erfgoedobject

Secretariaat en kantoren van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België

bouwkundig element
ID: 216402   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/216402

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het Secretariaat en de kantoren van de Nationale Centrale der Liberale Vakbonden (NCLVB, vanaf 1939 Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, ACLVB) waren een ontwerp van architect Guillaume Monnier uit 1936. Het complex werd vanaf 1947-1948 aangepast en uitgebreid naar ontwerp van architect Robert Rubbens. De totaalafwerking werd, vanaf de bouw tot en met aanpassingen tijdens de jaren 1970, hoofdzakelijk toevertrouwd aan de Kortrijkse Kunstwerkstede De Coene. Het kantoorgebouw van de ACLVB illustreert de stilistische evolutie én continuïteit van het interbellum tot in de naoorlogse periode, zowel in het exterieur als interieur. Ook vormt het een voorbeeld van kleinschalige kantoorbouw, die zich diende in te passen binnen het bestaande, stedelijke weefsel.

Historiek

Dat Gent de locatie zou vormen voor het secretariaat van de toenmalige Nationale Centrale der Liberale Vakbonden van België, was niet toevallig. Gent was immers al in de tweede helft van de 19de eeuw het centrum van het arbeiderssyndicalisme. In navolging van talrijke lokale initiatieven werd in Brussel in 1920 de overkoepelende ‘Nationale Centrale der Liberale Vakbonden van België’ (NCLVB) opgericht. De sociale zetel zou in Brussel gevestigd blijven, maar de NCLVB bouwde ook een belangrijke aanwezigheid uit in Gent. Tegen het midden van de jaren 1930 telde de NCLVB zeventigduizend syndicalisten en had ze de financiële draagkracht verworven om een eigen lokaal op te richten dat als administratieve zetel zou fungeren. Deze oprichting zou gebeuren onder Alfons Colle (1882-1968), die sinds 1929 directeur-generaal was van de NCLVB. Colle had een belangrijke syndicale loopbaan uitgebouwd en had ook een persoonlijke band met Gent.

Ondanks eerdere onderhandelingen over de aankoop van bouwgrond aan de toenmalige Afsneelaan (huidige Koningin Fabiolalaan), werd uiteindelijk een perceel aan de Koning Albertlaan in Gent verworven van de familie Lippens in 1933. In 1936 werd een bouwaanvraag ingediend voor de bouw van een kantoorgebouw voor het Secretariaat en de administratieve diensten. De plannen waren van de hand van architect Guillaume Monnier en de bouwaanvraag werd goedgekeurd op 27 juli 1936. Aannemer G. Wittebroodt, die woonde in de nabijgelegen Meersstraat, ondertekende de bouwplannen en stond aldus in voor de uitvoering, die 617.500 Belgische Frank zou kosten. Het pand werd in 1937 geregistreerd in het kadaster. Op 19 december 1937 vond de officiële inhuldiging plaats. Hier prees bestuurder Colle niet alleen de smaak en kunstzin van de architect, en de zorg en precisie van Wittebroodt, maar eveneens de realisatie van de firma Beaumont wat betreft de verwarming, de meubilering door De Coene uit Kortrijk, meubelbedrijf Samat uit Langerbrugge en Famop, de prachtige verlichting verzorgd door Beeckman en de inzet van talrijke werklui, die van het Secretariaat "een schitterend complex van moderne architectuur" hadden gemaakt.

