erfgoedobject

Modernistisch duplexflatgebouw

bouwkundig element
ID
215412
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215412

Juridische gevolgen

Beschrijving

Modernistisch duplexflatgebouw, opgetrokken in opdracht van de Nationale Kas voor Bediendenpensioenen, naar een ontwerp door de architect Léon Stynen uit 1937-1938.

Historiek en context

De Nationale Kas voor Bediendenpensioenen werd opgericht als instelling van openbaar nut, in uitvoering van de wet op de werknemerspensioenen van 30 juni 1930. Het gebouw dat vier duplexflats van hoge standing omvatte, maakte vermoedelijk deel uit van de portefeuille vastgoedinvesteringen van de pensioenkas. Of dit type bouwprojecten tot de occasionele dan wel courante investeringspolitiek van de instelling behoorde, is bij gebrek aan andere gekende voorbeelden onduidelijk. In hetzelfde jaar liet de pensioenkas, die vandaag deel uitmaakt van de Rijksdienst voor Pensioenen, haar hoofdzetel in Elsene uitbreiden met een nieuwbouwvleugel, om tegemoet te komen aan de groei van activiteiten en personeel sinds de oprichting. Léon Stynen bracht zijn ontwerp van het duplexflatgebouw in twee versies tot stand, een eerste eind 1937 met halfronde balkons aan de voorgevel ter hoogte van de woonverdiepingen. Deze laatste vervielen in de definitieve bouwplannen uit begin 1938. De indeling van de begane grond werd in 1939, tijdens de bouw, gewijzigd voor de integratie van het wellicht aanvankelijk niet geplande gevelreliëf door de beeldhouwer en graficus Joris Minne. De voltooiing volgde begin 1940, net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Het duplexflatgebouw behoort tot het gerijpte modernistische oeuvre van Léon Stynen uit het late interbellum, een bijzonder productieve fase in de loopbaan van de architect. Deze kwam tot ontwikkeling tijdens de latere jaren 1920 onder invloed van Le Corbusiers Pavillon de l’Esprit Nouveau op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes van 1925 in Parijs. Op het vlak van de meergezinswoningbouw ontwierp Stynen eerder in de jaren 1930 onder meer de "Résidence Elsdonck" in Wilrijk, die het ideaal van het 'immeuble villa' in een groene omgeving vertegenwoordigde, en de "Résidence Britannia" op de Britselei, het model voor het flatgebouw in een verdichte stedelijke context. Met deze laatste typologie had Stynen al eerder ervaring opgedaan tijdens zijn stage bij architect Gerard De Ridder, en in 1933-34 via gezamenlijke projecten met François Dens en het bureau Alfred Portielje en Jan De Braey die destijds als specialisten ter zake golden. Daarnaast maakt het duplexflatgebouw deel uit van een groep van een vijftiental hoogbouwflats, die tijdens het latere interbellum rond het Stadspark of in zijn onmiddellijke omgeving werden opgetrokken. Zij vormden de voorbode van de totale transformatie die deze residentiële wijk in de loop van de jaren 1950-1960 zou ondergaan, waarbij de ooit zo voorname heren- en burgerhuizen uit de jaren 1860-1880 op een handvol na verdwenen.

Architectuur

Van eerder genoemde realisaties onderscheidt het duplexflatgebouw van de Nationale Kas voor Bediendenpensioenen zich vooral door een vooruitstrevende, in Antwerpen voor zover gekend niet eerder vertoonde typologie en planopbouw. Léon Stynen experimenteerde hier allicht voor het eerste met het principe van de duplexflat, dat hij tijdens de naoorlogse periode verder zou perfectioneren onder meer in het kantoor- en flatgebouw "De Zonnewijzer" op de Mechelsesteenweg. Het liet hem toe op dit smalle, ingesloten perceel en binnen een aanvaardbare bouwdiepte, functionele appartementen van royale afmetingen in te planten, met een compacte indeling in open plan. Bovendien slaagde de architect er zo in het uitzicht op het Stadspark en de noord-zuidoriëntatie van het gebouw optimaal te benutten, en alle problemen eigen aan de meer gebruikelijke langgerekte plattegrond - ongelijkmatige lichtinval, inadequate circulatie – te vermijden. Het duplextype met autonome, gelijke niveaus verbonden door een binnentrap dat Stynen hier introduceerde, ging echter minder ver dan het model waarop hij zich mogelijk geïnspireerd had: het Pavillon de l’Esprit Nouveau, opengebroken door het principe van vide en mezzanine. De opbouw van het duplexflatgebouw vormde veeleer het gestapelde equivalent van de groep van zes eengezinswoningen op de Linkeroever, die de architect een jaar later voor IMALSO zou ontwerpen. Een opvallend kenmerk is de schakeling - vermoedelijk om redenen van akoestische isolatie - van de woon- en slaapniveaus per twee flats, waaraan het gebouw zijn bijzondere alternerende structuur ontleent, weg van het louter repetitieve.

