Norbertijnerabdij

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Oude abdij van Drongen
Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Gent
Deelgemeente Drongen
Straat Drongenplein
Locatie Drongenplein 26, 26B-D, 27, Gent (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Gent (actualisaties: 01-01-2006 - 24-09-2007).
  • Adrescontrole Gent (adrescontroles: 25-09-2007 - 25-09-2007).
  • Inventarisatie Gent (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1983).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).
  • Thematische inventarisatie 20ste-eeuwse kerken (geografische inventarisatie: 01-07-2008 - 31-12-2009).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Norbertijnerabdij

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

omvat de bescherming als monument Norbertijnerabdij met abdij- en bijgebouwen, kloostertuin en begraafplaats
gelegen te Drongenplein 26, Drongenplein 26B, Drongenplein 26C, Drongenplein 26D, Drongenplein 27 (Gent)

Deze bescherming is geldig sinds 09-06-1998.

Beschrijving

De karakteristieke dorpskern van Drongen wordt bepaald door het in de 19de eeuw beboomd rechthoekig dorpsplein met oorlogsmonument van 1922 en het aan de Leie gelegen monumentaal abdijcomplex met de aansluitende parochiekerk.

Historiek

De voormalige norbertijnerabdij is op het moment van de bescherming (1998) een rustoord van de paters jezuïeten, ontmoetingscentrum en bezinningscentrum, bekend onder de naam "Oude Abdij".

De vroegste geschiedenis van de abdij blijft nog zeer onduidelijk. Volgens sommige bronnen zou in de "Vita Basini" melding gemaakt worden van de stichting omstreeks 633 door de Frankische vorst, de Heilige Basinus, van een kerk toegewijd aan de Heilige Maria, met toevoeging van een klooster "Altum monasterium beatae Mariae" voor seculiere kanunniken. Volgens andere bronnen werd het klooster gesticht door de Heilige Amandus. In de 9de eeuw werd het klooster vernield door de Noormannen en wederopgebouwd onder impuls van graaf Boudewijn de Kale in 884. In 1138 werd het klooster ontbonden door Iwein van Aalst, heer van Drongen: schenking van de goederen aan premonstratenzers of norbertijnen. Abt Egidius Baers liet in 1552 werken uitvoeren aan het koor. Kort nadien (1566) volgden echter de vernielingen van de beeldenstormers en calvinisten. In 1579 vond de openbare verkoping van het abdijcomplex plaats en de nagenoeg volledige sloop. De monniken zouden meer dan een eeuw in hun refugiehuis te Gent verblijven. De wederopbouw van de kerk gebeurde onder abt Frans Schautheet aan het einde van de 16de eeuw. De wederopbouw en de uitbreiding van de abdijgebouwen werd onder verschillende abten in de 17de en 18de eeuw gerealiseerd. De ringmuur rondom het klooster werd gebouwd in 1636 onder abt J. Goethals. De definitieve heropbloei is te situeren onder abt A. Merlijn met de bouw van de zuidvleugel in 1653-1655, sacristie en kerktoren in 1656. Onder abt Norbertus van den Kerckhove in 1663-1665 volgde de bouw van de andere pandvleugels en overwelving ervan. Abt Claudius Steuperaert bracht de kanunniken terug naar de abdij na de voltooiing der werken in 1698. Abt Petrus de Caesemaeker liet in 1732-1734 de kerktoren wederopbouwen, in 1727 door brand vernield, en liet in 1738 een nieuw prelaatskwartier bouwen in de zuidwesthoek van het complex. Kort voor zijn dood vond de eerstesteenlegging van een nieuwe vleugel in het verlengde van de westelijke pandvleugel plaats, afgewerkt onder prelaat Antonius de Stoop.

In 1797 werd de abdij afgeschaft en verkocht. Lieven Bauwens, die het complex in 1802 aankocht, richtte er een katoenfabriek in. Hij paste met de nodige verbouwingen het prelaatshuis aan tot woonhuis en richtte ten westen ervan een gebouw op dat later diende tot bakkerij. Hij verkocht omstreeks 1820 de fabriek aan zijn schoonbroer F. De Vos-Bauwens. Van 1822-1823 af deed de abdij dienst als kleurstoffenfabriek van Verplancke. In 1836 tenslotte werd de abdij aangekocht door de jezuïeten als noviciaat voor hun Belgische provincie met uitbreiding van de gebouwen en bouw van een nieuwe kapel tot gevolg. Een nieuwe kerk werd gebouwd na sloop van de oude in 1859, doch met behoud van de 18de-eeuwse toren.