Het gebouw in kwestie vormt het huidige nummer 95. Oorspronkelijk bestond het uit een voorbouw van twee bouwlagen, waarbij de linkertravee verhoogd was tot drie bouwlagen en de lijstgevel aan de rechterzijde licht opgetrokken was. Vlaggenmasten accentueerden op dat moment de verhoogde geveldelen. Achter de zakelijke voorgevel werd een rijkelijke interieurafwerking en meubilering voorzien door de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene, die tot in de jaren 1970 zou instaan voor de aankleding en afwerking van het gebouw, en de aanpassingen ervan. Van de vroegste bouwfase van 1937 is er voor de burelen op de gelijkvloerse verdieping een overzichtsplan bewaard met aanduiding van de schikking van het meubilair, evenals meerdere detailplannen en foto’s die de toestand tijdens de jaren 1940 weergeven. De ontwerpen van De Coene concentreerden zich hoofdzakelijk in deze representatieve vertrekken en voorzagen niet alleen de vaste afwerking van vloeren, wanden en binnenschrijnwerk, maar eveneens verlichtingsarmaturen, omkastingen voor radiatoren en vast en los meubilair. Een deel van de ontwerpen kan toegeschreven worden aan ontwerper Paul Vandenbulcke en is in situ bewaard. Daarnaast voorzag De Coene de inrichting van het appartement van de bestuurder op de eerste verdieping en de functionelere afwerking van de kantoren in de achterbouw van het complex. De afwerking en het meubilair stonden telkens in verhouding tot de mate van representatie.

Het gebouw onderging echter al snel aanpassingen. Op 4 september 1947 werd een bouwaanvraag ingediend om de voorbouw naar ontwerp van architect en decorateur Robert Rubbens te verhogen tot drie bouwlagen. Deze toegevoegde bouwlaag zou logeerkamers voor stagiairs en personeel uit de provincie omvatten, evenals een eetzaal voor de bedienden, die echter werd ingevuld als bibliotheek. De bouwplannen voorzagen de derde bouwlaag naar analogie met de tweede bouwlaag (weliswaar zonder de balkons) en een asymmetrische gevelverhoging in de linkertravee, eveneens naar analogie met de eerste bouwfase. De verbouwing werd vergund door de stad op voorwaarde dat de kroonlijst doorlopend werd gemaakt aan beide zijden en de derde verdieping bij voorkeur werd weggelaten. Ook de vlaggenmasten zouden op dat moment verdwijnen.

Gelijktijdig met deze verbouwing van de voorbouw, vonden ook wijzigingen plaats aan de achterzijde. In februari 1948 werd hiervoor een bijkomende bouwaanvraag ingediend. De werken situeerden zich hoofdzakelijk op de eerste verdieping van de achterbouw, waar twee bureeltjes werden toegevoegd aan weerszijden van de centrale, gebogen uitbouw waarachter zich de vergaderzaal bevond. Gelijktijdig hiermee werd de halfronde traphal verhoogd van twee naar drie bouwlagen, met de verplaatsing van de glas-in-loodramen van de eerste naar de tweede verdieping tot gevolg, en de toevoeging van nieuwe glasramen op de eerste verdieping. Deze werken werden net als de eerste bouwfase uitgevoerd door aannemer Wittebroodt. Ook deze toegevoegde bureeltjes kregen een op maat gemaakt interieurontwerp en vaste inrichting. Op hetzelfde moment werden nog enkele onafgewerkte kamers in het interieur van een aankleding voorzien, en werd voor sommige ruimtes nieuw meubilair ontworpen door De Coene.

De volgende bouwplannen in het stadsarchief dateren van 1955 en voorzagen een verbouwing en uitbreiding van het bestaande complex, eveneens naar ontwerp van Rubbens. Op de plannen werd een uitbreiding van de voorbouw voorzien met een vierde bouwlaag naar analogie met de onderliggende bouwlagen, waar een bijkomende leefeenheid werd ondergebracht, bekroond door een gedeeltelijke vijfde bouwlaag met vooraan een daktuin. De realisatie van deze bouwlagen zou uitgesteld worden omwille van de mogelijke verwerving van panden ten zuiden ervan en uiteindelijk niet worden uitgevoerd. In dezelfde fase kwam wel, aansluitend op de achterbouw, een groot kantoorgebouw tot stand in het binnengebied tussen de Koning Albertlaan en de achterliggende Patijntjestraat. Dit complex bestond uit zes bouwlagen en een dakverdieping. Hoewel de bovenste twee verdiepingen en de dakverdieping doorstreept waren op de bouwplannen, werden ze toch uitgevoerd.