Opgetrokken op een rechthoekige plattegrond en met een structuur uit gewapend beton, omvat het duplexflatgebouw in totaal negen bouwlagen onder een plat dak. Eigen aan de vormvereisten van het modernisme is het gevelfront tot uiterste soberheid gereduceerd, met als belangrijkste kenmerken de opdeling in een gedrukte sokkel en een zwevende bovenbouw, en een opstand die de functionele programma en de structuur van het complex weerspiegelt. Typisch voor zijn late interbellumarchitectuur gebruikt Stynen een bekleding uit blauwe hardsteenplaten voor de sokkel, en een parement uit roomkleurige gevelsteen of "witte brikken" voor de bovenbouw, gemetseld in halfsteens verband met een horizontale Dudokvoeg (verdiepte lintvoegen in combinatie met platvolle stootvoegen), volgens de bouwplannen gecombineerd met vensterposten uit zwart marmer, dekstenen en dorpels uit leisteen. De woonniveaus worden telkens geïdentificeerd door een verdiepingshoge glaspui met geïntegreerd loggiaterras en balkon, de slaapniveaus door een horizontaal bandraam. Het oorspronkelijk teakhouten schrijnwerk van de inkomdeuren, en het stalen schrijnwerk van de vensters, is evenals de smeedijzeren balkonborstweringen vervangen door aluminium exemplaren. Waar Stynen voor de pui aanvankelijk een drieledige, gecombineerde hoofd- en dienstingang voorzag, geflankeerd door een stel 'hublots', splitste hij beide toegangen uiteindelijk op aan weerszij van het monumentale gevelreliëf.

Het door Joris Minne gesigneerde en 1939 gedateerde bas-reliëf, stelt de historische en eigentijdse handelsmetropool Antwerpen voor, respectievelijk verbeeldt door een trapgevel en driemaster, en een wolkenkrabber, oceaanstomer en fabrieksschoorstenen. De grafisch geabstraheerde vormgeving is representatief voor het expressionisme dat de kunstenaar tijdens het late interbellum in zijn bekende houtsnedes beoefent. Minne was medeoprichter van de kunstenaarsgroep Lumière, en vanaf 1927 docent aan het pas opgerichte Institut Supérieur des Arts Décoratifs "La Cambre". Net als Léon Stynen was hij in de ontstaansperiode van het duplexflatgebouw betrokken bij het project van het Belgische Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1939 in New York.

Het gebouw omvat vier duplexflats, ontsloten door de gemeenschappelijke traphal met lift. Deze bestaan telkens uit een woonniveau en een slaapniveau van elk ongeveer 7 bij 14 m, onderling verbonden door een binnentrap en uitgerust met inbouwkasten. De ruime woonkamer beslaat twee derden van het woonniveau, met een terras op het Stadspark. Aan de andere zijde van de centrale hal met vestiaire, bevinden zich de eetkamer en de ingerichte keuken met een terras op de tuinzijde. Het slaapniveau is onderverdeeld in drie slaapkamers - twee grote en een kleine - de badkamer en een meidenkamer. De dieper doorgetrokken begane grond omvat behalve de inkomhal met conciërgeloge, privékelders, bergplaatsen voor onder meer rijwielen, de verwarmingsinstallatie en een onderkelderde kamer, wellicht bedoeld voor de huisbewaarder.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#9956 en 18#13161.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, archief Léon Stynen, dossier appartementsgebouw Nationale Kas voor Bediendenpensioenen.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2013


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Modernistisch duplexflatgebouw [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215412 (Geraadpleegd op 12-06-2021)