Beschrijving

Tot de 16de eeuw gebruikte de abdij het koor van de parochiekerk, afgescheiden van het schip, voor de officies. In de tweede helft van de 16de eeuw werd de bouw van een nieuwe kerk aangevat. Van de voormalige tweebeukige kerk van vijf traveen, evenals van het koor, bleven enkele schaarse sporen en de toren van 1732-1734 bewaard. Archeologisch onderzoek, uitgevoerd in de jaren 1970 op het terrein tussen de kerk en de kloostergebouwen, bracht talrijke restanten aan het licht van de verdwenen abdijkerk. De huidige decanale kerk Sint-Gerulfus in neobarokstijl dateert van 1858-5189 en is opgetrokken uit baksteen naar ontwerp van de Gentse architect Frans Cardon, iets meer noordwaarts dan de oude kerk.

De abdij omvat vier rondom een rechthoekige binnenplaats gegroepeerde vleugels van 1653-1655 (zuidvleugel) en 1663-1665 (andere vleugels) met aanpassingen uit de 18de, de 19de en de 20ste eeuw. De abdijgebouwen zijn kenmerkend voor de regionale contrareformatie-architectuur. De okerkleurig geschilderde gevels op gepikte zandstenen plint tellen zeven (oost- en westvleugel) en negen (noord- en zuidvleugel) traveeën onder leiendaken met talrijke dakkapellen. De begraasde binnenplaats is toegankelijk via een centrale deur in de zuidvleugel, voorheen met uitbouwtje, verwijderd in 1852. Oorspronkelijk bevatte de noordvleugel slechts één bouwlaag, in 1843 werd deze voorzien van een bovenverdieping. De westvleugel is onderkelderd. De gevels op de binnenplaats worden geritmeerd door getoogde benedenvensters met metalen roedenverdeling, gevat in een zandstenen omlijsting met bekronende waterlijst, en rechthoekige bovenvensters. Er zijn sporen van doorlopende platte banden ter hoogte der dorpels. De bepleisterde en witgeschilderde kloostergangen zijn op de begane grond voorzien van gedrukte barokke kruisgewelven (1662-66) tussen zandstenen gordelbogen met verdiepte spiegel op gesculpteerde consoles en zwarte marmeren bevloering. De bepleisterde plafonds op de bovenverdieping van de kloostergangen vertonen moerbalken rustend, in de westvleugel op consoles.

De zuidvleugel, gebouwd in 1653-1655 en overwelfd in 1662-1666, bevat naast de kruisgang de refter, de deels onderkelderde keuken, het vroegere calefactorium en infirmerie en op de bovenverdieping, toegankelijk via twee stenen trappen in de oost- en westhoek, het dormitorium en de in 1878 nieuw gebouwde kapel in neogotische stijl naar ontwerp van Jean-Baptiste Bethune.

De bak- en zandstenen zuidgevel, uitziend uit op de Leie, telt twaalf traveeën op een plint van Doornikse steen en is voorzien van speklagen. De getoogde benedenvensters zijn gevat in een zandstenen omlijsting met waterlijst. Het laag rechthoekig en door zandsteen omlijst deurtje van de keuken bevindt zich tegenover het vroegere veer. De bovenverdieping is door de 19de-eeuwse verbouwing opgesplitst in twee delen. Links, boven de refter, bevindt zich het in 1878 hoger opgetrokken deel met vijf spitsboogvensters van de neogotische kapel, in plaats van de vroegere lager geplaatste kruiskozijnen, waarvan sporen zichtbaar blijven. Het acht traveeën brede rechterdeel bevat op één na gewone rechthoekige vensters en ook sporen van een gesloopt aanbouwsel. De gevels worden respectievelijk afgelijnd door een kroonlijst op muizentand en op modillons en vertonen gedichte steigergaten. De refter is vier traveeën lang en overkluisd met vier kruisgewelven tussen gordelbogen op consoles. De witbetegelde keuken heeft een kleurrijke vloer van cementtegels en is eveneens overwelfd met een kruisgewelf.

De kapel op de bovenverdieping is voorafgegaan door een portaal of inkomhal met kunstig aangelegde vloer met incrustratie van marmer en wordt aan de koorzijde verbonden met een sacristie uitgerust met grote sacristiekasten. De deuren naar de kapel bevatten neogotische briefpanelen. De rechthoekige eenbeukige neogotische kapel is overwelfd met een drielobbig figuratief beschilderd houten spitstongewelf met afwisselend zware en lichte moerbogen. De interieurdecoratie werd onder leiding van Jean-Baptiste Bethune verzorgd in 1878-1884. De tegelvloer met kleurrijke tegels met geometrische patronen trekt eveneens de aandacht.