In de vroege jaren 1960 vonden opnieuw aanpassingen plaats van de interieurafwerking. Het was echter pas vanaf het midden van de jaren 1960 dat de uitbreiding van het complex aan de straatzijde concreet vorm kreeg. De Liberale Vakbonden verwierven de ten zuiden van het Secretariaat gelegen woning. In 1964 ontwierp Robert Rubbens een ingrijpende inwendige verbouwing van dit pand met behoud van de voorgevel en integratie bij het Secretariaat. De uitvoering zou echter aangepast worden, aangezien de vakbonden ook het daarnaast gelegen pand verwierven. Die twee interbellumwoningen zouden volgens plannen van 1966 volledig worden gesloopt en vervangen worden door nieuwbouw. Robert Rubbens was opnieuw architect van dienst en ontwierp in opdracht van de maatschappij Werknemerswelzijn een kantoorcomplex met appartement voor de lokaalbewaarder. In datzelfde jaar volgde een nieuwe bouwaanvraag. Het ontwerp werd daarin doorgetrokken tot een breed, grootschalig gevelontwerp, dat ook een vernieuwing van de gevel van het Secretariaat zou inhouden en een inwendige aanpassing van de inkom van dit gedeelte. De plannen voorzagen drie bovenverdiepingen en een achteruitspringende vierde verdieping, die echter in de uitvoering werden herleid tot twee bovenverdiepingen. Nummer 95 zou uiteindelijk gespaard blijven van deze ingrijpende verbouwing en de nieuwbouw werd beperkt tot de percelen van de twee gesloopte woningen, heden samen nummer 93. Het nieuwe complex werd inwendig verbonden met de grote traphal van het Secretariaat. De afwerking van wanden en vloeren met travertijn sluit ook aan bij aanpassingen van het Secretariaat in de jaren 1960.

In het daarop volgende decennium vonden voornamelijk enkele inwendige aanpassingen plaats van het huidige nummer 95. Een ingrijpendere aanpassing vond plaats eind jaren 1970 toen vanuit de grote traphal in de achterbouw een passerelle tot stand kwam met de ten noorden gelegen Woning Velghe (Koning Albertlaan nummer 97). Het gebouwencomplex van de vakbonden zou vervolgens ook nog uitgebreid worden met de nummers 87, 89 en 91, en vormt zo vandaag een aansluitende gevelwand met een heterogeen karakter. In de voorbije decennia nam de impact op het interieur toe en verloren sommige ruimtes hun oorspronkelijke aankleding en/of meubilair.

Beschrijving

Exterieur

Het Secretariaat en de kantoren van de ACLVB aan de Koning Albertlaan te Gent maken deel uit van een rijbebouwing die tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw tot stand kwam. De complexe volumes en inplanting representeren de bouwevolutie. Het complex bestaat heden uit een voorbouw aan de Koning Albertlaan van drie bouwlagen. De straatgevel daarvan gaat terug tot een ontwerp van 1936 en was toen opgevat als een lijstgevel van vier traveeën en twee bouwlagen, asymmetrisch verhoogd in de linkertravee tot drie bouwlagen. De gebeitelde vermelding "G. Monnier/ arch./ Gent" links bovenaan in de hardstenen pui verwijst naar deze eerste bouwfase. Na de Tweede Wereldoorlog (1947-1948) werden de drie rechtertraveeën ook verhoogd tot drie bouwlagen, aansluitend bij de kroonlijsthoogte van de aanpalende Woning Velghe. Op de voorbouw sluit vervolgens een achterbouw aan van twee tot drie bouwlagen (1936, 1947-1948) en daarachter aansluitend een kantoorgebouw (1955) van zes bouwlagen in het binnengebied met de Patijntjestraat. De achterbouw kijkt ten noorden uit op de voormalige tuin van Woning Velghe, die omgevormd is tot een parking met een beperkte groenvoorziening.

