erfgoedobject

Kasteeldomein de Marnix

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 215067   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215067

Juridische gevolgen

Beschrijving

Ontstaan van het domein

Eind 18de eeuw (zie Ferrariskaart 1771-1775) was het gebied nog volledig bebost en maakte het deel uit van het Kapucijnenbos en het Zoniënwoud dat later opgesplitst zou worden in 'triages' of 'houwen' om er de gemeentelijke grenzen in te trekken (zie primitief kadasterplan, 1824). Deze houwen (van hakken) mochten verkocht worden en de bomen gekapt. Een van de drie houwen die de gemeente Overijse toegewezen kreeg, was de 'houw van Isque' in bezit van koning Leopold I die midden in de bossen circa 1847 een kleine woning (jachtpaviljoen?) liet optrekken (mutatieschets 1848/133). Het gebied werd kort daarna aangekocht door de adellijke familie de Marnix die vanaf de jaren 1860 startte met de gedeeltelijke ontbossing en de bouw van een hoeve met oostelijke gelegen ommuurde moestuin (mutatieschets 1864/59). Een tiental jaren later verrees ten noordwesten van de hoeve het kasteel naar ontwerp van Henrik Jozef Beyaert (Kortrijk 1823 - Brussel 1894). Tegelijkertijd werd de moestuin ten oosten uitgebreid met een grotendeels ommuurde (kweek)tuin, een oranjerie, druivenserres en een vrijstaande hovenierswoning (mutatieschets 1876/37), wellicht alle naar ontwerp van Hendrik Beyaert. Kort daarna werd tussen de hoeve en het kasteel een stoeterij opgetrokken (mutatieschets 1879/76) die op het einde van de 19de eeuw werd uitgebreid met enkele bijgebouwtjes en een vrijstaande overdekte longeerpiste (mutatieschets 1898/173). Vanaf het einde van de jaren 1960 werd de zuidelijke rand van het kasteeldomein verkaveld en systematisch bebouwd met ruime villa's (mutatieschets 1968/68 en 1970/61).

Soms spreekt men ook van het IJzerkasteel, naar het gelijknamige nabijgelegen gehucht Eizer (zie topografische kaart, 1891).

Kasteel de Marnix

Imposant eclectisch kasteel met overwegend gotische en renaissance reminiscenties, in 1875 gebouwd naar ontwerp van architect Hendrik Jozef Beyaert (Kortrijk 1823 - Brussel 1894) in opdracht van graaf Ferdinand Jozef de Marnix, vanaf 1881 de Marnix de Sainte-Aldegonde (1837-1913). Het goed met omringend landschappelijk park werd ingeplant in het zuidelijk deel van het Kapucijnenbos dat aansluit bij het huidige Zoniënwoud. De typische stijl van Beyaert die tot uiting komt in de asymmetrische gevelontwerpen gekarakteriseerd door torens, in- en uitspringende gevelpartijen, onregelmatige travee-indelingen, erkers, trap- en topgevels en overwegend rechthoekig vensters is eveneens terug te vinden in nog een eigendom van graaf Ferdinand Jozef, met name het waterkasteel van Bornem dat circa 1880 eveneens door hem verbouwd werd.

Westelijk georiënteerd kasteel opgetrokken in rood gekaleide baksteen op een sokkel van blauwe hardstenen blokken, met veelvuldige verwerking van natuursteen voor de decoratieve elementen, venster- en deuromlijstingen. Grosso modo rechthoekige plattegrond met enkele uitbouwen, opgebouwd uit twee licht verspringende rechthoeken met verhoogde begane grond van twee en drie bouwlagen respectievelijk onder een afgesnuit zadeldak en een haaks schilddak, in de zuidwestelijke oksel voorzien van een ronde traptoren onder tentdak. Verzorgde baksteenbouw horizontaal geleed door de omlopende cordons op dubbele muizentandfries en de houten kroonlijst op geprofileerde consooltjes. Overwegend rechthoekige muuropeningen in een omlijsting van hoek- en negblokken met een gedeeltelijk omlopende druiplijst. Het oorspronkelijk schrijnwerk alsook het getrokken glas en de geruite glas-in-loodvensters bleven bewaard, met uitzondering van enkele vensters op de verdieping en de deur van de traptoren. De vensters op de benedenverdieping zijn voorzien van houten buitenluiken opgeplooid in de dagkanten. De leien bedaking wordt getypeerd door gevarieerde eclectische dakvensters, kleine dakkapellen en sierlijk uitgewerkte slanke schouwen (waarvan enkele reeds verwijderd, zie oude postkaarten).

