Kasteeldomein van Baron Erasmus Louis Surlet de Chokier

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Gingelom
Deelgemeente Gingelom
Straat Regentwijk
Locatie Regentwijk 80, Gingelom (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Gingelom (actualisaties: 10-09-2007 - 11-09-2007).
  • Adrescontrole Gingelom (adrescontroles: 09-11-2007 - 09-11-2007).
  • Inventarisatie Gingelom (geografische inventarisatie: 01-01-1981 - 31-12-1981).
  • Inventarisatie tuinen en parken in Limburg. Deel 1. (geografische inventarisatie: 1994 - 2003).
Links

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Kasteeldomein

Deze bescherming is geldig sinds 04-11-2002.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Kasteeldomein van Baron Erasmus Louis Surlet de Chokier

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

Beschrijving

Het landgoed van circa 27 hectare met kasteelpark en parkbos in continentale landschappelijke stijl dateert uit het derde kwart van de 19de eeuw en vormt het eindpunt van een interessante evolutie die tot omstreeks 1710-1715 teruggaat. Het was het goed van Baron Erasmus Louis Surlet de Chokier, regent van België in 1831. Het neoclassicistisch getint U-vormig kasteelcomplex met staatsieplein werd in 1855 gebouwd naar ontwerp van architect Paulussen. Het kasteel met oudere kern verkreeg zijn huidig voorkomen en plattegrond kort vòòr 1900, de erekoer met hek en de boerderij dateren uit 1854-1855 en de losstaande schuur uit 1879.

Historiek

Van een hof te midden van landerijen tot kasteel

Het goed ligt ten westen van de gemeentekern, op rijke leemgronden aan de rand van de vallei van de Molenbeek. Daar bouwde omstreeks 1710-1715 Bernard de Stier (1667-1739), kanunnik van het Sint-Janskapittel van Luik te Gingelom een huis met neerhof in Maaslandse stijl. Het was een afsplitsing van de aloude Sint-Janshoeve aan de Kerkstraat, een afhankelijkheid van het kapittel. De heerlijkheid Gingelom, die de Stier in 1717 had verworven, werd in 1758 met kasteel, cijnshof, gebouwen, tuinen, weiden, landerijen en bossen verkocht aan Jean Guillaume Arnold de Chokier, die in 1745 tot de adelstand was verheven. De kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) noteerde deze vroegste fase als een gesloten complex met moestuin en boomgaarden tussen boomsingels, bereikbaar uit het oosten via een rechte weg door het dorp.

Het Primitief kadaster geeft een andere of veranderde situatie weer. Een U-vormige hoeve aan de Overhemweg lag met de open zijde naar een eveneens U-vormig kasteel met vier hoektorens, een structuur aansluitend bij de klassieke neerhof-opperhofconfiguratie. Op de tekening van baron Charles de Wal (1791-1872) uit 1822 ziet men dat de gebouwen op de binnenkoer met hekkens verbonden waren.

Vanaf de weg van Wezeren naar Sint-Truiden (later ingelijfd in het park), ten westen van het kasteel, lag een dubbele oprijlaan tussen bomenrijen met een centrale gazonnade of tapis vert naar een apsisvormig plein bij de achtergevel van het kasteel. Het zuidelijk bijgebouw volgde met zijn voorgevel de kromming. Aan de overzijde van de weg deed een beplante (nu nog steeds zichtbare) apsis dienst als pendant en beëindiging, zichtbaar vanuit het kasteel.

Ten noorden, tussen de Overhem­straat en de Wezerenweg, lag een U-vormig bos. Vanuit het oosten voerde een rechte dreef tussen stroken land naar het poortgebouw en het neerhof. Men mag deze aanleg interpreteren als een formalisering van de centrale as van het kasteel te midden van fruitweiden en landerijen. Ze bood een fraai perspectief op het landschap vanuit de westzijde van het kasteel en samen met de eerste verbouwing van het kasteel rond 1835 bevestigt ze de status "propriétaire cultivateur", die de bouwheer Erasme Louis Surlet de Chokier (1769-1839), voorzitter van het Nationaal Congres in 1830 en Regent van België in 1831, koesterde. Hij opende de voor- en achtergevel van het kasteel met een breed middenrisaliet met hardstenen pilasters, pui- en kordonlijsten en een driehoekig fronton, voorzien van drie rondboogdeuren en rechthoekige vensters in hardstenen omlijstingen. Hij was hiervoor zelf verantwoordelijk en haalde inspiratie uit het modelboek van U. Vitry uit 1827, een boek dat hij bezat met voornamelijk Palladiaans geïnspireerde architectuur. Het kasteelgoed, bij de verdeling na de dood van zijn moeder in 1815 als erfgoed verworven, behoorde dankzij de aankoop van zwartgoed tot een domein van wel 214 hectare. Ook de Kamerijkhoeve maakte daar deel van uit, de nog bestaande hoeve waar hij onder meer een merinoskwekerij opzette. De Primitieve kadastrale legger noteerde Jean François Hennequin, rentenier te Luik, in 1844 als eigenaar. Hij was vriend en erfgenaam van Surlet.