De straatgevel van de voorbouw aan de Koning Albertlaan getuigt van een vormgeving in een zakelijke, moderne stijl. Het volume van vier traveeën en drie bouwlagen onder een plat dak, is voorzien van een lijstgevel, die wordt afgelijnd door witstenen dekstenen. De pui, afgewerkt met blauwe hardsteen, wordt gecombineerd met een bovenbouw in geelbruin baksteenmetselwerk. De horizontaliteit van de gevel wordt niet enkel benadrukt door de contrasterende afwerking van de onder- en bovenbouw, maar wordt versterkt door het toegepaste metselverband en de aanwezigheid van een brede, dieperliggende lintvoeg om de twee baksteenlagen. Dit horizontaal effect is ook aanwezig in de vensterregisters, gevat in omlijstingen in Euvillesteen, die een opvallend gevelaccent vormen, en ingevuld met hoekig geplaatste, verdiepte ramen. In de drie rechtertraveeën worden de vensters op de bovenverdiepingen gevat in een doorlopende omlijsting, waarbij de penanten tussen de vensters decoratief zijn uitgewerkt. Op de eerste verdieping zijn de vensters in de twee uiterste traveeën uitgewerkt als deurvensters, voorafgegaan door een ondiep balkon, afgesloten met een ijzeren, heden blauw geschilderde balkonleuning met een geometrische vormgeving.

De onderbouw is eveneens regelmatig geopend met rechthoekige vensters, die in een licht verdiept kader zijn gevat. De vensters in de pui bewaren hun oorspronkelijke metalen schrijnwerk met kenmerkende roedeverdeling, in de bovenlichten ingevuld met glas-in-loodramen met een geometrisch, horizontaal patroon in kleurloos glas, opaalwit en lila, en eveneens voorzien van rolluiken. De bovenvensters waren oorspronkelijk ook voorzien van glas-in-loodramen in de bovenlichten, maar heden is het schrijnwerk op deze verdiepingen volledig vernieuwd. De hardstenen onderbouw wordt in de plint doorbroken door keldervensters en is licht naar voor uitgebouwd ter hoogte van de tweede travee. Deze omlijsting verspringt vervolgens getrapt terug tot de dieper gelegen rechthoekige toegangsdeur, bereikbaar via twee hardstenen treden. De deur wordt gekenmerkt door een strakke, geometrische opbouw en roedeverdeling, en is uitgevoerd in metaal in combinatie met structuurglas. In tegenstelling tot de originele bouwplannen, waarbij de opdrachtgever in grote letters werd vermeld op de bovenbouw van de gevel (niet uitgevoerd), wordt verwezen naar de functie door middel van twee bewaarde, rechthoekige bronzen gevelplaten, links en rechts van de toegangsdeur, die ten minste aangebracht waren sinds de tweede helft van de jaren 1940. Deze vermelden in een moderne belettering de naam van de vakbond die sinds 1939 in voege was, namelijk respectievelijk "Algemeene/ Centrale/ der/ Liberale/Vakbonden/ van/ België/ secretariaat" en "Centrale/ Generale/ des/ Syndicats/ Liberaux/ de/ Belgique/ secretariat". Rechts van de toegangsdeur is in de onderbouw een aansluiting op het waternet en een brievenbus ingewerkt.

De achtergevel van de voorbouw, die geopend is met rechthoekige vensters en voorzien is van een erkervormige uitbouw in de uiterste noordelijke travee, gaat nu ter hoogte van de gelijkvloerse verdieping schuil achter de toegevoegde passerelle tot Woning Velghe.