Door de ligging van de oprit wordt het kasteel benaderd aan de noordwestzijde wat er toe leidde dat de westelijke voorgevel en de noordelijke zijgevel het meest plastisch en kleurrijk werden uitgevoerd. De verspringende, naar het park georiënteerde voorgevel wordt gemarkeerd door risalietvormige muurpartijen bekroond door dakvensters en rechts uitlopend op een puntgevel waartegen een driezijdige erker onder dito leien dakje. Rechts van de puntgevel bevindt zich de ronde traptoren bovenaan afgewerkt met een bogenfries. Rechthoekige vleugeldeur met bovenlicht voorafgegaan door een balkon op geringde zuilen en geflankeerd door rondboogvensters met geprononceerde sluitsteen. Noordelijk zijgevel uitgewerkt als een hoog oplopende pseudo-trapgevel met gecementeerde(?) en wit geschilderde kantelen op een bogenfries en een zeshoekig topstuk met smeedijzeren bekroning. Decoratief uitgewerkte middentravee in risaliet met onder meer drielichten, het familiewapen en de jaarsteen "1875", vergezeld van twee vleugeldeuren die vanuit het salon toegang geven tot een gevelbreed halfrond terras in blauwe hardsteen met smeedijzeren leuning.

Verspringende sobere achtergevel gekarakteriseerd door een risaliet van twee traveeën uitlopend op een hoog opgetrokken gebroken puntgevel waarop twee slanke decoratief uitgewerkte schouwpijpen. Voor het risaliet een terras met balustrade in blauwe hardsteen die enerzijds toegang geeft tot de tuin en anderzijds tot de eetkamer. Twee vleugeldeuren waarboven een balkon met smeedijzeren leuning. Links van het terras twee later aangebrachte garages in het kelderniveau. Zuidelijke zijgevel met hoger opgetrokken middenrisaliet bekroond door een dakvenster voorzien van een gecementeerde puntgevel met kantelen en geflankeerd door blindvensters op de verdieping. Tegen de linkertravee een neogotische kapel van één travee en driezijdig koorafsluiting onder dito leien zadeldak. De muren zijn geleed door getrapte steunberen uitlopend op pinakels waartussen een leuning van vierpasmotieven. Getraliede spitsboogvensters en in het koor een rosas, alle met gotisch traceerwerk in hout en ingevuld met melkglas. Diensteningang onder de kapel.

Interieur. Tot op heden volledig bewaarde indeling aangekleed met eerder eenvoudig interieurelementen zoals onder meer: marmer- en parketvloeren, stuclijstwerk, schrijnwerk met decoratief hang- en sluitwerk, bordestrap, spiltrap in de toren en marmeren schouwen met spiegels.

Voormalige stoeterij en longeerpiste

De indrukwekkende stoeterij met woning in de noordwestelijke hoektoren werd opgetekend op het kadaster in 1879. In de tweede helft van de 20ste eeuw werd het geheel verbouwd tot twee wooneenheden. Na een brand in de jaren 1980 werd de noordoostelijke vleugel met uitzondering van de gevel aan de binnenkoer volledig heropgebouwd.

Semi-gesloten complex bestaande een gekasseide binnenkoer waarrond een U-vormig volume dat aan de noordwestelijke zijde wordt afgesloten door twee hoektorens op vierkante plattegrond. Het smeedijzeren hek tussen de twee torens (zie oude postkaart) is verdwenen. Bakstenen volumes van anderhalve bouwlaag op een plint van blauwe hardsteen onder leien zadeldaken en de torens onder dito hoog opgetrokken schilddaken. De omlopende houten kroonlijst wordt ter hoogte van de torens geschraagd door bak- en natuurstenen consooltjes en aan de voorzijde doorbroken door dakvensters met puntgeveltjes op gestrekte uiteinden. Pittoresk en kleurrijk uitgewerkte gevels aan de binnenkoer en de hoektorens, getypeerd door lisenen, een zware cordonlijst in blauwe hardsteen op een bakstenen laag van strekkers waarin kalkzandstenen diamantkoppen, getoogde muuropeningen in bakstenen omlijstingen voorzien van decoratieve kalkzandstenen elementen en in de zuidoostelijke vleugel een mijtervormige koetsdoorgang eveneens voorzien van een omlijsting in witte natuursteen. De koetsdoorgang werd oorspronkelijk bekroond door een torenachtige uitbouw naar analogie met de torens aan de voorzijde (zie oude postkaart). De veldzijde van de zuidwestelijke vleugel is uitgewerkt als zichtgevel geleed door een centraal risaliet met hardstenen cordon op bakstenen strekkers, links en rechts vergezeld van steekboogvormige vensters in vernieuwde natuurstenen omlijstingen. De overige achtergevels zijn voorzien van deels vernieuwde (ten gevolge van een brand) getoogde en rechthoekige muuropeningen. Het haakse bijgebouwtje onder zadeldak achteraan dateert van circa 1897.