Heroriëntering en heraanleg

De aanleg van de steenweg van Sint-Truiden naar Hannuit in 1850-51 en de steeds groter wordende kloof tussen de kasteelfamilie en haar personeel had ingrijpende gevolgen voor de structuur van het kasteeldomein, het karakter van het park en de oriëntatie van het kasteel. Charles Victor Hennequin (1804-1868), zoon van Jean François, was er de initiatiefnemer van. Hij ontsloot de oostzijde van het kasteel, brak het oude neerhof af en legde de huidige erekoer aan met oranjerie, koetshuis, aansluitende stallingen en hovenierswoning rond een binnenkoer, ten noorden van het erehof. Aan de straat was deze slechts met een hek gesloten, met een grotere zichtbaarheid en een nadrukkelijker aanwezigheid in het dorp tot gevolg. Hij brak ook de Sint-Janshoeve af, lijfde de percelen tussen de Overhemweg en de nieuwe steenweg in en legde op de Molenbeek een landschappelijke vijver aan, die nu verdwenen is en deel uit maakte van een nieuwe landschappelijke aanleg. Het resultaat was ook vanuit het dorp een fraai perspectief op het kasteel en van daar uit een zicht op het gaan en komen langs de nieuwe weg. De kaart van het Dépôt de la guerre (opname in 1871, uitgave in 1877) toont het park in die dagen, met ten zuiden van de nog niet dichtgebouwde zuidelijke vleugel een rechthoekige siertuin. Hij is ommuurd, heeft een rond bekken en twee vierkanten, wat laat vermoeden dat het om een parterretuin ging. Ten westen lag de moestuin als kleiner vierkant. Wandelpaden in het park verbinden in een lussenpatroon de grasvelden, de bomengroepjes en groeneilandjes, de bomenrand en het lustbos. De tekening van Charles Joseph Hoolans uit 1861 toont de nieuwe situatie aan de oostzijde, met een rijtuig vol arriverende reizigers in de iependreef. Deze dreef werd tot de steenweg doorgetrokken en eindigde aan de Overhemweg op een halfronde verbreding, een apsis ter hoogte van het kasteelhek. Ook aan de westzijde breidde hij het park uit middels een enclosureoperatie met inname van de Wezerenweg. Uit deze nieuwe aanleg van het kasteeldomein spreekt een andere persoonlijkheid, een nieuwe tijdsgeest en ook een veranderde relatie tot het dorp.

Charles Victor Hennequin vererfde Gingelom aan Jeanne Marie Hennequin (1848-1892) en haar echtgenoot Leopold Charles, hertog van Looz-Corswarem. Zij verhuurden het kasteel en lieten het op hun beurt na aan hun beide zwakzinnige dochters, de prinsessen Looz-Corswarem, die er tot de dood van de laatste woonden. Het domein kende enkele interessante huurders, waarvan de elitaire achtergrond zich ook in park en tuin moet gemanifesteerd hebben. Van 1882 tot 1888 was het generaal Sanford, persoonlijke vriend van Henry Morton Stanley en van koning Leo­pold II. Hij lag aan de basis van de verwerving van Belgisch Congo en was ook gevolmachtigd minister en ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika in België. In 1914 volgde P. Capouillet, afgevaardigd beheerder van de Société générale de Belgique. Het kasteeldomein werd uiteindelijk in 1952 verkocht, na de dood van de prinsessen.