Ter hoogte van de rechtertraveeën wordt het volume al sinds de eerste bouwfase doorgetrokken in een achterbouw in haar verlengde, gebouwd tegen de zuidelijke perceelsgrens. De noordelijke zijgevel van de achterbouw heeft een gevarieerde, dynamische volumeopbouw, die de interne organisatie vertaalt. Ze bestaat uit twee tot heden drie bouwlagen – met verschillende bouwlaaghoogtes – onder een plat dak, en een parement uitgevoerd in roodbruin metselwerk. Het huidige uitzicht wordt bepaald door aanpassingen eind jaren 1940, wanneer de volumes aan weerszijden van de halfronde uitbouw werden vergroot naar voren en verhoogd tot dezelfde kroonlijsthoogte. Vlak achter de voorbouw sloot een travee aan met een toegang (heden ingenomen door een passerelle tot Woning Velghe) en vervolgens een halfrond uitgebouwde travee ter hoogte van de traphal. De traphal was oorspronkelijk twee bouwlagen hoog, maar werd later verhoogd tot drie, waarbij het aanwezige venster van de eerste verdieping werd verplaatst naar de tweede verdieping en voor de eerste verdieping nieuwe glas-in-loodramen werden voorzien. Deze travee wordt geflankeerd door een volume van één travee en twee bouwlagen, waarbij de hoge vensters op beide niveaus de in de ruimte aanwezige mezzanines visualiseren. De volgende travee is halfrond uitgewerkt over de twee bouwlagen en is geopend naar het noorden met regelmatige, rechthoekige vensterpartijen, op de bovenverdieping ingevuld met glas-in-loodramen. Daarnaast was er nogmaals een rechte travee voorzien en een toegangstravee. Deze laatste werd later opgeofferd bij de bouw in 1955 van een kantoorgebouw van zes bouwlagen met dakverdieping onder een plat dak en ook de aanpalende travee is heden geïntegreerd in deze recentere bouw. Het schrijnwerk van alle vensters die uitkijken op het binnengebied is vernieuwd, met uitzondering van de geometrische glas-in-loodramen in de traphal van de achterbouw, en de figuratieve glasramen die aan de binnenzijde van de vensters van de bovenverdieping van de halfronde uitbouw zijn bewaard.

Interieur

Achter de zakelijke, moderne vormgeving van het exterieur gaat een rijkelijke aankleding van het interieur schuil, die al op het einde van de jaren 1930 werd toevertrouwd aan de nv Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene, die het realiseerde in een kenmerkende art-decostijl. Deze firma zou ook instaan voor de stoffering en meubilering van het pand tijdens latere aanpassingen tot in de jaren 1970, aangepast aan de mode van dat moment.

