Résidence Sans Souci

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Belgiëlei
Locatie Belgiëlei 183-185, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Herinventarisatie stad Antwerpen (geografische herinventarisatie: 10-02-2010 - 31-12-2018).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Résidence Sans Souci

Deze vaststelling is geldig sinds 28-11-2013.

Beschrijving

Historiek en context

Appartementsgebouw in beaux-artsstijl, opgetrokken in opdracht van de bedrijfsleider Ferdinand De Surgeloose, naar een ontwerp door de architecten Alfred Portielje en Jan De Braey uit 1926. Ferdinand Alphonse Marie De Surgeloose (1871-1935), is bekend als administrateur-directeur van de wolkammerij Peignage de Laines de Hoboken, een van de drie belangrijkste fabrieken van deze nijverheidsvoorstad van Antwerpen. Daarnaast zetelde hij van 1921 tot 1930 als voorzitter van de Société Royale Nautique Anversoise, een van de oudste zeilclubs van België. De Surgeloose betrok zelf een royale privéwoning die de eerste twee bouwlagen van de Résidence "Sans Souci" besloeg, daar waar de hogere verdiepingen nog eens zes appartementen omvatten, vermoedelijk bestemd voor verhuur. De naam "Sans Souci", doorgaans een verwijzing naar het zomerpaleis van Frederik de Grote in Potsdam, parafraseert hier in Franse vertaling de familienaam van de bouwheer. De oorsprong van het motief van de windmolen, nadrukkelijk verwerkt in het ijzersmeedwerk, is niet bekend. Het Antwerpse aannemersbedrijf Entreprises Générales de Construction Van Riel & Van den Bergh, was verantwoordelijk voor de bouw. Op het aanpalende perceel bracht Portielje ongeveer gelijktijdig de woning John C. Meulenberghs tot stand, waarvan het ontwerp al uit 1925 dateerde. In Antwerpen behoort de Résidence "Sans Souci", als zeldzame combinatie van 'hôtel privé' en 'maison de rapport', tot de meest standingvolle residentiële complexen uit het interbellum. Het gebouw onderging een grondige renovatie, uitgevoerd vanaf 2001.

Alfred Portielje en Jan De Braey voerden een gezamenlijke praktijk van vermoedelijk 1926 tot 1934. Portielje was toen al een twintigtal jaar actief als zelfstandig architect, terwijl De Braey tot dan zijn vader Michel De Braey had geassisteerd. De associés legden zich vooral toe op de bouw van appartementsgebouwen van hoge standing, een nieuwe typologie in de jaren 1920, maar ontwierpen daarnaast ook burgerhuizen en villa’s voor de betere kringen. Ontworpen in statige beaux-artsstijl, behoort de Résidence "Sans Souci" tot de vroegste en meest prestigieuze realisaties van het bureau. Samen met de architect Florent Vaes tekenden Portielje en De Braey in hetzelfde jaar 1926 voor het imposante flatgebouw op de hoek van de Jan Van Rijswijcklaan en de Jan De Voslei, een opdracht van de Commissie voor Openbaren Onderstand van Antwerpen waarvoor een meer eigentijdse, zakelijke art-decostijl werd toegepast. De carrières van beide architecten, die vanaf 1935 hun eigen weg gingen, kwamen tot een eind in de latere jaren 1950.

Architectuur

Het gebouw dat op een U-vormige plattegrond met ongelijke vleugels is opgetrokken, omvat een souterrain, vijf bouwlagen en een pseudo-mansarde (leien). Zes traveeën breed onderscheidt het gevelfront zich door een verzorgd parement uit witte natuursteen. De opstand refereert horizontaal aan de klassieke driedeling in een vlakke sokkel, een gedecoreerde bovenbouw met bel-etage, en een door loggia’s opengewerkte attiek, geleed door waterlijsten en het hoofdgestel. Symmetrisch van opzet, legt de compositie verticaal de klemtoon op de brede, tot in de bedaking doorgetrokken zijrisalieten. Deze worden gemarkeerd door over de bovenverdiepingen oplopende, driezijdige erkers op uitgelengde consoles. Opgebouwd uit regelmatige registers van rechthoekige, steek- of korfboogvensters, berust de voorname allure van het gevelfront op het spaarzame, aan de régence- en de Lodewijk XVI-stijl ontleende decor. Typisch zijn de chutes en acanthusbladeren, schijven- en stafwerkfriezen, medaillons en rozetten. Waar afzonderlijke inkomportalen met bovenlicht respectievelijk toegang verlenen tot het privéwoning en de appartementen, vullen balustrades de borstwering van de pui. De bovenvensters hebben een vlakke omlijsting met onderdorpel, oren, sluitsteen, waterlijst en een paneel op de borstwering, of zijn licht verdiept en versierd met een entablement en een schelpconsole. Een smeedijzeren balkon accentueert de middenas ter hoogte van de bel-etage, composietzuiltjes ondersteunen de loggia’s. Het houten schrijnwerk van vensters en dakkapellen is bewaard, evenals het fraaie ijzersmeedwerk van de balkonborstwering en de inkomdeuren. Zowel het patroon van de deuren als de in de muur geïntegreerde gietijzeren brievenbus, hebben een windmolen als hoofdmotief.