De tweede uitgave van de kaart van het Dépôt de la guerre (revisies van 1872 en 1886, uitgave in 1897) toont het kasteeldomein zoals het grotendeels bewaard is gebleven aan deze zijde van de straat (nu Regentwijk, voorheen Overhemweg). Pas in 1900 evenwel werden het park, het kasteel en de bijgebouwen kadastraal volledig opgemeten. Gedeeltelijke afbraak en nieuwbouw leverden een complexe plattegrond op met gekanteelde hoektorens en een verbreding van de erekoer tussen de vooruitspringende kasteelvleugels. Toen ook moet de uniformisering van de gevels zijn doorgevoerd. Maar de schets noteert ook ten noordwesten van de gebouwen een ijskelder, de losstaande schuur ten noorden van de boerderij, een open bergplaats tegen de noordelijke stalvleugel en twee koudebakken in de moestuin. Deze laatste verdwenen in 1955 van het kadaster.

Beschrijving

Kasteel

Aan de straatzijde wordt het staatsieplein afgesloten met een gesmeed ijzeren hek, terwijl respectievelijk tegen de noord- en zuidkant van de zijpuntgevels van de dienstgebouwen een achtkantige gekanteelde toren met drie verdiepingen en schietgaten op de bovenverdiepingen is aangebouwd. In het verlengde van het hek, de beide zijpuntgevels en de twee hoektorens loopt een bakstenen omheiningsmuur die het domein afsluit.

Het rechthoekige bakstenen hoofdgebouw onder schilddak (leien) heeft vier gedeeltelijk ingebouwde, vierkante hoektorens. De voorgevel van twee en een halve bouwlaag telt zeven traveeën. De rechthoekige vensters zijn gevat in een vlakke kalkstenen omlijsting. Het middenrisaliet van drie traveeën is bekroond met een van een wapenschild voorzien fronton. Op de begane grond bevinden zich drie rondboogdeuren met kwartholle booglijst op imposten. De twee flankerende, vierkante torens van drie verdiepingen zijn opgetrokken in baksteenmetselwerk met karteling. De rechthoekige vensters hebben een vlakke latei en lekdrempels van kalksteen. De achtergevel heeft een nagenoeg zelfde ordonnantie als de voorgevel, maar telt slechts vijf traveeën. De bovenverdieping is opengewerkt met boogvensters met lekdrempels. De hoektorens hebben een tentdak met bolspitsbekroning en een kroonlijst met uitgesneden modillons.

Ten noorden en ten zuiden van het staatsieplein bevinden zich, haaks op het hoofdgebouw, twee vleugels van vier traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak met dakkapel boven elke travee. De rechthoekige vensters hebben een vlakke latei en een lekdrempel. De zijpuntgevels zijn afgewerkt met schouderstukken op kraagstenen van kalksteen. De twee classicistische vleugels dienen als koetshuis en als oranjerie. Ze zijn in een gevelsteen “P(ier­re) F(rançois) Paulussen architecte 1855” gedateerd, hoewel het kadaster ze in 1854 al noteerde. Ten noorden sluiten er kasteelaanhorigheden en een hovenierswoning rond een erf op aan. Aan de straatzijde zorgen twee octogonale belvedèretorentjes met uitgewerkte, sierlijke windwijzer van smeedijzer voor enige monumentalisering. Het zijn bakstenen gebouwtjes met kanteling, kordons en lisenen van blauwe hardsteen, cement en baksteen.

In het verlengde van beide aanhorigheden, ten noorden en ten zuiden van de erekoer bevinden zich twee identieke bakstenen gebouwen op achthoekig grondplan onder schilddak (leien). De twee bouwlagen worden geritmeerd door zeven boogvormige spaarvelden waarvan de bakstenen rondboog steunt op vlakke kalkstenen pilasters met gestileerd kapiteel en neuten. In elk der blinde bogen bevindt zich op de benedenverdieping een getoogd venster of een getoogde, rechthoekige deur/poort en op de bovenverdieping een getoogd venster. De licht uitspringende hoektravee heeft een rondboog die steunt op geblokte pilasters van kalksteen en wordt bekroond met een fronton.Rechts van de ingang tot het kasteelcomplex is tegen de noordelijke zijde van het noordelijk dienstgebouw een gesloten hoeve aangebouwd.

Hekken, erekoer en ommuring

Het monumentaal hek uit 1854-1855 geeft toegang tot de rechthoekige erekoer die op de overige zijden begrensd wordt door de aanhorigheden en het kasteel. Ze is verhard in grijze steenslag, heeft een ingangspui in blauwe hardsteen die in 1900 pas werd gekadastreerd, en een tegelstrook langs de dienstvleugels. Het zwart geschilderd, eenvoudig recht hek telt zeven brede traveeën, staat op een geprofileerde plint van blauwe hardsteen, heeft ronde gietijzeren stijlen en slankere tussenstijlen, in de ter plaatse uitspringende plint verankerd met bouten, spijlen met speerpunten en gepunte onderspijltjes tussen boven-, midden- en onderregels.