De planindeling is tot op heden grotendeels bewaard. Het gebouw is gedeeltelijk onderkelderd en omvat volgens de bouwplannen in de voorbouw aan de straatzijde een kelderruimte onder de drie linkertraveeën, met ten zuiden een algemene kelder, ten noorden een voorraadkelder en achterin ruimtes voor de centrale verwarming en kolen. Op een ander plan worden de kelders achterin aangeduid als waskelder en gewone kelder. De achterbouw was eveneens grotendeels onderkelderd en omvatte functionele ruimtes voor het archief, de inpakdienst en het ontwikkelen van foto’s, maar eveneens een bergplaats en kelders voorzien voor de kolen en verwarming. Op de gelijkvloerse verdieping getuigt het grondplan van de voorbouw van een symmetrische schikking rondom de centrale inkom, die doorloopt in een hal tot de achterbouw met de trapzaal. Aan weerszijden van de inkom is – volgens de oorspronkelijke bouwplannen – aan de straatzijde links een spreekplaats voorzien (zuid) en rechts een wachtplaats (noord). Op een later plan wordt de ruimte links aangeduid als bureel, en op plannen van 1955 wordt het lokaal links benoemd als wachtzaal en rechts als ‘huissier’ (lokaal van de portier). Daarachter wordt de hal geopend aan weerszijden met een traphal met bordestrap enerzijds (zuid) en anderzijds een brede doorgang naar de ruimte voor de beheerraad in de rechtertravee (noord). Deze functie strekt zich uit over de volledige diepte van het pand, vanaf de straat tot de erkervormige uitbouw. Verder langs de hal bevindt zich ten zuiden de vestiaire – in feite de receptie, op een ander plan bureel van de controledienst of in 1955 wachtzaal – en ten noorden het bureau van de bestuurder, ten tijde van de bouw Alfons Colle. De bovenverdieping van de voorbouw omvatte initieel het appartement van de bestuurder dat bereikbaar was via de traphal en gestructureerd was rondom een gang, evenwijdig aan de straat. Aan de voor- en achterzijde bevonden zich in de twee zuidelijke traveeën drie logeerkamers en een slaapkamer, en in de volgende travee een badkamer en een keuken. In de noordelijke travee was over de volledige diepte van het gebouw een leefruimte voorzien met zit- en woonplaats. Aan de achterzijde gaf deze toegang tot een balkon, dat ook bereikbaar was vanuit de slaapkamer en de keuken. Eind jaren 1940 was de ene logeerkamer die gevat was tussen de kleine traphal en de grotere trapzaal van de achterbouw omgevormd tot een opengemaakte vestiaire. Op plannen van midden jaren 1950 waren de functies nogmaals aangepast en bevond zich aan de straatzijde van zuid naar noord een wachtzaal, een ruimte voor het secretariaat, sanitair, en vervolgens de vergaderzaal van de commissie, doorlopend tot de achtergevel met het bureel van directeur Colle. De vestiaire die in verbinding stond met de traphal was op deze plannen uitgebreid, en in de derde travee bevond zich een dactyloruimte. De in 1947 toegevoegde tweede verdieping omvatte logeerkamers en in de drie zuidelijke traveeën aan de achterzijde een grote ruimte die op de plannen was aangeduid als eetzaal, maar werd ingevuld als bibliotheek. Op plannen van midden jaren 1950 was ze aangeduid als conferentiezaal en op dat moment werd ze geflankeerd door het bureel van de toenmalige voorzitter Van Glabbeke.

De achterbouw was bereikbaar vanuit de centrale hal van de voorbouw. Deze leidde naar de monumentale trapzaal met gebogen bordestrap en een doorgang aan de zuidzijde tot de andere functies in deze achterbouw. In de travee ten westen van de trapzaal zijn op de gelijkvloerse verdieping een bureel en het bureau van het bestuur gesitueerd, die uitgeven op de trapzaal. Op een plan van 1955 was dit één ruimte bedoeld als secretariaat. De grote halfronde ruimte omvatte het centraal bureau, met een kleinere, afgesloten bureauruimte aangeduid op de bouwplannen met 'comptabiliteit'. Het bureau stond in een open verbinding met de dactyloruimte die in de westelijke travee was gesitueerd. Op een ander plan werd deze ruimte benoemd als kantoor van de boekhouding. De doorgang aan de zuidzijde van het volume gaf in die travee toegang tot het sanitair en een achteruitgang. Deze uitgang werd midden jaren 1950 opgeheven bij de bouw van het grootschalige kantoorgebouw dat hierop zou aansluiten. Op de bovenverdieping gaf de trapzaal toegang tot een spreekplaats en archiefruimte, ofwel bureel voor pers en statistiek of bureel voor de loonbeweging, dat nadien werd vergroot naar het noorden en verhoogd werd met een mezzanine. De grote halfrond uitgebouwde ruimte erachter was voorzien als vergaderzaal en boekerij, later omgevormd tot auditorium en benoemd als de Rode Zaal. In de westelijke travee was net zoals op de gelijkvloerse verdieping sanitair gesitueerd en het in 1948 toegevoegde bureel van de sociale wetgeving.