Ten noordoosten van de voormalige stoeterij werd circa 1897 (mutatieschets 1898/173) een longeerpiste op vierkante plattegrond opgetrokken. Zwaar verankerd en door steunberen geritmeerd bakstenen gebouw onder zadeldak aan de voorzijde geopend door getoogde muuropeningen.

Voormalige kasteelhoeve

Kasteelhoeve opgetekend op het kadaster in 1864 en omgevormd tot twee woningen circa 1930. Mooi volumespel bestaande uit een oostelijk georiënteerd boerenhuis van twee bouwlagen onder zadeldak en een grote langsschuur eveneens onder zadeldak met elkaar verbonden door een lagere aanbouw onder schilddak. Verankerde bakstenen volumes onder zwarte Vlaamse pannen daken met loden pirons op de nok. Het boerenhuis wordt aan de voorzijde geopend door rondboogopeningen, echter met gewijzigde ordonnantie, zie bouwsporen. Centraal een hoger opgetrokken laadvenster onder zadeldakje. De andere zijden hebben rechthoekige muuropeningen al dan niet beluikt.

De langsschuur wordt in de kopse gevels geopend door rechthoekige schuurpoorten en deuren onder houten lateien voorzien van bewaard groen en wit geschilderd houtwerk. Oostgevel met één getoogde deuropening en een blinde westgevel. De schuur is op een subtiele wijze aangepast tot woning, slechts één deur werd beglaasd en aan achterzijde werd een klein inpandig terras in het dakvlak gemaakt.

Ommuurde moestuin met later toegevoegde dienstwoning

Grote rechthoekige ommuurde moestuin met afgeschuinde hoeken aan de noordzijde voor een optimale bezonning, opgetekend op het kadaster in 1864. De kruisvormige paden verdelen de tuin in vier delen en leiden naar drie gelijkaardige pijlpunthekken in de oostelijke, zuidelijke en westelijke tuinmuur. In het midden van de noordelijke tuinmuur werd vermoedelijk eind 19de- begin 20ste eeuw een nutsgebouw toegevoegd in een latere fase omgevormd tot woning. Verankerd bakstenen dubbelhuis van zeven traveeën en anderhalve bouwlaag onder Vlaams pannen zadeldak geritmeerd door rechthoekige vensters op de begane grond, vierkante mansardevensters en een rechthoekige vleugeldeur onder houten latei. Witgeschilderd houten schrijnwerk.

Oranjerie met groentekelder, druivenserres en deels ommuurde (kweek)tuin

De U-vormige ommuurde (kweek)tuin met de oranjerie die aan weerszijde vergezeld is van kwartronde druivenkassen tegen de tuinmuur, dateert van 1875 en werd vermoedelijk ontworpen door architect Beyaert. Neoclassicistisch getinte oranjerie centraal ingeplant tegen de noordelijke tuinmuur. Bakstenen gebouw op rechthoekige plattegrond van vijf traveeën en één bouwlaag onder een vernieuwd zwak zadeldak verborgen achter schermgevels waardoor een plat dak gesuggereerd wordt. De schermgevel wordt geritmeerd door bakstenen motieven zoals pilasters en ruiten in gesinterde baksteen. Geopend naar het zuiden door vier hoge rondboogvensters en een gelijkaardige rondboogdeur afgelijnd door bakstenen boogomlijstingen op doorlopende imposten in blauwe hardsteen en deels behouden ijzeren waaiers en roedeverdeling. De imposten worden in bepleisterde vorm doorgetrokken op de andere gevels waarboven lunetten met ijzeren waaiers. Binnenin steekboogdeuren met houten en bepleisterde deurkaders geschilderd in imitatie blauwe hardsteen die leiden naar de serres vóór en de werkplaatsen achter de tuinmuur. De oranjerie is uitgerust met een zeldzame groentekelder bestaande uit drie gewelfde ruimtes (tongewelf) die te bereiken zijn via een rondboogpoort in de achtergevel. De aansluitende tuinmuur met deels bewaarde afgeronde druivenserres bevat uiterst links en rechts een rondboogpoort die toegang gaf tot de achterliggende boomgaard. De oostelijke tuinmuur met pijlpunthekken sluit aan bij de hovenierswoning ten zuiden. De vrijstaande bakstenen muur in de voormalige (kweek)tuin is vermoedelijk een restant van een serre. De oranjerie en serres bevinden zich in slechte staat.