Het mobilair, onder andere de drie (oorspronkelijk vijf) altaren, in neogotische stijl werd eveneens vervaardigd door het atelier van J.ean-Baptiste Bethune. Het houten hoofdaltaar met baldakijn, ontworpen in 1877, werd uitgevoerd door de gebroeders L. en L. Blanchaert in 1879-1882. Voor de zijaltaren van Sint-Franciscus-Xaverius en Sint-Jan-Berchmans leverde L. Blanchaert in 1878 de mensa en De Boeck en Van Wint in 1880 de retabels.

De noordelijke langsmuur en de koormuur zijn door het atelier Adriaan Bressers beschilderd met damastpatronen, monogrammen en tekstbanderollen. De figuratieve schilderingen houden verband met heiligen van de jezuïetenorde en zijn geschilderd door R. de Pauw naar schetsen van Bethune. De twaalf apostelen en de drie gepersonifieerde beloften zijn door baron Bethune zelf geschilderd in 1882.

Een reeks plaasteren heiligenbeelden (twee maal vier) onder baldakijn en op sokkel bevinden zich tussen de brandglasramen en de geschilderde taferelen. Zij werden gesculpteerd door De Boeck, Van Wint en door L. Blanchaert in 1879, 1881, 1883, 1884. Zij worden geflankeerd door neogotische metalen kaarshouders. De vijf gebrandschilderde ramen zijn van het atelier van Arthur Th. Verhaegen die in 1876 het glazeniersatelier van Bethune had overgenomen. Elk glasraam is in Romeinse cijfers in een herdenkingstekst op het glasraam gedateerd: 1878 of 1879.

De oostvleugel met voormalige kapittelzaal vertoont twee lagere bovenverdiepingen (opsplitsing in 20ste eeuw) met haast vierkante vensters, in plaats van de bibliotheek. Tussen het derde en vierde benedenvenster van de binnenplaatsgevel zijn sporen van een gedichte rondboogdeur merkbaar. De vleugel heeft een hardstenen plint. De buitengevel is versierd met het gesculpteerd wapenschild van abt Claudius Steuperaert (1693-1731), met zijn leuze "Non sine spinis", onder wie deze kloostergang in 1698 voltooid werd. Op de bovenverdieping zijn nog sporen zichtbaar van de vroegere vensters met zandstenen neggen en kordons.

De kruisgang is binnenin verrijkt met witgeschilderde plaasteren kruiswegstaties van circa 1851. De monumentale neobarokke halfverheven taferelen zijn gevat in een rondboogvormige pseudonis, bekroond met een kruis, geflankeerd door engelenhoofdjes, en rustend op een console bestaande uit een cartouche omringd door rankwerk.

Een eikenhouten deur in neorenaissancestijl met gebroken fronton leidt naar de gewezen kapittelzaal, in de 19de eeuw genaamd "de aanbiddingskapel" en door architect Loys Vervenne in het derde kwart van de 20ste eeuw vernieuwd als de zogenaamde "groene kapel". Deze bepleisterde en witgeschilderde zaal van vier traveeën is overspannen met een bepleisterd gedrukt gewelf tussen gordelbogen van stuc rustend op pilasters, aangevuld met 19de-eeuwse stucornamenten.

De noordvleugel is enkel een kruisgang als verbindingsvleugel met de oost- en westvleugel. In 1843 werden de vier linker, door L. Bauwens gesloopte traveeën wederopgebouwd en werd de bovenverdieping toegevoegd, met op de middelste penant van de gevel aan de kloosterhof een zonnewijzer. In de kloostergang hangen negen grote schilderijen onder andere van L. Achtschellinck (17de eeuw).

De westvleugel bevat het oude prelaatskwartier en de administratieve lokalen. De streng geritmeerde westgevel bevat vierkante keldergaten in de plint van deels Doornikse steen en zandsteen, uitziend op vijf kelderruimten van drie traveeën diep: in de eerste ruimte netvormig koepelend graatgewelf op bakstenen aanzetten. De gevel is doorgetrokken over een later aanbouwsel (archief en spreekruimte) met rechthoekige vensters met sporen van doorlopende dorpels en kruismonelen en behouden duimen. In de zuidwesthoek verlichten twee houten dakkapelletjes met puntgeveltje en gotisch maaswerk het doksaal van de neogotische kapel in de zuidvleugel. De zalen zijn overspannen met een later bepleisterde balklaag. In de jaren 1950 werden op de zolderruimte slaapzalen ingericht.