Het complex vormt een voorbeeld van de ontwikkeling van de kantoorbouw in Gent tijdens het interbellum en de naoorlogse periode. De kleinschalige kantoren die op dat moment werden gebouwd in stedelijke context waren vaak totaalontwerpen in een gematigde, eigentijdse vormgeving, specifiek aangepast aan de administratieve hoofdbestemming van het complex. Op typologisch vlak herbergen de gebouwen eveneens enkele elementen die kenmerkend waren voor de toenmalige bedrijfscultuur, zoals de aanwezigheid van een appartement voor de directeur in het kantoorgebouw, wat de relatie tussen het bedrijf en het bestuur versterkte, en de aanwezigheid van burelen in de vorm van ruime lokalen met individuele bureaus, voorzien van doorkijk en controle vanuit de aanpalende bureaus.

De hiërarchische indeling stond ook in verhouding tot de interieurafwerking. De nadruk lag hierbij op de ontvangstvertrekken op de gelijkvloerse verdieping van de voorbouw, die een kwalitatieve, voor die ruimte geconcipieerde afwerking en meubilair van De Coene kregen. De andere ruimtes, bijvoorbeeld het appartement van de bestuurder, werd soberder afgewerkt, maar was wel voorzien van specifiek door De Coene ontworpen meubilair. Ook voor de bibliotheek was dit het geval. In de achterbouw met kantoren primeerde de functionaliteit, wat leidde tot makkelijk te onderhouden tegelvloeren en ingewerkte kastenwanden. Deze ruimtes werden voor het merendeel ingevuld met eenvoudig kantoormeubilair, die in tegenstelling tot het maatwerk in andere ruimtes, vaak standaardontwerpen van de firma waren. Het auditorium en het bureau van de loonbeweging in de achterbouw kregen bijvoorbeeld wel vanuit hun specifieke functie een aangepast meubilair.

Het Secretariaat van de ACLVB wordt gekenmerkt door een hoge ensemblewaarde, representatief voor de ontwikkeling van de interieurkunst en decoratieve kunsten tijdens het tweede en derde kwart van de 20ste eeuw. Aangezien ook latere aanpassingen door firma De Coene gebeurden, bleef de homogeniteit bewaard, evenals de artistieke waarde van het geheel. Gezien de evolutie van het pand tot in de naoorlogse periode zijn de bewaarde interieurs en meubels representatief voor de toenmalige stijlvoorkeuren, die evolueerden van art deco tot een zekere versobering, in de lijn van de smaak van het interbellum, en aldus ook representatief voor de ontwikkeling binnen het oeuvre van De Coene. Esthetiek werd hierbij verzoend met functionaliteit.

De interieurafwerking is het gaafst bewaard op de gelijkvloerse verdieping van de voorbouw, namelijk in de inkom en vestibule, de oorspronkelijke spreekplaats en wachtplaats, de traphal, de vestiaire en het bureau van de bestuurder. De vloeren, wanden, lambriseringen, binnenschrijnwerk, omkastingen van radiatoren en verlichtingsarmaturen creëren een bijzonder spel met materialen, kleuren, licht en texturen. Exclusieve houtsoorten en fineer worden hierbij gecombineerd met natuursteen, tegels, metaal en glas. Indirecte verlichting en aangepaste (vaste en losse) meubelensembles spelen hierop in. Latere aanpassingen van bijvoorbeeld de vloer in de circulatieruimtes tot travertijn, integreren zich in het ensemble. Op de bovenverdieping van de voorbouw is de vaste inrichting van de bibliotheek bewaard. In de achterbouw springen in eerste instantie de bewaarde, geometrische glas-in-loodramen in de traphal in het oog. Hoewel de afwerking in de achterbouw grotendeels is verstoord, zijn de vaste inrichting en kastenwanden in het bureau van de loonbeweging en in het auditorium wel grotendeels bewaard. Het auditorium onderging meerdere aanpassingen, maar bewaart wel een serie glasramen van De Coene in de halfronde uitbouw. Deze glas-in-loodramen representeren de verschillende provincies aan de hand van de belangrijkste industrieën en ambachten, en wapenschilden in de bovenlichten.