De ommuring aan de Regentwijk in verzorgd baksteenmetselwerk in kruisverband, geleed met rechthoekige lisenen en afgedekt met ezelsrug, dateert uit het midden van de 19de eeuw. Ten zuiden van het ereplein wordt ze moestuinmuur en fruitmuur en is ze ouder. De hardstenen omlijstingen van getraliede kelderopeningen ten noorden van de erekoer zijn restanten van de afgebroken schuur uit 1871. Een eenvoudig inrijhek ernaast is de secundaire toegang naar de kasteelaanhorigheden. De zwart geschilderde smeedijzeren poort met spijlen met pijlpunten en spijltjes tussen onder-, midden- en bovenregels hangt in de vierkante pijlers van baksteen met dubbele deksteen van blauwe hardsteen. Als pendant stond aan de overzijde van de straat, een alleenstaand hek met spijlen zonder pijlpunten, als barrière van de boomgaard die de kaarten van het Dépôt de la guerre hier signaleren (bij het bezoek in 1999 verdwenen voor villabouw).

Kasteeldomein

Het domein is nu begrensd ten noorden door de Overhemstraat, ten oosten door de Regentwijk, ten zuiden door de aloude Sint-Lambertussteeg en ten westen door landerijen. Vanaf de steenweg Sint-Truiden-Hannuit leidt een rechte voormalige dreef naar de erekoer; de hoger vermelde lunet, als halfronde verbreding voor het inrijhek, is nu verdwenen. Een bakstenen muur sluit het domein aan de Regentwijk (de oude Overhemweg) af, erachter ligt de moestuin die de hele zuidoostelijke hoek inneemt en het park zelf strekt zich ten westen en ten noorden uit. Verderop is het goed beveiligd door een prikkeldraad en een opgeworpen aarden houtwal, restanten van een haag in éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) ter hoogte van de boomgaard en opslag van gewone vlier (Sambucus nigra) en gewone es (Fraxinus exelsior).

Het park strekt zich uit ten noorden en ten westen van het kasteel en ligt in helling naar het noordwesten. De zuidoostelijke helft van het park bestaat uit uitgestrekte, golvende weilanden met perceeltjes bos, bomengroepen en solitairen, de noordwestelijke helft is voornamelijk parkbos met open plekken. Een rondweg en een meanderend patroon van lusvormige primaire, secundaire en tertiaire wandelpaden maken het toegankelijk. Hoewel de grasvel­den in kersenweiden zijn omgezet is het parkconcept nog afleesbaar. De halfronde apsis uit Surlets periode, op de kruising van de middenas van het ka­steel met de ingenomen Wezerenweg, is bewaard en nu beplant met een rij van fijnspar (Picea abies) en één bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’). Mogelijk blijft die over van de dubbele bomenrij die de gazonnade op het Primitief kadasterplan (1824) begeleidde.

Ook van de tegenhanger van de apsis is, in de zuidwestelijke hoek van het kasteel, nog een spoor aanwezig. De bakstenen schermgevel van elf traveeën behoorde bij schijnarchitectuur die de apsisvorm herhaalde en de dienstgebouwtjes bij de moestuin moest afschermen. Hij is geritmeerd door rondbogen met sokkel en imposten aan de pilasters en gepleisterde blindbogen, waarvan de drie middelste nu een illusionistische deurschildering vertonen.

De ruime moestuin (circa 60 bij 110 meter) ligt ten zuiden van het kasteel, aansluitend tegen de gebouwen en gaat terug op de kleinere moestuinsite van de 18de eeuw. De westelijke muur verdween na de verkoop in 1952. Langs de Regentwijk en langs de oude Sint-Lambertussteeg (plaatselijk Kovelie geheten) bleef de bakstenen, ongeveer 3 meter hoge moestuinmuur bewaard, met een lage, vierkante uitbouw in de zuidoostelijke hoek, daterend uit circa 1710. In de zuidwestelijke hoek werd vermoedelijk midden 18de eeuw, een onderkelderd belvedère met twee bouwlagen gebouwd, dat naderhand een open terras kreeg als uitkijk op het landschap en op de nieuwe spoorlijn naar Luik uit 1838-1839. Het is een bakstenen ge­bouwtje met muurlisenen, een cordonlijst en een afdekking van blauwe hardsteen en met een buitentrap beveiligd door een fraaie smeedijzeren leuning eindigend in een krul. De hoge fruitmuren met talrijke metsel- en voegwerkherstellingen uit de 19de en 20ste eeuw, heeft brede tenietlopende steunberen aan de straatzijde, smallere lisenen ter versterking aan de tuinzijde en een recente (1980) afdekking met betonnen dekstenen op de oude uitspringende rollaag. De tuinmansdeur aan de Regentwijk werd dichtgemetseld. Van het ronde waterbekken dat voorheen in het midden van de tuin lag, zijn enkele halfronde dekstenen van blauwe hardsteen bewaard. In de noordoostelijke hoek lagen sedert het derde kwart van de 19de eeuw twee koude bakken en een serre, waarvan het kadaster in 1955 de verdwijning noteerde.