Het archief en de spreekruimte zijn gebouwd onder prelaat de Caesemaeker en werden voltooid onder zijn opvolger prelaat de Stoop in 1740, in het verlengde van de westvleugel van de kloostergang zodat de gevelordonnantie doorloopt over zevenentwintig traveeën. De kelders worden overkluisd met graatgewelven en een gedrukt tongewelf (wijnkelder). De dwarsvleugel ten noorden is een constructie uit eind 19de eeuw. De huidige hoofdingang bevindt zich in de oostgevel tegenover de kerkdeur, tevens werd de gevel in de 19de eeuw voorzien van nieuwe vensters. De neobarokke gevels zijn opgetrokken naar analogie met bestaande constructies: omlijste steekboogvensters met middenrisaliet van vier traveeën voorzien van houten dakkapellen met een driehoekig fronton. De gang en een gedeelte van de aanpalende ruimte van de voormalige spreek- en archiefkamers is overwelfd met een bepleisterd gewelf met 18de-eeuws stucwerk tussen moerbalken.

Ten noordoosten van de kloostergangen bevindt zich een L-vormige vleugel van acht en tien traveeën, die vermoedelijk in kern opklimt tot de 18de eeuw en in 1898 met twee verdiepingen werd verhoogd. De verankerde bakstenen gevels hebben licht getoogde vensters. De oksel van beide vleugels werd circa 1852 voorzien van een uitspringend trappenhuis. De trap werd vermoedelijk vernieuwd tijdens het interbellum.

Het prelaatskwartier werd door L. Bauwens ingericht als woonhuis en doet thans dienst als rustoord der jezuïeten. De ten zuidwesten van het kloosterhof aangebouwde vleugel werd opgetrokken in 1738 (onder abt de Caesemaeker) misschien onder leiding van Bernard De Wilde. De vleugel telde oorspronkelijk negen traveeën en twee bouwlagen in Lodewijk XIV-stijl met driehoekig fronton boven de drie middentraveeën. In 1885 werd deze vleugel uitgebreid met twee traveeën en met een verdieping verhoogd, nog duidelijk zichtbare bouwnaad. Het afgewolfd zadeldak omvat houten dakkapellen. De verankerde ontpleisterde voorgevel met licht uitspringende zijtraveeën is voorzien van rechthoekige vensters op lekdrempel. De centrale deur in arduinen omlijsting in empirestijl werd vermoedelijk aangebracht door L. Bauwens: deze is geflankeerd door Toscaanse pilastertjes en voorzien van een empire bovenlicht. Het wapen van de jezuïeten werd later boven de deur ingemetseld. De bepleisterde en geschilderde achtergevel op arduinen plint ziet uit op de Leie. In de zuidoostelijke oksel bevindt zich een bakstenen aanbouwsel uit het einde van de 19de eeuw.

Het interieur werd nagenoeg volledig aangepast eind 19de en 20ste eeuw en voorzien van een nieuwe eiken bordestrap met balusterleuning.

Het retraitegebouw aan de oostzijde is een lange vleugel opgetrokken in 1881(?)-1883 in aangepaste stijl. De verankerde bakstenen gevel telt veertien traveeën en drie bouwlagen met vernieuwde steekboogvensters in hardstenen omlijsting met waterlijst. Het licht uitspringend deurrisaliet met neobarokke rondboogdeur met ijzeren roedenverdeling is gevat in een bepleisterde bakstenen omlijsting. De kroonlijst is afgewerkt met een aflijnende muizentandfries. Ten zuiden is het gebouw verbonden met de oude kloostergang door een neobarok aanbouwsel met deurtje en omlijste steekboogvensters en een recente constructie met mijterboogvormige galerij naar ontwerp van architect Vervenne. Het trappenhuis bevat een eiken bordestrap uit het interbellum en wordt verlicht met twee glasramen met voorstellingen van Maria en pater Petit.

Het dienstgebouw (koetshuis en latere bakkerij) ten zuidwesten van het prelaatskwartier werd opgetrokken rond 1879 en uitgebreid in 1883. Het betreft een rechthoekig bakstenen gebouw van twee bouwlagen en zeven traveeën met een rondboogarcade op de begane grond en onder een zadeldak (pannen). De bakstenen gevel op gecementeerde plint vertoont een bouwnaad tussen de derde en de vierde travee, wijzend op de uitbreiding. Broeikassen met glazen lessenaarsdak werden later erachter en ernaast gebouwd, eerstgenoemde is nu verdwenen.

