de Frankrijklei onderscheidde de neutrale architectuur van Stynen en De Meyer zich slechts door een sobere representativiteit en een rigoureus modulaire maatvoering.

Architectuur

Het complex omvat een hoofdvolume met een gevelbreedte van 24 m, dat een souterrain en vier bouwlagen telt onder een plat dak. Loodrecht hierop strekt zich over de volledige diepte van het perceel de lage tuinvleugel uit, die slechts uit een souterrain en een gelijkvloers niveau bestaat. De totale nuttige vloeroppervlakte beslaat een kleine 1000 m². Waar de voorgevel aan de voortuin grenst, kijken de achtergevels uit over een beboomde binnentuin, geflankeerd door de oprijlaan naar de garages achteraan het perceel. De structuur van het gebouw bestaat uit een gewapend-betonskelet, driebeukig en zeven traveeën breed, met een interval van 3m10 tussen de steunpijlers. Trap, lift, leidingen en sanitair zijn gegroepeerd tot één compacte verticale kolom op het scharnierpunt van hoofdvolume en tuinvleugel, wat een vrije indeling van de kantoorplateaus toelaat volgens het principe van verplaatsbare wanden. Blauwe hardsteenplaten vormen het parement van het voorgevelfront, witte natuursteenplaten dat van de tuingevels. Opmerkelijk verzorgd is het steenverband van de omlijste blinde muurvlakken, gelardeerd met platte stroken in het verlengde van dorpels en lateien. Het zichtbeton van pilotis, balkenlagen en daklijsten onderscheidt zich dan weer door een gebouchardeerde textuur. De firma Chamebel uit Vilvoorde leverde het aluminium schrijnwerk, dat in het vlak van de gevel is geplaatst.

Het gebouw verheft zich boven een podium dat het souterrain herbergt, met een open passage als doorrit naar de garages uiterst rechts. Drieledig van opbouw en rustend op pilotis, bestaat de voorgevelopstand uit een terugwijkende pui met doorlopende beglazing, een vlakke bovenbouw met een verticale rasterstructuur volgens een module van 1m55, en een dakbalustrade als bekroning. Dit schema herhaalt zich in enigszins vereenvoudigde vorm in de tuingevels. Bereikbaar via toegangstrappen bevindt het hoofdportaal zich in de linkertravee van de voorgevel, en de publieksingang in de passage. Het oorspronkelijk drieledige aluminium vensterschrijnwerk met een centraal kantelraam is enkel op de twee bovenste verdiepingen bewaard, zij het dat een blind paneel het onderste glasvlak vervangt. De eendelige beglazing van de eerste verdieping dateert van 2013, het schrijnwerk van de pui werd vermoedelijk al eerder vervangen. Oorspronkelijk volledig blind, werd het souterrain van de tuinvleugel in 1968-1970 door Stynen en De Meyer opengebroken tot een extra register kantoorramen. Het witgelakte ijzeren afsluithek met een eenvoudig patroon van verticale spijlen en twee poorten, dateert net als de acacia in de voortuin uit de bouwperiode; de vlaggenmast is verdwenen.

De begane grond met de inkomhal en publieksingang beide afgesloten door een draaideur, bood oorspronkelijk ruimte aan de publieke wachtzaal, en de landschapskantoren van de consulaire diensten en de afdeling visa. De bovenverdiepingen ingedeeld in kantoren aan weerszij van een centrale gang, werden ingenomen door de handelsafdeling, het kantoor van de consul en de administratieve diensten. De conciërgewoning deelde het souterrain met de opgelegde schuilkelder met een capaciteit van 65 personen. Het strakke interieur werd gekenmerkt door wit marmeren vloeren voor de publieke delen, linoleumvloeren voor de kantoren, verplaatsbare wanden uit gevernist eiken latwerk, vaste wanden afgewerkt met structuurverf, en in de zoldering geïntegreerde verlichting.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#28099, 18#51874 en 18#64439.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, Archief Léon Stynen, dossier Consulaat Generaal van de Verenigde Staten van Amerika.
  • BONTRIDDER, A. 1979: Gevecht met de rede. Léon Stynen. Leven en werk, Antwerpen, 137-139.
  • S.n. 1952: American Consulate General in Antwerp Opens New Office Building, The Link, 5-8.
  • S.n. 1954: Consulat des États-Unis à Anvers. Architectes: Léon Stijnen, J. Spruyt, Paul de Meyer, Architecture 54, 9, 368-369.

Bron     : -
Auteurs : Braeken, Jo
Datum  : 2013


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Consulaat Generaal van de Verenigde Staten van Amerika [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/214911 (Geraadpleegd op 24-05-2019)