Hovenierswoning

Hovenierswoning van 1875 vermoedelijk ontworpen door architect Beyaert. Decoratieve baksteenbouw op onregelmatige plattegrond van twee bouwlagen en een souterrain onder verspringende zadeldaken. Bakstenen hoekkettingen en dito plattebandomlijstingen met getrapte sluitsteen voor de getoogde vensters en deuren; onder de hardstenen vensterbanken een muizentandfries. Vernieuwde uitbouw aan de noordzijde, alsook vernieuwd schrijnwerk.

Park

Het domein de Marnix ligt ten zuiden van het koninklijk domein in het Kapucijnenbos en Zoniënwoud waarvan het tot de jaren 1870 deel uitmaakte. De aanleg van de oudste onderdelen van het park rondom het kasteel valt samen met de bouw ervan in 1875 waarbij oudere bospercelen rondom het kasteel behouden en geïntegreerd werden. Hoewel zij op de topografische kaart van 1891 niet aangeduid zijn, dateren de oudste bomen in de weide ten zuiden het kasteel wellicht van omstreeks 1875. De huidige parkaanleg in landschappelijke stijl met talrijke zichtassen is pas te zien op de topografische kaart van 1924 en dateert waarschijnlijk van net voor de Eerste Wereldoorlog. Namen van tuinontwerpers zijn in het verloop van het onderzoek niet opgedoken.

De merkwaardige bomen zijn:

  • 1. Zomereik (Quercus robur): 375
  • 2. Purperesdoorn (Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’): 335
  • 3. Fijnspar (Picea abies): 304
  • 4. Tamme kastanje (Castanea sativa): 357
  • 5. Bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'): 360
  • 6. Fijnspar (Picea abies): 197
  • 7. Witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum): 371
  • 8. Meerstammige levensboom met wit-groene tekening (Thuja plicata 'Zebrina'): 1 stam met omtrek 200, 1 stam met omtrek 115 en 1 stam met omtrek 333 (de laatste gemeten op 1 m)
  • 9. Zuilvormige levensboom met geel-groene zebratekening (Thuja plicata 'Zebrina'): 190
  • 10. (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'): 286
  • 11. Zomerlinde (Tillia platyphyllos): 363
  • 12. Zomereik (Quercus robur): 353
  • 13. Zomerlinde (Tillia platyphyllos): 510
  • 14. Zomerlinde (Tillia platyphyllos): 455
  • 15. Zomerlinde (Tillia platyphyllos): 443
  • 16. Zomereik (Quercus robur): 460
  • 17. Gewone plataan (Platanus x hispanica ): 417
  • 18. Gewone plataan (Platanus x hispanica): 378
  • 19. Zilverlinde (Tillia tomentosa):378
  • 20. Trompetboom (Catalpa bignonioides): 208, vergeten noteren
  • 21. Zuilvormige venijnboom (Taxus baccata 'Fastigiata'): 120 (het opgemeten exemplaar is één van een groep van vier)
  • 22. Zoete kers (Prunus avium): 304
  • 23. Japanse sierkers (Prunus serrulata): 205
  • 24. Beverboom (Magnolia x soulangeana): 190
  • 25. Gewone beuk (Fagus sylvatica): 350
  • 26. Gewone beuk (Fagus sylvatica): 411
  • 27. Gewone beuk (Fagus sylvatica): 545

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, mutatieschetsen Overijse 1848/133, 1864/59, 1870/31, 1876/37, 1879/76, 1898/173, 1901/84, 1920/140, 1931/24, 1932/37, 1935/34 en 1968/68 en de bijhorende leggers.
  • Ankerplaats A20037: Zonienwoud NO, Kapucijnenbos, Bos van Marnix en arboretum van Tervuren.
  • VERHEYDEN B. 2009: Erfgoedwandeling van Zoniënwoud tot villawijk, op de website www.kennisbeurs-druivenstreek.be
  • Gegevens verstrekt door familie de Marnix de St.-Aldegonde.

Bron     : -
Auteurs :  Van Damme, Marjolijn, van den Bossche, Herman
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Kasteeldomein de Marnix [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215067 (Geraadpleegd op 06-12-2020)