Ten westen van de abdijtuin bevinden zich werkhuizen en voormalige hoevegebouwen van verschillend volume ingeplant op een verspringende rooilijn, die evenals de overige abdijgebouwen okerkleurig geschilderd zijn. Naar verluidt is de voormalige hoeve gebouwd op de plaats van een kapel en aangepast in de 19de eeuw.

Voor de werkhuizen bevindt zich een kleine ommuurde begraafplaats van de jezuïeten met kerkhofkapel waarin een kruisbeeld en twee 19de-eeuwse grafplaten staan. De begraafplaats is toegankelijk via een fraai ijzeren hek aan bakstenen pijlers. Grafplaten zijn opgehangen aan de ommuring van de begraafplaats met neogotische vormgeving.

Naast de zijingang van de oude abdij staat een kapelletje met kruisbeeld en grafplaten met inscripties vanaf 1849, naar verluidt zou hier een vroegere begraafplaats geweest zijn.

De vrij sobere aanleg van de 10 hectare grote kloostertuin ten westen van het abdijcomplex is geïnspireerd op de Engelse landschapstuin. Het geheel is van de buitenwereld afgesloten door ten noorden de bakstenen tuinmuur aan de straat, ten oosten de oude abdij, ten zuiden de Leie en ten westen de dienstgebouwen. De tuin krijgt een romantisch accent door de onmiddellijke nabijheid van de Leie-arm die met zijn grillig verloop een groot deel van de tuinarchitectuur beheerst. Diverse nog vrij geometrisch aangelegde wandelpaden doorkruisen of leiden langs beboomde grasperken. Enkele hagen zijn aangeplant en gesnoeid als loofgang. Een boomgaard, moestuin met serres en een kwekerij, vormen de typische utilitaire elementen van de kloostertuin. Een gracht scheidt het eigenlijke parkgedeelte van de boomgaard en de vroegere meersen aan de Leie, ten westen begrensd door een midden 19de-eeuwse lindendreef en gracht. Ten oosten van dit gedeelte gelegen aan de Leiebocht is nog een grote vijver bewaard.

De Sint-Jozefskapel of kapel van Pater Petit werd gebouwd op de noordhoek van het terrein in 1937-1938 ter gelegenheid van het eerste eeuwfeest van de jezuïeten in Drongen.

De abdij is mooi gelegen tussen een Leie-arm en het zogenaamd Drongenplein. In 1863, na de bouw van de nieuwe parochiekerk, werd het dorpsplein met leilinden beplant. In 1867 werden ook aan de straatkant ten oosten van de abdij linden geplant. Het geplaveide rechthoekige plein is thans afgeboord met vier rijen linden waartussen nu parkeerplaatsen voorzien zijn.

Ten westen van het plein, voor de ingang van de abdij, bevindt zich een oorlogsmonument, plechtig ingehuldigd in 1922. Het bronzen beeldhouwwerk in reliëf van Domien Ingels (1881-1946) is gevat in een architecturale omlijsting van zandsteen met herdenkingsteksten aan beide wereldoorlogen.

  • Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, Beschermingsdossier DO002077, Oude abdij (S.N., 1998).

Bron: -

Datum tekst: 2015

Alle teksten

Aanvullende informatie

Voor het verblijf in de abdij schonk van Coxie een schilderij, dat er hing tot aan de Franse Revolutie.

  • VAN ELSLANDE R., Een Verrijzenis van Raphaël van Coxie, in Dronghine, jb. 1990, p. 119-133.

van Elslande, Rudy (24-12-2011 )

Relaties

maakt deel uit van Drongenplein

Drongenplein (Gent)

omvat Parochiekerk Sint-Gerulfus

Drongenplein 26, 26B-D, Gent (Oost-Vlaanderen)

omvat Sint-Jozefskapel

Drongenplein zonder nummer, Gent (Oost-Vlaanderen)

is gerelateerd aan Dreef van etagelindes bij oude Abdij van Drongen

Oude-Abdijstraat zonder nummer (Gent)

is gerelateerd aan Gekandelaarde lindendreef bij Oude Abdij van Drongen

Oude-Abdijstraat zonder nummer (Gent)

is gerelateerd aan Gekandelaarde lindendreef bij Oude Abdij van Drongen

Oude-Abdijstraat zonder nummer (Gent)

is gerelateerd aan Halve loofgang van haagbeuk bij Oude Abdij van Drongen

Oude-Abdijstraat zonder nummer (Gent)

is gerelateerd aan Leilinden dorpsplein Drongen

Drongenplein zonder nummer (Gent)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.