Ondanks de bestemming als kantoor, die leidde tot noodzakelijke aanpassingen, flexibele herinvullingen en verkoop van meubilair, is het ontwerp aldus herkenbaar bewaard. De afwerking van De Coene is bovendien omvangrijk, niet alleen aangezien het een volledig complex omvat, maar ook in tijd. De uitzonderlijk goede documentatie van de oorspronkelijke toestand en van de diverse bouw- en afwerkingsfasen met foto’s en archiefdocumenten, vormt een uiterst rijke aanvulling op de materiële bewaringstoestand.

  • Archief ACLVB, Secretariaat aan de Koning Albertlaan, bouwplannen, foto's en documentatie (onder meer in functie van Open Monumentendag 1997).
  • Archief Leen Meganck, Documentatie en nota’s omtrent de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden, naar aanleiding van Open Monumentendag 1997.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Mutatieschetsen Gent, afdeling IX (Gent), 1937/61.
  • Rijksarchief Kortrijk, Verzameling de Coene nv.
  • Stadsarchief Gent, Bouwaanvragen particuliere woningen, G12, 1936/A/9, 1947/K/40, 1948/K/12, 1955/K/16, Litt K/50/64, Litt K/35/66 en Litt K/63/66.
  • D’HONDT B. 2014: Van Andriesschool tot Zondernaamstraat: gids door 150 jaar liberaal leven te Gent, Gent.
  • DEBAVEYE J. 2014: De gebouwen van de Centrale, brochure ACLVB Infocentrum.
  • DEHAEN C. i.s.m. NEERMAN P. 2007: Paul Vandenbulcke (1916-1974), waardering van een uitzonderlijk begaafd decorateur-ontwerper, Art De Coene Jaarboek 7, 30-36.
  • GERMONPREZ F. 1983: Jozef De Coene en de Kortrijkse Kunstwerkstede, Tielt.
  • HERMAN F. & MAYEUR R. (eds.) 2006: Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene, 80 jaar ambacht en industrie, meubelen, interieurs, architectuur, Kortrijk.
  • MEGANCK L. 1995: Algemene centrale der Liberale vakbonden van België, Koning Albertlaan 95, Gent, 22 april 1995, Interbellum-interieurbezoek 47, Gent, 299-305.
  • MEGANCK L. 1997: Gebouwen van de Liberale Vakbonden, Koning Albertlaan – Gent, folder ter gelegenheid van Open Monumentendag.
  • MEGANCK L. 2002: Bouwen te Gent in het Interbellum (1919-1939): stedenbouw, onderwijs, patrimonium: een synthese, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, Universiteit Gent, Vakgroep Kunstwetenschappen.
  • MEGANCK L. en POULAIN N. 2006: Kantoorgebouw van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden, Art De Coene Jaarboek 6, 10-14.
  • MEGANCK L. & VAN LANCKER H. 1997: Gebouw van de Liberale Vakbonden, Koning Albertlaan, in: VAN DOORNE G. en BAILLIEUL B. (eds.), Open monumentendag 1997 Gent, Gent, 128-133.
  • POULAIN N., HENDRICKX H., HOSTENS N. en PAUWELS P.J.H. 2016: Kortrijkse kunstwerkstede De Coene: Art deco, erfgoedtentoonstelling 2016, Schoten.
  • S.N. 1938: In de Algemeene Centrale der Liberale Vakbonden van België, Plechtige Inwijding der Nieuwe Lokalen te Gent, De liberale Syndicalist 14.170 februari, 1, 4-6.
  • S.N. 1997: Beknopte historiek van de Liberale Vakbonden, onuitgegeven brochure, Gent.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/44021/138.1, Secretariaat en kantoren van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België.
Auteurs :  Verhelst, Julie
Datum  : 2018


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Secretariaat en kantoren van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/216402 (Geraadpleegd op 04-06-2020)