Opgetrokken uit gewapend beton en baksteenmetselwerk, waren de onversierde achtergevels oorspronkelijk voorzien van stalen schrijnwerk met kleine roeden; op het dakterras in het verlengde van de mansarde bevond zich een pergola.

Plattegrond

Volgens de bouwplannen is het gebouw intern opgedeeld in de privéwoning die twee derden van de begane grond en de volledige eerste verdieping beslaat, en een complex van zes appartementen dat de rest van de begane grond en de tweede tot de vierde verdieping inneemt. Gemeenschappelijk zijn de kelders en de mansardeverdieping, die oorspronkelijk negen meidenkamers, zes bergzolders een badkamer en een wasplaats herbergde. Waar beide entiteiten over een eigen inkomhal beschikken, is het gebouw uitgerust met een centrale traphal met lift, ontdubbeld door een diensttrappenhuis met goederenlift. Bij de inkomhal van de appartementen sluiten de fietsenberging en de conciërgewoning aan. Nadat van de privéwoning al eerder een appartement was afgesplitst, onderging het gebouw vanaf 2001 een grondige renovatie. Begane grond en eerste verdieping werden heringedeeld tot vier flats, en de appartementen van de vierde verdieping uitgebreid met de mansarde en dakterrassen; de toegevoegde terrassen aan de achtergevels dateren eveneens van deze ingreep.

De privéwoning beantwoorde oorspronkelijk aan de typologie van het hotel voor de vermogende burgerij, met een duidelijke scheiding van ontvangstvertrekken, privékamers en dienstruimten. De begane grond omvatte de vestibule en traphal met eiken staatsietrap, de vestiaire en office met keukenlift en toegang tot de kelders, in de voorbouw een ruime studio of kantoor, in de achterbouw de keuken met 'état domestique' en 'box room', en een ‘garden room’ met overdekt terras bij de tuin. Op de verdieping besloeg de suite van eetkamer, groot salon, en fumoir met 'ingle nook', ontsloten door de 'galerie', de volledige voorbouw. Gastenkamer, badkamer, grote slaapkamer en 'chambre de toilette' met terras namen de lange linkervleugel in, drie overige slaapkamers met bad- en linnenkamer de korte rechtervleugel. De tuin was volgens archieffoto's versierd met een pergola en een fonteintje.

Ongelijk van oppervlakte bestonden de appartementen die per twee de hogere verdiepingen delen, uit een suite van hal, salon en eetkamer, de keuken met office, respectievelijk vier of twee slaapkamers, en de badkamer.

De inkom- en traphal van het appartementsgebouw met vloeren uit wit en rood marmer is bewaard, inclusief het binnenschrijnwerk, de verlichtingsarmaturen, en de bijzonder fraaie lift met houten liftkooi, harmonicadeuren en sierlijk smeedijzeren hekwerk.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1926#23741, 86#20648.
  • Architectuurarchief Provincie Antwerpen, archief Alfred en Donald Portielje, foto's Résidence Sans Souci.
  • S.n. 1930: Entreprise Générales de Construction Van Riel & Van den Bergh Société Anonyme. Exposition Internationale d’Anvers 1930, Antwerpen, s.p.

Bron: -

Auteurs: Braeken, Jo

Datum tekst: 2013

Relaties

maakt deel uit van Belgiëlei

Belgiëlei (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.