Achter de schermgevel en in de noordwestelijke hoek van de moestuin ligt een onderkelderd bakhuis, door Surlet gebouwd en geïnspireerd op Vitry's boek van 1827. Er leunt een L-vormige, uitzonderlijke druivenserre tegenaan van 23,2 bij 2,2 meter en 2 meter hoog, een verzorgde spitsboogvormige glas- en ijzerconstructie uit 1879 steunend op gietijzeren zuiltjes met kapiteel, eind 20ste eeuw erg verkommerd.

In de noordwestelijke hoek van het park, ligt een paviljoen, La maiso­net­te genaamd, als een Zwitserse chalet gebouwd in de tweede helft van de 19de eeuw en op de huidige stafkaart als 'jachtpaviljoen' aangeduid. Het vierkant gebouw met twee bouwlagen, gepleisterde gevels, rechthoekige vensters en deuren en een zadeldak (golfplaten sedert 1973) had voorheen een meer uitgesproken rustiek karakter dankzij de ver uitstekende modillons en een omlopend terras op de bovenverdieping, bereikbaar via een houten buitentrap. Het is nu ingekort tot twee balkons enkel bereikbaar langs een binnentrap.

Een postkaart geeft een beeld van de dreef in 1909: twee smalle dreven voor secundair transport flankeren de rechte gekasseide laan voor rijtuigen en wagens. Een tweede postkaart toont de exedra met hardstenen palen als beëindiging van de dreef, het ereplein en het kasteel. Er zijn kuipplanten opge­steld en voor de inkom ligt een typische corbeille voor jaarlijks wisselende plantmotieven. Men beschikte over onder meer elf grote laurieren, tien phormiums, vijf palmen en vier agaven, die in de oranjerie overwinterden.

Bomen en planten

Naast gewone esdoorn met bont blad (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii') komen ook bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’), Europese lork (Larix decidua), gewone beuk (Fagus sylvatica), gewone es (Fraxinus exelsior), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), fijnspar (Picea abies), okkernoot (Juglans regia), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus carnea), zilverlinde (Tilia tomentosa) en meerdere exemplaren zomereik (Quercus robur) voor binnen het domein. Enkele bomen hebben een opvallend grote stamomtrek: gewone beuk (Fagus sylvatica) met stamomtrek van 4,07 meter, goudes (Fraxinus exelsior 'Jaspidea') met stamomtrek van 2,48 meter, zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata') met stamomtrek van 3,01 meter, kleinbladige linde (Tilia cordata) met stamomtrek van 3,01 meter en hangende zilverlinde (Tilia tomentosa ‘Pendula’) met stamomtrek van 3,70 meter.

De onderbegroeiing wordt massaal gevormd door bosanemoon (Anemone nemorosa), gevlekte aronskelk (Arum maculatum), maarts viooltje (Viola odorata), wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus) en speenkruid (Ranunculus ficaria).

  • Onroerend Erfgoed, Digitaal Beschermingsdossier DL002234, kasteeldomein (S.n., 2002).
  • DE MAEGD C. (red.) 2003: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Inventaris Limburg, Deel 1: Gingelom, Halen, Herk-De-Stad, Nieuwerkerken en Sint-Truiden, M&L Cahier 8, Brussel, 32-38.
  • SCHLUSMANS F. met medewerking van GYSELINCK J., LINTERS A., WISSELS R., BUYLE M. & DE GRAEVE M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N1 (A-Ha), Brussel - Gent.

Bron: -

Auteurs: De Maegd, Christiane & Schlusmans, Frieda

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Gingelom

Gingelom (Gingelom)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.